BRIEVEN AAN JOZEF: BEELD EN WOORD (2)

(foto Julian Stratenschulte-DPA Unwetter)

unwetter.jpg

 

Net voor het onweer
is het angstwekkend
stil.

 

Natuurlijk is de vrome stilte in de tuin mij lief, Jozef. De stilte waarin het bier wordt gebrouwen in Westmalle, met de geduldige ziel naar het licht dat via de scheuren in ons wezen zijn weg vindt. (met dank aan Rumi en Cohen)
Ook de woestijn of de straten ’s nachts in deze provinciestad terwijl ik dit schrijf stralen harde of zachte stilte uit. Het huis waarin het kind eindelijk de slaap vindt of de vrede van de bijna honderdjarige vader, beiden in het soelaas van het bewusteloze. Als jongen wandelde ik graag ’s nachts.  Luisteren naar de bewustelozen. Of je hun dromen kon horen?
Het bewusteloze waarin onze dappere hersenen de plooien niet meer moeten gladstrijken (of juist wel?) maar toch verder werken en ons met droomgestalten bedenken. Stel je voor dat ze ons al eeuwen voorhouden: dit dromen, mens, is de werkelijke werkelijkheid.

Ik weet dat jouw wereld-verbonden ziel het geraas van beelden en woorden kan missen.  Maar mijn liefde voor het woord, de onuitgesproken woorden waarmee we onze angsten voor diezelfde wereld en ook de hoop kunnen vormgeven vanuit onze schamele eigenheid, ligt in dezelfde betrokken lijn. Onze woorden mogen niet verstillen.
Ik heb het idee dat het gekwetter aan de buitenkant en de pogingen tot ‘forse’ woorden aan de politieke binnenkant ons verlammen. Je uit-spreken is in deze tijden niet meer vanzelf-sprekend.

Natuurlijk bedoel ik hiermee het bekend maken van je opgedane bevindingen en niet het gekwaak in de weinig sociale media-vijvers. Tijd voor een canon:

 

‘Neem mij in de hand,
‘k zal in ’t kort verklaren
wat mij hier in ’t land
al is wedervaren.’

 

silence.jpg

De welige wildgroei uit de zestiger-zeventiger jaren biedt te weinig humus waarin op een vanzelfsprekende manier het gedurfde kan bezinken. Beweert men.
Het neo-liberalisme in samenklank met de opeeenvolgende monetaire crisissen zag in deze wildere tijden de oorzaak voor alle kwaad, de wortel van al wat mis ging,  misgaat en zal mislukken.
Met dezelfde ijver waarin tijdens de dertiger jaren van de vorige eeuw de decadente twintiger-jaren aan de schandpaal moesten, met 1929 als triestig hoogtepunt, hoor je nu dezelfde roep naar zekerheid waarin vals heimwee en opgeklopt straatlawaai niet dadelijk een klimaat vormen om hart en ziel te openen.
Een Dutroux-affaire en de recente vluchtelingen-crisis hebben nog een extra verlammende uitwerking die de menselijke zoektocht naar persoonlijk evenwicht -lees ‘geluk’- ten zeerste bemoeilijken.
We praten in deze tijden graag in slogans.  Een beetje zin voor geschiedenis zou ons moeten behoeden voor onomkeerbare processen waarin de dictatuur (iemand moet het doen!) het persoonlijk woord de nek omwringt en een suizende stilte op het terrein achterblijft, angst het proces voltrekt: stilte in ons aller-zielen.  De stilte voor het onweer.

 

inauguratie_269519a.jpg

Lezend over de nieuwe bevindingen in het hersenonderzoek leerde ik dat de munt-eenheid van onze geest het creëren van ‘voorstellingen’ is.  We zijn in staat onszelf en onze omgeving voor te stellen, deze voorstellingen te manipuleren en erover na te denken. (Antonio Damasio: ‘Het zelf wordt zich bewust’.)
We kunnen objecten oproepen uit de grote voorraadschuren van ons geheugen en daarmee het onbekende van de toekomst vorm geven, stabiliteit verschaffen.
Over de ‘gevoelens van emotie’ (de term is ook van Damasio) moet ik zeker een aparte brief schrijven want daarin ligt een nog grotere mogelijkheid die naar mijn aanvoelen niet of helemaal verkeerd gebruikt wordt.

Ons denken, hoe vreemd ook, speelt zich af met ‘woorden’.  Ga maar eens na wat je nu aan’t denken bent.  Als je dat zelfs voor je zelf wilt uitdrukken dan moet je dat doen in woorden, eigen aan je taal, opvoeding, opleiding enz.
Het is ook niet voor niets dat in grote religieuze en sacrale gebeurtenissen het woord zo belangrijk is.  Het bezweert, is zelfs bij God, of is zelfs helemaal mens geworden.
Het hanteren van woorden zal in belangrijke mate je zelfbeeld bepalen. Ook van onuitgesproken woorden of woorden die je in het dialogeren met jezelf gebruikt.
In een school-opleding die het vooral voor ‘wetenschap’ heeft zou men moeten beseffen dat het hanteren bijvoorbeeld van analogieën in het talige denken een noodzaak voor concepten over onzelf en de wereld is.
(Douglas R. Hofstadter en Emmanuel Sander, Analogie, De kern van ons denken, Atlas Contact, 55 euro (!))

Jouw woord is de enige weg naar de ware demos-kratos.  Een volk ‘zonder eigen woorden’ is klaar voor de dictatuur.
Het talige vergroten bij kinderen en dit op allerlei manieren, liefst zo dicht mogelijk bij zijn/haar wereld is basis voor wetenschap, kunst en een goed, dus gelukkig leven.
Het ‘gehoord’ worden is dan de volgende stap. Daar is dan ook veiligheid en dus moed voor nodig. Spreek (schrijf, teken, roep, zing) je uit. Ik weet het. ‘Ze weten je vlug wonen,’ zei iemand uit een nabij land me. Laten we dan met twee, drie, tien, honderd,één miljoen zijn om ons te blijven uit-spreken.  Boven het gerommel van het onweer.

 

joy-brown-small-sitter.jpg

BRIEVEN AAN JOZEF: BEELD EN WOORD (1)

293-alle-woorden-klein-iets-mooier.png

 

Om je toch even te duiden voor de verdwaalde lezer, de mooiste lezers(essen) die er zijn, ik heb het niet over de voedstervader met die naam, al is de geschiedenis van Jezus’ kinder- en schooljaren nog dichtbij, maar anderzijds is elke naam een omen (een voorteken) zoals gezegd in het latijnse spreekwoord en zal de voedstervader nabijer zijn dan de kostwinner-met-dienst of degene die het bij de drievuldigheid voor het zeggen schijnt te hebben. Waarin dat omen schuilt mag de verdwaalde vermoeden of raden, al zal aandachtige lectuur hem of haar wel bijlichten in het duister waarin deze zin zijn leven leidt.

(twee keer ‘al zal’ duidt op het voortdurend corrigeren van de gedachtengang, ik zou beter wat meer Coetzee lezen die de gave van het sobere woord heeft uitgebouwd.)

Je stuurde mij een verwijzing naar de beeldsonetten van Ted van Lieshout, een uiteraard bekende naam in mijn oud heelalletje. (we hebben elkaar lang geleden – de televisie was net uitgevonden dacht ik toen ik het spelletje onderging- in 10 voor taal ontmoet  in Hilversum waar Robert Long de mooie en zalvende voorganger was.) Een creatief mens is Ted, duidelijk aanwezig en lekker Hollands ongegeneerd opdringerig springt hij bijna uit zijn blog (dat nog niet zijn blog blijkt te zijn) maar dat wordt ruimschoots gecorrigeerd door de teksten die je na lang zoeken  ook nog ergens anders aantreft, zoals die ‘beeldsonetten’ waarin voorwerpen de woorden vervangen. Het zijn leuke vondsten en je kunt zelf ook de slag, een belangrijke pedagogische eigenschap blijkbaar als je in die sector bedrijvig bent.
‘Rond vierkant vierkant rond’ wil zelfs een cursus poëzie zijn, reikt bouwstenen aan om vanuit de gekende vormen zelf aan de slag te gaan. (daar zijn we weer)

 

TedvanLieshout-Vakantiesonn.jpg


En ja, het is leuk, zoals spelletjes leuk zijn, het is ‘aardig’ zoals grapjes aardig zijn, maar het mist nu net die kern waarover het in poëzie moet gaan: hoe jij als kind of ouderling, kortom als mens tegen de wereld botst en wat jij en jij alleen daarbij ‘gewaar’ wordt en hoe jij dat onder jouw woorden brengt hoe primitief die ook mogen zijn, of voor wonderkinderen hoe je al op vroege leeftijd kunt lullen en lallen maar hopelijk niet te vroeg in voorgeschreven vormen of illustere vondsten maar in de taal die vanuit jouw hart, kopje, en verder niet genoemde onderdelen komt.
Van Lieshout geeft daar zelf een mooi voorbeeld van in ‘Hij slaapt’.

Hij slaapt

Hij slaapt, deze vader. Ik leer hem kennen om
de sterkste en de beste heen. Zo stil en hulpeloos
op de bank, moegedaan, laatvermoeid, moegelaaid.

Zijn duim waar die gebleven was tussen
de bladzijden van het boek dat hij las. Welke regel
heeft te zwaar aan zijn wimpers gehangen?

Dat ik om hem heen sluip en de lampen uitdoe
is bescherming; de vijand heet beweging en geluid.
ik kus hem niet. Ik leg geen deken over hem heen.

Ik zorg zolang voor hem. Ik zit op een stoel,
kijk naar hem, houd de wacht, houd van hem.
Stil. Hij is van mij. Deze lieve kleine vader slaapt.

Natuurlijk, er zijn de vondsten zoals de regel die te zwaar aan zijn wimpers heeft gehangen, maar in het centrum van de tekst staat de machteloosheid, het niet kunnen benoemen van de gevoelens die hem bekruipen bij het zien van zijn slapende vader en die beetje bij beetje vorm krijgen in aarzelende woorden, in pogingen om de beschouwing de bovenhand te laten halen.
Daar komt liefst geen rond vierkant vierkant rond bij kijken.
Je zou dus met kinderen woorden kunnen verzamelen die opborrelen in bepaalde beleefde (vécu, pas poli!) situaties en daarin beginnen schrappen, aanvullen, luisterend naar je zelfste zelf. Ik herinner me het associerend denken en direkt opschrijven van wat je voor je geest ziet als vertrekpunt. Niet nadenken, onmiddellijk opschrijven.  Wat je niet kunt schrijven mag je ook vlug tekenen. Durf hebben ze wel, maar ook de veiligheid om je mogen uiten is nodig.

Wellicht is leren waar-nemen, tot en met in je eigenste zelf, belangrijker dan ‘het spelletje’ waarmee blijkbaar elke pedagogische activiteit moet gecamoufleerd worden.
Ik denk dat het spelen in mijn oudere ik heel andere vormen heeft aangenomen: de vreugde van het weglaten, het over-denken waarin ook de herhaling besloten ligt.

worth-label.jpg


Het zeggen en of schrijven van het woord, Jozef. Het woord. Niet te vervangen door een beeld, al zal het beeld zijn eigen betovering meebrengen, echter zonder een excuse te zijn om het woord niet te moeten uitdrukken.
We leven in tijden waarin het beeld heerst, de vorm vaak belangrijker dan de inhoud blijkt te zijn en het woord een beetje bevend in het hoekje staat te zwijgen.

Zo groots
de lucht

een mus
zie je dadelijk.

Vanuit een klein venstertje gezien, deze gewaarwording, zonder vleugels op dat moment. Gekooid.
Hazel, zestien,  zou daar mooie beelden bij kunnen maken, ze is een fotogravin pur sang maar ze zou ook begrijpen dat het woord hier onvervangbaar is. Ze loopt nu rond in New York, het oog in de hand.

Nu zijn we terug bij de schooljaren van Jezus waarin de cijfers gedanst worden. Zo ver is het nog niet. Je bezit magie en geduld genoeg om die dans te vertalen naar Kempische mogelijkheden. En of het dan rond vierkant vierkant rond is, de werkelijkheid rond de betovering mag je best woordeloos maken al wacht het blad geduldig tot ook daar het wonder begint.
Het plezier van de beeldsonetten, de grappige aanzetten en plotse vondsten, laat iedereen ze gebruiken in plaats van een dode les over ‘de poezie’ die naar later bleek geen kat was maar een trema nodig had om poëzie te worden.
Maar heb het woord ook lief, het ongekamde woord of het gestileerde jonkertje, het zuchtende of kwetterende, het trage of ricocherende woord, vluchtig uit de mond of met oude krullen geschreven. Er was eens.
In de stilte waarin ik leef hoor ik de woorden zonder ze te zien.

En beste kinderen, stel jezelf voor, maar je mag slechts drie woorden gebruiken.
Denk tien minuten na, schrijf er vijftig op en hou er drie over die het meest bij jou passen.
Wij raden dan waarom.
En jijzelf ouderling?
Ikzelf ga erover nadenken. Je hoort nog van mij, Jozef. Ik probeer een brave ouderling te zijn.

 

alphabet_0.jpg

BRIEVEN AAN CECILIA: DE KINDER- EN SCHOOLJAREN VAN JEZUS

Caspar_Goodrich_-_John_Singer_Sargent.jpg

 

Lieve Cecilia,

Het onontkoombare van een verjaardag tast het feestelijk gehalte van zo’n dag niet aan. Integendeel. Het streepje extra op de spreekwoordelijke kerfstok mag dan ook al een aanzienlijke rij voorafgaan, toch verwijst het weer naar de eens nog maagdelijke toestand ervan, de streepjesloze, toen jij met luide stem je verschijnen op deze wereldbol aankondigde en het vervolgens 365 dagen zou duren voor het eerste streepje verscheen.
Ik weet het, wij ergeren ons aan het aantal dat steeds toeneemt en waarvan de toename ons meer dan lief zichtbaar wordt.

Troostenden onder ons verwijzen naar de opgedane wijsheid, hebben het over de niet lijfelijk gerelateerde jeugdigheid en de opluchting van het niet meer moeten terwijl ze over het  ‘mogen’ wijselijk zwijgen.

In zijn boeken ‘De kinderjaren van Jezus’ en ‘De schooldagen van Jezus ‘ van nobelprijswinnaar J.M. Coetzee gaat het ook voortdurend over ‘getallen’.

Om de verbinding met onze ‘vorige’ levens te maken, vorige levens die we als volwassenen helemaal vergeten zijn, is er volgens een van de personages uit het boek, een mogelijkheid om via transcendentale woorden waarvan uno, duo, tres (het verhaal speelt zich in Spanje af) de voornaamste zijn, de verbinding te maken met de grote onderliggende beweging van het universum of, zoals wij het liever noemen, de dans van het universum. Om de getallen te laten neerdalen  van waar ze verblijven, om te zorgen dat ze zich manifesteren in ons midden, ze gestalte te geven, verlaten we ons op de dans. (82)

cms_retina.full_cover.jpg


Coetzee is een meesterlijke verteller. Zijn hoofdpersonages, een man, Simon, en een jongen, David die op het einde van de schooldagen zeven wordt, hebben geen verleden meer. Ze hebben elkaar op een boot ontmoet. Een boot op weg naar een ander leven. De man treedt op als verteller. Het kind dat niet het zijne is zal hij bij gebrek aan ouders begeleiden, ervoor zorgen dat het een moeder krijgt en ervoor verantwoordelijk blijven zo lang dat nodig blijkt.
Het feit dat je geen ‘vorig’ leven moet meezeulen maakt het schijnbaar makkelijk om het nieuwe leven vorm te geven al botst de ‘bezorgdheid’ van de oudere voortdurend met de nog magische wereld van de jongen die zich niet makkelijk neerlegt bij wat zou horen of niet van tel zou zijn.

Recensenten putten zich uit om analogieën met bestaande bijbelfiguren en gebeurtenissen bloot te leggen maar wat mij zo aantrok in beide boeken was net de onafhankelijkheid, het wegkomen met allerlei theorieën omdat ze door een meester-verteller worden gebracht, en ja hij is al 75. Zijn verhaal stoelt op dezelfde onzekere emoties die ons bevangen als we het over essenties hebben en we dan uiteraard bij het sacrale en het magische belanden. Het  einde van het tweede boek overigens, ik wil je de inhoud niet verklappen, is nog het meest hilarische en zou je het als lezer nooit kunnen indenken bij het begin van beide boeken. En bij leven en Coetzee’s welzijn kan een derde boek niet uitblijven.

Natuurlijk herken ik de uitgangspunten: zouden we niet beter de kinderen getallen laten dansen in plaats van hen te vroeg op te zadelen met de utiliteit ervan. Als ik zie hoe zelfs in de kleuterscholen testen en ‘oefeningen voor later’ het halen op de magie van het verhaal en de beweging dan begrijp ik best dat het resultaat van dat ‘beste’ onderwijs van Europa menselijk gezien niet veel vreugde en vrede heeft bijgebracht.

‘Alsof de aarde haar neerwaartse kracht heeft verloren lijkt de jongen al zijn lichaamsgewicht af te werpen, zuiver licht te worden.  De logica van de dans ontgaat hem volledig, maar hij weet dat wat zich voor hem afspeelt buitengewoon is; en uit die stilte die neerdaalt in de aula maakt hij op dat de mensen uit Estrella het ook buitengewoon vinden.
De getallen zijn integraal en geslachtsloos, zei Anna Magdalena; hun manieren van liefhebben en zich vereningen gaan ons begrip te boven.  Daarom kunnen ze alleen door de geslachtsloze wezens omlaag worden geroepen.  Nou, het wezen dat voor hen danst is kind noch man, jongen noch meisje; hij zou zelfs zeggen lichaam noch geest.  Met zijn ogen dicht, zijn mond open, in vervoering, zweeft David met zoveel vloeiende gratie door de passen dat de tijd stil blijft staan. Te geboeid om zelfs maar te ademen fluistert hij, Simon, bij zichzelf: denk hieraan! Als je in de toekomst ooit in de verleiding komt aan hem te twijfelen, denk hier dan aan!
(297)

Terwijl ik de tekst overschreef bekroop mij toch lichtelijk weer het gevoel van ‘la pureté dangereuse’, de eeuwige Rousseau die zijn kop opsteekt, zeker in deze tijden van twijfel en onzekerheid.  De zuivere geesten horen in mijn wereld thuis bij waspoeders en ontsmettingsmiddelen.  Ik heb het voor onze onzuiverheid, onze tweespalt, en daar staat geen leeftijd op, wel groeiende zelfkennis en de daarmee verbonden verantwoordelijkheid.
Onafgezien daarvan geloof ik wel in onze overgave, ons benaderen van het mysterieuze en het sacrale in onszelf en de anderen.

Mijn briefje voor je verjaardag, lieve Cecilia zetten we persoonlijk verder als je weer in het land bent en de herfst de schoonheid van het verdwijnen tentoonspreidt, noodzakelijk voor de volgende  lente. De boeken liggen hier voor jou klaar.

(De kinderjaren van Jezus en de schooldagen van Jezus zijn uitgegeven bij Cossee in A’dam. De schooldagen was de eerste vertaling van het werk. )

472660425.jpg

A POSTCARD FROM RIO-JOSEPH BRODSKY-

olympic-flag-christ-the-redeemer-rio-de-janeiro-Reuters-640x480.jpg

 

A POSTCARD FROM RIO

for Hans Christoph Bush

 

Come to Rio, oh come to Rio,

grow a beard and change your bio.

Here the rich get richer, the poor get poorer,

here each old man is a Sturmbannführer.

 

Come to Rio, oh come to Rio,

there is no other city with such a brio.

There are phones made by Simens, there even Jews

drive around like crazy in VW’s.

 

Come to Rio, oh come to Rio,

here Urania rules, and no trace of Clio.

Buildings ape Corbusier, a beehive-cum-waffle;

but this time you won’t blame it on the Luftwaffe.

 

Come to Rio, oh come to Rio,

here the junta indulges in onomatopoeia

on the subject of freedom, while birds in flight

use of course both wings, but both wings are right.

 

Come to Rio, oh come to Rio,

Here every bird sings “O sole mio”

So do fish wen they’re caught, so our northern geese

do in winter here, in Portuguese.

 

Come to Rio, oh come to Rio.

If you come in duo, you will leave as trio.

If you come alone, you will leave with zero

in your thoughts as worthy as a cruzeiro.

 

JOSEPH BRODSKY

930_g.jpg

Joseph Brodsky: „Der sterbliche Dichter. Über Literatur, Liebschaften und Langeweile“. Essays. Aus dem Amerikanischen von Sylvia List. Fischer Taschenbuch, Frankfurt am Main 2000. 320 S., br., 12,90 €.

 

Wil ik me even in jouw gezelschap veiliger voelen, goede Joseph
want de wereld raast
o sole mio
roept in de Filipijnen een gekozen president die moordend orde denkt te scheppen
o sole mio
roept in Iran de beul die net zo’n twintig jongens en een atoomgeleerde heeft opgehangen,
allemaal terroristen weet je wel en hou je mond want we vechten toch samen tegen IS,
o sole mio
roepen de militairen in Thailand, kijk burgers wie voor rust en orde is
neemt best de (onze) nieuwe grondwet au sérieux
o sole mio
zingen de rechters die hun zittingszaaltje schilderen
terwijl de moeders hun jongens naar de hel mogen sturen,
sorry, een procedurefoutje weet je wel
o sole mio

en deze nacht hebben een drietal jeugdigen volgens de buren
de bloemen van onze vensterbanken op straat gegooid

ze waren nochthans prachtig wit en hielden hun mond,

de bloemen.

des_temps_compos_s_.jpg