“Allegorie, de lijfelijkheid van een idee

Allegorie van de Dag. Jan van den Hoecke 1645-1655

Jan van den Hoecke is een Antwerpse schilder, tekenaar en ontwerper van wandtapijten. Mogelijk krijgt hij zijn eerste lessen van zijn vader Caspar van der Hoecke II (1595-1648). In het begin van zijn carrière is van den Hoecke een leerling van Peter Paul Rubens (1577-1640). Stilistisch is hij verwant met de grootmeester. Van den Hoecke zal de verworvenheden van de kunst van Rubens verbinden met het zeventiende-eeuwse Italiaanse classicisme.

(Barok in Vlaanderen)

Begin je onderaan links te tellen dan heb je, eens helemaal rond, twaalf putti geteld, de uren van de dag die zich rond de god Apollo bewegen op een stijgende, hangende en dalende manier. De tegenhanger, een allegorie van de nacht rondom Diana of Selene, (de maan) van dezelfde schilder.

Misschien een kopie van Pieter Thijs van een werk van Van den Hoecke (Beide schilders waren hofschilders in Wenen bij Leopold Wilhelm

De moderne combinatie van dag en nacht zou je bij M.C. Escher kunnen vinden.

Met Dag en Nacht laat Escher zijn unieke artistieke visie op het Nederlandse polderlandschap zien. Het is een van zijn eerste op vlakvulling gebaseerde houtsneden; een compositie waarbij figuren zich herhalen en transformeren tot nieuwe vormen. Akkers worden vogels, dag wordt nacht. (Fries Museum)
M.C. Escher ‘Dag en Nacht’ (klik op onderschrift om te vergroten)

Neem ik je mee naar Gent, MSK, naar een schilderij van Léon Frederic (1856-1940) ‘Allegorie van de nacht’. Olieverf op doek. 70cm x 54,5cm

De allegorie van de nacht is geïnspireerd op de Griekse mythologie waarin de Nacht voorgesteld wordt als een gesluierde vrouw. Zij is de moeder van een tweeling, de Slaap en de Dood, hier weergegeven door twee naakte kinderen. Mogelijk zinspeelde Léon Frédéric ook op een andere traditie in de West-Europese kunst. De slapende kinderen verbeelden dan de Ochtend en de Avond, nog niet gewekt uit de intense verbondenheid met hun moeder, de Nacht. Frédéric wist hier zijn belangstelling voor de weergave van droombeelden te verbinden met de kunst van de door hem zo bewonderde Italiaanse renaissance. Zowel de scherpte van de uitvoering als het raffinement waarmee hij de transparante stoffen schilderde, herinneren aan schilderijen van Botticelli, wiens werk hij leerde kennen op zijn studiereizen naar Italië. (Museum voor Schone Kunsten Gent)

Van deze schilder vind je drie afleveringen in ‘In de stilte’, te beginnen met:

“De mens is deze nacht, dit lege niets, dat alles in zijn ongescheiden eenvoud bevat: een rijkdom van een oneindig aantal voorstellingen, beelden, waarvan geen enkele hem klaar voor de geest komt, of die er niet zijn als iets werkelijk tegenwoordigs. Het is de nacht, de innerlijkheid van de natuur, die hier bestaat: het pure persoonlijke Ik. In fantasmagorische voorstellingen is het overal nacht: hier duikt plotseling een bloedend hoofd op, daar een witte gestalte; even plotseling verdwijnen ze. Het is deze nacht die men ontwaart wanneer men een mens in de ogen kijkt: dan dompelt men zijn blik onder in een nacht die ontzettend is; het is de nacht van de wereld die tegen ons aan hangt.”

G.W.F. Hegel

Allegorie van de nacht. Annibale Carracci.

En of wij dan echt in een ‘spektakelmaatschappij’ leven? We hebben het onderwerp al meer dan één keer geciteerd, Guy Debords ‘spektakelmaatschappij en hier doet Frank Vande Veire het in ‘De nacht straalt in een meisjesoog’ (Over Hegels’ einde van de kunst in de Witte Raaf van sept-okt 1995, editie 57.)

"De tweede zin van “La société du spectacle”, Guy Debords kritische analyse van de spektakelmaatschappij, is exemplarisch voor deze avant-gardistische kritiek op de voorstelling. Ze luidt: “Al wat direct werd geleefd, heeft zich in een voorstelling verwijderd”. Dit suggereert dat er ooit een tijd was waarin de mens het leven werkelijk leefde en dat hij zich nadien ervan heeft vervreemd in allerlei levenloze voorstellingen waarin hij nu afgescheiden van zichzelf leeft; tevens dat het de bedoeling is van elke revolutionaire praxis, politiek of esthetisch, dat de mens zich zijn ontstolen leven weer zou toeëigenen. Als consequent marxist en hegeliaan ziet Debord uiteindelijk slechts heil in de (zelf)opheffing van de kunst, die in deze optiek het domein is waar de voorstelling, zich bewust wordend van haar valsheid, zichzelf tenietdoet."

Lees zelf verder:

L’Aurore Schilderij door Jean Baptiste Champaigne (1631-1684) (ec.flam.) 1668

allegorie

Etym: Gr. allos = anders, oneigenlijk; allègoria = beeldspraak < allègoreein = in beelden spreken.

Vorm van beeldspraak die een hele zin of meerdere zinnen wordt volgehouden, in tegenstelling tot de metafoor, waarbij één woord door een beeld wordt vervangen. In de lyriek bijv. kunnen metaforen en vergelijkingen op elkaar voortbouwen en daardoor in elkaar vloeien tot één beeld. Vandaar ook de benaming uitgewerkte metafoor (Fr. métaphore filée, métaphore continuée; Du. durchgeführte Metapher; Eng. extended metaphor). Een dergelijke allegorische beeldspraak betreft gewoonlijk slechts een onderdeel van een tekst, maar kan ook door een heel gedicht heen aangehouden worden. Een voorbeeld is het uitgewerkte natuurbeeld in het gedicht ‘Ic was in mijn hoofkijn om cruit gegaen’ van Zuster Bertken (1426 of 1427 – 1514), waar het hofken staat voor de ziel; de distels, doornen en een opgeschoten boom voor de zonden, de tuinier voor Jezus, de lelie voor onschuld en zuiverheid, en de rode roos voor de goddelijke liefde.

Wanneer de allegorische beeldspraak in het hele werk wordt volgehouden, wordt ook het complete werk een allegorie genoemd. De term kan dus zowel een stijlmiddel als een genre aanduiden. Het interpreteren van een allegorie of van een allegorische tekst noemt men allegorese. (algemeen letterkundig lexicon 2012-…)

Allegorie op der zeven standen Onbekende Meester. 17de eeuw Klik om onderschrift om te vergroten.

Allegorie op de zeven standen

Van links naar rechts staan opeenvolgend de paus, de keizer, de edelman, de jurist, de boer, de handelaar, de dokter en de dood uitgebeeld. Onder elke figuur staat een inscriptie die hen in de mond wordt gelegd. Ze staan of zitten bij een open graf. Dergelijke allegorieën illustreren dat alle standen gelijk zijn voor de dood. Doorgaans worden slechts vier standen voorgesteld waardoor ze vaak aangeduid worden als De Vier Standen of De Vier Waarheden. Het thema knoopt aan bij de traditie van de Memento Mori en de laat-middeleeuwse Dodendans, waar men vertegenwoordigers van verschillende standen en leeftijden met de dood confronteerde. Naast de moraliserende strekking wordt hier ook op schertsende wijze de maatschappelijke verhoudingen en de handelswijze van bepaalde mensen in beeld gebracht waardoor het schilderij een sociaal-politieke betekenis krijgt. Baron P. Frédéricq legateerde op 23 maart 1921 dit schilderij aan het museum.
(STAM Museum Gent City Museum. )
Allegorie van de ijdelheid. 1654 Antonio de Perada y Salgado

“Je kunt ‘de Allegorie’ fraai en esthetisch noemen, maar in Frankrijk was er al tijdens het leven van de bekende schilder Eugène Delacroix (1798-1863) toch enig protest te horen. In haar artikel ‘Allegorie als kritiek -De allegorische werken van Eugène Delacroix schrijft Marijke Jonker:

De allegorie was in Delacroix’ tijd een omstreden genre. Het zeventien-de-eeuwse Franse classicisme had de allegorie in de genre hiërarchie nog boven de historieschilderkunst geplaatst.
Achttiende-eeuwse theoretici veroordeelden de allegorie omdat die teveel een beroep deed op het intellect, in plaats van op het oog en het gevoel van de beschouwer. Het begrip symbool werd geïntroduceerd als tegenhanger van allegorie. Goethe is de belangrijkste theoreticus van dit nieuwe symbool begrip. Voortbouwend op de door onder anderen Lessing en Winckelmann gewekte aandacht voor de esthetische waarde van de klassieke beeldhouwkunst, stelde Goethe dat bij een symbolische voorstelling schoonheidservaring en intellectueel begrip niet te scheiden zijn. Reynolds bleef, als een der weinigen, de allegorie verdedigen, maar meer vanwege haar decoratieve dan vanwege haar intellectuele waarde. “

Marijke Jonker studeerde kunstgescbiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. Zij promoveerde daar in 1994 op het proefschrift Diderot’s shade, the discussion on ‘ut pictura poesis’ and expression
in French art criticism, 1819-1840 (Ann Arbor,UMI, 1999). Zij is werkzaam bij het Tropenmuseum.)
La Liberté guidant le peuple, 1830, olieverf op doek, 260 x 325 cm, Louvre, Parijs Klik op onderschrift om t vergroten.

“Delacroix’ onderwerpskeuze is van het begin af aan gedurfd: een scène uit Dantes Divina Commedia, het lot van de slachtoffers van de massamoorden die de Turken tijdens de Griekse Vrijheidsoorlog aanrichtten op het eiland Chios, de dood van de Perzische tiran Sardanapalus, de executie van de doge Marino Faliero. In deze vroege werken zien we al zijn neiging om zich niet vast te leggen op één stijl, maar bij ieder onderwerp terug te grijpen op de trant van een kunstenaar of school die naar zijn mening het beste bij het onderwerp paste.

Vanaf het begin van Delacroix ’ carrière zien we ook belangstelling voor de allegorische voorstelling. Deze bood de schilder meer dan de historie-schilderkunst de gelegenheid om problemen en ideeën die hem sterk bezighielden met zijn publiek te delen zonder dat hij zijn toevlucht tot sentiment en overduidelijke didactiek hoefde te nemen. (ibidem)

De mannelijke metgezellen van de Vrijheid, haar geweer en haar muts met driekleurige kokarde benadrukken haar eigentijdse en volkse karakter. Weer verbindt Delacroix allegorie en contemporaine geschiedenis naadloos met elkaar. Zijn gebruik van de allegorie is sinds Het stervende Griekenland gewaagder geworden en zijn kritiek op de school van David duidelijker. Hij stelt het onbetamelijke naakt van een volksmeisje tegenover de verbloemde erotiek van de op Griekse godinnen-beelden gebaseerde, onbereikbare vrouwen die de school van David afbeeldt.

Het artikel is te raadplegen via:

Eugène Delacroix, Women of Algiers, c. 1832–34, oil on canvas, 46 x 37.8 cm (Musée du Louvre, Paris, photo: Steven Zucker, CC BY-NC-SA 2.0)

En hier is dan het onderwerp een heuse portret van drie vrouwen uit Algiers in hun dagelijks doen en laten, weg van de symboliek, dichtbij de werkelijkheid van alledag. Een alledag in Algiers uiteraard.

Zelfs met muziek tot in detail te bekijken:

En deskundig gerestaureerd is het te bewonderen (met vakkundige toelichting) via onderstaande link:

https://www.louvre.fr/expositions-et-evenements/evenements-activites/les-femmes-d-alger-d-eugene-delacroix

Een minnares en muze van Picasso, Françoise Gilot, vertelde later dat Picasso werkelijk geobsedeerd was door het werk van Delacroix en vooral dan door ‘Les femmes d’Alger’. Ook Picasso’s bekende ‘Les demoiselles d’Avignon’ werd erdoor geïnspireerd. Gilot: ‘Haast een keer per maand gingen we samen naar het Louvre waar hij het doek van Delacroix kon bestuderen. Ik vroeg hem toen wat hij van Delacroix dacht. Zijn ogen vernauwden tot fijne spleetjes. “De smeerlap. Hij was echt goed,” zei Picasso toen.’

Het doek werd (11 mei 2015) geveild voor 179,3 miljoen dollar (160,8 miljoen euro). In 1997 was het doek ook geveild. Toen bracht het ‘slechts’ 32 miljoen dollar op. De eerste eigenaars waren de Amerikaanse verzamelaars Victor en Sally Ganz, die het werk in 1956 kochten van Picasso’s galerijhouder Daniel Kahnweiler. Zij telden 212.500 dollar neer.

(Bart Dobbelaere De Standaard 12 mei 2015)

Eugène Delacroix, Self-portrait in a green vest (detail), 1837, oil on canvas, image CCØ

Het lag voor de menselijke hand dat een allegorie, met enig deskundig ingrijpen, het makkelijk tot ‘spotprent’ brengt.

Allegorie op Oliver Cromwell. Spotprent op Cromwell, 1652. Uytbeeldinge van de Hoogmoedige Republijk van Engelandt, Mitsgaders een Prognosticatie van den wijt vermaerden D. Nosterdamus, al over de 60. Jaren van hem voorseydt, noopende den Oorlog tusschen Engelandt en Hollandt (titel op object)
Spotprent op Cromwell en de Engelsen in de Eerste Engelse Oorlog, 1652. Oliver Cromwell wordt door een geldstukken schijtende griffioen of roofvogel gekroond met een kroon met pauwenveren. Hij houdt de Fransman in bedwang onder de arm, en haalt met de andere hand de ingewanden uit de buik van een vermoorde Hollander, tussen zijn benen smeken de Schot en de Ier om genade. Op de achtergrond kleine voorstellingen van aanleidingen tot de oorlog: het verkopen van geroofde goederen, de onthoofding van koning Karel I en twee voorspellingen: de vernietigng van de Engelse vloot door branders en de aanval op de Engelsman door de Hollandse Leeuw met behulp van de Schot, de Fransman en de Ier. Op het blad onder de plaat een vers in 4 kolommen en de legenda A-L. (wikimedia)
Apodichtische Waaren, allegorie op de filosofie van Kant (1774-1833). Jacob Smies (Nederlander 1785-1833)
Spotprent op de filosofie van Kant. In een drukke apotheek wordt rechts een menselijk geraamte onderzocht en uiteengenomen; in het midden worden in een grote kolf filosofie-boeken omgekookt tot `abrakadra'.

bezoek:

https://www.rijksmuseum.nl/en/collection/RP-T-1897-A-3489

En tenslotte een Allegorie op het zondige leven, onbekend kunstenaar. Zeg niet dat we je niet gewaarschuwd hadden. Gelukkig nieuw jaar, met veel schoonheid, goed gezelschap en deugddoende stilte.

Allegorie op het zondige leven 1530

Kopprent: 5. August 1772 - Polen-Litauen wird im Petersburger Vertrag erstmals geteilt

“We zullen de Europese beschaving naar de arme Irokezen brengen.” In zijn brieven aan Rusland en Oostenrijk bouwt Frederik II het propagandabeeld op van een hoognodige missie tegen Polen-Litouwen - door middel van een kleinerende vergelijking met de zogenaamde Indianen van Noord-Amerika. Voor de Pruisische koning zijn de Polen “een onbegrijpelijk volk” dat “diep in barbarij en domheid ligt”.

Tegelijkertijd pleitte hij in zijn diplomatieke correspondentie met Sint-Petersburg en Wenen voor een nieuwe strategie om oorlog te vermijden. De grootmachten zouden hun onderlinge conflicten niet langer op het slagveld moeten beslechten, maar over de ruggen van zwakkere landen.

Geschiedenis, zei u?