SUMMER WIND/ZOMERWIND

Grant Wood (1891-1942) The birhtplace of Herbert Hoover ‘1931)
Summer Wind
William Cullen Bryant (1794-1878)

It is a sultry day; the sun has drunk
The dew that lay upon the morning grass;
There is no rustling in the lofty elm
That canopies my dwelling, and its shade
Scarce cools me. All is silent, save the faint
And interrupted murmur of the bee,
Settling on the sick flowers, and then again
Instantly on the wing. The plants around
Feel the too potent fervors: the tall maize
Rolls up its long green leaves; the clover droops
Its tender foliage, and declines its blooms.
But far in the fierce sunshine tower the hills,
With all their growth of woods, silent and stern,
As if the scorching heat and dazzling light
Were but an element they loved. Bright clouds,
Motionless pillars of the brazen heaven—
Their bases on the mountains—their white tops
Shining in the far ether—fire the air
With a reflected radiance, and make turn
The gazer’s eye away. For me, I lie
Languidly in the shade, where the thick turf,
Yet virgin from the kisses of the sun,
Retains some freshness, and I woo the wind
That still delays his coming. Why so slow,
Gentle and voluble spirit of the air?
Oh, come and breathe upon the fainting earth
Coolness and life! Is it that in his caves
He hears me? See, on yonder woody ridge,
The pine is bending his proud top, and now
Among the nearer groves, chestnut and oak
Are tossing their green boughs about. He comes;
Lo, where the grassy meadow runs in waves!
The deep distressful silence of the scene
Breaks up with mingling of unnumbered sounds
And universal motion. He is come,
Shaking a shower of blossoms from the shrubs,
And bearing on their fragrance; and he brings
Music of birds, and rustling of young boughs,
And sound of swaying branches, and the voice
Of distant waterfalls. All the green herbs
Are stirring in his breath; a thousand flowers,
By the road-side and the borders of the brook,
Nod gayly to each other; glossy leaves
Are twinkling in the sun, as if the dew
Were on them yet, and silver waters break
Into small waves and sparkle as he comes.
Grant Wood Haying, 1939
Zomerwind (vertaling nog in de steigers)
William Cullen Bryant - 1794-1878

Het is een zwoele dag; de zon heeft gedronken
van de dauw die op het ochtendgras lag;
Er is geen geritsel in de hoge iep
die mijn woning overkoepelt, en zijn schaduw
verkoelt me nauwelijks. Alles is stil, behalve het zwakke
en onderbroken gemurmel van de bij,
gezeten op de zieke bloemen, en dan weer
onmiddellijk het vleugelwerk. De planten rondom
voelen de te krachtige vurigheid: de hoge maïs
rolt zijn lange groene bladeren op; de klaver laat
zijn tere blaadjes hangen, en verliest zijn bloemen.
Maar ver in de felle zon torenen de heuvels
met al hun groei van bossen, stil en streng,
alsof de verzengende hitte en het verblindend licht
slechts een element waren waar ze van hielden. Heldere wolken,
onbeweeglijke pilaren van de koperen hemel.
Hun basis op de bergen - hun witte toppen
schijnend in de verre ether, branden de lucht
met een gereflecteerde gloed, en doen
de blik van de toeschouwer wegdraaien. Voor mij, ik lig
loom in de schaduw, waar de dikke zoden,
nog maagd van de kussen van de zon,
een beetje frisheid bewaren, en ik maak de wind het hof
die nog steeds zijn komst uitstelt. Waarom zo traag,
zachte en wispelturige geest van de lucht?
Oh, kom en adem op de verwelkende aarde
koelte en leven! Is het in zijn grotten
dat hij mij hoort? Kijk, op die beboste heuvelrug,
buigt de den zijn trotse top, en nu
onder de dichterbij gelegen bosjes, kastanje en eik
hun groene takken spreiden. Hij komt;
daar waar de grasweide in golven deint.
De diepe angstige stilte van dit gebeuren
breekt met het mengen van ontelbare geluiden en
 beweging overal. Hij is gekomen,
een regen van bloesems  van de struiken schuddend,
en draagt hun geur met zich mee; en hij brengt
muziek van vogels, en geritsel van jonge takken,
en geluid van zwiepende takken, en de stem
van verre watervallen. Al de groene kruiden
roeren zich in zijn adem, duizend bloemen,
aan de wegkant en de randen van de beek,
knikken vrolijk naar elkaar; glanzende bladeren
fonkelen in de zon, alsof de dauw
er nog op zat, en zilveren water breekt
in kleine golven en glinsteren als hij komt.
Oneindig heid, Stone City Iowa – Grant Wood
About This Poem

“Summer Wind” first appeared in the United States Literary Gazette, the editor of which solicited twenty-three poems from Bryant for publication in its first volume. The poem hinges on a personification of the wind, which the speaker implores to blow and make the hot day cooler. Poet and critic Richard Henry Stoddard writes, in his introduction to the Poetical Works of William Cullen Bryant (D. Appleton and Company, 1878), that, in the poem, “[a] new element appeared [. . .], and was always present afterward in Mr. Bryant’s meditative poetry—the association of humanity with nature—a calm but sympathetic recognition of the ways of man and his presence on the earth.” Contrastingly, in William Cullen Bryant (Sheldon and Company, 1879), scholar David Jayne Hill writes that the poem belongs to a “class of poems” in which “no higher effect is aimed at than to bring the mind face to face with the charms of Nature for the delight of mere contemplation.” (Poets.org Poems)
Grant Wood-New-Road-by-wood-1939
William Cullen Bryant, author of "Thanatopsis," was born in Cummington, Massachusetts on November 3, 1794. He is considered an American nature poet and journalist, who wrote poems, essays, and articles that championed the rights of workers and immigrants. (ibidem)
Young Korn Grant Wood

Schilderijen van Grant Wood USA, 1891-1942