Entry into Jerusalem Van Dyck.jpg

Buskus. Een zot woord. Bus-kus. Van de dingen die nu niet te kussen zijn is een bus er zeker eentje. Te groot.  Meestal te vuil. En te triestig. Vooral ’s avonds als ze hun mistroostig binnenlicht aandoen.  Er is geen lelijker licht dan het licht in een bus.

Hij had wel eens van kikkers gehoord, toch ook niet de meest charmante dieren, en als ge daar het juiste exemplaar van zoudt kussen kon de kikker in een prinses veranderen.
‘Ma, sorry, maar ik heb…’
‘Ventje toch, zijt ge weer bezig geweest. Alé kom maar binnen juffrouw.’
En de twaalfde prinses zette zich bij de elf getransformeerden en maakte met de anderen verder ruzie of ze met pasen hun haar blauw of chocoladekleurig zouden verven.
‘Wat zit ge daar zo heimelijk te lachen?’
Hij legde haar zijn probleem met het woord ‘bus-kus’ uit.
‘Het is buks-sus ventje. Met een x geschreven. Buxus.’
De oudste van Mermans heette Sus. Lang en schriel. Nu hoorde hij zijn vader om de haverklap: ‘buk sus!’ roepen, en:
‘Zijn kop is blauw van overal tegenaan te lopen. Nu zult ge denken dat zo’n bonestaak toch beter dan wie ook uit zijn doppen kan kijken, maar…’
‘Hij zit met zijn hoofd in de wolken,’ zei hij luidop.
Zijn moeder keek hem onbegrijpend aan.
‘Ik bedoel…Niet op letten, ma. Ik zag weer van alles gebeuren.’
‘ ’t Is hier beneden te doen, jongen.  Niet in de wolken.’
‘Ik wist niet dat palm ‘buxus’ heette,’ probeerde hij haar te ontwijken.
‘In feite is dat geen echte palm, maar omdat wij in ons klimaat geen echte palm kunnen planten hebben wij buxus die ook in de winter groen blijft palm genoemd. En morgen, met palmen-zondag herdenken wij Jezus die Jerusalem binnenreed op een ezel terwijl de mensen hem toejuichten en met echte grote lange palmtakken zwaaiden.’
‘En een paar dagen later hangen ze hem aan het kruis?’
‘ Zo zijn de mensen, jongen.  Hebt ge uw handen gewassen want we gaan dadelijk eten.’

Van de nonnen hadden ze voor elk kind een struikje buxus gekregen. Om het zondags te laten wijden. Elk jaar stak zijn moeder een takje achter het kruis nadat ze de verdorde van vorig jaar in de kachel verbrandde. Weggooien mocht niet, dat was zonde.
Ze had hem verteld dat hun grootvader bij onweer rond de boerderij ging terwijl hij de muren met de hulp van palm besprenkelde met wijwater. Om de bliksem af te weren. En met aswoensdag diende de asse van oude palm om hen een zwart kruisje op het voorhoofd te drukken.
‘Gedenk mens dat gij stof zijt en tot stof zult wederkeren.’
‘Onder mijn bed ligt het vol dode mensen,’ had hij haar gezegd.

Gij stinkt naar pis,’ zei hij tegen het busseltje palm. ‘En ik weet waarom.  Gij hebt Jezus verraden. Eerst maar zwaaien en bravo-bravo roepen en een paar dagen later, waar waart ge toen? Ge had die Judas tegen zijne laffe kop kunnen kletsen en nu heeft god u laten stinken. Als straf. Ik laat u niet wijden. Gij kunt niks. Zelfs geen bliksems tegenhouden. Ge maakt de mensen bang met een zwart kruisje. Haha zegt ge, ik blijf altijd groen maar gij hé ventje, gij gaat eraan. En wat doen ze met uw stof? Wat maken ze van uw asse? Niks. Ze stoppen u in de grond. Dat kan, maar wees maar gerust dat mijn stof vergif voor buxus is. Groeit gij maar onder de kettingen van de nonnen op het kerkhof. Ik zal eerst een klein treurwilgje zijn vol vlinders en daarna komen er elk jaar paasbloemen uit mijn stof. Hebt ge die al eens geroken?’

Waar is uwe bosje palm, jongen?
‘Ik ben hem onderweg verloren denk ik. Maar och, we hebben toch nog genoeg.  Voor wel duizend zwarte kruisjes en tien boerderijen.’

jonquille_07.jpg