VOORZICHTIGE OMSCHRIJVINGEN VAN EEN TRAGE AANWEZIGHEID (5)

 

the-art-science-company-valuations.jpg

 

De filoloog Giambattista Vico (1668-1744) werd voor meerdere filosofische karren gespannen, maar Cassirer zet hem als een der eersten voor een constructieve organisatie van de geesteswetenschappen.

‘Al bij hem vinden we het idee dat deze organisatie zich tegenover de logica van de wiskunde en de mathematische natuurwetenschap volstrekt zelfstandig zou moeten opstellen, en op eigen kenmerkende grondslagen moet berusten.’ (121)

Zowel de wetenschap waarin de ruimtelijke wereld , onderwerp van de geometrie, als de wereld van het lichaam, onderwerp van de fysica, berusten net als de geschiedenis op algemeen geldige principes die in het wezen van de menselijke geest hun grond vinden.
Zoals de geometrie niet alleen de wereld van de afmetingen beschouwt maar daaruit elementen construeert en voortbrengt, zo is dezelfde vooruitgang in de wereld van de geest niet alleen mogelijk maar zelfs noodzakelijk.

Je zou kunnen zeggen dat in de wereld van de geschiedenis er meer concrete realiteit en waarheid aanwezig is omdat de ordening van de mensenwereld vergeleken met de punten en lijnen meer realiteitswaarde heeft, dixit Cassirer al kan aan die stelling onmiddellijk getwijfeld worden zoals dat hoort in een goed filosofisch betoog.

ancient-hunter.png


Daarmee is de taak van de algemene logica van de geesteswetenschappen bepaald, gelijkwaardig aan die van de wiskunde en de natuurwetenschap.
In de filosofie zien we die stelling werkelijkheid worden na Kant, in de speculatieve systemen van Fichte, Schelling en Hegel.
Vooral Hegels fenomenologie en logica omvatten een sluitend en fundamenteel ontwerp van de concrete totaliteit van het geestelijk leven in de volheid van zijn vele verschijningsvormen.
Echter.
De inhoud van de hegeliaanse logica was onlosmakelijk verbonden met haar vorm, namelijk die van de dialectische methode.  Laat je deze vorm achterwege dan viel het geheel van de problemen, samengehouden door de eenheid van een metafysisch principe weer uiteen in een veelvoud aan afzonderlijke, louter methodologische vragen.
Want het was met name de methodologie van de geschiedeniswetenschap die zich van die van de wiskunde en de mathematische natuurwetenschap probeerde los te maken om een eigen plaats te veroveren. (122)
Je moest de logica van de geschiedeniswetenschap afbakenen door middel van de ‘idiografische’ methode ten opzichte van de ‘nomothetische’ methode van de natuurwetenschappen.

(idiografische:  idios= eigen, graphein= schrijven: studie van het gedrag dat het individu uniek maakt, tegenover nomos= wet: studie van groepen om algemene conclusies te trekken)
Het eerste moet je dus bij de alfawetenschappen gebruiken -geschiedenis en etnografie-, het tweede bij de bèta-wetenschappen om wetmatigheden te ontdekken)

2410087E00000578-2874373-All_of_the_images_are_painted_by_hand_but_are_inspired_by_micros-a-14_1418649699238.jpg


Cassirer noemt dit methodologisch onderscheid waardevol op zichzelf maar …het was een grove overschatting te geloven dat hiermee het eigenlijke fundament voor de opbouw van geestes- en cultuurwetenschappen zou zijn gevonden.
De reflectie op de vorm en de eigenheid van de historische kennis zegt namelijk op zich niets over de inhoud van deze kennis. (122)

Wil je die bepalen moet je vanuit die vorm van de historische kennis teruggaan naar de inhoud en het wezen van datgene  wat in de historische ontwikkeling optreedt.
(iedere geschiedenis heeft als concrete geschiedenis een bepaald subject: de geschiedenis van de staat, van het recht, de godsdienst, enz.)

52a5d15180eda.jpg


‘Deze constructies vallen echter niet geheel samen met de loutere uiterlijkheid van hun verschillende historische verschijningsvormen, maar openbaren in deze uiterlijkheid een innerlijk geestelijk principe.  De taal en de religie, de kunst en de mythe, bezitten elk een zelfstandige, van andere geestelijke vormen duidelijk onderscheiden structuur – ze zijn elk een eigen ‘modaliteit’ van het geestelijk begripsvermogen en de geestelijke vorming.’ (123)
De logica van de geschiedenis kan geen overzicht over het geheel van deze modaliteiten geven, over datgene wat het wezen van elk van hen uitmaakt en ze van het wezen van anderen onderscheidt.
‘Deze behoort namelijk, hoezeer zij zich ook onderscheidt van de logica van de mathematische natuurwetenschap, in principe nog steeds tot dezelfde dimensie van het denken.  Ze beweegt zich volstrekt binnen één enkele modaliteit, namelijk die van het kennen.’

Je komt daarmee steeds weer uit op de uitspraak van Descartes: de kennis op zich, de ‘humana sapientia’ is, ongeacht op hoeveel voorwerpen ze zich ook richt, toch altijd één en dezelfde en ontvangt van de verscheidenheid der dingen niet veel meer onderscheid dan het licht van de zon dat wordt weerkaatst door de verschillende objecten die het verlicht.

Nu kun je je afvragen of door die uitbreiding de logica niet haar vaststaande, traditionele begrip en eenduidige bepaling van dat begrip prijsgeeft.
Kan er op een andere manier dan in de overdrachtelijke zin, anders dan door middel van een metafoor, worden gesproken over een logica van de niet wetenschappelijke formaties?

Een dergelijke uitbreiding van het begrip logica, zegt Cassirer is niet alleen toegestaan maar het is de traditie zelf die meerdere zelfstandige aanzetten hiertoe biedt.
‘Zelfs de term ‘logica’ geeft aan dat reflectie op de vorm van het kennen van oorsprong nauw verweven is met de reflectie op de vorm van de taal.


En in onze tijd zal niemand nog het ideaal van de filosofische grammatica nieuw leven willen inblazen in die zin dat men de wetten van de taal simpelweg zou willen afleiden en deducren van die van het denken en concluderen.
Het idee van een ‘grammaire générale et raisonnée’ dat wetenschappers in de zeventiende en de achttiende eeuw steeds boeide lijkt nu door de historische en psychologische benadering  van de taal voorgoed voorbij te zijn. (124)

Maar dan komen er vragen.
‘Het lijkt lastiger een verband aan te wijzen tussen de logische en de eshetische wetmatigheden: want in de kunst verschijnt een structuur namelijk als een werkelijkheid sui generis, die alleen vanuit zijn eigen vormgevingsprincipe kan worden begrepen.

De rangorde? Wat denk je van de naam ‘gnoseologia inferior’, kenleer van de ‘lage vermogens van de ziel’? Een term uit de achttiende eeuw.
De logica van de verbeeldingskracht zal het tot in de 21ste eeuw moeten afleggen tegen de ‘lichtelijke’ overschatting van het geroemde geïsoleerde wetenschappelijk denken in onze schoolse opleidingen.
Een mythe? Laten we die vraag onbeantwoord en ons concentreren op de eigenheid waaruit de logica van de fantasie in het filosofische denken zijn intrede zou gedaan hebben. 

esp-street-stone-arte-antiguo-hipster-2.jpg

VOORZICHTIGE OMSCHRIJVINGEN VAN EEN TRAGE AANWEZIGHEID (4)

street-chalk-art-optical-illusion-6.jpg

 

Herlees je de zin waarmee een van de weinige opstellen in het Nederlands vertaald van Ernst Cassirer (1874-1945) opent:
‘De logica is zich pas bewust geworden van haar eigenlijke filosofische taak en haar systematische vorm doordat ze zich gelijktijdig ontwikkelde met het wetenschappelijk denken en zich hierop oriënteerde.’
dan vermoed je dat de probleemstelling al in de bewering vervlochten is:

‘Pas aan de hand van de bijzondere problemen die de methodiek van de afzonderlijke wetenschappen stelde, realiseerde ze zich haar algemene en alomvattende problemen.’

Bestond de wederzijdse realtie al sinds de grondlegging van de wetenschappelijke filosofie in de ideeënleer van Plato met in die platoonse dialectiek wat wij tegenwoordig ‘logica’ noemen, dan merk je dat ze geen eigen naam heeft en inhoudelijk nog nauw samenhangt met de methodeleer van de afzonderlijke wetenschappen.
De uitdrukking ‘logon didonai’ waarop alle filosofie is gericht is het begripsmatige ‘verantwoording’ afleggen en betreft evenzeer de inhoud van de kennis als de zuivere vorm ervan.
Cassirer geeft als voorbeeld  de geometrie in de Meno.


‘Deze ontdekking van de analytische methode van de geometrie legde de basis voor de algemene analyse van logische gevolgtrekkingen en beslissingen zoals we die terugvinden in de analytische werken van Aristoteles.’

opptest61.jpg


De eigenlijke dialectische kunst van het onderscheiden en verbinden is nog geen duidelijk zelfstandige logische techniek.
‘De leer van het logische begrip, van zijn klassen en soorten, toont eerder verwantschap met het probleem van de systematische classificatie in de beschrijvende natuurwertenschappen.’ (120)


Al onderscheiden de logische vormen zich scherp van de natuurlijke vormen, toch zijn ze niet onmiddellijk te kennen.
In deze versie van het probleem blijft bij Plato de grondtendens van de socratische leer van de begripsvorming, het principe van de socratische ‘inductie’, werkzaam.

‘En ook  de moderne logica (geschreven in 1926) is in die zin een logica van wetenschappelijke kennis gebleven, en wel in het bijzonder een logica van de wiskunde en de mathematische natuurwetenschappen.’
Nicolaas Cusamus (1401-1464), nog helemaal in beslag genomen door de problemen van de middeleeuwe scholastiek stelde echter:
‘Nihil certi habemus in nostra scientia nisi nostra mathematica’
en daarmee de basis legt voor een nieuwere vorm van filosoferen omdat hij tegenover de scholastiek een nieuw ideaal plaatst van ‘exactheid’, van praecisio van de kennis.

Volg je dan de ontwikkelingsgang in het licht (ja zelfs het ‘helderste licht’ schrijft Cassirer!) van de historische en systematische kennis tot bij Descartes, Leibniz en Kant dan blijft er niet veel ruimte  voor een andere conclusie dan dat de logica als logica van de zuiverste kennis niets anders kan zijn dan de logica van de mathematische natuurwetenschap.
En die conclusie vormt  de de kern en betekenis van een nieuwe filosofische methode waarvoor Kant de basis heeft gelegd: ‘de transcendentale methode’.
Voilà.
En zelfs de ontwikkeling die de wiskunde en de theoretische fysica sinds Kant heeft doorgemaakt lijkt deze samenhang niet alleen te bevestigen, maar zelfs vanuit een nieuwe invalshoek te versterken.

‘De expansie van de niet-euclidische geometrie, de veranderde definitie van de begrippen ruimte en tijd en de onderlinge verhouding daartussen die het gevolg was van de relativiteitstheorie, grijpt diep in de vormgeving van de algemene kenleer in en heeft deze voor een groot aantal nieuwe en vruchtbare taken gesteld.’ (121)

Maar op filosofische kousenvoeten schuift Cassirer de volgende zin onder zoveel stelligheid:
‘Veel complexer is van het begin af aan de verhouding tussen de logica als algemene ‘wetenschapsleer’ en het systeem van de ‘geesteswetenschappen’.
Laten we die volgende stap moedig zetten in een volgende bijlage. We zijn in bijzonder goed gezelschap.

 

ShadowProjection-large.jpg

 

VOORZICHTIGE OMSCHRIJVINGEN VAN EEN TRAGE AANWEZIGHEID (3)

homeboaboa-envsrcboawebsitesite_mediabig-julie.jpg

Het zou een manier van associërend denken kunnen zijn:  je brengt elementen samen die op het eerste gezicht zelfstandig genoeg betekenis hebben om op zichzelf af te zijn, maar die verwijzend en zelfs samengebracht wegen openen die je eigen denken en invoelen uitdagen, en je de moed geven uit je ‘comfort-zone’ te komen zonder in eindeloze en onvruchtbare interpretaties te vervallen.

Meestal is ons ‘verzamelen’ van elementen gebonden aan te vaste uitgangspunten (illustraties) en worden onderdelen alleen maar bewijzen voor het uitgangspunt dat op die manier zijn avontuurlijkheid verliest.
In de lagere school moesten wij voortdurend ‘prentjes’ verzamelen bij de lesonderwerpen, een educatieve poging van de overigens bekwame broeders van liefde om hun onderwijs ‘aanschouwelijk’ te maken.
Je zou dus ook moeten investeren in ‘beschouwend’ onderwijs, dat naast het ‘aandachtige’ aspect het bespiegelende, overdenkende en overwegende element aanbrengt.

Is het uitgangspunt: ‘wat denk jij over dit onderwerp’ al een stap in die richting, de vraag ‘denk-jij?’ is wellicht belangrijker.  Het ontwikkelen van de veelvuldige denkkracht van een groepje mensen zou zich niet tot het verwerken van leerstof mogen beperken waaraan vaak ten onrechte het denkvermogen wordt afgemeten. Een klas bestaat uit een aantal verschillende ‘zelven’ die op hun manier zich van de werkelijkheid bewust zijn en van nieuwe werkelijkheden bewust kunnen worden.
De leerstof-school vergeet dat het ‘zelf’ als ‘zelfproces’ een noodzakelijke voorwaarde tot bewustzijn is. Ontleed je dat proces dan kun je dat proces langs twee gezichtspunten bekijken.  

contrast-of-object-1930.jpg


‘Het ene is het gezichtspunt van een waarnemer die een dynamisch object taxeert: het dynamisch object dat bestaat uit bepaalde werkingen van een geest, bepaalde kenmerken van gedrag en een bepaalde levensgeschiedenis.  Het andere gezichtspunt is persoonlijk en heeft een beperkte reikwijdte. Het is het gezichtspunt van het zelf als kenner, het proces dat een richtpunt geeft aan onze ervartingen en ons uiteindelijk over die ervaringen laat nadenken.’
(Antonio Damasio, Het zelf wordt zich bewust, Hersenen, bewustzijn, ik, p20)

En nog belangrijker:
‘-wat het de geest mogelijk maakt te weten dat zulke domeinen -lichaam, geest, heden en verleden en al het andere- bestaan en toebehoren aan hun mentale eigenaars, is dat de waarneming van elk van deze dingen emoties en gevoelens wekt en dat gevoelens op hun beurt scheiding aanbrengen tussen de inhouden die tot het zelf behoren en de inhouden die dat niet doen. Vanuit mijn perspectief werken zulke gevoelens als stempels.  Zij zijn de op emotie gebaseerde signalen die ik somatische stempels noem.  Wanneer inhouden die tot het zelf behoren zich in de stroom van het bewustzijn voordoen, wordt er een stempel op gezet dat zich in de bewustzijnsstroom voegt als voorstelling, naast de voorstelling die daartoe aanleiding heeft gegeven.  Deze gevoelens brengen een onderscheid aan tussen zelf en niet-zelf. Ze zijn, in een notendop, gevoelens van kennen.’ (p21-22)

Het denken is dus een erg lichamelijke bezigheid door het unieke feit dat onze hersenen steeds in contact blijven met dat lichaam waardoor wij voorstellingen kunnen maken van onze eigen lichamelijkheid en haar gevolgen.   

the-woman-and-the-child-1922.jpg


‘Vanwege deze merkwaardige ordening kan de representatie van de wereld buiten het lichaam slechts de hersenen binnenkomen via het lichaam zelf, namelijk via de oppervlakte ervan.Het lichaam en de omringende omgeving zijn met elkaar in interactie en de veranderingen in het lichaam die door de interactie worden veroorzaakt, worden in de hersenen in kaart gebracht.  Het is zeker waar dat de geest via de hersenen van de buitenwereld op de hoogte wordt gesteld, maar het is even waar dat de hersenen slechts via het lichaam kunnen worden geïnformeerd.’ (p112)

Ik vermeld deze kenmerken rondom ‘gevoelens’ en ‘lichamelijkheid’ die de hedendaagse neurologie wetenschappelijk probeert te duiden om de plaats van beide componenten te beklemtonen in de vorming van het zelf dat zich bewust wordt.
Vaak zijn het de grote afwezigen in onze leerprocessen of wat dat daarvoor moet doorgaan.
De oude tegenstelling tussen geest en lijf blijkt hardnekkiger te zijn dan wat we nu wetenschappelijk kunnen duiden net zoals gevoelens nog steeds aan het denken worden ondergeschikt waar ze in feite bij de oorzaken ervan horen.
En dan wordt het tijd om naar filosoof Ernst Cassirer te gaan luisteren:

‘De logica is zich pas bewust geworden van haar eigenlijke filosofische taak en haar systematische vorm doordat ze zich gelijktijdig ontwikkelde met het wetenschappelijk denken en zich hierop gelijktijdig steeds oriënteerde.’

En zo begint een opstel van deze wijze man waarin de begripsvormen van het mythische en het symbolische denken worden onderzocht.
Hebben we uit angst voor de lange nacht voor en na onze dag van de roos Gabriël en Hermes opgeroepen of speelt de mythe een wezenlijke rol in het begrijpen van de hedendaagse mens?

mohikanen.jpeg

ZONDAGS MOMENT: ROZEN UIT ADONIS’ TUINEN (FERNANDO PESSOA)

XVM64e0413e-ffbe-11e4-a526-407458b54e5a-805x453.jpg

 De rozen uit Adonis’ tuinen,
De vluchtigen, bemin ik, Lydia, rozen
Wiens dag van ontluiken
Hun dag van sterven is:

Eeuwig is het licht voor hen,
Al bij zonsopgang geboren, verwelken zij
Voor Apollo’ s wagen
Zijn zichtbare weg gereden heeft.

Maken wij zo ons leven tot een dag,
Onwetend, Lydia, uit vrije wil,
Dat er nacht is vòòr en na
Het beetje dat wij duren.

 (11.7.1914)
Ricardo Reis (Fernando Pessoa) Oden.

As rosas amo dos jardins de Adònis,
Essas volucres amo, Lidia, rosas,
           Que em o dia em que nascem,
           Em esse dia morrem.

A luz para elas é eterna, porque
Nascem nascido jà o sol, e acabam
            Antes que Apolo deixe
            O seu curso visivel.

Assim façamos nossa vida um dia,
Inscientes, Lidia, voluntariamente
            Que hà noite antes e apos
            O pouco que duramos.

39b27ad71b775bcfea2110eda32baaa3.jpg

(Berthe Morisot (1840-1895), Enfant dans le jardin des roses)

 

VOORZICHTIGE OMSCHRIJVINGEN VAN EEN TRAGE AANWEZIGHEID (2)

2115558133_00cc1ebe42_z.jpg

In ‘het grote geheugen’ dat ons door tijd en ruimte verbindt blijkt de bode van de god(en) op diverse plaatsen te verschijnen. Springen we dus naar het oude Griekenland en laat ik Hermes zelf aan het woord.

Arcadië, zei je. Waar mijn moeder Maia, dochter van Atlas,  en alvader Zeus grensoverschrijdend gedrag in praktijk brachten: of hoe een oppergod, grenzeloos van nature en een frele bergnimf, letterlijk op de hoogte, voor de juiste mengeling zorgden waaruit ik ben geboren in een grot aldaar. Hermes die nu uit je pen gekropen komt, of  uit de juiste verbinding van toetsen en tellen op het computerscherm verschijnt.

Let op, nauwelijks enkele uren oud maakte ik een schildpad koud en bespande ik zijn schild met schapendarmen wat later ‘een lier’ zou heten. Na het musiceren ging ik op pad, pikte ik Apollo’s runderen en legde mij weer als onschuldig wicht in mijn wieg.
Neen, uedele zei ik toen hij een bekentenis uit mijn peutermond wilde horen.  Een stel runderen is hier wel vertrokken -ik had de beesten achteruit lopend naar mijn schuilplaats gedreven, de sporen liepen dus weg van mijn grot- en…
Een luid geloei onderbrak mijn verhaal.
O, is dat een meevallertje meneer Apollo, ze zijn op hun stappen teruggekeerd. Ik ben blijkbaar goed gezelschap, zeg nu zelf.

Veel drukte om niets. Mijn moeder getuigde in gezelschap van pa Zeus dat ik nooit tot zo’n wandaad in staat zou zijn, dat de dieren waarschijnlijk uit eigen beweging de grot met mijn goddelijk gezelschap hadden opgezocht maar het mocht niet baten. Tot ik hun geruzie overstemde met de fijnste klanken uit de pas ontworpen lier en Apollo door mijn spel betoverd, tranen met tuiten plengde.
Ik schonk hem na dit optreden als zoenoffer mijn instrument en hij, nog meer ontroerd, mij zijn vriendschap aanbood en daarbij als bewijs van zijn goede wil mij zijn kerykeion gaf, een met slangen omwonden staf.

Wie kunst en slimmigheid weet te mixen mag op belangstelling van mooie vrouwen rekenen. Zoek zelf maar uit wie Pan’s moeder is. Dat ik met Aphrodite zoete broodjes bakte kan een andere zoon, mijn lieve Hermaphroditus, getuigen die van dubbele kunne is om het beschaafd te zeggen.
Zelf was ik vaak in Zeus’ dienst die mij het kind toevertrouwde dat hij bij Callisto had verwekt en toen een ander liefje van de alvader, Semele, door vlammen werd verteerd, nam ik haar kind Heracles en probeerde het aan Hera’s borst te leggen want ieder die haar melk dronk werd onsterfelijk. Het joch beet echter in haar borst en de melk spoot door de lucht waardoor de melkweg is ontstaan.

Tussen mensen en goden bemiddel ik graag, ik de ‘psychopompos’, de zielengids die de gestorven ziel naar de onderwereld brengt. Patroon van de koopjes, handige prater maar raak ik je aan met mijn herautstaf dan droom je wat nog nooit is gedroomd.
Mijn gevleugelde sandalen (talaria) brengen mij als boodschapper snel naar god en mens. Tussendoor weid ik de kuddes en lees ik de toekomst uit de vlucht van vogels. In mijn vrije tijd bescherm ik de sport en haar beoefenaars.
Ik ben een woensdag-kind, de vierde dag van de week is aan mij gewijd.

264322971-zoom_prd_3s.jpg

VOORZICHTIGE OMSCHRIJVINGEN VAN EEN TRAGE AANWEZIGHEID (1)

3x2_68_13_GT_M_ARCHANGEL-GABRIEL_03.jpg

Telkens als jij opduikt, Gabriël, valt het woord angst.
Je probeert bij het begin van je aanwezigheid ons gerust te stellen met de uitdrukking: ’Vrees(t) niet.’
Ik probeer het beter te omschrijven want wellicht is dus vrees inderdaad  een beter woord, vrees voor het onbekende, het totaal andere.
Ik heb je in ‘Anderland’ heel vriendelijk als een soort lijfwacht getekend maar ‘Anderland’ is dan ook een kinderboek.
Een boodschapper die iemand angst aanjaagt -ik zie in een flits mensen weglopen voor de postbode- daar kun je geen kant mee uit. Echter: het nieuws dat je brengt kan zo onbegrijpelijk zijn dat enige vlucht ervoor best te begrijpen is. Soms denk ik dat jij ‘besef’ bijbrengt. Vraag me niet welk ‘besef’ -mijn ervaring met jou beperkt zich tot het oproepen van je wezen-, de onmacht van een oude schrijver- ik citeer maar de bronnen van mensen die naar men beweert met jouw wezen in contact zouden geweest zijn.

De kortsluiting die jouw komst veroorzaakt past beter bij de omschrijving die achter het werkwoord ‘overweldigen’ schuilgaat.
Overweldigen niet in de agressieve zin, in de aanvallende betekenis, maar gewoon door je aanwezigheid: je wezen is zo groot, of beter ‘diep’ dat het net daardoor ons als totaal vreemd overkomt.  Je hebt al de dimensies in je aanwezigheid, de tijd, de beweging, de aantrekkingskracht. Aanwezigheid.

unknown-artist-st-gabriel-the-archangel-mid-12th-century-duomo-di-cefalc3b9-cefalc3b9-province-of-palermo-sicilian-autonomous-region-italy.jpg


Dat heeft niets met ons begrip ‘omvang’ te maken in de materiële betekenis dan, want de schoonheid van een grasveldje, de magerte van een dun berkenboompje is tot vormen van dit ‘overweldigen’ in staat.
Je zou het bij het ‘numineuze’ kunnen klasseren, maar daar zal de neurowetenschap best een verklaring voor hebben. Er zijn genoeg neurotransmitters in onze hersenen aanwezig om allerlei numineuze of hoog verheven stemmingen te creëeren naast  emoties die diepe dalen en peilloze afgronden met zich meebrengen.

Toch wordt jouw wezen in verband gebracht met het meest kwetsbare: het ongeboren of pas geboren leven. Ook de materniteit waarin ik zelfstandig schepsel werd, droeg jouw naam.
Het gleufje tussen de neus en de lippen van de baby wordt wel eens het straatje van Gabriël genoemd. Je zou er de baby aanraken om hem het stilzwijgen over het heilige op te leggen. Op aarde zal hij alleen het mysterie kunnen vermoeden, het bevechten of het in het beste geval ondergaan zoals de droge aarde regen verwelkomt. Ik heb als kind al graag naar regen geluisterd. Maar let wel, het mysterieuze kan best in een wiskundige formule schuilen. Het moet een (voor mij ongekende) zaligheid zijn te ervaren hoe de abstractie van het materiële inzicht over het wordende en verglijdende kan bijbrengen. Nergens zijn grenzen zo mooi als in de wiskunde vermoed ik.
Geef me de tijd om je te benaderen en zie mijn schroom als het besef dat mijn armoede in jouw naam geborgen is. Dat is al wat.

marc eemans.jpeg

EEN ONVOORZIENE GEBEURTENIS

image004.jpg

 

 Toen hij promoveerde tot doctor in de wiskunde was dat niet dadelijk omdat zijn abstraherend kunnen hoog boven alle gevoel verheven was.
Hij beleefde de wiskunde immers niet als een reeks klare verbanden, logische oorzaken en duidelijke gevolgen.
Voor hem was het de meest zuivere weg om te vinden wat hij zijn hele leven hartstochtelijk gezocht had: de dood.

De dood.
Ze had helemaal niets afschrikwekkend.
Niets van de zeis, knoken en verrotting.
Ze was een betrachting zoals andere mensen een record willen breken.
Ze was een doel zoals kunstenaars zich ooit het ultieme kunstwerk voorstellen: helemaal af, zonder smet, ontdaan van twijfel. Een hoge vorm van genieten dus.
Een beetje oneerbiedig zou men kunnen zeggen dat voor hem de dood een hobby was, een dagelijks knutselen aan iets wat je nooit kon bereiken omdat je zo nodig voor vrouw, huis en kinderen moest zorgen.

Ik vertel je dat maar om duidelijk te maken dat zijn geest niet besmet was met de drang naar zelfvernieting, levenswalg of ver doorgedreven pessimisme, oorzaken die andere mensen in de armen van de dood kunnen drijven.
Zijn streven naar het einde was een dagelijkse honger, in de hand gehouden door de klare wetten van de logica, duidelijk gemaakt door zijn verlangen om geheel gecontroleerd en naar eigen scenario de levenden te verlaten.
Hij was een levenskunstenaar naar de wat vreemde betekenis van het woord.

Omdat hij zijn nazaten niet wilde opzadelen met de gevolgen van zijn persoonlijke emoties, was hij nooit gehuwd en had hij zich op de vlakte gehouden in zijn omgang met mensen.
Hij doceerde zijn wiskundecolleges, zwom elke woensdagavond een half uurtje in het stedelijk zwembad, luisterde veel naar de radio en las alleen maar de waterstanden en weersvoorspellingen in de krant.

Zijn eerste notities maakte hij al in zijn vroege jeugd.
Toen hij benoemd werd aan een kleine universtiteit vond hij meer tijd om zich geheel aan zijn levenseinde te wijden.
Het zou dan ook een prachtwerk zijn, een opperste poging om de verwachting met de werkelijke afloop te laten overeenkomen.

maxresdefault.jpg

Voor de buitenwereld moest alles heel gewoon lijken. Bijna een ongeval.
Geen spektakel dus, geen aandacht-trekkerij. Dat liet hij over aan amateurs, stuntels en ontgoochelden.
Het ging om zijn eigen genot, het besef dat zijn berekeningen klopten tot vier spreekwoordelijke cijfers na de komma.

In de late lente van dat jaar begon hij met het defintief controleren van al zijn gegevens. Eigenlijk had hij er niet tot zijn veertigste mee willen wachten, maar er waren heel wat nevendisciplines geweest die hij zich had moeten toe-eigenen om zijn merkwaardig einde te laten lukken.

Hij maakte een uitvoerige karakterstudie van de keukenhulp, een brommerige maar overigens goedaardige vrouw die ook eenmaal per week zijn flat oprommelde.
Hij wilde namelijk nauwkeurig berekenen wanneer zij het gas zou laten openstaan, uit haast, woede of uit vergetelheid.
Dat moest volgens zijn opzoekingen gebeuren als de vrouw in haar moeilijke jaren zou komen, in dit seizoen, de herfst, twee weken na volle maan, na een rumoerige dag waarin hij haar allerlei dingen zou verwijten.

Hij maakte een reeks kansrekeningen, bestudeerde een duizendtal statistieken zodat hij haarscherp het moment kon vaststellen.
Stond de gaskraan eeenmaal open dan voorzag zijn plan dat zijn hulp onmiddellijk naar huis ging, want nogmaals: hij wilde niemand schaden bij zijn opzet.

Hij berekende verder de tijd die nodig zou zijn om in de goed geïsoleerde kamer zoveel gas te laten binnenstromen om nog net de hulpdiensten te kunnen opbellen.
Ook wilde hij zo lang mogelijk bij het bewustzijn blijven om het verloop van zijn fabelachtige plan aan de lijve te ondervinden.
De afloop interesseerde hem minder. Eens hij de hulpdiensten had gebeld wilde hij zeker zijn dat hij bij zijn aankomst, en niet eerder maar ook niet later, in het ziekenhuis zou overlijden.

giotto7.jpg

Hij bestudeerde daarvoor het traject van de ambulance, hield rekening met veertien stoplichten met variabele tijden en zestien kruispunten met voorrang van rechts.
Daarbij kwam, en dat verhoogde zijn genot, dat op het tijdstip dat hij had vooropgesteld een schip met Rijnzand voor zes minuten oponthoud aan de brug zou zorgen.
Dat schip was er elke donderdag, stipt op tijd. Mocht het door een of andere reden toch afwezig blijven dan had hij een reserve ingesteld, want door deze tijdswinst zou de ambulance moeten wachten aan spoorwegovergang nummer zestien waar de intercitty van 17.42 voorbijkwam.

Alle vertragings- of versnellingsmechanismen had hij ingebouwd, tot zelfs het humeur van de agent met dienst op de Grote Markt die naarmate het vooruitzicht op een prettige of saaie nacht het verkeer met zwier of stugheid behandelde.

Hij had er zes maanden over gedaan om de samenstelling van het stadsgas te bestuderen, samenstelling die hij in verband bracht met zijn veranderende gezondheidstoestand.

Met grote liefde had hij de wisselende snelheden van de ambulances becijferd in relatie met de karakters van hun bestuurders, en die combinatie in verband gebracht met allerlei toevalsfactoren zoals daar zijn: een onvoorzien oponthoud of een niercrisis van de ambulancier.

Hij liet zijn studenten tot vier maal toe alle gegevens narekenen zonder hen op de hoogte te brengen van het uiteindelijk doel. Daarna bepaalde hij de start van zijn plan.

Het gebeurde allemaal zoals hij het had voorzien.
Na een fikse ruzie over het huishoudgeld en haar goede naam liet ze na het mislukte roerei de gas open en verdween boos huiswaarts.
De hulpdienst kwam één minuut te laat, maar dat werd goed gemaakt door de kundigheid van de ambulancier zodat hij volgens schema net op tijd in de wagen lag.

Het schip met Rijnzand was er niet omdat er een staking bij de binnenschippers uitgebroken was, maar de intercity zorgde voor de zes minuten oponthoud.
De agent met dienst had een leuk vriendinnetje ontmoet zodat ze ook hier weer even op het tijdschema vooruit liepen, maar de wegenwerken in de Duifstraat compenseerden deze winst ruim.
Een klein verkeersongevalletje bij het elfde stoplicht werd goed gemaakt door een bus gepensioneerden die de hele weg vrijhield zodat het schema weer tot op de seconde klopte.

Deze doctor in de wiskunde zou dan ook geheel volgens plan zachtjes het tijdelijke met het eeuwige verwisseld hebben bij zijn aankomst in het hospitaal.
Maar juist die donderdag was er een aardige specialiste van dienst net gepromoveerd met een proefschrift: nieuwe reanimatie-mogelijkheden bij vergiftigingsverschijnselen.

Zij redde de man en hielp hem later over zijn teleurstelling heen door met hem te trouwen en kippen, konijnen en kinderen te houden.
Verder las ze hem in zijn droefgeestige dagen voor uit de sprookjes van Andersen.
En telkens als ze over de dood las -en dat gebeurde nog al eens in een sprookje- schudde de man zijn hoofd en maakte hij het wiskundehuiswerk van zijn kinderen zodat ze nog konden buitenspelen voor het helemaal donker was.

 

4830240876_2550d0cd99_b.jpg

KLUGE STERNE

kamperen-onder-de-sterrenhemel.jpg

Die Blumen erreicht der Fuß so leicht,

Auch werden zertreten die meisten;

Man geht vorbei und tritt entzwei

Die blöden wie die dreisten.

 

Die Perlen ruhn in Meerestruhn,

Doch weiß man sie aufzuspüren;

Man bohrt ein Loch und spannt sie ins Joch,

Ins Joch von seidenen Schnüren.

 

Die Sterne sind klug, sie halten mit Fug

Von unserer Erde sich ferne;

Am Himmelszelt, als Lichter der Welt,

Stehn ewig sicher die Sterne.

 
 

Heinrich Heine: „Sämtliche Gedichte in zeitlicher Folge“. Hrsg. von Klaus Briegleb. Insel Verlag, Frankfurt am Main 1997. 917 S., br., 12,- €.

 

Andrea_Mantegna_064.jpg

BRIEVEN AAN CECILIA: KWANT EN MERLEAU-PONTY (2)

 

 

 

   a-THE-ART-OF-THE-BRICK-640x468.jpg

 


‘Ma vie m’ apparaît absolument individuelle et absolument universelle.’
(Maurice Merleau-Ponty, Sens et non-sens, Paris 1948, p.188)
Het mooie is de duidelijke bewering dat de mens niet alleen in zichzelf is geïntresseerd maar bij alles kan zijn, inter-esse.
Maakt de mens zich door expressie de werkelijkheid eigen dan gaat het daarbij om de werkelijkheid zelf die hij tot haar recht wil laten komen. (hij wil de werkelijkheid laten verschijnen, aan het licht brengen.)

‘De mens is er niet toe bestemd, geconcentreerd te zijn op zichzelf.  Hij is een intentioneel wezen.  Voordat hij enig bewust besluit neemt, visualiseert en sonaliseert hij de werkelijkheid reeds, vindt hij zichzelf al als een wezen dat door het andere gefascineerd wordt.’ (Kwant, p. 27)

Anders dan in dit ‘selfie-tijdperk’ wordt hier de (het) andere als kennisdoel gesteld.  En als ik dan Kwant’s opmerking lees: ‘Hieruit blijkt dat wij de zelfwording van de mens het best bevorderen door er niet al te veel aandacht aan te besteden, dan merk je duidelijk het intentionele:  het gaat via het (de) andere naar die veel geprezen en gezochte zelf-verwezenlijking.
Zo is ons ‘bewustzijn’ niet louter het bewustzijn van onszelf.

‘In mijn zien wordt al het zichtbare zich bewust van zichzelf, in mijn tasten wordt het tastbare bewust van zichzelf. Ik ben een stuk Zijn -de uitdrukking is te materieel- waarin het Zijn zich bewust wordt van zichzelf.  Er is geen zien omdat er een ‘ik’ is, er ontstaat een ‘ik’, een ‘subject’ omdat er zien, tasten is.’
(Kwant p. 41)

We brengen dus het Zijn mee tot stand en wordt het Zijn voor zichzelf ook toegankelijk.
Je komt dan tot uitspraken als: ‘Het Zijn denkt in ons; het Zijn spreekt in ons.’
Ik verwijs naar Sartre die de mens als ‘interiorisatie’ van zijn bestaansveld, van de wereld aanduidt.
Ook deze ‘intériorisation’ is een ontwerp, is een toewending naar buiten, naar de wereld die zichzelf als zodanig ervaart, die zichzelf in vrijheid in handen heeft, die zichzelf richt. (een beweging naar buiten die een innerlijkheid heeft!) (p.59)

Zonder die gerichtheid blijft er niets over.
Als je als kind naar school gaat wordt je gedwongen op een nieuwe wijze te existeren, tezamen met de andere kinderen in en buiten het klaslokaal.
De ervaring leert ons dat wij vaak tot innerlijke vernieuwing komen als we ons op een nieuwe wijze ons toewenden naar de wereld. Daarin verandert dus ook het innerlijke van dat nieuwe schoolkind.
Net zo gaat het met ons als we over een bepaald idee boeken lezen of college volgen en daardoor een nieuwe toewending (mooi ouderwets woord) naar de wereld ondergaan:  ander taalgebruik, het samenbrengen van tegenstellingen, het leren anticiperen op wat volgen gaat, tot de bevinding komen dat men zelf inderdaad ‘anders’ is gaan denken.

Reeds in zijn ‘Phénoménologie de la Perception’ heeft Merleau-Ponty het over het feit dat hoe dieper wij in onszelf doordringen, we daar altijd de wereld terugvinden.

Roman_school.jpg

‘Het zou wellicht beter zijn, niet het substantief ‘innerlijkheid’ te gebruiken, maar het woord ‘innerlijkheids-aspect’.  Onze existentie heeft het aspect van toewending naar de wereld en een ‘innerlijkheidsaspect’, en beide hangen onverbrekelijk samen en ontwikkelen zich met elkaar.’

Je voelt natuurlijk de tendens naar inzet en verantwoordelijkheid, Marx is niet ver weg, en de strekking uiteindelijk je te isoleren om te mediteren zal hier nog ketters aandoen.
Toch hou ik van die ‘toewending’ naar de wereld omdat ze ons dwingt de (voor-) oordelen los te laten, te onderzoeken en ze voortdurend te herbepalen.
In dat licht zou je kunnen denken dat de media eerder een verlossende taak hebben dan een telkens weer herleidende tot grootste gemene delers en kleinste gemene veelvouden, maar of dergelijke werkwijze commerciele doelen dient mag je betwijfelen en aldus…

Eerder zullen bibliotheken en colleges ons uit het dal helpen dan economische ingrepen, maar de vertaling van intellectuele arbeid naar levenswijze en samen-leving heeft tijd en inderdaad het nodige geld nodig.
Een Europese school voor diplomatie en bestuurskunde is in dit verband te verdedigen boven een Europese FBI als we het over onze innerlijke en uiterlijke veiligheid hebben.

En wat met het gejuich en gesteun uit het Lage Land bij de zee?

Referenda pijlen steeds naar de emotionele bovenlaag terwijl het mechanisme dat de samenleving maakt en stuurt zich in de diepere lagen bevindt. De ongevoeligheid voor een Europese samenleving zal niet veranderd worden door te denken dat de bovenlaag van de hete soep wel zal koelen door ‘democratisch revolutionair’ geblaas. Roeren, in de zin van studie en raadpleging moet in de diepte van de brei, en daar blijft denkkracht en geduld voor nodig.

 

1_-_2624_Rue_Marcelin_Berthelin_Berthelot__Choisy_le_Roi_mai_1946_.jpg

 

BRIEVEN AAN CECILIA: KWANT EN MERLEAU-PONTY

merleau-ponty-cigaret1.jpg

 


Lieve Cecilia,

Je zou kunnen denken dat de boeken in handbereik er door de ‘voorzienigheid’ zijn neergelegd als je tenminste aan die wondere kracht genoeg menselijke kentrekken toekent die ervoor zorgt dat jij ze een aardig handje hebt geholpen omdat je toch al levenslang met bepaalde domeinen bezig bent en het dus heel gewoon is er gedrukte getuigenissen her en der van aan te treffen.
Alhoewel.
Is dat geen mooi woord?
Alhoewel.
Je hebt een redenering uitgebouwd, je hebt argumenten aangehaald, voorbeelden gegeven, en dan zeg je: alhoewel.
Zouden we geen stichting in het leven roepen die dit woordje in haar wapenschild draagt?
Alhoewel.
Je stapt één van de kamertjes binnen waarin boekenrekken wachten op een definitievere plaats en dan ligt daar zo maar een aula-boekje boven op een rij: prof.dr.rc.Kwant ‘mens en expressie’ in het licht van de wijsbegeerte van Merleau-Ponty, Antwerpen-Utrecht, 1968.
Remigius Cornelis Kwant wordt dat jaar vijftig, is nog Augustijn en oogt als een gekraagde geestelijke met serieuze studax-bril, al een tijdje terug uit Parijs waar hij bij de genaamde Merleau-Ponty heeft gestudeerd en nog bijzonder hoogleraar aan de Rijksuniversiteit te Utrecht, terwijl hij in Wikipedia gewoon Kees Kwant heet, voorheen O.S.A. en toen:

“In de auto kwam plotseling de idee bij mij op dat God zelf een projectie is. Normaal denk je: de ware God zit erachter. Je hebt een denkbeeldige God die dit wil en dat wil, maar daarachter zit de ware God, het mysterie. En toen dacht ik: het is zelf een projectie, ik zit te vechten met niets. Ik ben inmiddels atheïst, probleemloos.”

waarna hij gewoon hoogleraar werd (1970) en nog tot 2012 Kees werd genoemd in plaats van Remigius Cornelis en op een gezegende leeftijd (94)  het tijdelijke met het eeuwige verwisselde.

alexandr milov .jpg


Het jaar 1968 (ik kocht het een jaartje later merk ik) maakt al ’t een en ’t ander duidelijk en in dat licht was het niet zo ongewoon dat de spreekwoordelijke wilgen druk behangen waren met priesterlijke gewaden.
Ik heb de naam ‘Kwant’ nogal dicht aanleunend bij de nieuwe fysica geassocieerd en als je Maurice Merleau-Ponty heet heb je alvast een bewijs van zijn stelling dat de mens alles tot voorwerp van expressie kan maken zelfs iets heel gewoon als je naam waarmee je gewild of niet benoemd blijft ook na het heengaan.

Het boekje, nauwelijks 180 beetje gebruinde pagina’s dik, lag daar en ik kon me niet eens herinneren waarom ik het een jaar na mijn legerdienst zou gekocht hebben, was het niet dat het woord ‘expressie’ uiteraard erg in was (Gust Bal, De Kreatieve Werkgroep, zie vorige bijdrages) en jawel in het ‘Woord Vooraf’:

‘Terwijl men er in het nabije verleden vooral op uit was, jeugdige personen in te leiden in de bestaande verworvenheden, probeert men nu ook hun expressieve vermogens wakker te roepen. Men stelt de kinderen bepaalde materialen ter hand, plaats ze in een bepaalde situatie en tracht hen ertoe te brengen, zichzelf in vrije vorm tot uitdrukking te brengen.  Op deze wijze wil men bereiken dat de jeugdige mens geen cliché-mens wordt, doch werkelijk tot zichzelf komt. Men is ervan overtuigd dat in ieder mens expressieve vermogens sluimeren en dat de ontwikkeling hiervan een wezenlijk onderdeel is van de menselijke zelfwording.  De verschillende vormen van het expressieve leven worden nijver bestudeerd.’ (p7)

Ik denk niet dat de fenomenologie in die tijd aan mij besteed was en dat ‘la chair du monde’ (“het vlees van de wereld”) wijsgerige ideeën in mij wakker maakte. Waarschijnlijk werd deze ‘pocket’ terzijde gelegd met de bedoeling hem weer ‘op het gepaste moment’ ter hand te nemen en mij in de actieve dimensie van het waarnemen te verdiepen.
Het mooie is dat ik ook in de belangstelling voor zijn werk nu de namen tegenkom van Antonio Damasio en Oliver Sacks, neurologen die met filosoof Ernst Cassirer en de Duitse neurowetenschapper Gerhard Roth mijn nachtkastje en andere meditatieplaatsen bevolken.
Dat deze mensen het lichaam centraler stellen dan het cartesiaanse ‘cogito’ mag misschien al een aanduiding zijn. Het lichaam als middel van zowel waarneming als expressie -om Wikipedia te citeren- speelt een centrale rol: ‘mon corps est la texture commune de tous les objects et il est, au moins à l’ égard du monde perçu, l’ instrument général de ma compréhension.’

Une Panique au Moyen-Age, 1927.jpg


In tijden waarin het wantrouwen tegenover het lichamelijke weer op de voorgrond treedt, waarin de mij dierbare jaren 68 alle schuld van de hedendaagse miserie op hun bebloemde koppen krijgen, klinkt de uitspraak van een pleidooi voor ‘expressieve’ mensen net zo hedendaags als in de geciteerde jaren. Ik zal je er nog over berichten want de ouderdom heeft zijn traagheid die niet altijd met wijsheid maar met gewoon onvermogen te maken heeft.
Het geduld dat met de jaren kwam (beloofden mijn ouders mij menig maal) zal goed gezelschap zijn als het niet uithuizig is en zich gewoon met deugddoende luiheid camoufleert.

 

Portrait_of_a_Young_Boy_5_by_millesime.jpg