DE BLOEM, een kortverhaal

REDON

Misschien was het die bijzondere soort plantaarde uit Moldavië, of de stand van de zon of de maan, of waren het biometrische trillingen van de aarde, maar begin maart begon er een vreemde plant in zijn serre te groeien. Na twee weken had zij al een grotere pot nodig, en de volgende maand leek zij op een grote vrouwentong, maar dan zachter van huid en niet zo puntig bij het uiteinde.

Felix begoot haar elke dag met het klaarste water. Hij draaide haar naar het zonlicht en zorgde voor een zachte temperatuur tijdens de koude voorjaarsnachten. Ook zong hij wel eens een aria in haar gezelschap, uit het repertoire dat hij in zijn jeugd stiekem had aangeleerd toen hij nog van een opera-carrière droomde. ‘Che inviolabile’, of ‘Figlia mia non piangere’, maar liefst draaide hij bij het verzorgen van zijn bloemen op zijn voorhistorische casetterecorder, het bloemenduet uit Lakmé van Léo Delibes om het inwendig mee te neurieën:
‘Sous le dôme épais
Où le blanc jasmin
À la rose s’assemble
Sur la rive en fleurs,
Riant au matin
Viens, descendons ensemble.’

Alphonse-Mucha-Reverie

Op een morgen, tegen Pasen aan, was de omhullende huid van de intussen menshoge plant plotseling gebarsten. Felix zong net ‘Ein Blumenglöcher vom Boden hervor…’ en bleef in de hoge tremolo steken, snakte naar adem, kneep zich in de linkerarm…
Daar, op twee dunne steeltjes nog, stond een prachtige vrouw met lange blonde haren tot ver over de schouders. Haar armen kwamen langzaam los van haar lijf. Rozig was haar vel, nog een beetje groen aan de voet- en haarwortels, maar voor de rest zo rozig als een babyhuid.
Een vrouw met een bloemenleeftijd, niet te jong, niet te oud, tijdloos eerder. Een vrouw die in al haar naaktheid op de twee steeltjes onder haar voeten wiegde alsof er een licht briesje in de serre was opgestoken. Een vrouw die alleen maar bestaat achter de hoek van de mannendromen, zo’n vrouw stond nu voor Felix.
‘Goede morgen,’ zei Felix verlegen. ‘Is het hier niet een beetje te fris?’
De vrouw keek hem niet eens aan. Ook sprak ze niet. Ze bleef maar wiegen en zocht met haar ogen naar het zonlicht.
‘O ja, juist…’ zei Felix.
Hij draaide heel voorzichtig de pot naar het oosten en zorgde voor lauwig water. Ze zuchtte diep, streek met haar hand over d’r haar en rekte zich alsof ze ontwaakte uit een diepe slaap.
Feix, die op dat moment niets beters wist, begon zacht te zingen:
‘Ein Blumen glöcklhen vom Boden hervor, war früh gesprosset in lieblichen Flor…’
De bloem hield op met wiegen, of zeg ik: de vrouw op bloemensteeltjes, glimlachte naar Felix en keek weer naar de morgenzon.
Het werd zwart voor Felix’s ogen net toen hij over ‘ein Bienchen’ wilde zingen, en eens weer bijgekomen, zag hij dat er slechts twee steeltjes in de pot stonden. De vrouw, de pas ontloken vrouw was met geen ogen te bekennen.

Pre-Raphaelites-crop

Verschrikt was hij de tuin ingelopen. Stel je voor dat de buren…Er werd nu al over hem geroddeld. Een man met verdriet die het bij de planten en bloemen moet gaan zoeken.
En juist nu, in deze vroege lentedagen, ontluikt er een bloem waaruit pardoes een jonge vrouw stapt.
‘Hei, riep hij zachtjes. ‘Hei…euh..’ Hoe zou hij haar noemen? Toevallig dacht hij aan de tijd van het jaar. Passie.
‘Hei, passiebloem,’ zei hij, eerder toevallig dan overdacht. Passiebloem. Passiflora, en hij dacht aan zijn liefde voor de jonge zuster Hildegonde. Passiflora, mummelde hij, en toen zag hij haar.
Ze lag achter het bedje waar de jonge salade zou komen en ze dronk met grote teugen van het water in de plassen.
‘Niet doen. Kom.’
Ze liet zich leiden. Haar hand. Dat was geen vlees, eerder de zachtheid van een bloemblad. Menselijk fluweel. Binnen in zijn huisje schonk hij haar helder pompwater in. Het brood, de koffie en de plakjes jonge kaas liet ze onaangeroerd.
Ze draaide zich naar hem. Druppels lekten nog langs haar kin. Dan voelde Felix hoe haar twee armen zich rond hem sloten en hoe hij zich verloor in een geur van amandelhout, vochtige aarde en koele dauw.

6ea315b3820403e67638903ea9fbe724

‘Gesloten wegens vakantie’ hing er op zijn winkeldeur. De hele zomer immers was een diepe roes met zijn passiflora, zijn passiebloem.
Hij zonderde zich nu totaal af van de mensheid, kwam alleen buiten om brood, boter en bessenconfituur te kopen en bleef voor iedereen onbereikbaar.
De vrouw had nog nooit een woord gezegd. En dat hoefde ook niet. Hij had ze een plaats op de mansarde gegeven waar ze zich de hele dag door de zon liet beschijnen.
Regende het dan zette Felix het grote raam open en dan zong hij ‘Ama sospira’ of ‘O, che felice giorno’. Maar het liefst luisterde ze naar het bloemenduet op zijn casetterecorder.
Werd het donker dan plooide de bloemenvrouw zich toe. Ze werd dan heel klein en sliep op een bed van mulle aarde dat Felix speciaal voor haar had ontworpen.
Sommige dagen was ze heel liefelijk, andere dagen niet te bereiken, en op bijzondere dagen als de volle zomerzon op haar stond dacht Felix dat hij alleen al het aanzien van dit prachtige wezen niet meer zou overleven.
Ze werd iets ronder aan haar dijen, haar benen waren niet meer zo stengelig en de rozige huid kreeg een diepbruine tint.
Zo leefde Felix een lente en een zomer met zijn passiflora. Met uitzondering van zijn zingen werd er geen woord gesproken. Ze keken elkaar aan, ze hadden elkaar lief, vielen uitgeput in slaap en begroetten vol hoop het nieuwe licht van de volgende dag.

rsz_flowerart-hazel-women-of-green

September kwam, en met september de eerste kilte. De dagen waren merkbaar korter. De vrouw kreeg grijze haren tussen haar blonde bos die nu tot op haar heupen viel. Ze dronk bijna niet meer. Ze bleef onbereikbaar voor zijn liederen, zelfs voor het bloemenduet op zijn cassetterecorder.
Op een morgen was haar hele linkerarm verslenst. Haar rechter volgde. Haar ogen sloten zich lang voor het donker werd. Wat Felix ook probeerde, zijn geliefde verdorde zoals de natuur de roep van de herfst volgde. Ze werd heel licht, zoals een blad dat van een boom is gevallen. Ze ademde niet meer. Onmerkbaar was ze van het ene naar het andere bestaansstadium vergleden.
Heel dunnetjes werd ze. Ze verging niet zoals een mens zou vergaan. Ze verdroogde. Ze behield daarbij haar geur zodat Felix meermaals dacht dat ze nog wakker zou worden.
Hij was echter te veel tuinman en te weinig dromer om niet te beseffen dat deze passiflora nooit meer zou heropbloeien.
Hij kocht enkele meters absorberend papier, wikkelde de resten van de bloemenvrouw daarin en legde er zijn hele bloemen-encyclopedie op. Na twee weken gaf hij ze een plaats in zijn herbarium, tussen de gedroogde bloemen. Zo klein was ze geworden dat ze tussen het eikenloof en het herderstasje paste.

Hij dacht er een latijnse naam onder te schrijven, maar dat deed hij niet. Hij draaide nog één keer het bloemenduet, met tranen in de ogen, zoals dat hoort als de zomer voorbij is.

Nawoord: Felix heeft nog jaren geëxperimenteerd met het kweken van bijzondere bloemen. Zijn naam is met verschillende rozensoorten verbonden.
Maar zoals dat gaat met wonderen, ze gebeuren maar éénmaal en zijn te vlug voorbij.

Radio-kortverhalen BRT-1 1979 herwerkt 2018

fi1023px-Gustav_Klimt_046