street-chalk-art-optical-illusion-6.jpg

 

Herlees je de zin waarmee een van de weinige opstellen in het Nederlands vertaald van Ernst Cassirer (1874-1945) opent:
‘De logica is zich pas bewust geworden van haar eigenlijke filosofische taak en haar systematische vorm doordat ze zich gelijktijdig ontwikkelde met het wetenschappelijk denken en zich hierop oriënteerde.’
dan vermoed je dat de probleemstelling al in de bewering vervlochten is:

‘Pas aan de hand van de bijzondere problemen die de methodiek van de afzonderlijke wetenschappen stelde, realiseerde ze zich haar algemene en alomvattende problemen.’

Bestond de wederzijdse realtie al sinds de grondlegging van de wetenschappelijke filosofie in de ideeënleer van Plato met in die platoonse dialectiek wat wij tegenwoordig ‘logica’ noemen, dan merk je dat ze geen eigen naam heeft en inhoudelijk nog nauw samenhangt met de methodeleer van de afzonderlijke wetenschappen.
De uitdrukking ‘logon didonai’ waarop alle filosofie is gericht is het begripsmatige ‘verantwoording’ afleggen en betreft evenzeer de inhoud van de kennis als de zuivere vorm ervan.
Cassirer geeft als voorbeeld  de geometrie in de Meno.


‘Deze ontdekking van de analytische methode van de geometrie legde de basis voor de algemene analyse van logische gevolgtrekkingen en beslissingen zoals we die terugvinden in de analytische werken van Aristoteles.’

opptest61.jpg


De eigenlijke dialectische kunst van het onderscheiden en verbinden is nog geen duidelijk zelfstandige logische techniek.
‘De leer van het logische begrip, van zijn klassen en soorten, toont eerder verwantschap met het probleem van de systematische classificatie in de beschrijvende natuurwertenschappen.’ (120)


Al onderscheiden de logische vormen zich scherp van de natuurlijke vormen, toch zijn ze niet onmiddellijk te kennen.
In deze versie van het probleem blijft bij Plato de grondtendens van de socratische leer van de begripsvorming, het principe van de socratische ‘inductie’, werkzaam.

‘En ook  de moderne logica (geschreven in 1926) is in die zin een logica van wetenschappelijke kennis gebleven, en wel in het bijzonder een logica van de wiskunde en de mathematische natuurwetenschappen.’
Nicolaas Cusamus (1401-1464), nog helemaal in beslag genomen door de problemen van de middeleeuwe scholastiek stelde echter:
‘Nihil certi habemus in nostra scientia nisi nostra mathematica’
en daarmee de basis legt voor een nieuwere vorm van filosoferen omdat hij tegenover de scholastiek een nieuw ideaal plaatst van ‘exactheid’, van praecisio van de kennis.

Volg je dan de ontwikkelingsgang in het licht (ja zelfs het ‘helderste licht’ schrijft Cassirer!) van de historische en systematische kennis tot bij Descartes, Leibniz en Kant dan blijft er niet veel ruimte  voor een andere conclusie dan dat de logica als logica van de zuiverste kennis niets anders kan zijn dan de logica van de mathematische natuurwetenschap.
En die conclusie vormt  de de kern en betekenis van een nieuwe filosofische methode waarvoor Kant de basis heeft gelegd: ‘de transcendentale methode’.
Voilà.
En zelfs de ontwikkeling die de wiskunde en de theoretische fysica sinds Kant heeft doorgemaakt lijkt deze samenhang niet alleen te bevestigen, maar zelfs vanuit een nieuwe invalshoek te versterken.

‘De expansie van de niet-euclidische geometrie, de veranderde definitie van de begrippen ruimte en tijd en de onderlinge verhouding daartussen die het gevolg was van de relativiteitstheorie, grijpt diep in de vormgeving van de algemene kenleer in en heeft deze voor een groot aantal nieuwe en vruchtbare taken gesteld.’ (121)

Maar op filosofische kousenvoeten schuift Cassirer de volgende zin onder zoveel stelligheid:
‘Veel complexer is van het begin af aan de verhouding tussen de logica als algemene ‘wetenschapsleer’ en het systeem van de ‘geesteswetenschappen’.
Laten we die volgende stap moedig zetten in een volgende bijlage. We zijn in bijzonder goed gezelschap.

 

ShadowProjection-large.jpg