Letterbloesems bij de paasboom (3) Cornelis Verhoeven: De omweg van het woord

Words are Sweet Sounds for Objects Unreal, Painting of Jac Kerouac

‘Als schrijvend wezen is het goed over je eigen ‘vak’ na te denken. Dat deed in 1982 ook Nederlands auteur Cornelis Verhoeven (1928-2001) met een aantal geschriften die hij met ‘beschouwingen over ‘de inval en het oeuvre’ onder de noemer ‘Weerloos denken’ verzamelde.
‘Alle stukken gaan over een manier van denken en schrijven die voor voor de auteur onvermijdelijk en onmisbaar is geworden, maar die de lezer tot niets verplicht en zelfs niet het zachte geweld van een didaktische benadering op hem wil uitoefenen. Niet allleen tegenover een overweldigende werkelijkheid, waarvan het ‘hoe’ even duister is als het ‘dat’ verpletterend, is dit denken weerloos, maar ook tegenover elke andere manier van denken en tegenover elke vorm van dogmatische vanzelfsprekendheid.
Alleen het, eindeloos uitgesteld, oeuvre zou, stel ik mij voor, dwingend en overtuigend kunnen zijn; de inval heeft alles aan zijn weerloosheid te danken.’
Aldus de inleiding.

Natuurlijk wil ik, jaren te laat, dit werk niet bespreken of tegen het historisch licht houden. Een pretentie die op deze paasdag niet alleen misplaatst maar ook ijdel zou zijn, maar, als schrijvend wezen, wilde ik vooral mezelf en wat ik nog met woorden doe, even in zijn licht laten schijnen en wijselijk over de gevolgen van deze confrontatie zwijgen maar de lezende mens verder nieuwsgierig maken naar leven en werk van deze intussen weer wat vergeten auteur en essayist-filosoof die met zijn rijke nalatenschap nog steeds -of weer opnieuw- een ‘woordje’ over deze vreemde tijd kan meespreken.
Daarom heb ik me beperkt met een fragment dat als titel draagt ‘De omweg van het woord’ en waarmee , na de inleiding, dit boek opent nog voor hij aan de eigenlijke hoofdstukken begint.

Family tree template for Word

‘Hij begint met een bekentenis: één keer per jaar zak ik door alles door, zegt hij. En met ‘alles’ bedoelt hij, ‘als vlijtig verbalist’, op de eerste plaats de wereld van woorden.
Ja inderdaad, het ene woord roept het andere op en wat zo ernstig en herhaaldelijk gezegd wordt krijgt volgens de auteur ‘de dichtheid van een ding’.
Hij geeft dan een sprekend voorbeeld waarin het woord welvaart in welzijn zou moeten veranderen, een quote die in de tachtiger jaren wel degelijk thuishoorde, alsof dat ‘welzijn’ iets is of dat kan geraliseerd worden. Meestal bleef het als onderwerp om te kunnen ‘vergaderen’ dienen.
En zo is dat met veel andere woorden, het meest met de duurste, de dikste, de nobelste.
En dan wil ik hem zelf helemaal aan het woord laten en ben ik de geduldige en bewonderende redacteur die zijn ‘omweg van het woord’ hier en daar met een ‘sprekende’ prent probeert te illustreren, in de hoop dat de lezer nadien wellicht iets meer van deze boeiende auteur wil weten. Tijd in overvloed om op zoek te gaan.

Bradley Cooper gets shady in Sundance mysterie ‘The Words’

‘Blijkbaar is er toch een grens waarboven woorden, hoe dik ook, zoveel aan soortelijk gewicht verliezen dat ze niet meer kunnen afdalen naar een realiteit waaraan hun betekenis nog gecontroleerd zou kunnen worden. Zij houden ergens hoog in de lucht elkaar in stand en vormen een verbaal heelal dat met de werkelijkheid concurreert, of zelfs: zij zuigen alle andere woorden naar hun eigen vacuüm totdat dit samenvalt met de wereld.
De periodieke instorting van die wereld is iets heel anders dan een plotselinge aanval van skepsis, vitaler en meer elementair. Zij heeft eerder te maken met het voorjaar dan met de herfst, meer met Pasen dan met Allerzielen. Onder een korst van nietszeggende woorden en vanzelfsprekend geworden dingen vandaan breekt een elementaire werkelijkheid door. Over die werkelijkheid spreken soms dichters en filosofen; maar zij hebben het in de loop van de eeuwen al zo dikwijls gedaan, dat herhaling van hun woorden een bijdrage lijkt aan het woekerend verbalisme. Er zijn steeds nieuwe woorden nodig om oude ervaringen uit te spreken. En juist bij het uitspreken van elementaire ervaringen dreigt de kitsch. Hierdoor worden zij onuitsprekelijk. De onuitsprekelijkheid van zaken die onze verwondering wekken, is niet een gevolg van een tekort aan woorden, maar van een teveel. Onuitsprekelijk is wat verstikt wordt onder een herhaling van woorden uit het verleden.

De taal zelf is een barriére, het cliché een obstakel. De meest elementaire dingen worden onuitspreekbaar, omdat zij ondergesneeuwd zijn, ingepakt in een laag van gemakkelijk te herhalen woorden die alleen nog verwijzen naar een vroeger gebruik van diezelfde woorden. Juist wat zo goed gezegd is, dat het definitief onder woorden gebracht lijkt te zijn, leent zich alleen nog voor rituele herhaling. Spreken wordt citeren, verwijzen naar nummers in een magazijn. ’Wij betreuren dit ten zeerste’, ’wij zijn diep geschokt’, ’dit is voor ons een bron van grote verheugenis’, zegt de woordvoerder, maar er is niemand meer die bij zulke verklaringen nog aan verdriet of vreugde kan denken.

Beethovens’ portret: Langsdon

Om de kitsch te vermijden worden we bijna gedwongen over elementaire ervaringen te zwijgen of erover te spreken in een taal waarin van elke verwijzing naar buiten en naar binnen wordt afgezien. Poëzie moet wel tot een autonome kunst worden. Als er nog een dichter is die over de lente schrijft, moet hij wel schrijven over de poézie over de lente, over dichters die over de lente dichten. Zijn creativiteit wordt een omweg opgestuurd, waarvan nooit iemand is teruggekeerd. Als een aap klimt hij in de papieren bomen van een overbodig oerwoud. Dat gebeurt uit naam van een raffinement dat gebouwd is uit de scherven van veel mislukkingen en verworpen sentiment. Elke argeloze directheid leidt tot kitsch.
Het taboe op de elementaire dingen is bijna tot een vanzelfsprekendheid geworden. Uit vrees voor het sentiment wordt hun bestaan genegeerd, zodat ze zich moeten verschuilen in de tamelijk obscure hoek van het amusement. Verpakt tussen grollen, pikanterie en stuntwerk mag daar ook nog de lente, de moederliefde en het verdriet ter sprake komen. Daarbuiten wordt eindeloos verder geknutseld aan een heelal van woorden over woorden, gestolde lava rond een vulkaan die toch ooit gewerkt moet hebben.

Word Abundance, Renée Snider

Zelfs het activisme (niet in de Belgische betekenis maar als buitenparlementaire activiteiten om politieke verandering teweeg te brengen, nvdr.), erfgenaam van een aloude grimmige daadkracht, heeft zijn eigen verbalisme ontwikkeld. Weinig uitdrukkingen zijn zo verbalistisch als de duizend maal herhaalde stelling, dat het niet om woorden, maar om daden gaat en dat er eindelijk eens iets moet gebeuren. Er zijn tientallen woorden in omloop gekomen die met een zekere wilskrachtigheid gehanteerd worden, maar die betrekking hebben op daden en gebeurtenissen die nooit hebben plaatsgevonden en ver boven ons vermogen liggen: de maatschappij veranderen, revolutie, progressief beleid, bewust maken en zelfs: opvoeden. (Is er ooit iemand opgevoed?) De zogenaamde mensen van de daad zijn de grootste verbalisten geworden. Voor hen zijn woorden het middel om de illusie in stand te houden dat de wereld volkomen hanteerbaar is, even hanteerbaar als de taal.
Het is een elementair genot en een klein wonder deze wereld te zien instorten, geruisloos als natgeworden karton, naar buiten te kunnen kijken zonder een mist van woorden voor de ogen, een merel te horen zingen zonder aan poëzie te denken, oude dingen nieuw te zien worden zonder een revolutionaire ingreep en zonder begeleidend commentaar. De taal is een omweg naar de sprakeloosheid; als er echt iets gebeurt, hebben we niets te zeggen.’

Uit de omweg van het woord, inleiding van: ‘Weerloos denken, beschouwingen over inval en het oeuvre, Cornelis Verhoeven, Amboboeken Baarn, 1982

Four Colors Four Words (Orange, Violet, Green, Blue), 1966.

Fragment uit de tekst op de achterkant:

’Akademische filosofie lijkt een discussie aan de periferie. Voor zover die de enige vorm van filosofie is die voor vol wordt aangezien, moet er iets mis zijn met de beoefening van de filosofie.’ Een uitspraak die er niet om liegt en die aangeeft waar Cornelis Verhoeven staat. Van ’akademisch gehakketak’ moet hij werkelijk niets hebben, zoals hij ook rigoureus een didactiek van de filosofie afwijst, waar deze pretendeert een systeem van onderwijs te bieden. Kortom, hiermee zij verwezen naar één karakteristiek van Verhoevens denken: zijn anarchisme. Maar dat is het niet alleen. In hoofdstuk 8 (‘Filosofie als vorm van leven’) geeft hij zich als denker werkelijk bloot, waar hij zegt: ‘Ik besef dat voor een tractaat mijn krachten te beperkt zijn en mijn temperatuur te hoog is’. Vervolgens bekent hij zich tot ’de kleine waarheid’ van het essay, dat zoekt en probeert. Vandaar ook dat dit boek iets meedeelt van Plato’s Eros, maar dan wel met inbegrip van de warmbloedigheid die de godheid met deze naam bezat. ‘

Cornelis Verhoeven (1928-2001) was hoogleraar in de antieke wijsbegeerte aan de Universiteit van Amsterdam. Hij werd in 1980 bekroond met de P.C. Hooftprijs voor het essay.

‘Melancholie is een kenmerk van menselijke authenticiteit.’