bm60.jpg

De laatste volle maan

voor hij uit de doden kwam

waart gij vannacht.

Koele moeder in het duister

waarin alleen de winter lispelt.

 

 Geen morzel lente geeft gij ons cadeau,

maar met bijzondere helderheid

zat gij in de hoogste takken

van de immer groene cederboom,

zuster van de triestigheid,

spiegel van de ploert

die ’s zomers weer de grond verpulvert,

vader van het al.

 

De slapelozen

zuiveren hun tekort aan dromen

bij uw kale-knikker-licht.

Ze zuchten bij het raam

en zien daken schemeren waaronder

oude kinderen op de zondag wachten,

-met open mond, of erger, snurkend,

en in een oud gebaar

de duim tussen verdroogde lippen,

-o, ’t verspilde helder boven de cederstam-.

 

Genadeloos schuif gij naar het midden van de tuin

waar we eertijds eieren zochten,

 zonder krimp

belicht uw kalme licht

 geknakte varens, kale bomen in de knop.

 

Achter enkele ramen

maken slapelozen een vuist.

Dit zijn nachten

om de maan te lezen.

23edweinsteinart-master675.jpg