Landschappen uit de ‘vleugeltijd’ (1)

Gezegende dagen waarin de ‘Bewaarschool’ om een of andere reden haar bewarende activiteiten niet kon uitoefenen en hij bij de juf van het eerste leerjaar, zijn moeder, werd ondergebracht. Hij, het kindje van de juffrouw, zat op de laatste bank en mocht in prentenboeken bladeren of de eendjes op het bord natekenen. Het water wilde nog wel lukken maar de zwemmende eendjes die zijn moeder met één ononderbroken lijn op het zwart van het bord tekende kon hij gelukkig dadelijk tot visjes herleiden terwijl vijfendertig kinderen in alle toonaarden het liedje ‘Alle eendjes zwemmen in het water’ ten gehore brachten.

Alle eendjes zwemmen in het water,
falderalderiere, falderalderare
Alle eendjes zwemmen in het water,
fal, fal, falderalderalderalde, ra, ra, ra

Dat het de visjes waren die IN het water zwommen terwijl eenden zich OP datzelfde water voortbewogen, bleek niet alleen een slimme opmerking te zijn maar ook een aantasting van het gezag. Kon hij thuis best zijn gelijk verdedigen, hier in de klas, was diezelfde vrouw een juffrouw, ja zelfs een mevrouw, titels die in zijn leven niets met de moederlijke verschijningsvormen hadden uit te staan. En omdat het een zonnige julidag was (-het schooljaar eindigde op 15 juli om op 15 september te herbeginnen-) mocht hij best alleen de grote lege speelplaats op en daar op een bankje wachten tot de juf weer in mama was veranderd.

Camera in een drone en je ziet het jongetje op die lege stenen vlakte aarzelen. Tot het aan het einde van de stenen de wilde bloemenweide ontdekte. In afwachting van nog meer tegels en plavuizen bleek die aarden overschot achteraan een verwilderd gras-en bloemenparadijs te zijn.

Hoe beschrijf je deze gevoelens uit je ‘vleugeltijd’? De indruk van veelheid en verscheidenheid waarin het verwilderde, het ongeplande en niet geplante zich baadde? Hoge pluisgrassen en stevige bodembedekkers met daartussen hevige tinten rood, blauw, groen en geel in al hun uitgewaaierde variaties. Een zacht zuidelijk windje beweegt de hoogste toppen en er ontstaat een deining op onhoorbare muziek. Maar het kind hoort hoe bloemen en kruiden spreken, de genade van enkele minuten het onzegbare in te ademen, een alfabet te kennen dat even maar zijn geheimen heeft prijs gegeven en daarna levenslang heimwee diep blijft uitademen in moeilijk beschrijfbare en onzegbare tedere verlangens naar eenheid tussen jezelf en de volkomenheid van het omringende.

De schriftuur van het bevangen worden door schoonheid heeft het moeilijk met letters. Maar ook kleuren en vormen waarin wij proberen schoonheid op te roepen kunnen nooit de intensiteit benaderen van enkele ogenblikken verbondenheid. Het begrip veelheid bezwijmt als het over bezit gaat terwijl je als kind beseft dat het een geschenk is dat je ongevraagd en onverdiend wordt aangeboden en waarin een zoekende ziel zich levenslang zal nestelen.

Een week later kwam de man met de zeis. Het volgend schooljaar lagen er rode tegels waarop kinderen met krijt hun hinkel-parcours tekenden met ‘hemel’ en ‘hel’ helemaal bovenaan.

'Vleugeltijd' is een verzameling indrukken uit de kindertijd. De indruk dat je kunt vliegen levert aardige perspectieven op al is landen ook wel eens pijnlijk. Het geloof dat je ondanks dat toch kunt blijven opstijgen schenkt je wel eens mooie vergezichten, al is klapperen met je vleugels soms al voldoende om minder bang te zijn.'
Volkskunde museum Brugge Vaste collectie