the-art-science-company-valuations.jpg

 

De filoloog Giambattista Vico (1668-1744) werd voor meerdere filosofische karren gespannen, maar Cassirer zet hem als een der eersten voor een constructieve organisatie van de geesteswetenschappen.

‘Al bij hem vinden we het idee dat deze organisatie zich tegenover de logica van de wiskunde en de mathematische natuurwetenschap volstrekt zelfstandig zou moeten opstellen, en op eigen kenmerkende grondslagen moet berusten.’ (121)

Zowel de wetenschap waarin de ruimtelijke wereld , onderwerp van de geometrie, als de wereld van het lichaam, onderwerp van de fysica, berusten net als de geschiedenis op algemeen geldige principes die in het wezen van de menselijke geest hun grond vinden.
Zoals de geometrie niet alleen de wereld van de afmetingen beschouwt maar daaruit elementen construeert en voortbrengt, zo is dezelfde vooruitgang in de wereld van de geest niet alleen mogelijk maar zelfs noodzakelijk.

Je zou kunnen zeggen dat in de wereld van de geschiedenis er meer concrete realiteit en waarheid aanwezig is omdat de ordening van de mensenwereld vergeleken met de punten en lijnen meer realiteitswaarde heeft, dixit Cassirer al kan aan die stelling onmiddellijk getwijfeld worden zoals dat hoort in een goed filosofisch betoog.

ancient-hunter.png


Daarmee is de taak van de algemene logica van de geesteswetenschappen bepaald, gelijkwaardig aan die van de wiskunde en de natuurwetenschap.
In de filosofie zien we die stelling werkelijkheid worden na Kant, in de speculatieve systemen van Fichte, Schelling en Hegel.
Vooral Hegels fenomenologie en logica omvatten een sluitend en fundamenteel ontwerp van de concrete totaliteit van het geestelijk leven in de volheid van zijn vele verschijningsvormen.
Echter.
De inhoud van de hegeliaanse logica was onlosmakelijk verbonden met haar vorm, namelijk die van de dialectische methode.  Laat je deze vorm achterwege dan viel het geheel van de problemen, samengehouden door de eenheid van een metafysisch principe weer uiteen in een veelvoud aan afzonderlijke, louter methodologische vragen.
Want het was met name de methodologie van de geschiedeniswetenschap die zich van die van de wiskunde en de mathematische natuurwetenschap probeerde los te maken om een eigen plaats te veroveren. (122)
Je moest de logica van de geschiedeniswetenschap afbakenen door middel van de ‘idiografische’ methode ten opzichte van de ‘nomothetische’ methode van de natuurwetenschappen.

(idiografische:  idios= eigen, graphein= schrijven: studie van het gedrag dat het individu uniek maakt, tegenover nomos= wet: studie van groepen om algemene conclusies te trekken)
Het eerste moet je dus bij de alfawetenschappen gebruiken -geschiedenis en etnografie-, het tweede bij de bèta-wetenschappen om wetmatigheden te ontdekken)

2410087E00000578-2874373-All_of_the_images_are_painted_by_hand_but_are_inspired_by_micros-a-14_1418649699238.jpg


Cassirer noemt dit methodologisch onderscheid waardevol op zichzelf maar …het was een grove overschatting te geloven dat hiermee het eigenlijke fundament voor de opbouw van geestes- en cultuurwetenschappen zou zijn gevonden.
De reflectie op de vorm en de eigenheid van de historische kennis zegt namelijk op zich niets over de inhoud van deze kennis. (122)

Wil je die bepalen moet je vanuit die vorm van de historische kennis teruggaan naar de inhoud en het wezen van datgene  wat in de historische ontwikkeling optreedt.
(iedere geschiedenis heeft als concrete geschiedenis een bepaald subject: de geschiedenis van de staat, van het recht, de godsdienst, enz.)

52a5d15180eda.jpg


‘Deze constructies vallen echter niet geheel samen met de loutere uiterlijkheid van hun verschillende historische verschijningsvormen, maar openbaren in deze uiterlijkheid een innerlijk geestelijk principe.  De taal en de religie, de kunst en de mythe, bezitten elk een zelfstandige, van andere geestelijke vormen duidelijk onderscheiden structuur – ze zijn elk een eigen ‘modaliteit’ van het geestelijk begripsvermogen en de geestelijke vorming.’ (123)
De logica van de geschiedenis kan geen overzicht over het geheel van deze modaliteiten geven, over datgene wat het wezen van elk van hen uitmaakt en ze van het wezen van anderen onderscheidt.
‘Deze behoort namelijk, hoezeer zij zich ook onderscheidt van de logica van de mathematische natuurwetenschap, in principe nog steeds tot dezelfde dimensie van het denken.  Ze beweegt zich volstrekt binnen één enkele modaliteit, namelijk die van het kennen.’

Je komt daarmee steeds weer uit op de uitspraak van Descartes: de kennis op zich, de ‘humana sapientia’ is, ongeacht op hoeveel voorwerpen ze zich ook richt, toch altijd één en dezelfde en ontvangt van de verscheidenheid der dingen niet veel meer onderscheid dan het licht van de zon dat wordt weerkaatst door de verschillende objecten die het verlicht.

Nu kun je je afvragen of door die uitbreiding de logica niet haar vaststaande, traditionele begrip en eenduidige bepaling van dat begrip prijsgeeft.
Kan er op een andere manier dan in de overdrachtelijke zin, anders dan door middel van een metafoor, worden gesproken over een logica van de niet wetenschappelijke formaties?

Een dergelijke uitbreiding van het begrip logica, zegt Cassirer is niet alleen toegestaan maar het is de traditie zelf die meerdere zelfstandige aanzetten hiertoe biedt.
‘Zelfs de term ‘logica’ geeft aan dat reflectie op de vorm van het kennen van oorsprong nauw verweven is met de reflectie op de vorm van de taal.


En in onze tijd zal niemand nog het ideaal van de filosofische grammatica nieuw leven willen inblazen in die zin dat men de wetten van de taal simpelweg zou willen afleiden en deducren van die van het denken en concluderen.
Het idee van een ‘grammaire générale et raisonnée’ dat wetenschappers in de zeventiende en de achttiende eeuw steeds boeide lijkt nu door de historische en psychologische benadering  van de taal voorgoed voorbij te zijn. (124)

Maar dan komen er vragen.
‘Het lijkt lastiger een verband aan te wijzen tussen de logische en de eshetische wetmatigheden: want in de kunst verschijnt een structuur namelijk als een werkelijkheid sui generis, die alleen vanuit zijn eigen vormgevingsprincipe kan worden begrepen.

De rangorde? Wat denk je van de naam ‘gnoseologia inferior’, kenleer van de ‘lage vermogens van de ziel’? Een term uit de achttiende eeuw.
De logica van de verbeeldingskracht zal het tot in de 21ste eeuw moeten afleggen tegen de ‘lichtelijke’ overschatting van het geroemde geïsoleerde wetenschappelijk denken in onze schoolse opleidingen.
Een mythe? Laten we die vraag onbeantwoord en ons concentreren op de eigenheid waaruit de logica van de fantasie in het filosofische denken zijn intrede zou gedaan hebben. 

esp-street-stone-arte-antiguo-hipster-2.jpg