Stilte, de leegte voor essenties: Gwen John

A corner of the artist’s room in Paris

Haar leven vind je op talrijke plaatsen beschreven, al dan niet in vergelijking met dat van haar broer Augustus. Gwen en Augustus. John als familienaam.
Hij, de onstuimige.
Zij, op zoek naar de ‘interior’ der dingen, maar vergis je niet, het verlangen was groot.

De kamer in Parijs.
Een decade de geliefde van wereldkunstenaar beeldhouwer Rodin.
Voor hem: één van.
Voor haar: de enige.

The building weighs less than a flower. The parasol stem dreams about being a wicker chair. A blade of wall threatens the throat of the outside world . . . or caresses it. In A Corner of the Artist’s Room in Paris, twin concepts–Wales/France, this/that, presence/absence, times of day/times of life–trade places or blend. (Barry Nemett, schilder)

A corner of the artist’s room, Paris

Translated from the novel Die Muse des Bildhauers (A sculptor’s muse) by Alexandra Lavizzari (p.131, German Edition):

»O mein Meister, es gibt keinen Mann wie Sie auf der Welt, Sie sind die Schönheit meines Lebens! Sie kümmern sich um meine Bedürfnisse, das ist so gütig von Ihnen, aber wenn ich hungerte oder kalt hätte, wäre meine Seele noch die zufriedenste und glücklichste auf Erden, … weil ich Sie liebe, mein Meister, aber meine Liebe zu Ihnen ist das Schönste, was Sie mir geben.«

»O my master, there is no man like you walking this earth, you are the beauty of my life! You take care of me and my needs, how gracious of you, but even if I were starving or cold my soul would be the most content and happy on earth … because I love you, my master, and my love for you is the most beautiful gift you could give me.«

Little Interior

‘Terugdenken roept misschien te veel de afwezigheid op -alsof er een tijd zonder denken was, en wellicht kon je de intense liefde op die manier ervaren- terwijl herinneren het afgeslotene van het voorbije benadrukt, probeert het -vaak tevergeefs- het verleden opnieuw als ‘heden’ te beleven, een bekende vorm van vervalsing, veredeling of verkettering. De afwezigheid. De warmte van de theepot, ook vrijwel leeg, de tafel achtergelaten op weg naar.

The brown tea pot

I imagine John sitting by the closed window writing one of the thousands of letters she sent Rodin; even after he ended their relationship, John continued writing him. I imagine a precious few letters from the many he sent her, buried within the midnight of the table’s drawer. No chance of dammerung there unless you pull the dot of the knob and let in the day.

What I envision inside the drawer are fading feelings inked across delicate, off-white stationary. The letters are stacked according to dates written. Nothing out of order in John’s portrayal of her clean, well-lighted place. Daytime rather than night, a cozy apartment rather than a public bar, otherwise this attic of an 18th-century house located at 87 rue du Cherche Midi in Montparnasse could be the kind of setting the old widower was looking for in Hemingway’s brilliant short story, “A Clean Well-Lighted Place.” (Barry Nemett, schilder)

Self Portrait

Hij antwoordde nooit. Hij had een dichter als secretaris. Rainer Maria Rilke

Flowers 1910

Das ist die Sehnsucht

Das ist die Sehnsucht: wohnen im Gewoge
und keine Heimat haben in der Zeit.
Und das sind Wünsche: leise Dialoge
täglicher Stunden mit der Ewigkeit.

Und das ist Leben. Bis aus einem Gestern
die einsamste von allen Stunde steigt,
die, anders lächelnd als die andern Schwestern,
dem Ewigen entgegenschweigt.

zelfportret

Het wonen in de deining was voor haar een tocht naar ver-innerlijking. Was de kunstenaar begaan met de eigen emoties en zijn werk daarvan een ver-uiterlijking, zij zocht naar een heimat buiten de tijd. Haar liefde voor een man of een vrouw in de tred van het dagelijkse. Haar bewondering voor de religie, de pogingen daarin contact te kunnen maken met het essentiële.

Interior with Figures

“She painted. She had a little success. She died. I should hate her story but it seems to me exemplary.  She made exactly enough space in her life to set her easel down. The push for honesty in her work is amazing; the way she painted the light hitting the side of a brown teapot, or the slope of a mansard roof. I look at her sad, frank-eyed portraits of herself and of other women, and think if that is what the truth looks like, then she was painting a losing game.

Gwen John, Young Woman Holding a Black Cat, vers 1920-1925, huile sur toile, 46 x 29,8 x 1,7 cm, © Tate

“But she did not compromise. She worked with her elbows stuck out, jabbing them both in the eye: on one side her brother Augustus, with his lifestyle and his fame and his sentimental line, and on the other, Auguste [Rodin], the genius, his lecherous old hands coaxing flesh from stone.

“She stood in the middle, looking straight at her subject: Gwen.” (Anne Enright, The Guardian)

The Convalescent

Een bio vind je in onze bijdrages uit 2007 hier aangeduid:

https://indestilte.blog/2007/04/27/niet-de-noten-maar-de-melodie-gwen-john/

The precious book

Stilte is op de eerste plaats de openheid die ontstaat als het eigen innerlijk rumoer voldoende luwde: dat zijn de eigen verlangens en verledens, de lang meegereisde noden, dromen en ingebouwde aandriften. Verdwenen zijn ze niet maar ze zijn hun noodzakelijkheid verloren. Je leerde hen in hun ware gestalte tegemoetkomen.
Op de tweede plaats bestaat de stilte uit het ontdekken van de sonoriteit van de uiterlijke en innerlijke geluiden.
Uiterlijk leer je in het luisteren de ruimtelijkheid van het geluid ontdekken. Het onderscheid tussen voorgrond en alles daartussen, tot wat zich aan de verre horizon afspeelt, is daar een voorbeeld van.
Niet alleen hun sterkte maar ook hun ritmes, tonaliteit, kleur. Je zou het ook de muzikaliteit van het geluid kunnen noemen. (Je kunt het begrip geluid door het begrip kleur vervangen)

a lady reading

Innerlijk is net zo goed die plaatsing belangrijk: meestal blijven de ideeën en wanen die je aangaan te zeer op de huid plakken. Ze leren in het juiste perspectief plaatsen zowel in afstand als volume zal ook hun dwinglandij dragelijk maken.
De leegte is dus geen afwezigheid: het is het uiterlijk en innerlijk geluid voldoende ruimte bieden zodat je hun ware proporties leert kennen en ze van daaruit makkelijker te hanteren zijn.
Stilte kun je dus ook in een drukke straat ervaren omdat je zelf de voor- en achtergrond van het storende leerde bepalen: je leren vrijwaren of hanteren van vooral ook innerlijke gedwongen aanwezigheden.

De manier waarop je essenties in de stilte kunt brengen is veelvuldig verschillend: geluiden, kleuren, vormen en volumes, letters. Of een lange stilte. (Gmt)

Gwen John
by Gwen John
oil on canvas, circa 1900
24 in. x 14 7/8 in. (610 mm x 378 mm)

Little girl wearing large hat

Binnenkijken bij Samuel

Samuel van Hoogstraten
Self-Portrait
c. 1643 and 1650
170 x 135 mm
Pen and brush in brown with red and black chalk
Institut Néerlandais, Frits Lugt Collection, Paris

Formuleerde Gaston Bachelard in zijn boek ‘La poétique de l ‘espace’ filosofische dromerijen’ omtrent het interieur, dan was de Hollandse schilder Samuel van Hoogstraten een van de eersten om in zijn beeldend en theoretisch werk aandacht te schenken aan de binnenruimtes van een gebouw.
Je ziet hem hierboven als jongen bijna vier eeuwen overbruggen. Hij kijkt ons aan. Wij zullen zijn werk bekijken.

De innerlijkheid van een architectonische ruimte is in de kunst slechts heel geleidelijk tot ontwikkeling gekomen. Zullen we zeggen dat de buitenkant, vanuit de vroege defensieve functie van een ‘schuilplaats’ al vlug meer aandacht kreeg en ook later in de decoratieve vormgeving de architectuur aan de buitenzijde de rangorde van de bewoners eerder duidelijk maakte, dan de inrichting van het interieur, de binnenkant, die plaats op de maatschappelijke ladder beklemtoonde. Met de komst van de burgerij ontstond het interieur.

Kijk je naar het mooie interieur van de Nederlandse schilder Samuel van Hoogstraten (1627-1678), een leerling van Rembrandt, dan is de tweede open deur, sleutels nog in het slot, duidelijk een opening naar een andere wereld dan degene die je verlaat, bezem tegen de muur, linnen aan de haak, pantoffels op de drempel. Je weet het: hier begint een andere wereld waar duidelijk niet iedereen zo maar binnen en buiten kan lopen.
Daarbinnen zie je goud geborduurd laken met zilveren kandelaar en boek op de tafel, hangt er een schilderij aan de muur en staat er een statige beklede stoel waarop niet iedereen mag zitten. En over een stoel van die omvang vond ik nog een mooi citaat uit het toen veel besproken boek (1975!) van Jos van Ussel: ‘Intimiteit’:

‘De stoel, symbool van verburgerlijking. Het belang dat de stoel krijgt in de burgerlijke samenleving wijst op twee dingen. Men zit er op als individu, op tien of meer centimeter afstand van de anderen. Niet zoals op een bank, of een matras opde vloer. De anderen raakt men niet aan. Men kan naar hen kijken maar hiervoor zijn regels. Men zal niet zo maar een gesprek aangaan.”

Het ging Samuel niet alleen om de rijkdom van de suggestieve ruimte, eerder om via de compositie van de vloeren in beide ruimtes een spel met het lineaire perspectief te spelen, door met de voeglijnen van de typerende zeventiende eeuwse Hollandse tegelvloeren de ruimtewerking te versterken.

Van Hoogstraten was immers niet alleen schilder, maar ook auteur en ontwerper van een eigen schilders-methode: ‘Inleyding tot de hooge schoole der schilderkonst: anders de zichtbaere werelt.’
Zijn aandacht voor trompe l’ oeil- effecten en de toepassing van het lineaire perspectief halen het op de aandacht voor het eigene van een atmosfeer, al mag kan de kijker ze ook zonder die bedoeling erin terugvinden. Het gaat om ‘de zichtbaere werelt’ en die heeft ook nog de nodige verrassingen voor de aandachtige beschouwer.

Inleyding tot de hooge schoole der schilderkonst: anders de zichtbaere werelt

Er is nog altijd plaats voor ‘de verrassing’, het bedriegelijke van de werkelijkheid zoals in deze mooie trompe-l’ oeil, een stilleven van alledaagse voorwerpen die je zo van het doek kunt pakken, denk je.

Stilleven, trompe-l’ oeil 1664

Maar net als zijn meester Rembrandt is hij een aandachtige ‘zelf-bekijker’ zoals blijkt uit dit mooie doek waar hij als zeventienjarige in aandachtige lectuur schijnt verzonken temidden van allerlei symbolen die de vluchtigheid van het bestaan aanduiden, de uitgedoofde kaars, zandloper en doodshoofd. Vanitas.

Zelfportret met ‘Vanitas’
Samuel van Hoogstraten, Doorkijk door een gang, 1662, olieverf op paneel, 264.2 136.7 cm, Dyrham Park, Gloucestershire, Groot-Brittannië

In een gelijkaardig werk kun je via de gang door de geopende deuren tot aan de haard in de verste kamer kijken.
Ook hier is een sleutel en een bezem aanwezig en door de aanwezigheid van de personages achter de geruite raam en de aankleding van de wanden wordt de ‘stand’ van de bewoner duidelijk al mag dan de vogelkooi bovenaan een grappige verwijzing zijn naar de beperkingen ervan. (het deurtje staat open en een papegaai was nog niet dadelijk een symbool voor een mooiprater, denken we, eerder een verwijzing naar de rijkdommen uit de overzeese wingebieden.)
De hond en de poes zijn dan weer typisch voor het huiselijke, net als het briefje dat iemand op de laagste trap heeft achtergelaten. De twee doorkijken samen:

Je zou de stelling van het samengaan van calvinisme en kapitalisme naar voren kunnen schuiven, het verwerven van een eigen domein door hard en vroom werken ten dienste van de gemeenschap, maar er blijft ook een bijna kinderlijk genoegen van de ‘kijkdoos’ meespelen. Hij heeft er zelf verschillende ontworpen zodat je vanuit een binnengluurpunt verschillende hoeken van de binnenruimte kunt zien. Dat plezier dat het tweedimensionele voor een driedimensioneel-ervaren kan zorgen zou doorwerken tot in het succes van de viewmaster en de driedimensionele cinema.

Samuel van Hoogstraten, ‘A Peepshow with Views of the Interior of a Dutch House’, about 1655-60. National Gallery, London

From the National Gallery website: The peepshow is a rectangular box; the interior is painted on three sides, as well as on the top and bottom. The sixth side is open; originally light would have entered the box from this side, perhaps through specially treated paper stretched across it. The box would have been placed close to a window or illumination provided by a candle. There are peep-holes in the two shorter sides which provide the illusion of three-dimensional views of the interior of a house.

Voor Samuel is kunstwetenschap contemplatief en praktisch. Hij maakt in zijn ‘methode’ geen onderscheid tussen een vita activa en een vita contemplativa. De schilderkunst is te beschouwen als een puur liberale en intellectuele kunst, een werkdaedige wetenschap om het met zijn eigen woorden te zeggen.

Maer om deze vraege, of de konst grooter baet van de natuur, of van de leeringe heeft, te beantwoorden, zoo is te weten : dat de natuur zonder de leeringe veel vermach : en dat in tegendeel, de leeringe zonder eenige hulpe van de natuur, ydel en te vergeefs is. maer wanneer middelmatige gaven der natuure door leeringe geholpen worden, zoo schijnt de natuur zich te beteren, en geeft meer uit, als’t verstand begrijpt : … Dit zelve verschil wort ook gedongen onder de naemen van Theory en practijk. Wanneer men vragt, of de konst meest door de leeringe, dan of door de oeffeninge geholpen wort ? Waer op wy antwoorden, dat de leeringe zonder de oeffeninge nietich is. en schoon de oeffeninge zonder de leeringe somtijts wel iets belooft, dat de konst tot geenderley volmaektheyt kan rijzen, ten zy men die gestaedich oeffene, en nae de onfeylbaere regels der leere bestiere’ (uit de Inleyding tot de hooge schoole der schilderkonst, Rotterdam 1678)

Samuel van Hoogstraten, zelfportret rond 1650 of late 1640

Het gaat hem vaak over ‘de doorkijk’ in zijn interieurs:

‘Some of van Hoogstraten’s most compelling inventions involve what has since come to be called the doorkijk, the framed through-view that is both a hallmark of Dutch paintings of domestic interiors as well as a device replete with metapictorial possibilities. Painters routinely used the through-view to comment or elaborate upon a foreground scene by opening up secondary and at times tertiary spaces for comparative viewing and consideration. in his Doctor’s Visit we can see how van Hoogstraten exploits this internal framing device to enhance both the visual inter-est and legibility of the painted domestic interior, inventively orchestrating the joint activities of reading and looking catalyzed by his incorporation of emblematically charged elements into picture:

De bleekzuchtige dame’. Interieur met een zieke jonge vrouw zittend op een stoel naast een tafel voor een bedstee. Onder haar voet heeft ze een stoof, rechts zit een kat. Achter de vrouw houdt een dokter een kolk met urine tegen het licht, naast hem staat een man. Links leidt een trap naar andere kamers, boven de deur hangt een schilderij. In de achterste kamer een haard met een mantelstuk.

“The tripartite structure of foreground, mezzanine middle-ground, and background doorkijk frames an optical trajectory, one that is generated by the concatenation of orbs–urine flask, banister knob, and golden andiron. These orbs link the urine analyst who often appears in Dutch pictures as a farcical character, to a similarly posed figure visible in the painting over the mantel in the farthest room. The visual analogy provokes further questions about the relationship of the two figures. Knowledgeable viewers – then as now – would recognize and wonder what to make of the framed pictorial frag-ment within the picture.

The viewer, like these two figures, is left to puzzle over the evidence of both pregnancy and paternity, questions posed and set into play by means of its framing and accessories but not resolved within the painting. Thus, while van Hoogstraten recommends using accessories that covertly explain in the Inleyding, his painting reveals that pro-viding pictures with a ‘readable script’ through such embellishments is not the same as imbuing them with specific hidden meanings. instead such accessories offer visual prompts that make pic-torial puzzles legible, framing questions and inviting speculation rather than providing answers.”

Het zijn enkele fragmenten uit de boeiende studie ‘The universal art of Samuel van Hoogstraten(1627-1678): painter, writer, and courtier’ van Weststeijn, M.A.

https://docplayer.net/62559669-The-universal-art-of-samuel-van-hoogstraten-painter-writer-and-courtier-weststeijn-m-a.html

Zelfportret

Of je deze wondere kunstenaar grondig wil bestuderen of gewoon verwonderd zijn bij enkele van zijn werken, hij blijft ons aankijken en telkens weer ontdek je nieuwe aspecten van zijn denken en kunnen. Zoals in deze mooie pentekening waarin Judas, de verrader, zijn 30 zilverlingen ontvangt. Je hoort ze bijna discussiëren terwijl de wat bleke Judas-figuur een beetje bedremmeld toekijkt.

Samuel van Hoogstraten
Judas Receiving the Thirty Pieces of Silver
c. 1655
143 x 220 mm
Pen and wash in silvery grey bistre, corrected wih pen and brown bistre

Dit hele kleine tekeningetje (136 x 167 mm) brengt ons naar een keuken waar een jongetje zich opwarmt bij het vuur. Hollandse winters waren toen nog koud! Hartverwarmend!

Samuel van Hoogstraten
A kitchen with a boy warming himself at the fire
136 x 167 mm
Pen and point of brush in brown ink, brown and grey wash
Institut Néerlandais, Frits Lugt Collection, Paris

Opgehokt in de wolken: Laurent Chéhère

The Red Balloon / Le Ballon Rouge – 2012



This calm and innocent atmosphere hides a reference to the movie Red Balloon directed by Albert Lamorisse and shot in Ménilmontant, my neighborhood. When you take a closer look to the old facade of this cheap hotel, where you can rent a room daily or monthly, you can read above the space where you usually find the street name sign an inscription « Long live the Commune ». It refers to the events of 1871 which bloodied the district and the Père Lachaise cemetery. On the rooftop, graffitis such as Big Brother (a fictional character and dictator in George Orwell’s novel 1984), Chuck Norris (could see as a symbol of an American imperialism) and a Space Invaders are evidences of the neighborhood’s political commitment.
Weekje in de wolken:
 zweven
op vleugels van
 stilte.
The Caravan / La Caravane – 2012



By far this caravan seems to navigate peacefully towards a clear horizon. Some romantics will see a tremendous aspiration for freedom guiding it, the Bohemian life, the children of the nature, a bear tamer, a magician, the lines of the hand, Django Reinhardt, a violin, a crystal ball, a guitar or a lifestyle who refuse to submit themselves in any authority.

Closely it’s people who are deported by force for what they are : Roma, Manouches, Gypsies, Gitans, Romanichals, Bohemians, Travellers community or Chicken thief, no matter their name, in our modern so-called societies, they are rarely welcome and arouse many fantasies. Their history is marked out by events and by persecutions. In Serbia as in Romania, many of them was slaves until 1850. Between 1933 and 1945, the Nazis and their allies persecuted, sterilized, imprisoned, tortured, shot, and finally gased about 500 000 Roma in death camps

Wandel intussen in de tuin van bijna tweeduizend paadjes: sluipwegeltjes, schaduwpaadjes, doolhofjes, strakke laantjes met bloemperken, wilde avonturen-kronkels, dreven voor trage wandelaars, steegjes en straten…enz. Kom daarna thuis in je ‘vliegend huis’ zoals de Franse fotograaf en kunstenaar Laurent Chéhère ze samenstelde.

For sale / À vendre – 2012



Sells pavilion, suburb, 120m2, 3 bedrooms, lounge, kitchen, bathroom, toilet, laundry room, no garden. Thank you to contact the owner. Client not serious please refrain.

The “Flying Houses” are a surrealistic and poetic vision of old Paris, inspired by Jules Verne, Albert Robida, Moebius, Hayao Miyazaki, William Klein, Wim Wenders, Federico Fellini, Serge Gainsbourg, Martin Scorsese, Marcel Carné, Jean Cocteau and more. These buildings are also inspired by poor and cosmopolitan neighborhood of the French capital where lives Laurent Chéhère. (Vergeet de cineast Albert Lamorisse, Le ballon Rouge, niet!)

The author isolates these buildings of their urban context and releases them from the anonymity of the street to tell the life, the dreams and the hopes of these inhabitants. The images are photomontage of hundred of elements like roof, windows, gutter, fireplace, characters, antennas, graffiti and sky, captured and assembled afterward like a puzzle. In gallery, the images are shown in large format and let the curious observer to discover details and hiden references of these accurate reconstructions by proposing a double reading, one by far and one closely. The artist uses this distance to propose a different point of view and alert against preconceived ideas and prejudices. All the ingredients are there, the comedy, the drama, the poetry, the darkness, the onirism, the laughter and the tears… everything becomes entangled. The author gives some keys, but these flying houses remain open to the interpretation, it’s finally the people who will make his own way.

Cinéma – 2012



The Pigalle district conserves in the collective memory an image of underground venues together with perverted and dirty nights. Pornographic cinemas were part of this landscape together with prostitutes and pimps. Pigalle has changed : it is no longer the territory of sex but the territory of cool nightlife and music scene. Old porn cinemas shut down and were replaced. All but one : L’Atlas. Its teasing neon lights, its suggestive display make no doubt about its « specialized » programme, as it was once modestly called. It had several lives. I gave him one more. The street sign recalls a director of many erotic films and teen movies. His films mixing more or less smutty erotism and approximate «Vaudeville».

Laurent Chéhère is a French photographer known for his commercial work for clients such as Audi and Nike. He left the advertising industry to travel the world and along the way was born his flying houses series, a collection of fantastical buildings, homes, tents and trailers removed from their backgrounds and suspended in the sky as if permanently airborne.

he Linen / Le linge – 2012



A building that has gone dry his laundry near the district of La Chapelle where it was no longer welcome.

Caught in the hustle and bustle of crowded streets, big city dwellers might not always have the time to stop and enjoy the scenery. But Laurent Chehere is giving you a reason to admire your street-side architecture. In a series titled “Flying Houses,” the artist takes images of ordinary urban and suburban residents and places them in the skies, creating captivating photographs of homes that appear to be floating through the air. Some are adorned with clotheslines and flower boxes while others are bellowing smoke and eschewing flames, but all of the houses seem to be captured mid-journey, moving above the clouds as they remain tethered out of frame. No longer hidden in the monotony of a congested street, the isolated structures become whimsical imaginations you can’t help but notice.

Dr Pierre – 2012



Time passes and clears. Here an old advertisement from the late nineteenth century for a toothpaste.

Laurent Chéhère is a french artist, born in 1972 at the foot of the parisian hill of Ménilmontant, a neighborhoods he explores with the same unceasing curiosity as he does in Bamako, Lhasa, Tokyo, Valparaiso or Srinagar. Early on his life, he was immersed in the images of popular culture. His father would make scripted holiday films with his Super 8 camera, his mother transmits the virus of drawing and his brothers was passionate by theater… and the young Laurent? He dreams in the atelier of his grand father Joseph, a house painter and typographer of a village in Normandy. To his young eyes, the place was extraordinary as Alibaba’s cave. Of course it’s not enough to be an artist but you never know!

Lost Street / Rue Disparue – 2015



This reconstruction is inspired by an iconic building, destroyed in the 70s. It was located on the top of the hill of Belleville in Paris, on the corner of the rue Piat and the rue Vilin stairs. Unfortunatelly, a large part of this popular neighborhood was razed for a questionable sanitary effort. It has been replaced since then by a public garden, without any particular charm but enjoyable at springtime. The building still lives in the work of photographers like François-Xavier Bouchart, Henri Guédard, Robert Doisneau and Willy Ronis as well as in films in which it had been used as the set : Orpheus by jean Cocteau, the Red Balloon bu Albert Lamorisse, Casque d’Or by Jacques Becker, Raids on the City by Pierre Chenal, Under the sky of Paris by Julien Divivier, The Grand Chef by Henri Verneuil and Act of Love by Anatole Litvak.

Thus, he came to spend the last 20 years traveling around the world taking photographs starting with his own city. A veritable tower of Babel where you can meet the world crossing the street. These working class neighborhoods of Paris are his playing field, his principal source of inspiration, his own point of departure and arrival. It’s here in the places, where every street corner offers an escape through the foreigners accents, the spice perfumes, the orientation of satellite dish, that he discovered a passion for travel, and for people and stories from around the world. It’s there, also, where he returns to better tell these stories. And Because his inspiration are numerous and varied, he was chosen to bring them together in these flying houses that carry their univers, their atmosphere, their history, everything that the artist wanted to put there, but also everything the public will want to see there.

The Journey / Le Voyage – 2018



From the outside, this abandoned shed seems visited only by street artists. But behind the rust, the broken tiles and the graffiti, sleeps the studio of cinéma of George Méliès, the very first one in France. If you explore more closely this « Egyptian tomb », one can discover, buried under the cobwebs and the dust, the History of Cinema. There are cameras, movie reels, masks, costumes from all ages. Tarkowski, Scorsese, Kurozawa, Bresson, Visconti, Wenders, Mallick, Pollack, Godard, Kubrick, Hitchcock, Leone, Spielberg, Truffaut, Bergman, Scorsese, Coppola, Chaplin, Fellini, Lang are all there.

Detail: From left to right, you can spot cameras used by Terrence Mallick, Orson Welles, Luchino Visconti in Rocco and his Brothers, Andrei Tartovsky in Stalker, Howard Hughes in Aviator a film by Martin Scorcese, Sydney Pollack, Akira Kurosawa, Wim Wenders in Wings of Desire, Charles Chaplin. Claude Lelouch, Georges Méliès, François Truffaut, Ingmar Bergman, Michael Powell & Emeric Pressburger in Black Narcissus, Stanley Kubrick in 2001:A Space Odyssey and John Ford. In the center, the android in Metropolis by Fritz Lang. In the background, there is part of the set of 20 000 Leagues under the Sea by Georges Méliès. Bottom right, a graffiti represents Danny on his tricycle in Shining by Stanley Kubrick. On the glass door, a red inscription almost disappeared, seen in Shining too : REDRUM (MURDER). At the top left, the planet Saturn and the rocket train in the film A trip to the Moon by Georges Méliès. At the top right, the USS Enterprise from Star Trek, a flying saucer from the Invaders and hidden in the darkness, a Death Star from Star Wars.
Still Life / Nature Morte – 2013



By far, it looks like a Noah’s Ark, closely it is a little bit different. These animals are not afraid of having of the rise in the water level, they already died and stuffed at this taxidermist workshop inspired by the maison Deyrolle in Paris and some «cabinet of curiosities». On the background, behind a parrots, a monkey, an elephant, a zebra, a rabbit, a bear, a lynx and a girafe is hide someone…  also stuffed. The vanity of men trying to freeze the Death.

Ze zijn de wereld rondgegaan, de vliegende huizen. Gek dat je pas de ‘eigenaardigheden’ van een huis ziet als je het losgemaakt uit de rij. Je zou bij elk huis een verhaal kunnen vertellen. Of je eigen huis samenstellen uit onderdelen die je op het net vindt. De schoonheid van deze composities bestaat o.a. uit de zorg voor de onderdelen. Het is lang kijken wil je elk detail gezien hebben.

Le Petit Journal – 2013



Behind this immense blue advertisement for a newspaper of the end of XIXth century, you’ll see that this building is hiding a doll workshop inspired by cabinet of curiosity of XVIIIth century and artist studio of Montmartre. A young man has just pasted a poster about Coluche. He was a humourist, actor, provocator and agitator by his social pronoucements, he presented himself in the french presidentail election of 1981 against François Mitterrand.
Max – 2013



The « American Hotel » neon sign, a name synonym of modernity, is here only a souvenir of a past era and witnesses the work of time. The tourism board has lost its stars. The paint on the wall is decrepit. A closer look, and it seems dedicated to another clientele. On the first floor there is a tribute to the movie « Max and the Junkman, by Claude Sautet with Romy Schneider and Michel Piccoli, telling the impossible love story between a cop and a prostitute.
The Great illusion / La Grande illusion – 2012: From afar, it seems peaceful and free. but the title reference to Jean Renoir’s movie is a warning. Looking closer, one discovers African migrants, their hearts full of hope, sailing to a Parisian future, as unsafe and over crowded as their boat. This metaphor testifies of their odyssey and the tragedy taking place in the Mediterranean sea.

Misschien kun je ook steden, of regio’s uit hun totaliteit losmaken en ze daardoor hun specifieke eigenheid toedichten of benadrukken. Maar er komt een moment dat je weer de begane grond op moet. Dat je de opgehokten weer in het publieke leven wil zien en er zelf deel van gaat uitmaken.

he Hell and the Elephant / l’Enfer et l’Éléphant- 2017 nspired by the famous Cabaret The Hell in Montmartre and the Circus world. Destroyed in 1950, it was frequented by the Surrealists. André Breton lived just above it and organized spiritism sessions with the poet Robert Desnos in the 1920s. The owner opened another twin cabaret called «Heaven». There are many posters of french famous circus like Bouglione and Zavatta. There are references to Henry George Clouzot’s eponymous film, Eraserhead and Elephant Man by David Lynch. At the window there are masked children and the name of the street is ironically to the glory of the “deserving” people : Cockroaches and Sowbugs Street.

I’m interested in houses and buildings that people do not look at any more. I try to highlight them, to show their hidden beauty and to get out of the anonymity of the street to help them tell their stories, true or not, funny or sad.

I am interested in gypsies, African immigrants, a circus, an old erotic cinema, a little bar, a decrepit hotel, or a house in the suburbs.

In the gallery, the images are shown in large format, so that they make sense, leaving it to the curious observer to discover details (graffiti, writing, anachronism, character, window, reference to a film or a musician) and propose a double reading, a story far and another closer.

The “Red Balloon” for example, is a Parisian building and is a tribute to Albert Lamorisse’s film “The Red Balloon” shot in Ménilmontant streets in 1956. I added details like political graffiti depicting “Big Brother” – the dictator in George Orwell’s book “1984”; a mosaic of Space Invaders and above the name of the street that has been stolen, a small inscription “Vive la Commune”. This is the part of Paris saw the last barricades of Commune in 1871.

The “Circus” was inspired by a circus in northern Paris. The photo has a tribute to Fellini movie “La Strada ” and the angel played by Bruno Ganz in “Wings of Desire” by WimWenders. Perched on the shoulder of a statue and observing humans, he falls in love with a trapeze artist. In my picture, a dwarf dressed as a clown who tries to light a cigarette on the snowy roof of the tent gets the role.

The Circus / Le Cirque – 2012

https://www.laurentchehere.com/laurentchehere.com/www.laurentchehere.com.html

Fire/En feu 2012

‘Gebed’: gedicht van Laura Kasischke

't Vuil op de voorruit en 't sproeiers spul helemaal leeg, zo
rijden we samen verder in een zon-grijze ruit van vuil
en stof. Mijn zoon

zet de passagierszetel zo ver als mogelijk achteruit, sluit
zijn ogen. Ik draai mijn raampje open voor een beetje
frissere lucht. Het is zo

ongelofelijk fris daar buiten.

Regen, voorbij.
Plassen achtergebleven
in greppels. Zwarte spiegels als we passeren

er in weerspiegeld, meen ik, maar ik
moet daarvoor oversteken en knielen langs de kant
van de weg om het te weten.

Dag voor de boeg-

geen reden om hiervoor de radio
te laten spelen.
Het huis waarin wij gewoon waren te leven

bestaat nog
op een snapshot, waarop
het vergeelt in het plakboek van een andere familie.

En een man op de fiets
rijdt naast ons
al een lange tijd, heel gezwind, tot hij tenslotte

hij kan ons niet bijhouden-

maar voor hij wegglijdt
achter ons, groet hij ons
met zijn linkerhand-

een geheugensteuntje:

dat iedere aparte seconde-
dat iedere gevangene in de dodencel-
dat iedere naam op elke grafsteen-

dat overal waar wij gaan-
dat iedere dag, zoals de deze, mag
zijn zoals de deze, zal
zijn zoals elke andere, nog nooit geweest, nooit

eindigend. Zo
dank u. En, oh-
Ik vergat het bijna te zeggen: amen.

The windshield’s dirty, the squirter stuff’s all gone, so
we drive on together into a sun-gray pane of grime
and dust. My son

puts the passenger seat back as far as it will go, closes
his eyes. I crack my window open for a bit
of fresher air. It’s so

incredibly fresh out there.

Rain, over.
Puddles left
in ditches. Black mirrors with our passing

reflected in them, I suppose, but I’d
have to pull over and kneel down at the side
of the road to know.

The day ahead—

for this, the radio
doesn’t need to be played.
The house we used to live in

still exists
in a snapshot, in which
it yellows in another family’s scrapbook.

And a man on a bicycle
rides beside us
for a long time, very swiftly, until finally

he can’t keep up—

but before he slips
behind us, he salutes us
with his left hand—

a reminder:

that every single second—
that every prisoner on death row—
that every name on every tombstone—

that everywhere we go—
that every day, like this one, will
be like every other, having never been, never

ending. So
thank you. And, oh—
I almost forgot to say it: amen.

“This prayer of thanksgiving was inspired by exactly the things I put in the poem: the ordinary drive with my son beside me in the passenger seat; the man who rode his bike beside us and saluted us; the weather and the sense of stability and gratitude for stability I had at that moment; the sense that things were going to last and be preserved, if only in memories and snapshots, glimpses of recognition passed between strangers, or between human beings and what felt, at that moment to me, like a benevolent creator who deserved some acknowledgment, even if we are really, all of us, on death row, even if the immortality I felt I got a glimpse of might have been the kind of immortality one achieves having had her name chiseled onto a tombstone. But, I had a lovely glimpse of eternity there, for a minute.”
—Laura Kasischke (in ‘Poem-a-day)

Foto Léonard Misonne collectie

Laura Kasischke was born and raised in Grand Rapids, MI. She received an MFA from the University of Michigan in 1987.

In 1991, she published her first collection of poetry, Wild Brides (New York University Press). She is also the author of Where Now: New and Selected Poems (Copper Canyon Press, 2017), which was long-listed for the National Book Award; The Infinitesimals (Copper Canyon Press, 2014); Space, In Chains (Copper Canyon Press, 2011); Lillies Without (Copper Canyon Press, 2007); Gardening in the Dark (Ausable Press, 2004); Dance and Disappear (University of Massachusetts Press, 2002); What It Wasn’t (Carnegie Mellon University Press, 2002); Fire and Flower (Alice James Books, 1998); and Housekeeping In A Dream (Carnegie Mellon University Press, 1995).

She is the author of the short story collection If A Stranger Approaches You (Sarabande Books, 2013). She has also published ten novels, of which three have been made into feature films.

She has received fellowships from the Guggenheim Foundation, the National Endowment for the Arts, as well as several Pushcart Prizes and numerous poetry awards. She teaches at the University of Michigan, and lives in Chelsea, Michigan.

Bezoek:

https://poets.org/poem-a-day

https://www.poetryfoundation.org/poets/laura-kasischke

Robert Polidori: de directe nabijheid van het voorbije

Señora Faxas Residence, Miramar, Havana, No. 1, 1997

De wereld was nooit alleen van het heden. Je kunt het verleden camoufleren, inlijsten of tot studie-object herleiden, maar de confrontatie drukt telkens een verhouding met de wereld uit: wat wij ervan gemaakt hebben of wat ervan geworden is. Dat kan met een zekere traagheid of met ongelofelijke snelheid hebben plaats gevonden. Het ritme van de geschiedenis houdt zich niet aan regelmaat. De chaos is een duidelijk resultaat van menselijk of natuurkundig ingrijpen. Fotograaf Robert Polidori (1951) brengt dat in beeld. Tot in het detail.

Robert Polidori is one of the world’s most acclaimed photographers of human habitats and environments. Creating meticulously detailed, large-format color film photographs, Polidori’s images record a visual citation of both past history and the present times within the confines of a single frame.

Born in Montreal, Polidori moved to the United States as a child. Polidori began his career in avant-garde film, assisting Jonas Mekas at the Anthology Film Archives in New York, an experience that critically shaped his approach to photography. While living in Paris in the early 1980s, he began documenting the restoration of Versailles, and has continued over a 30 year period to photograph the ongoing changes.

Polidori’s additional projects include Havana, Chernobyl, and the aftermath of the flooding post Hurricane Katrina in New Orleans. His current work deals with population and urban growth through photographing “dendritic” cities around the world, including Mumbai, Rio de Janeiro and Amman.

Since 2015, Robert Polidori and his family live and work in Ojai, California.

Teatro Capitolo La Havana 1997

All artists, as best they can, make sense of a world that is often senseless. Mr. Polidori’s work, from Chernobyl to Havana — in sometimes dangerous, topsy-turvy, out-of-time places — generally bears witness to profound neglect. A photojournalist’s compulsion and problem is always to contrive beauty from misery, and it is only human to feel uneasy about admiring pictures like these from New Orleans, whose sumptuousness can be disorienting. But the works also express an archaeologist’s aspiration to document plain-spoken truth, and they are without most of the tricks of the trade that photographers exploit to turn victims into objects and pictures of pain into tributes to themselves.(Michael Kimmelman, NY Times sept 22 2006)

Klaslokaal Chernobyl

I certainly didn’t feel any shame while photographing these sites. I simply attempted to portray things as they appeared to me. I never once attempted to execute any embellishments. For this reason I felt surprised and puzzled when criticisms arose. How could I answer the challenges? If I had made these images intentionally ugly would my critics have looked at them more carefully or generously? Likely not. And besides, since when was pathos morally inadmissible in the photographic arts?
I feel nothing when I make these types of photographs. I feel before and after, but while executing them it is my belief that there is only time to accurately act and react. In the few short moments of pause when self-reflection becomes possible, I think of myself as performing some sort of photographic rite of Extreme Unction by commemorating the life trajectories of habitats that were permanently interrupted by cataclysm.

DLes Derniers Jours de Napoleon, Versailles, 2005

Polidori has captured several facets of human experience, from the excesses of Versailles to the turmoil and tragedy of post-Katrina New Orleans. With each image, he eschews nostalgia and judgment, allowing the sharply focused details of the photograph to communicate particular elements of the subject’s psychology and history. Explaining his interest in interiors and architecture, Polidori has said, “Besides the obvious sheltering from the extremes of the elements, people make rooms to live in as if they are animated by an unconscious desire to return to a prenatal life, or even before that, to a soul life. This is what they exteriorize in rooms, their internal soul life, or less magically put, their personal values, if you will.” (Artsy )

Salle de bain de Marie-Antoinette, (33 B) CCE.01.038, Corps Central – R.d.C, Versailles, 2005
Chronophagia ‘La Guarida restaurant entrance, Havana, Cuba 1997’

Maar ook het verre verleden zoals de fresco’s van Fra Angelico geschilderd tussen 1439 en 1444 kun je als fotograaf in hun ruimtelijke aanwezigheid benaderen net zoals de restauraties in Versailles.

The invitation to photograph the frescoes within the Convento di San Marco, as well as the building itself (renovated at the time of Fra Angelico by the patron of the Dominican order, Cosimo de Medici) was a fitting project for Polidori, who believes that rooms act as vessels of memory. Since the 1980s, he has been involved in an ongoing study of the decades-long restoration of the Chateau de Versailles and had previously turned his eye on war-torn Beirut, the devastated landscape of New Orleans and the faded splendor of Havana. By capturing scenes of wreckage, restoration and grandeur uninhabited by human figures, Polidori brings us into communication with the echoes of history that resonate in architecture. These works evoke the inexorable forward thrust of time and its power to reduce people, buildings and civilizations to dust and ruin.

Het beeld van een beeld plaatst het kunstwerk of de architecturale ruimte in de historische omgeving zoals wij die nu ervaren, soms gelijkend op de oorspronkelijke ruimte, soms met sporen van de hedendaagse aanwezigheid. De atmosfeer waarin fresco of ruimte ervaren worden, brengt ons dichterbij hun oorspronkelijkheid of de intentie waarmee ze ontstaan zijn..

Salle les campagnes militaires et le décor des résidences
royale, Aile du Nord–1er etage, Versailles, France
(Room of military
campaigns and decor of royal residences, North Wing–1st floor, Versailles,
France), 1985

Polidori documented the ongoing restoration of the 17th-century Palace of Versailles. His photographs from this series have the scale and architectural sweep of history paintings, he uses light and color to underscore the images’ painterly aura. But instead of providing narrative dramas, his photographs are peopled by a disconcerting mix of construction materials, upended royal portrait paintings, security cameras and discolored walls. In place of the clarity we expect from a museum presentation, historical distances are collapsed and jumbled. Taking us behind the scenes, Polidori offers a case study of the way that historical consciousness is constructed. (Mark Dean)

Enfilade 3 / Aile de Nord, Premier Etage, Salles du XVIIème, Versailles, 2018
Fujicolor crystal archive print mounted to dibond

We moved to the United States from Canada in 1961, when the US was celebrating its American Civil War Centennial. I was 10 years old, and was much impressed by the pictures in Mathew B. Brady’s books that were passed around at school as historical documents of the war. That was when I was touched by the phenomenological power of photography. Ever since I have always been attracted by pioneers and practitioners of the principles of the view camera. The control of perspective given by 35-millimeter cameras is all but nil compared to the large-format camera, and to me this is a fundamental differentiating factor.

Humorously speaking, I imagine I should consider myself a modern 19th-century photographer, intent on documenting the end of the industrial era. Photography came about at the advent of the industrialization process. I wonder how it will fare in the future, although references to the use of the camera obscura go as far back as 500BC in China.

Chernobyl, gymzaal in school

Metaphorically speaking, photography does to time what a wall in a room does to time. It’s a kind of slice of time that is transfixed and only very slowly degrades its semblance. Curiously akin to the quantum of time it takes to forget something. I would say that the emblematic photographic image is a picture from inside a room looking out. I think this defines photography. It’s the metaphor for the notion of first sight. What one saw first.

When I realized the psychological importance of rooms and my commitment to them, I wandered away from cinema. There were other books too, Gaston Bachelard’s Poetics of Space talks about rooms and beehives and a set of drawers, all these receptacle kinds of images, and their metaphorical and psychological undertones.

Samir Geagea headquarters, Beirut, Lebanon, 1994
Hotel Petra #6, Beirut, Lebanon (2010)

La Poétique de l’espace explore, à travers les images littéraires, la dimension imaginaire de notre relation à l’espace, en se focalisant sur les espaces du bonheur intime. Le « philosophe-poète » que fût Gaston Bachelard entend ainsi aider ses lecteurs à mieux habiter le monde, grâce aux puissances de l’imagination et, plus précisément, de la rêverie. Aussi l’ouvrage propose-t-il tout d’abord une suite de variations poético-philosophiques sur le thème fondamental de la Maison, de celle de l’être humain aux « maisons animales » comme la coquille ou le nid, en passant par ces « maisons des choses » que sont les tiroirs, les armoires et les coffres. Il ouvre de la sorte une ample réflexion sur l’art d’habiter le monde, impliquant une dialectique de la miniature et de l’immensité, puis du dedans et du dehors, qui s’achève par une méditation des images de la plénitude heureuse, condensant les enjeux anthropologiques, métaphysiques et éthiques de cette oeuvre sans précédent.

Robert Polidori, Sala Alejo Carpentier, Gran Teatro de la Habana, Habana Viejo, Havana, 2000. Fujicolour crystal archive print
Robert Polidori 6328 North Miro Street, New Orleans, March 2006

Een merkwaardige zondag in mei 2020

Springtime by Claude Monet, 1886

De ‘schermers’ en de ‘telefoonstemmen’ bleken nog steeds over hun door ons herinnerd lichaam te beschikken. Een menselijk wezen te zijn.
‘Wezen’ is een ander, beter woord dan ‘lichaam’ maar doet dan weer aan Oliver Twist denken. Toch is het Nederlandse begrip ‘wezen’ een woord met verschillende kleuren. In Oost-Vlaanderen en in Brabant: ‘Je moet elke dag je ‘wezen’ wassen.’ Beter: ‘Op zijn ‘wezen’ lag vriendelijkheid uitgedrukt.’ Naar de meer heilige kant wordt het een ‘aanschijn’, en in spreektaal: Piet zal weer te laat wezen, zeker? Toch deden we met zijn zessen ook een beetje aan het meervoud van kinderen zonder ouders denken: ‘wezen’, en leken we even voor elkaar ‘buitenaardse wezens’. Het besef dat wij als mens een ‘nietig wezen’ zijn, was ons allen intussen ook wel duidelijk geworden.

Hanna Pauli – Frukostdags 1887 Nationalmuseum, Stockholm

Kind met vriend, kleinkind, vriend des huizes wiens vrouw en kind een aantal duizend kilometers van hier verblijven in afwachting van, en wij, de grootouders. Zes wezens. In wezen (nog één keer!) kennen we elkaar al lange tijd. Het kind is ons in september zevenveertig jaar vertrouwd, het kleinkind twintig, en de bijhorenden kun je door hun vriendschap met het jochie ook al bij ‘de familie’ rekenen, een gebeurtenis die zich meestal zonder al te veel tralala als vanzelfsprekend voltrekt.
En al schreef dichter Adama van Scheltma (1877-1924)
‘Min de stilte in uw wezen,
Zoek de stilte die bezielt,
Zij die alle stilte vreezen
Hebben nooit hun hart gelezen,
Hebben nooit geknield.’

Dan mag het hem echter ook duidelijk wezen dat knielen in deze groep vooral gebruikt wordt om iets op te rapen dat een ander iemand heeft laten vallen, en met het ‘hart’ lezen viel het best mee want onder de bijna uitgebloeide seringenboom zaten we bij de zelf gebakken wafels en cake om het over die vreemde tijd te hebben waarin we tot schermers en telefoonstemmen werden gereduceerd.

Vincent van Gogh, Daubigny’s Garden, June 1890. Oil on canvas, 50.7 x 50.7 cm. Van Gogh Museum, Amsterdam.

Er was, bij de wafels, koffie, thee, prosecco en de schermpjes waarmee we de beelden van die merkwaardige zondag opsloegen en die in weinig verschilden van de feestelijke en minder feestelijke samenkomsten.
Het kleinkind vertelde over haar gastvrije ophok-thuis in het Hageland waar het naast vriendje ook nog twee broers, vader, moeder en twee poezen tot alledaagse gezellen mocht rekenen, een ideaal nest om kunst-wetenschappen te blokken en in praktijk te brengen. Het kind besprak de aanmaak van een serie mondmaskers, het huis- en thuiswerk en het plezier van een ‘zwembad’ in de tuin. (bij de laatste zelfstandige naamwoorden moet een -tje bij, het een opblaasbaar, het andere verwant met het begrip ‘voorschoot-groot’) en de vriend-met-verre vrouw en kind had het over zijn nachtwerk voor het Belgisch Postwezen (!) en het dagelijks contact met de geliefden in het verre India.

Edouard Manet, The Monet Family in Their Garden at Argenteuil, 1874. Oil on canvas. 61 x 99.7 cm. The Metropolitan Museum of Art, New York.

Het donkerde, er kwam de voorspelde regen opzetten, maar geen nood, de veranda-tafel was ook al gedekt met zicht op de tuin die elk spatje regen dronk zoals wij genoten van de bekende tafelvochten. Het kleinkind bezocht nog even haar kamer, en reisde terug naar haar Hageland, met dat vreemde gevoel thuis te zijn geweest en tegelijkertijd weer naar haar nieuwe thuis te vertrekken. Ook de Post riep haar nachtelijke medewerker op, en kind met vriend wilden nog voor het donker de electrische fiets thuis stallen.
Het huis had zijn bekende avondmantel aangetrokken, met hier en daar lichtknoopjes en gezellige donkere hoekjes. Het miste al de vertrouwden nog voor ze weer in hun respectievelijke nesten waren teruggekeerd.
De grootouders? Dat waren ze echt niet geweest die bijzondere zondag, zoals ze dat in feite alleen voor de administratie en de verhalen van derden waren. Nu hoorden ze bij de zes van twintig tot ergens iets in de zeventig. Met de onzekerheid als gemeenschappelijk perspectief, maar ook met de verbondenheid van de zes die op hun beurt met hun verbindingen zelfs tot aan het andere eind van de wereld reikten.
Er waren geen filosofische traktaten noch politieke commentaren gedebiteerd. Woorden over het dagelijkse. Met de bijhorende grappen om de onzekerheid te maskeren. Met de innigheid die helaas geen aanrakingen mocht toestaan, maar des te meer met de zekerheid dat er die zondag nog duizenden andere schermers en telefoonstemmen een wezen van vlees en bloed bleken te zijn, uiterst kwetsbaar maar niet te onderschatten moedig.

The Garden Party. Sir James Guthrie

En later, zouden ze tot vervelens toe vertellen aan hun nakomelingen hoe het leven was ten tijde van Corona? Of gewoon glimlachen en met Thomas van Aquino zeggen: ‘De mens is een spiritueel wezen, dat om werkelijk spiritueel te kunnen zijn, een lichaam nodig heeft.’ En voor het kleinkind van haar geliefde Sartre: ‘Het zijn gaat vooraf aan het wezen.’
Voilà. Afstand houden en flink wezen. Zijn dus.

Alexi Zaitsev (1959)

Dansende partikels, een wondere wandeling

Hydrozoa R.S. Connet 2018

Een wandeling langs tekst en beeld, geheel uit toevallige momenten en ontmoetingen ontstaan. Je kunt ze onderbreken en later weer aansluiten maar ze met mij helemaal uitwandelen maakt de knooppunten en associaties net zo verrassend als ze voor mij waren.
Oorspronkelijk wilde ik je een aanvulling bieden van vertaalde teksten uit het werk van Rumi (1207-1273) waarover ik vorig jaar een bijdrage maakte: ‘Nooit vult de wereld de zadeltassen’.
Ze is terug te bekijken via deze link:

https://indestilte.blog/2019/10/21/rumi-1207-1273-uit-dit-alles-van-liefde/

Ja, ik begrijp dat velen de sfeer eerder wazig, ver-van-het-westerse-bed ervaren, maar de wonderlijke dichter Rumi blijft allerlei mensen van allerlei tijden en van allerlei gezindheden aanspreken.
Bij de her-organisatie van de verschillende boekenplanken in dit huis, met de bedoeling ze in één centrale bibliotheek onder te brengen, vond ik een verloren gewaand boek terug: ‘The essential Rumi‘, translations by Coleman Barks with John Moyne’, een Amerikaanse uitgave uit 1995-1997 die je nog moest opensnijden wilde je bij de fraaie teksten komen.
Eén van de eerste pogingen werd deze korte tekst:’

'Daglicht, vol kleine dansende partikels
en dat ene grote draaien, onze zielen
dansen met jou, zonder voeten dansen ze.
Kun je ze zien als ik in je oor fluister?'

Herlees het traag, herlees het vlug, laat het enkele dagen liggen en herlees het, en verwacht niet dat ik het nog ga uitleggen ook, want dat is nu net het raadsel van zijn poëzie: bewegende teksten die niet alleen in elkaar haken maar zoals een fuga door elkaar heen beelden vormen die bijna onmiddellijk weer verdwijnen en in andere beelden overgaan.
Ik probeer ze te illustreren door een beeld van een zekere Robert Steven Connet die iemand ‘ a ‘Nightmare in Beauty’ noemde en die je in het tijdschrift ‘Colossal’ van 19 januari 2016 terugvindt als ‘The Dense Microcosmic Worlds of Painter Robert S. Connett’, hier te bezoeken:

The Dense Microcosmic Worlds of Painter Robert S. Connett

Ik geef toe dat het hier niet dadelijk om effecten van het daglicht gaat, eerder een illustratie bij begrippen als ‘partikel’ en ‘microscopische structuren’. Een ‘microscopische tuin’ zoals hij een van zijn creaties beschrijft, door zijn innerlijke uitvergroting -ook een manier van belichten- zichtbaar geworden..
Blijf je zoals ik een beetje op je honger zitten dan kwam er- ook geheel toevallig- het mooie werk van de Amerikaanse kunstenaar Lary Bell (1939) ter sprake die vroeg met glas begon te werken en ik hier graag introduceer. Van het vergrootglas naar het glas dat licht denkt zichtbaar te maken, de werkelijkheid die wij ervaren losweekt en een dialoog met de ruimte aangaat.
Het artikel van Marie de Brugerolle uit Mousse Magazine geeft een mooi overzicht onder de titel:
‘A world without Angles: Larry Bell’.

A World without Angles: Larry Bell

Larry Bell, Larry Bell. Still Standing installation view at Hauser & Wirth, New York, 2020

En in twee fraaie youtube filmen zie je bewegende beelden rond zijn persoonlijkheid. Het eerste als kennismaking, het tweede : ‘Seeing through glass’ brengt je dichterbij zijn werk.

‘I shall have to controvert one or two ideas that are almost universally accepted. The geometry, for instance, they taught you at school is founded on a misconception… I do not mean to ask you to accept anything without reasonable ground for it. You will soon admit as much as I need from you. You know of course that a mathematical line, a line of thickness nil, has no real existence. They taught you that? Neither has a mathematical plane. These things are mere abstractions.
“That is all right,” said the Psychologist.
“Nor, having only length, breadth, and thickness, can a cube have a real existence.’

Larry Bell, 6 x 6 An Improvisation installation view at the Chinati Foundation, Marfa, 2014

In my opinion all artwork is stored energy.
The art releases its power whenever a viewer becomes a dreamer.’

Het kunstwerk als ‘stored energy’ en dan zijn we weer terug bij Rumi.

Nu maak ik een kleine sprong van glas naar raam, en die ramen zijn in de Oscarwinnende kortfilm van Marshall Curry ‘The neighbours’ window’ de uit- en inkijk op het ‘intieme’ bestaan in al zijn betekenissen, een uitspraak die je na afloop zal duidelijk geworden zijn.
Zorg dat je niet gestoord wordt als je dit mooie werk bekijkt, met of zonder geliefde, in de sfeer van het opgehokt zijn, uitkijkend naar elkaars beslotenheid.
En lees daarna nog één keer die enkele Rumi-lijnen.

''Daglicht, vol kleine dansende partikels
en dat ene grote draaien, onze zielen
dansen met jou, zonder voeten dansen ze.
Kun je ze zien als ik in je oor fluister?'

Al zijn er dan geen rechte hoeken meer volgens Marie de Bougerolle in haar artikel over Larry Bell, het doorschijnende van elkaars energie verbindt onze kwetsbaarheid.
Je bent niet alleen.

Larry Bell with The Iceberg and Its Shadow, taken at Washington University in St. Louis in 1976

Met Alice ondergedoken…

At this, the whole pack of cards rose up into the air and came flying down upon her. (Arthur Rackham)

Emily Temple, senior editor bij mijn geliefde en vaak gebruikte tijdschrift ‘Literary Hub’, vertelde mij dat het vandaag, 4 mei 155 jaar geleden is dat Alice in het konijnenhol tuimelde. Caroll koos deze datum omdat het Alice Liddell’s verjaardag was. In 1865 werd ze dertien.

Since then, Alice and her compatriots have been reimagined countless times, and inspired creative work of just about every genre. These days, it feels like we’re all down one rabbit hole or another, so it seemed just as good a time as any to revisit some of the best artistic treatments Alice and the gang have gotten over the years, from the classic Tenniel illustrations to moody drawings by Mervyn Peake (yes, that Mervyn Peake) to creations filtered by Yayoi Kusama’s bright, bubbly brain.’

Charles Lutwidge Dodgson, original illustrations, 1864

Vervolgens kun je, door de tijd heen, twintig verschillende illustraties bekijken die het beroemde boek tot op de dag van vandaag bekende en minder bekende illustrators inspireerde, met vaak onder elk voorbeeld een ‘more’ verwijzing die je dan weer verder brengt in ‘Wonderland’. Een geschenk voor illustrators, sprookjesschrijvers, letterkundigen, kortom voor iedereen die in deze contactloze tijden toch nog graag in aanraking komt met het wondere.

Ga naar: https://lithub.com/20-artists-visions-of-alice-in-wonderland-from-the-last-155-years/

The Queen’s Croquet Ground (Salvador Dali)

Emily Temple is a senior editor at Lit Hub. Her first novel, The Lightness, will be published by William Morrow/HarperCollins in June 2020

But isn’t it old! Tweedledum cried. . .( Peter Blake, series of screenprints on paper, 1970)

Almost exactly 155 years ago, Lewis Carroll told three young sisters a story. He’d come up with it to enliven a long boat trip up the River Thames, and one of the children aboard, a certain Alice Liddell, enjoyed it so much that she insisted that Carroll commit it to paper. Thus, so the legend has it, was Alice’s Adventures in Wonderland born, although Lewis Carroll, then best known as Oxford mathematics tutor Charles Lutwidge Dodgson, hadn’t taken up his famous pen name yet, and when he did write down Alice’s Adventures in Wonderland, it took its first form as Alice’s Adventures Under Ground

Tove Jansson, illustrations for Alice i Underlandet, 1966

Manège de petit Pierre: l’ art brut in zijn puurste vorm

In France Culture van 1 mei schreef Céline du Chéné:

‘Ça couine, ça grince, ça racle et c’est une véritable merveille visuelle et sonore que le Manège de Pierre Avezard, dit « Petit Pierre ». Fabriqué pendant un demi-siècle, à partir de bouts de tôles, de morceaux de fer blanc récupérés, de boulons, de débris de métaux, ce Manège – ainsi nommé par son créateur- tient plus du spectacle total que de la mécanique foraine. On y pénètre par une sorte de petit sas qui fait aussitôt basculer le visiteur dans un univers parallèle, entièrement animé. Entourés de machines mouvantes et bruyantes qui reconstituent le quotidien de Petit Pierre, on découvre alors un univers campagnard et onirique, réel et rêvé, authentique et farceur, rempli de personnages rigolards et d’animaux facétieux – comme cette vache électrique qui prend un malin plaisir à asperger d’eau le visiteur imprudent- sans oublier des véhicules en tout genre : des voitures, des chars, des tracteurs, mais aussi des tramways qui passent en brinquebalant au-dessus de nos têtes, des bombardiers qui lâchent des billes sur une tôle dans un son d’enfer, peinant à couvrir le bruit du moteur qui fait mouvoir l’ensemble des machines ; le tout étant dominé par une immense tour Eiffel de 23 mètres de haut.’

En nu bekijk je best gewoon dit ouder filmpje waarin je wat hierboven verteld wordt kunt horen en bekijken:

Le manège de Petit Pierre in werking op zijn oorspronelijke plaats

Pierre Avezard. Geboren in 1909 met het syndroom van Treacher-Collins, een zeer zeldzame erfelijke gelaatsziekte waardoor vaak de oorschelpen ontbreken en andere misvormingen van het gezicht kunnen voorkomen. Dat hij met een dergelijk uiterlijk het voorwerp van spot en plagerijen zou worden lag voor de hand. Maar ‘Petit Pierre ‘était né sous ne bonne étoile’. Een warme beschermende familie en zijn zus Thérèse die hem leerde lezen en schrijven.

Geboren en getogen en pleine campagne in Le Loiret werd hij koeherder. Hij kon met de dieren praten, hield van hen en zorgde voor hen. Zo werkte hij in verschillende boerdrijen en zag ’s zondags zijn ouders en Thérèse en Léon, zijn kleine broertje. Hij bracht voor hen allerlei kleine voorweren mee die hij gemaakt had met vindmaterialen: speelgoedjes, windmolentjes, bloemenboeketjes met metalen bloemetjes.
In 1935 werkt hij bij een boerderij op een vijftiental kilometer van thuis. Hij wordt er zonder ophouden met zijn handicap geplaagd terwijl zijn beetje bezit stuk wordt gemaakt. Als oplossing zet Petit Pierre zijn bed op een door hem gemaakt platform dat hij met een zelf gemaakt opplooibaar laddertje kan bereiken zodat hij voor de andere koewachters onbereikbaar wordt.
Enkele jaren later ontwerpt hij zijn eerste machine: ‘ “un système mécanique de distribution de betteraves aux vaches méritantes”, tapis roulant actionné à partir d’un pédalier de vélo.’
Zijn patron, meneer Hareng schenkt hem een lapje grond om er in vrede te kunnen leven en aan zijn uitvindigen te werken.
Zo ontstaat ‘le Manège’ de Petit Pierre waar hij in de loop van zeven jaar ook bij zijn broer Léon, intussen luchtvaart-ingenieur geworden en de wereld rondreizend, inspiratie vindt en er zijn creaties verder uitbouwt.

‘Le bouche à oreille fonctionne. Désormais, les visiteurs viennent de toute la région pour découvrir ce lieu unique. Petit Pierre, sans le vouloir, est devenu une célébrité, et son Manège un endroit festif qui enchante les dimanches campagnards. On y boit et on y danse au son d’un vieux tourne-disque, ou accompagné des notes endiablées de la guimbarde de Petit Pierre. Hélas, en 1974, les belles heures du Manège se grippent. Victime d’une crise d’hémiplégie, Petit Pierre doit se retirer en maison de repos. Cependant, tous les dimanches, un taxi le dépose à La Coinche où il continue d’accueillir les visiteurs dans son Manège. C’est en 1980 que le grand public le découvre grâce au film d’Emmanuel Clot, Petit Pierre, qui reçoit le César du meilleur court-métrage documentaire : “La première fois que j’ai vu ce petit homme de 70 ans avec son visage torturé devant ce Manège qui est l’œuvre de sa vie, j’ai eu un choc… il fallait que j’en fasse un film. C’est maintenant l’être au monde que j’aime le plus, car il a su communiquer avec une société qui le rejetait.”, explique-t-il dans une interview accordée au Matin de Paris, en février 1980. (Céline du Chéné)

Ouder geworden wordt zijn ‘manège gered door Alain Bourbonnais, architect en collectioneur d’ art brut en hergemonteerd waar ze in ‘La Fabuloserie’ nog altijd te zien en te bewonderen is. De mooie film hieronder laat je de opening en de nieuwe werking zien aldaar!
Il meurt en 1992, sans l’avoir revu. Mais trente ans plus tard, le Manège fonctionne toujours. En 2019, Agnès et Sophie Bourbonnais, les filles d’Alain et Caroline organisent une exposition pour raconter l’incroyable destin de Petit Pierre. Le jour du vernissage, tous les enfants de Léon Avezard sont présents, dont une certaine Nicole Avezard, docteure en mécanique des fluides, plus connue sous le nom de Lucienne Beaujon du duo des « Vamps ». (ibidem)

Met bewondering en ontroering , emoties eigen aan het beschouwen van kunst in zijn zuiverste vorm, bekeek ik het werk van deze man met net zo’n grote bewondering voor al degenen die het opnieuw zichtbaar hebben gemaakt in La Fabuloserie, musée art-hors-les-normes, art brut Ontsnappen is dus mogelijk, ook al ben je in je eigen lichaam opgehokt.

‘Dans la panoplie des termes du monde de l’art brut les appellations sont nombreuses. « Art marginal » ou « art hors-les-normes » font partie de celles qui peuvent fonctionner comme des termes génériques. Pourtant l’expression « art hors-les-normes » reste indissociable de la collection réunie par Alain Bourbonnais. Suggéré par Jean Dubuffet à ce dernier parmi d’autres appellations en 1972, l’art hors-les-normes désigne l’art réalisé avec d’autres normes que celles de l’art officiel. Réalisées le plus souvent par nécessité, ces créations sont fabriquées par des autodidactes pour lesquels l’acte créateur peut être pensé comme un travail passionné ou une sorte de « re-création ». Ces créations brouillent les catégories artistiques, dissolvent les frontières en s’inscrivant à la croisée de l’art populaire, l’art naïf, l’art brut, l’art outsider… Hors-les-normes est au-delà des normes.’

Verder: http://www.fabuloserie.com en http://www.avezard.com