Menselijk, al te menselijk!

Onbekende meester circa 1420 Portret van het meisje met de dode vogel

Om Nietzsche te parafraseren met ‘Menselijk al te menselijk’, al dadelijk een correctie in onze kerstgedachten om de tijd van ‘die van goeden wille zijn‘ te duiden. De menselijke kentrekjes die schuld en onschuld benoemen. Te beginnen met een slecht belichte foto van een fraai portretje uit circa 1520 maar nog helemaal mooi te bekijken in het prachtige boek: ‘Portretkunst in Vlaanderen van 1420 tot nu: Hoofd en bijzaak van Katlijne Van der Sighelen, (Waanders Uitgevers, en Het Davidsfonds Zwolle/Leuven 2008) In 1942, oorlogstijd dus, dichtte P.C. Boutens dit vers ‘Meisje met dood vogeltje‘:

Weet. je nog van den anderen keer,
Van de pijn die onbekend was:
Hoe diep doorschrijnde ’t eerste zeer
Toen je aan geen zeer gewend was?

Nu stak opeens een vreemde kou
Tot heel in je hartje lijf door,
Die ’t vogeltje dat je troosten wou,
In je bevende vingertjes stijf vroor…

Wij deden ons best met woord en daad.
Ook ons ging ’t net als het jou ging:
Een mensch gaat slecht met zichzelf te raad
Van zijn eersten stap tot zijn trouwring.

Wij werden gewaarschuwd voor en na
Tegen leed dat meer dan een traan nam-
Wij leerden alleen bij eigen schâ
De dingen waar het op aankwam.

Want leven is overleven, kind:
Opkomen uit slaap, leed, doodspijn.
En pas ervaring bate vindt
Bij ’t even flikkerend  noodsein…

Doe maar als had je niets gehoord!
En leef naar eigen wijsheid.
Daar is niets erger dan kindermoord
Op den langen weg naar de grijsheid.
Mancini Boy with Toy Soldiers Circa 1876 Philadelphia Museum of Art

Naar ‘eigen wijsheid leven’ zoals Boutens het kind met het dode vogeltje aanraadde mag hier bij dit portretje van Mancini (1852-1930) duidelijk als oorlogje spelen geïnterpreteerd worden, een eerder mannelijke neiging zoals blijkt uit hedendaagse wereldconflicten. Merkwaardig dat het ene leger door de zwart gehandschoende hand wordt geleid terwijl het andere door de naakte hand wordt aangedreven.

Vulgariteit is vaak de dochter van armoede, en armoede is altijd mijn naaste verwant geweest," schreef Antonio Mancini ooit. "Sinds ik een jongen was nam ze me bij de hand en begeleidde me van zolder naar zolder om alle zorgen van de wereld te ondergaan." 
Ondanks verpletterende armoede en geestesziekte steeg Mancini naar de hoogten van de laat-negentiende-eeuwse kunstwereld, waardoor collega-kunstenaar John Singer Sargent hem de grootste levende schilder van die tijd noemde. Helaas verdween Mancini na zijn dood in 1930 weer in de schaduw van de kunstgeschiedenis, alleen bekend bij specialisten en trouwe fans.  In zijn meesterlijk erudiete tekst illustreert Hiesinger hoe Mancini nooit ophield die arme jongen te zijn, omringd door vulgariteit en armoede, door met gevoeligheid en inzicht beelden van andere arme jongens te schilderen, zoals Boy with Toy Soldiers (hierboven). Het verlangen in de ogen van Luigiello, een van Mancini's favoriete modellen en een echte wees uit de straten van Mancini's geboortestad Napels, vertegenwoordigt het verlangen dat in al Mancini's werken te vinden is. (Artblog by Bob)
Mancini De verjaardag
In de wirwar van verfstreken bij de Verjaardag moet het oog even zoeken. De jarige bekijkt met trots een zojuist uitgepakt geschenk: een zwaard. Links achter een bosje bloemen en een staande spiegel, waarin het vaasje gereflecteerd wordt, schilderde Mancini een trompet. Over een stoel in de voorgrond hangt een roze kledingstuk en ik meen twee schietwapens te ontdekken. Terwijl ik me afvraag of kinderen toen ook al met pistolen speelden dringt de geur van afgevuurde klappertjes in mijn geurgeheugen binnen.(Uit de kunst  2020  Bij de Mancini-)tentoonstelling in Den haag)

Tussen de onschuld van het kind dat met de dood van het vogeltje wordt geconfronteerd en de jongen die zijn verjaardagsgeschenk bewondert blijft nog steeds de droom dat wij indien alles meezit het nog niet zo slecht doen tijdens dit bestaan als we maar…En dan kijken we beschuldigend naar de anderen terwijl een blik naar binnen tot betere conclusies kan leiden. Menselijk, al te menselijk.

Uit ‘Menselijk al te menselijk’:

270. Het eeuwige kind

Wij denken dat het sprookje en het spel tot de kinderjaren behoren: wij kortzichtigen! Alsof wij in enig levenstijd­perk zonder sprookjes en spel zouden willen leven! Wij noemen en voelen het weliswaar anders, maar juist dat pleit voor de veronder­stelling dat het hetzelfde is -want ook het kind vat het spel als zijn werk op en het sprookje als zijn waarheid. De korte duur van het leven zou ons voor het pedante onderscheiden van levensstadia moeten behoeden-alsof zij stuk voor stuk iets nieuws zouden brengen ­en een dichter zou eens een tweehonderdjarige ten tonele moeten voeren, iemand die werkelijk zonder sprookjes en spel leeft.

Léon Spilliaert 1881-1946 Silhouet van de schilder 1907 MSK Gent

Zo mooi dit werk van Léon Spilliaert. Wachtend? Deze morgen hoorde ik op Klara een nieuwe versie van ‘Liebster Jesu, wo bleibt du so lange?’ J.S. Bach BWV 484, nauwelijks 2:46. Hier zingt Peter Schreier, orgel: Karl Richter. Zo menselijk, al te menselijk mooi. Het ‘wachten’ als feest. Maar zelfs met menselijk ongeduld. “Waar blijf je nu, zeg?”