Zoeken en/of vervloeken?

Mochten we vervloekingen, uitgesproken of in stilte bedacht, in energie kunnen omzetten, dan zouden we waarschijnlijk lange tijd in licht en warmte kunnen baden, tenzij de inhoud ervan ook werkelijk werd toegepast zodat eerder een helse leegte, een uitgestorven maar goed gevuld en danig verlicht slagveld het resultaat zou zijn. Die morbide rol heeft de beeldende kunst vaak overgenomen.

Fragment met burijngravure uit de reeks ‘de tastzin’ ‘de vijf zintuigen’ Frederick Bloemaert A’dam naar Nicolaas I Visscher 1614-1617 MSK Gent
De profeet Elisa, links op de achtergrond, vervloekt de kinderen die hem bespotten. Als straf worden deze jochies door beren verslonden.

Een vloek in de betekenis van "onheilsbezwering" is een meestal geritualiseerd gebaar of gezegde met de bedoeling een persoon of een plaats kwaad te berokkenen. Motieven daarbij zijn woede of een verlangen om te straffen of om zich te wreken. (Wikipedia)

Het tegenovergestelde van de vloek is de zegen. De studie van de verschillende vormen van vervloekingen behoort zowel tot het domein van het volksgeloof als van de folklore. Vaak maakt het met opzet uitspreken van vervloekingen deel uit van de praktijk van de magie. (idem)
Samuel verwenst Saul. Hans Holbein de Jongere. Klik op onderschrift om te vergroten.

Met de vervloeking van de eerste mensen Adam en Eva, terwijl zij uit het paradijs werden gejaagd, begint een bijna ononderbroken rij soortgelijke onvriendelijkheden die voortdurend in literatuur en beeldende kunsten zullen meespelen. De Zwitser Henry Fuseli schildert in 1768 de blinde Oedipus die hier zijn zoon Polyneikes vervloekt. Een scene uit ‘Oedipus te Kolonos’, het laatste toneelstuk van de al oude Sophocles.

Henry Fuseli (1741-1825) 1786. Oedipus cursing his son Polynices National Gallery of Art.



Fuseli’s own pessimism and fascination with the extremes of human passion are evident. He heightened the intensity of this scene from Sophocles’ Oedipus at Colonus by placing Oedipus and his children in a dark, shallow space. The tragedy of the father’s curse is played out through the gestures of the four figures. Polynices, who had expelled his blind father from Thebes and left him to live as a beggar, has come to ask his father’s support in overthrowing his brother. Oedipus, enraged at his son’s request, stretches out his accusing arms and levies his dreadful curse, by which each son would die at the hands of the other. Ismene, weak and despairing, kneels with her head on her father’s knee. Antigone, whose strength and determination have kept her father alive, is highlighted above the terrible drama as she reaches out to protect her brother with one hand and restrain Oedipus with the other. Her gesture, however heroic, is futile. (National Gallery of Art)

Kostuumontwerp voor Theseus

Fuseli’s eigen pessimisme en fascinatie voor de uitersten van menselijke passie zijn duidelijk. Hij verhoogde de intensiteit van deze scène uit Sophocles’ Oedipus te Colonus door Oedipus en zijn kinderen in een donkere, ondiepe ruimte te plaatsen. De tragedie van de vloek van de vader wordt uitgespeeld door de gebaren van de vier figuren. Polyneikes, die zijn blinde vader uit Thebe had verdreven en hem als bedelaar achterliet, komt zijn vader om steun vragen om zijn broer Eteocles ten val te brengen. Oedipus, woedend over het verzoek van zijn zoon, strekt zijn beschuldigende armen uit en spreekt zijn vreselijke vloek uit, waardoor elke zoon zou sterven door toedoen van de ander. Ismene, zwak en wanhopig, knielt met haar hoofd op de knie van haar vader. Antigone, wier kracht en vastberadenheid haar vader in leven hebben gehouden, wordt boven het vreselijke drama uitgelicht als ze haar hand uitsteekt om haar broer met de ene hand te beschermen en Oedipus met de andere hand in bedwang te houden. Haar gebaar, hoe heroïsch ook, is vergeefs.

Oedipus at Colonus. Jean-Baptiste Hugues

De filosoof Baruch (Benedictus de) Spinoza 1632-1677) politiek denker en exegeet uit de Gouden Eeuw wordt beschouwd als een van de grondleggers van het rationalisme en een van de inspiratoren van de Verlichting.

Op 27 juli 1656 werd in de synagoge van de Portugees-Israëlietische Gemeente aan de Houtgracht in Amsterdam de cherem (meestal vertaald als banvloek; zie ook anathema) tegen “Baruch Espinoza” uitgesproken waarmee hij uit de Sefardische gemeenschap werd verstoten. De Portugese tekst, die bewaard is gebleven in het Escamoth, het register van besluiten en reglementen van de joodse gemeente, bestond uit drie delen: na de aanklacht waarin Spinoza werd beschuldigd van más opinioins e obras (verderfelijke ideeën en handelingen), volgde zijn verstoting en vervloeking met teksten uit de Thora. Tot slot kregen de leden van de gemeenschap de waarschuwing dat ze bij Spinoza uit de buurt moesten blijven en geen zaken met hem mochten doen. Ook zijn familieleden mochten geen contact meer met hem hebben of hem op wat voor manier dan ook ondersteunen. De verstoting werd uitgesproken door de parnassim van de joodse gemeente, zoals in de Amsterdamse gemeenschap gebruikelijk was. Spinoza is waarschijnlijk niet zelf bij de uitspraak aanwezig geweest. (Wikipedia).

De tekst van de ‘verstoting’ is onder het beeld van deze unieke denker te raadplegen.

Beeld van Spinoza in Den Haag


"Volgens het besluit der Engelen en het oordeel der Heiligen bannen, verstoten, verwensen en vervloeken wij Baruch de Espinoza, met toestemming van den Heiligen God en met toestemming dezer ganse heilige gemeente, voor de heilige Boeken der Wet met de 613 voorschriften, die daarin opgetekend zijn, met de ban, waarmee Jozua Jericho bande, met de vloek waarmee Eliza de knapen vervloekte, en met al de verwensingen, die in de Wet geschreven staan. Vervloekt zij hij bij dag en vervloekt zij hij bij nacht; vervloekt zij hij wanneer hij zich neerlegt, en vervloekt zij hij, wanneer hij opstaat; vervloekt zij hij, als hij uitgaat, en vervloekt zij hij, als hij binnenkomt. Moge God hem geen vergiffenis willen schenken. De toorn en gramschap des Heren zal tegen dezen mens ontbranden en op hem werpen alle vloeken, die in het Boek der Wet geschreven staan. En de Heer zal zijn naam onder de Hemel uitwissen en de Heer zal hem tot zijn verderf uitscheiden uit alle stammen Israëls met alle vloeken des Hemels, die in het Boek der Wet geschreven staan. Gij evenwel, die Gij den Heer uwen God aanhangt, Gij leeft heden altemaal."

Benedictus de Spinoza. Franz Wulfhagen 1664

Zelfs de kind-verslindende beren werden nog geciteerd. Jan & Annie Romein beschreven dit in hun serie ‘Erflaters van onze beschaving’ (1977) waarin zij over de toenmalige Joodse gemeente schreven:

"Van nog groter belang echter zal geweest zijn, dat juist deze joodse gemeente minder dan welke andere ook zich onverschillig tegenover afwijkingen kon betonen, omdat zij, traditieloos als zij in wezen was, meer dan andere aan de traditie moest hechten. Een en twee generaties terug immers waren al deze joden in Spanje en Portugal nog katholiek geweest, zij het dan gedwongen, en eenmaal in het vrije Nederland konden deze maranen, zoals zij heetten, de verachting van de echte katholieken en de zelfverachting die daarvan het gevolg was geweest, slechts afschudden door zich tastend en zoekend opnieuw zo diep mogelijk in het traditionalisme van het echte jodendom te verbergen. Tastend en zoekend, want er laten zich duidelijk twee richtingen onderscheiden, de Portugese van de humanistisch gezinde Menasse ben Israël - de zogenaamde Sephardim - en de oostjoodse van Saul Levi Morteira - de zogenaamde Asjkenasim, een tegenstelling die, wat haar sociaal aspect betreft, zich zelfs tot op deze dag onder de Amsterdamse joden heeft gehandhaafd."

Lees ‘Erflaters van onze beschaving (1977). Jan Romein, Annie Romein-Verschoor “Nederlandse gestalten uit zes eeuwen – Benedictus Spinoza”

https://www.dbnl.org/tekst/rome002erfl01_01/rome002erfl01_01_0019.php

De cherem uit 1656, waarmee het synagogebestuur Spinoza verbande uit de Joodse gemeenschap. Foto: Stadsarchief Amsterdam

Blijkbaar is zo’n ‘banvloek’ in alle religies thuis zoals de nare ervaringen van auteur Salman Rushdie bewijzen. Maar ook de Roemeens-Franse filosoof Emil Cioran wist zijn diepe ontgoocheling over de wereld om te zetten in een oeuvre waarvan, volgens Jan Postma in de Morgen, ieder boek als ‘een uitgestelde zelfmoord’ geldt.

Voor (auteur) Cioran (boek: Bekentenissen & Banvloeken) was het duidelijk: wij mensen zijn vóór alles belachelijke wezens, en alles wat we doen is ten diepste lachwekkend. Onze aardse ambities en verheven verlangens, al ons wereldse streven en al onze geloofsijver, onze lage gevoelens en hoogmoedige rationaliseringen, de potsierlijke toneelstukjes die we opvoeren voor anderen en de niet minder bespottelijke leugens die we onszelf vertellen om ons staande te kunnen houden te midden van alles wat we maar half of eigenlijk helemaal niet begrijpen.
Mooi is de reactie van Peter Sloterdijk, die in Cioran ‘een dubbelganger van Heidegger’ ziet (iemand die niet tot de conclusie kwam dat ‘denken danken wil zeggen’, maar in plaats daarvan ‘de zwartgnostische antithese’ uitwerkte dat ‘denken zich-wreken betekent’) schrijft over de therapeutische werking van Ciorans geschriften: ‘Hun helderheid in de verlatenheid immuniseert tegen de verleiding zich vormeloos gewonnen te geven.’
Cioran vond dat we alleen boeken zouden moeten schrijven om de dingen te zeggen die we niemand durven toe te vertrouwen. Wat durfde hij niemand toe te vertrouwen? Hoe diep hij geloofde dat alles ijdel en vergeefs is, denk ik, en hoe vrij ons dat maakt. Zijn oeuvre is het enige in de geschiedenis van de literatuur dat geen bouwwerk is maar een schroothoop. En zo het enige geloofwaardige monument voor een betekenisloze wereld.

(De Groene Amsterdammer 16 november 2022)

Paul Fuhrmann, ‘De geest van de tijd’ (1927). bpk/Staatliche Schlösser, Gärten und Kunstsammlungen Mecklenburg-Vorpommern/Hugo Maertens

Gentse verwensingen (een oud document dat wel) zijn in ruime mate aanwezig in “Krijgt de jukte woar dadde nie kunt scharte!”

Lees:

https://openjournals.ugent.be/gt/article/68932/galley/193176/view

Steeds als Heraclitus de deur uitging en al die mensen zag die een ellendig leven hadden – of beter gezegd ellendig ten onder gingen – weende hij, en had hij medelijden met iedereen die hij tegenkwam, zelfs als die blij en gelukkig waren. […] Van Democritus daarentegen wordt gezegd dat hij zich alleen maar lachend in het openbaar vertoonde; ja, zelfs handelingen die in
alle ernst werden verricht nam hij volstrekt niet serieus. Waar is hier ergens plaats voor woede? Alles is om te lachen of om te wenen.
(Seneca. Verder: De tranquillitate animi 15.2, 3)
Georg Scholz, ‘Nachtelijk lawaai’ (1919).

“Ik acht het niet nodig hier alle eigenschappen van de geestkracht afzonderlijk te bewijzen, en al helemaal niet dat een mens met geestkracht niemand haat, op niemand kwaad wordt, jaloers of verontwaardigd is, niemand veracht en volstrekt niet hovaardig is. […] Haat moet integendeel door liefde worden overwonnen, en ieder die door de rede wordt geleid wenst dat het goed dat hij voor zichzelf nastreeft ook de anderen te beurt valt. Daar komt nog bij […] dat iemand met geestkracht allereerst het volgende overweegt, dat alles volgt uit de noodzakelijkheid van de goddelijke aard, en dat derhalve dat waarvan hij denkt dat het onaangenaam en slecht is, alsmede wat goddeloos, afschuwelijk, onrechtvaardig en schandelijk schijnt, hiervandaan komt, dat hij de dingen verward, verminkt en ongeordend begrijpt. En om die reden zal hij vooral proberen de dingen te begrijpen zoals ze in zichzelf zijn en zich te ontdoen van wat de ware kennis belemmert, zoals daar zijn haat, woede, nijd, hoon, hovaardij en dergelijke meer, waarop ik het in het voorgaande heb gewezen. En zo streeft hij ernaar zoveel als in zijn vermogen ligt wel te doen, zoals men zegt, en zich te verheugen.” (Spinoza)

Spinoza’s advies ‘het menselijk handelen niet te bespotten, niet te betreuren, noch te verwensen, maar te begrijpen’ is geen pleidooi voor het ontkennen of onderdrukken van de affecten, maar een wijsgerig programma dat tot doel heeft de passies te transformeren tot gevoelens waar we sterker en gelukkiger van worden.

(Uit: ‘Niet bespotten, niet betreuren, noch verwensen, maar begrijpen…’ Lezing op Spinozadag van de Amerdamse Spinozakring ‘Spinoza en het verschil’. 14 november 2010. Piet Steenbakkers)



“I always preserve the natural right in its entirety and I hold that the sovereign power in a State has right over a subject only in proportion to the excess of its power over that of a subject.”

"Ik behoud altijd het natuurlijk recht in zijn geheel en ik houd vol dat de soevereine macht in een staat alleen recht heeft over een onderdaan in verhouding tot de overmaat van zijn macht over die van een onderdaan."

Spinoza, Epistle-Brief 50


Verzoeken of vervloeken? Vragen stellen of elke twijfel monddood maken? Of met een oude spreuk: Het is beter een kaars aan te steken dan de duisternis te vervloeken.

Jo van Cauter: Spinoza: Geluksleer, verhandeling ingediend tot het behalen van de graad van Master in de Wijsbegeerte (Prof. dr. Johan Braeckman)

Spinoza begreep echter dat een totale en volmaakte kennis van de natuur – van de oneindige oorzaak en gevolg ketens – buiten het menselijk vermogen ligt. Ons begrijpen is in de woorden van Herman De Dijn niet echt ons begrijpen: “we bezitten niet want we zijn onderdeel, we zijn niets anders dan
een onophoudelijke poging om te begrijpen”. Het menselijk vermogen is beperkt, we zijn niet in staat in alle gevallen de uitwendige dingen voor ons bruikbaar te maken.
Toch kunnen we proberen die gebeurtenissen voor de geest te halen waarvan we menen dat ze hebben bijgedragen tot de ontwikkeling van Spinoza en diens gedachtegoed. Een moeilijke taak, maar één die ons wel eens met blijdschap zou kunnen vervullen. (Citaat uit deze verhandeling)

Ill. The Critic

Ook een vroegere bijdrage is een mooie aanvulling

Robert Desnos: J’ ai tant rêvé de toi

Met de nasmaak van Valentijn? Of toch, eerlijk, geënt op hetzelfde verlangen -maar in de diepte of de hoogte, deze klassieker, dit surrealistisch doorvoelen van wat vrijwel niet in taal of beeld is uit te drukken, geschreven door een man die in 1945 in het concentratiekamp van Terezin, Theresienstadt aan tyfus sterft: dichter, schrijver Robert Desnos. (1900-1945)

'Ainsi Robert Desnos sortait-il de l'anonymat d'un simple numéro de matricule tatoué sur son bras. À peine la nouvelle de sa mort était-elle connue qu'une légende prit naissance. D'un poème qu'il avait écrit en 1926 J'ai tant rêvé de toi, la dernière strophe, à travers des traductions en tchèque et en français, devint pour la conscience collective l'ultime message du poète à la femme aimée sous le titre Le Dernier Poème. La voix de Robert Desnos résonne désormais dans un poème qui a cessé de lui appartenir pour devenir la voix de tous.' (Robert Desnos Association)

'J' ai tant rêvé de toi.'



J’ai tant rêvé de toi que tu perds ta réalité.
Est-il encore temps d’atteindre ce corps vivant
et de baiser sur cette bouche la naissance
de la voix qui m’est chère ?
J’ai tant rêvé de toi que mes bras habitués en étreignant ton ombre
à se croiser sur ma poitrine ne se plieraient pas
au contour de ton corps, peut-être.
Et que, devant l’apparence réelle de ce qui me hante
et me gouverne depuis des jours et des années
je deviendrais une ombre sans doute,
Ô balances sentimentales.

J’ai tant rêvé de toi qu’il n’est plus temps sans doute que je m’éveille.
Je dors debout, le corps exposé à toutes les apparences de la vie
et de l’amour et toi, la seule qui compte aujourd’hui pour moi,
je pourrais moins toucher ton front et tes lèvres que les premières lèvres
et le premier front venu.

J’ai tant rêvé de toi, tant marché, parlé, couché avec ton fantôme
qu’il ne me reste plus peut-être, et pourtant,
qu’à être fantôme parmi les fantômes et plus ombre cent fois
que l’ombre qui se promène et se promènera allègrement
sur le cadran solaire de ta vie.

Robert Desnos “A la mystérieuse”, in Corps et Biens, 1930

Kijk naar de geanimeerde kortfilm, groot scherm aangeraden:


Ik heb zoveel van je gedroomd dat je je realiteit aan het verliezen bent.
Is er nog tijd om dit levende lichaam te bereiken
en op deze mond de geboorte te kussen
van de stem die mij dierbaar is?
Ik heb zoveel van je gedroomd dat mijn armen, gewend om je schaduw te omarmen
te kruisen over mijn borst, niet wilden buigen
naar de contouren van je lichaam, misschien.
En dat, geconfronteerd met de echte verschijning van wat me heeft achtervolgd
en me al dagen en jaren beheerst
Ik ongetwijfeld een schaduw zou worden,
Oh sentimentele weegschaal.

Ik heb zoveel van je gedroomd dat er waarschijnlijk geen tijd meer voor me is om wakker te worden.
Ik slaap rechtop, mijn lichaam blootgesteld aan alle verschijningen van het leven
en van de liefde en jij, de enige die er vandaag voor mij toe doet,
Ik zal je voorhoofd en lippen minder snel aanraken dan de eerste lippen
en het eerste voorhoofd dat voorbij komt.

Ik heb zoveel van je gedroomd, zoveel met je geest gelopen, gepraat en geslapen
dat er voor mij misschien niets anders overblijft, en toch
maar om een geest onder de geesten te zijn en honderd keer meer een schaduw
dan de schaduw die dwaalt en gelukkig zal dwalen
op de zonnewijzer van je leven.

Robert Desnos (1900-1945)
Marc Chagall, Around Her, 1945. Oil on canvas, 131 × 109.5 cm. Centre Pompidou, Paris, Musée national d’art moderne
I’ve dreamed of you so much

I’ve dreamed of you so much that you are losing your reality.
Is there still time to touch this living body
And to plant on this mouth the birth
Of the voice that I hold dear?

I’ve dreamed of you so much that my arms accustomed
In embracing your shadow to crossing over my chest would not reach
Around your body, perhaps.
And that, before the real semblance of what has haunted
And governed me for days and years,
I would become a shadow, doubtless.
Oh sentimental hesitations.

I’ve dreamed of you so much that there is
Doubtless not time for me to wake up now.
I sleep standing up, my body exposed
To all semblance of life
And love and you, the only one
Who matters to me now,
I would be less able to touch your forehead
And your lips than the first lips
And first forehead to come my way.

I’ve dreamed of you so much, walked, spoken,
Slept with your ghost so much
That all that remains for me to do perhaps,
And yet, is to be a ghost
Among the ghosts and a hundred times
More shadow than the shadow which strolls
And will stroll blithely
On the sundial of your life.
Les comptes du poète (crayon sur papier). Robert Desnos



De eerste gedichten van Desnos (onder invloed van Rimbaud) verschenen al in 1917 in La Tribune des Jeunes. Door Benjamin Péret werd hij vervolgens geïntroduceerd in het dadaïstische en surrealistische milieu van Parijs (André Breton, Louis Aragon, Paul Eluard). Het resulteert in de poëziebundel Rose Sélavy (1922-1923), waarin hij een lans breekt voor de ‘écriture automatique’ en de droomwereld gebruikt als sleutel naar het onderbewuste. Ook Corps et Biens (1930) bevat veel van dergelijke experimenten en kan gelden als typisch voor wat de surrealisten in de jaren 1920-1930 zochten en beproefden. In 1930 brak Desnos echter met Breton en zijn medestanders, stellende dat hij zich niet meer kon vinden in het tot systeem gevonden surrealisme. (Wikipedia)


De dichter Robert Desnos schreef op 8 februari 1944 in zijn dagboek: ‘Wat ik hier of elders schrijf zal in de toekomst zonder enige twijfel maar een paar nieuwsgierigen, verspreid over de jaren, interesseren.

Om de vijfentwintig of dertig jaar zal men in vertrouwelijke publicaties mijn naam en een paar fragmenten uit mijn werk, steeds dezelfde, naar voren brengen. De gedichten voor kinderen zullen iets langer overleven dan de rest. Ik behoor toe aan het hoofdstuk van de beperkte belangstelling. Maar dat zal langer duren dan veel van huidige schrijfsels’.

(Dick Broer, Robert Desnos, de onbekende)


 Zeg voor mij gedag aan het meisje van de brug
aan het kleine meisje dat van die mooie liedjes zingt
aan mijn boezemvriend die ik verwaarloosd heb
aan mijn eerste minnares
aan hen die haar je weet wel hebben gekend
aan mijn echte vrienden hen zal je gemakkelijk herkennen
aan mijn zwaard van glas
aan mijn sirene van was
aan de monsters aan mijn bed
Wat jou betreft waar ik meer dan wat ook ter wereld van hou
Ik zeg je nog geen gedag
Ik zal je weer zien
Maar ik ben bang dat ik je nog maar even kan zien

(fragment uit het lange gedicht Siramour uit 1942)


Twee kleine bijlagen (3:19″): ‘The description of a dream: ook in de radiostudio was hij thuis. In 1938 maakt hij er onder de algemene noemer ‘Fantomas’ ‘The house of hidden knowledge, of de geschiedenis van een droom, een verhaal met geluiden en muziekfragmenten. In een blog waar het ‘hoorspel’ in al zijn gedaanten thuis is mag dit niet ontbreken.


Desnos was een flamboyante verschijning in het Parijs van het interbellum. Niet alleen bewoog hij zich te midden van avant-gardistische schrijvers, maar ook schreef hij scenario’s voor experimentele films, zoals Emak Bakia (1927) en L’étoile de mer (1928) van Man Ray. Hij was veelvuldig te zien in het uitgaansleven, werd zwaar verliefd op chanteuse Yvonne George en trouwde met de extravagante Youki Foujita. In de jaren dertig had Desnos ook een spraakmakend radioprogramma op de nationale, genaamd ‘Fantomas’. Hij was bevriend met artistieke grootheden als Pablo Picasso, Ernest Hemingway en John Dos Passos. (wikipedia)

Bezoek de (tanende) website:

https://web.archive.org/web/20100702080246/http://www.robertdesnos.asso.fr

Een beetje frisser, hedendaagser:

https://www.robertdesnos.com/biographie

Achter de titel van deze bijdrage, foto van Youki en Robert Desnos



“Que ferai-je à l’avenir? Si tous les projets ne se mesuraient à la longueur de la vie, je voudrais reprendre des études mathématiques et physiques délaissées depuis un quart de siècle, rapprendre cette belle langue. J’aurais alors l’ambition de faire de la “Poétique” un chapitre des mathématiques. Projet démesuré certes, mais dont la réussite ne porterait préjudice ni à l’inspiration, ni à l’intuition, ni à la sensualité. La Poésie n’est-elle pas aussi science des nombres?»

Robert Desnos. (Fortunes, 1942, nu Collection Poésie/Gallimard (nr 42) 1969)

Het zelfportret geportretteerd (2):


God hath given you one face and you make yourselves another.’

William Shakespeare, Hamlet.

De beschrijving van ‘het Zelf’ zou je langs kronkelige (pseudo) filosofische paden kunnen leiden, een euvel dat beeldende kunstenaars aardig wisten te vermijden door zichzelf woordeloos te verbeelden zodat toeschouwers alle mogelijke wegen ter interpretatie kunnen debiteren. 
Richten we ons met deze bijdrage tot de letteren als materiaal voor het zelfbeeld, dan versmallen de wegen tot paadjes naar wat als ‘innerlijk’ kan doorgaan. Het wezen van ‘het Zelf’ beletteren vraagt alleszins meer wikken en wegen al blijft de schone schijn en het paadje van zelfbeklag ook letterkundig te bewandelen. 

Wil je als intro een combinatie, dan vond ik een fraai gedicht van Ann Van Dessel die met fotograaf Joost Bataille op stap ging. Haar gedicht: ‘fotograaf zoekt sanseveria’ mag van beide betrokkenen een zelfbeeld geven. Elk portret is een zelfportret, althans volgens ‘Meander’ waar de tekst gepubliceerd werd in 2014 zonder echter de naam van de dichteres te vermelden.


fotograaf zoekt sanseveria

of hij mij op een ijskoude zondag in maart
honderd keer mag nemen want ik rijm zo mooi
met de troosteloze straat waarin ik woon

en inderdaad; de huizen staren uit hun ramen
gordijnen vriezen in hun vouwen vast
een bloempot beeldt een orchidee uit

ik mag niet lachen. hij wel. zijn ogen spreken
de straat aan en af. hij lacht naar de lantaarnpaal
en onder zijn blik staan de beukenhagen te blozen

hij kleeft mij midden op het kruispunt. ik versteen,
verkleed als een koud meisje met te veel armen
om ergens te laten en een gezicht dat pret verbijt

we ontdooien in een warm huis, snijden rug aan rug
groenten en trekken een fles wijn later
een ijzige lentenacht over ons heen

Ann Van Dessel. (Uit de bundel: Ik voel me verf samengesteld door fotograaf Joost Bataille) (2014)

Vijftig portretfoto’s van Nederlandse en Vlaamse stadsdichters. En hun gedichten over het maken ervan.

Te doorbladeren: (de eerste foto is Ann Van Dessel, ikzelf vond nergens een betere afdruk, excuses daarvoor.)


Ann Van Dessel (1961) is dichter en schrijfdocent aan de SchrijversAcademie in Antwerpen. In 2012 verscheen haar poëziedebuut ‘Een kei in duren’ (2012), daarna de bundels ‘Toverstroming’ (2017) en ‘Als de lucht valt’ (2021). Samen met enkele bevriende dichters schreef ze ook ‘Een kier in het rumoer: gedichten over stilte' (2015) en ‘Lopen op los zand: gedichten om kanker neer te schrijven’ (2017). Samen met Hans Claus en Nicole Van Overstraeten is zij samensteller van 'Het was de achtste dag: gedichten bij de Verklaring van 30 november' (2022). Alle uitgaven werden verzorgd door Uitgeverij P in Leuven.

https://annvandessel.com

http://www.joostbataille.nl

Self Portrait, Cat Graffam, Oil on Panel, 2016.

Self-Portrait in the Bathroom Mirror

Some days, everything is a machine, by which I mean remove any outer covering, and you will most likely find component parts: cogs and wheels that whirr just like an artificial heart, a girl in a red cap redacting the sky, fish that look like blimps and fish-like blimps, an indifferent lighthouse that sweeps the horizon. I wasn’t a child for long and after I wasn’t, I was something else. I was this. And that. A blast furnace, a steel maze inside, the low-level engine room of an ocean liner. My eye repeats horizontally what I by this time already know: there is no turning back to be someone I might have been. Now there will only ever be multiples of me.

Mary Jo Bang (1946-)

From A Doll for Throwing by Mary Jo Bang. Copyright © 2017 by Mary Jo Bang. Used by permission of The Permissions Company, Inc., on behalf of Graywolf Press, www.graywolfpress.org.

Zelfportret in de Badkamer-Spiegel

Op sommige dagen is alles een machine, en dan bedoel ik dat je alle buitenste bedekkingen moet verwijderen en dan zul je waarschijnlijk onderdelen vinden: radertjes en wieltjes die zoemen als een kunsthart, een meisje met een rode pet die de lucht bewerkt, vissen die eruitzien als blimps en visachtige blimps, een onverschillige vuurtoren die de horizon schoonveegt. Ik was niet lang een kind en toen ik dat niet meer was, was ik iets anders. Ik was dit. En dat. Een hoogoven, een stalen doolhof binnenin, de lage machinekamer van een oceaanstomer. Mijn oog herhaalt horizontaal wat ik nu al weet: er is geen weg terug om iemand te zijn die ik had kunnen zijn. Nu zullen er alleen maar veelvouden van mij zijn.

Mary Jo Bang (1946-)

Mary Jo Bang was born on October 22, 1946, in Waynesville, Missouri, and grew up in Ferguson, which is now a suburb of St. Louis. She received a BA and an MA in sociology from Northwestern University, a BA in photography from the Polytechnic of Central London, and an MFA in creative writing from Columbia University.
David Hockney

En graag wil ik nog een voorbeeld van de Poolse dichter Adam Zagajewski meegeven, dichter die in ons blog meermaals aan het fraai en dichterlijke woord kwam, zie verwijzingen onderaan.

Self-Portrait

Adam Zagajewski
1945 –
2021

Between the computer, a pencil, and a typewriter
half my day passes. One day it will be half a century.
I live in strange cities and sometimes talk
with strangers about matters strange to me.
I listen to music a lot: Bach, Mahler, Chopin, Shostakovich.
I see three elements in music: weakness, power, and pain.
The fourth has no name.
I read poets, living and dead, who teach me
tenacity, faith, and pride. I try to understand
the great philosophers—but usually catch just
scraps of their precious thoughts.
I like to take long walks on Paris streets
and watch my fellow creatures, quickened by envy,
anger, desire; to trace a silver coin
passing from hand to hand as it slowly
loses its round shape (the emperor’s profile is erased).
Beside me trees expressing nothing
but a green, indifferent perfection.
Black birds pace the fields,
waiting patiently like Spanish widows.
I’m no longer young, but someone else is always older.
I like deep sleep, when I cease to exist,
and fast bike rides on country roads when poplars and houses
dissolve like cumuli on sunny days.
Sometimes in museums the paintings speak to me
and irony suddenly vanishes.
I love gazing at my wife’s face.
Every Sunday I call my father.
Every other week I meet with friends,
thus proving my fidelity.
My country freed itself from one evil. I wish
another liberation would follow.
Could I help in this? I don’t know.
I’m truly not a child of the ocean,
as Antonio Machado wrote about himself,
but a child of air, mint and cello
and not all the ways of the high world
cross paths with the life that—so far—
belongs to me.

From Mysticism for Beginners by Adam Zagajewski, translated by Claire Cavanaugh. Translation copyright © 1997 by Farrar, Straus & Giroux, LLC. Reprinted by permission. All rights reserved.

Zelfportret


Tussen de computer, een potlood en een typemachine
gaat de helft van mijn dag voorbij. Op een dag zal het een halve eeuw zijn.
Ik woon in vreemde steden en praat soms
met vreemden over zaken die mij vreemd zijn.
Ik luister veel naar muziek: Bach, Mahler, Chopin, Sjostakovitsj.
Ik zie drie elementen in muziek: zwakte, kracht en pijn.
Het vierde heeft geen naam.
Ik lees dichters, levende en dode, die me leren
vasthoudendheid, geloof en trots. Ik probeer
de grote filosofen te begrijpen -maar vang meestal slechts
flarden van hun kostbare gedachten op.
Ik maak graag lange wandelingen door de straten van Parijs
en kijk naar mijn medemensen, opgewonden door afgunst,
woede, verlangen; om een zilveren munt te volgen
dat van hand tot hand gaat terwijl het langzaam
zijn ronde vorm verliest (het profiel van de keizer wordt uitgewist).
Naast me bomen die niets anders uitdrukken
dan een groene, onverschillige perfectie.
Zwarte vogels lopen over de velden,
geduldig wachtend als Spaanse weduwen.
Ik ben niet meer jong, maar iemand anders is altijd ouder.
Ik hou van diepe slaap, wanneer ik ophoud te bestaan,
en snelle fietstochten over landwegen wanneer populieren en huizen
oplossen als cumuli op zonnige dagen.
Soms spreken de schilderijen in musea tot me
en is ironie plotseling verdwenen.
Ik kijk graag naar het gezicht van mijn vrouw.
Elke zondag bel ik mijn vader.
Om de week spreek ik af met vrienden,
en bewijs zo mijn trouw.
Mijn land heeft zich van een kwaad bevrijd. Ik wens
dat er nog een bevrijding zou volgen.
Zou ik daarbij kunnen helpen? Ik weet het niet.
Ik ben echt geen kind van de oceaan,
zoals Antonio Machado over zichzelf schreef,
maar een kind van lucht, munt en cello
en niet alle wegen van de hoge wereld
kruisen paden met het leven dat – tot nu toe –
mij toebehoort.

eigen foto

Lees ook:


Zelfportret



Je ziet een man in de tuin

hij lijkt verzonken in zichzelf

die man ben ik, ik weet het

maar als je lang kijkt naar een foto

van jezelf verval je in gepeins -

wie je bent en wie je bedoelt

als je ik zegt, enzovoort

ik kijk en kijk in dat gezicht

en inderdaad – ben ik dat?

over het ik is veel nagedacht

ook door mij, maar de meningen

lopen nog steeds ver uiteen

ook die van mij – zoals dat gaat

met woorden die niet kunnen

worden begrepen

niemand heeft ooit zichzelf gezien

maar het verlangen blijft

naar het onzichtbare ik

je zoekt in wat er van je

overbleef een man in de tuin

Rutger Kopland

Het zelfportret geportretteerd (1):

Zelfportret in een valiesje. Pawel Althamer

Het is draagbaar. De Poolse kunstenaar Pawel Althamer gebruikt meermaals het zelfportret als methode om verschillende vormen van het ego te verbeelden. Een zelfportret als ‘The Billy Goat’,’ als ‘People of the Earth’, als reusachtige ballon (“Balloon”) van een naakte man die sterk op de kunstenaar gelijkt, en boven de stad hangt, een project dat in 2010 in Zacheta Gallery in Brugge werd voorgesteld in een tentoonstelling van Luc Tuymans.

Für Paweł Althamer steht der künstlerische Prozess im engen Zusammenhang mit Selbstanalyse und Selbsterkenntnis. Rund die Hälfte der 40 Werke, die in der Ausstellung „Paweł Althamer. Lovis-Corinth-Preis 2022“ im Kunstforum Ostdeutsche Galerie gezeigt werden, sind Selbstporträts.

I believe this was one of the first times the aerostat had been displayed in the confines of an indoor environment, where it feels very claustrophobic to say the least. The image is done in the likeness of the artist himself, but blown up to such a scale, it portrays him in a less than flattering light. In fact, I felt a bit like Jonathan Swift confronting the Brobdingnagians for the first time, especially standing next to his…well genitals, and Swift’s disgust at seeing the human body magnified to such a scale. I wonder who looks more confined: the viewers or the giant figure hovering above them?
De kunstenaar zal weldra boven Milaan hangen.

Hoor ik de lezer uitroepen dat een dergelijke ‘zelfverheerlijking’ ongepast, ziekelijk of (u vult naar eigen keuze in)……………….!! zou zijn, dan is het feit dat wij per dag zo’n miljoen selfies maken daar een ruim voldoende antwoord op. (Verwacht wordt dat je er tijdens je leven zo’n 25.700 zou nemen)

Een fragment uit een roman van Virginia Woolf:

“Er verdwijnt nu iets uit mij: er verlaat mij iets om de naderende gestalte tegemoet te treden en het verzekert mij dat ik hem ken, voor ik zie wie het is. Hoe vreemd is de verandering die je ondergaat als een vriend zich, zelfs op een afstand, bij je voegt. Hoe nuttig is het dat het tot de taak van je vrienden behoort je tot de werkelijkheid terug te roepen. Maar hoe pijnlijk om teruggeroepen, om vermurwd te worden, om toe te laten dat je ik vervalst, vermengd, tot een deel van een ander gemaakt wordt. Terwijl hij nadert word ik niet mezelf, maar Neville vermengd met iemand anders- met wie? – met Bernard? Ja, het is Bernard en Bernard zal ik de vraag stellen. Wie ben ik?”

(Virginia Woolf. ‘De golven’, roman vert. Geraldine Franken A’dam 1985. De Bezige Bij)

Self-Portrait 1914 Sir Stanley Spencer 1891-1959 Bequeathed by Sir Edward Marsh through the Contemporary Art Society 1953 http://www.tate.org.uk/art/work/N06188
This is Spencer’s first self-portrait in oil paint, made when he was around 23 years old. He painted it over the course of nearly a year in the front bedroom of his family home in Cookham. Its dark, rich colours and strong sense of three dimensionality reflect his interest in 16th-century European painting. Spencer recalled that he was inspired to paint it in this way after seeing a reproduction of a head of Christ by Italian Renaissance artist Bernardino Luini (c.1480/82–1532). (Tate Collection)

En daarmee is de vraag gesteld waarmee het fragment uit ‘De Golven’ besloot: ’Wie ben ik?’ Niet alleen de vraag naar het wezen, de kunstenaar (es) als zichzelf, maar vooral in verbinding met de wereld waarin hij leeft of leefde. In welke mate hij/zij zich vermengde of met de tijd vermengd werd of zich daartegen verzette.

Sir Joshua Reynolds
by Sir Joshua Reynolds
oil on canvas, circa 1747-1749
25 in. x 29 1/4 in. (635 mm x 743 mm)
Purchased, 1858 National Portrait Gallery London

“De populariteit van kunstenaars die zich vermommen in zelfportretten kan worden toegeschreven aan ons onvermogen om tevreden te zijn met het spelen van slechts één rol in de kunst en in het leven. Als complexe wezens met een rijk innerlijk leven is één rol nauwelijks bevredigend. We zijn niet gemakkelijk te definiëren door één enkele identiteit. Het zelfportret stelt ons in staat om een wereld te creëren waarin we uitdrukking kunnen geven aan ons verleden, onderdrukte zelf, verlangens, kwalen van de geest, intellectuele interesses of om te fantaseren dat we iemand zijn die totaal anders is dan onszelf. Het gemaskerde zelfportret kan een ontsnapping zijn naar een wereld waarin we volledige creatieve controle hebben – niet verwonderlijk in een realiteit waarin we vaak het gevoel hebben dat we weinig controle hebben. We verlangen naar een wereld waarin we vrij zijn om te zijn wie we maar willen zijn.”

Holly Marie Armishaw-Contemporary Artist.
The Philosophy of Self-Portraiture in Contemporary Art

http://www.hollyarmishaw.com/the-philosophy-of-self-portraiture-in-contemporary-art—essay.html

Zelfportret tegen palet Charley Toorop (1891-1955)

Het zelfportret is het bepalende visuele genre geworden van ons bekentenistijdperk: de hoeveelheid contemporaine zelfportretten is domweg ontelbaar. Meer mensen, uit meer landen zijn meer dan ooit tevoren geïnteresseerd in zelfportretkunst. Het zelfportret heeft kerk, paleis, atelier, academie, museum, galerie, sokkel en lijst ver achter zich gelaten. Het internet wordt tegenwoordig overspoeld door fotografische en gefilmde zelfportretten, en scholieren moeten een zelfportret maken. Zelfportretten, zo wordt vaak gedacht — en gehoopt — bieden een 
geprivilegieerde toegang tot de ziel van het model en ondervangen zo de vervreemding en anonimiteit die veel mensen in de moderne geürbaniseerde samenleving ervaren. Echte zelfportretten (en portretten die daar ten onrechte voor zijn aangezien én namaak-zelfportretten) worden in Europa sinds de l6e eeuw verzameld en bewonderd. Maar de belangstelling van vroeger valt in het niet bij de obsessie met
 het zelfportret van de afgelopen veertig jaar. Tegenwoordig vind je overal ter wereld levende kunstenaars wier hele loopbaan is bepaald door de zelfportretkunst.

“Het Zelfportret, een culturele geschiedenis, James Hall, Librero NL. 2015”

Self-Portrait, 1933. Milena Pavlovic-Barili

Kijk verder bij deze mooie collectie:

https://www.arthistoryproject.com/subjects/self-portrait

Double Isometric Self-Poretrait. Jim Dine, 1964

‘Bij het maken van een zelfportret kijkt de kunstenaar indirect. Hij heeft iets buiten zichzelf nodig om zichzelf te kunnen zien. In de spiegel kijkend geeft hij zijn eigen beeltenis weer, en de spanning die daarbij ontstaat is fascinerend. Wie of wat wordt er nu afgebeeld? Tegelijk is er de verwachting bij de aanschouwer. Wij willen de kunstenaar zien, de persoon achter het werk enigszins leren kennen. Maar kan dat wel? Is de kunstenaar wel op zijn penseel of beitel te vertrouwen? Creëert hij niet – bewust of onbewust – een beeld van zichzelf?

Het zelfportret heeft verschillende hoogtepunten gekend en je zou drie bloeiperiodes kunnen aanwijzen. De eerste begint in de late Middeleeuwen, vroege Renaissance, en loopt door tot in de Barok. De status van het vak leeft op, kunstenaars ontwikkelen een duidelijke signatuur en er verschijnen biografieën van kunstenaars. Het beroep krijgt gestalte, en de kunstenaar zelf mag onderwerp van het werk worden. Een ander hoogtepunt is de negentiende eeuw. De ideeënvorming van de Romantiek biedt veel plaats voor de kunstenaar als eenling, buitenstaander. Zo’n kunstenaar schildert ook zichzelf. Vervolgens was er een bloeiperiode tijdens het interbellum. Vanuit het expressionisme kwamen veel markante zelfportretten. Maar deze keer wilden kunstenaars zich niet presenteren als romantische eenlingen die buiten de samenleving stonden maar portretteerden ze zichzelf juist als betrokken beschouwer van de samenleving. Vaak legden ze zichzelf vast met objecten die ergens naar verwezen, om zo commentaar te geven op wat er om hen heen gebeurde.’

(Joe van der Meulen. 7 juli 2014. De Groene Amsterdammer)

Self-Portrait of the Artist with a Lamp. Henri Rousseau, 1903

To create a global village: Akio Takamori (1950-2017)

Considered one of the most inventive and expressive artists to emerge in contemporary ceramics, Akio Takamori focuses on human relationships and an ongoing search for personal and cultural identity in an era of increasing global influences and contradictions. Born in Nobeoka, Japan in 1950, the artist has spent more than half of his life living in the United States. Informed by a dual citizenship, Takamori’s sculptures are liberated from their social context and grouped to suggest the artist’s belief in a collective memory representing the shifting historical, cultural, and racial perspectives that create individual and group identity. (Barry Friedman Ltd)

Akio Takamori wordt beschouwd als een van de meest inventieve en expressieve kunstenaars in de hedendaagse keramiek. Hij richt zich op menselijke relaties en een voortdurende zoektocht naar persoonlijke en culturele identiteit in een tijdperk van toenemende wereldwijde invloeden en tegenstellingen. De kunstenaar werd in 1950 geboren in Nobeoka, Japan, en woonde meer dan de helft van zijn leven in de Verenigde Staten. Geïnformeerd door een dubbel staatsburgerschap, zijn Takamori’s sculpturen bevrijd van hun sociale context en gegroepeerd om het geloof van de kunstenaar te suggereren in een collectief geheugen dat de verschuivende historische, culturele en raciale perspectieven vertegenwoordigt die individuele en groepsidentiteit creëren. 

Takamori. Akio. Aphroditeeros

With Alice / Venus, Takamori explores the fundamental difference in adolescent girls before and after puberty. His figures may represent the same young woman, but at different times in her life. “Alice,” with her ruffled collar and dress directly appropriated from a Velasquez painting represents the younger child, while the post-pubescent girl is depicted as “Venus” whose nude body resembles a Roman marble interpretation complete with missing arms. The theme of assimilation runs through both series of work with the decidedly Japanese features of the heads contrasted with their Western torsos. (ibidem)

Alice in black dress and Alice in white dress

Met Alice / Venus onderzoekt Takamori het fundamentele verschil tussen adolescente meisjes voor en na de puberteit. Zijn figuren kunnen dezelfde jonge vrouw voorstellen, maar op verschillende momenten in haar leven. “Alice,” met haar kraag met ruches en haar jurk die rechtstreeks afkomstig is van een schilderij van Velasquez, stelt het jongere kind voor, terwijl het meisje na de puberteit wordt afgebeeld als “Venus”, wiens naakte lichaam lijkt op een Romeinse marmeren interpretatie, compleet met ontbrekende armen. Het thema van assimilatie loopt als een rode draad door beide series, waarbij de onmiskenbaar Japanse trekken van de hoofden in contrast staan met hun westerse torso.

Alice Venus

Takamori’s sculptures are inspired by memories of his childhood and the people who surrounded him: nurses, students, fishmongers, and gossiping women. These are not specific individuals, but types of people that are contrasted with figures borrowed from paintings by Old Masters, Greek Mythology, history and photography highlighting differences of class, culture, and politics. As both an insider and an outsider in Japanese and American cultures, the artist warps time and history to create a global village.

(Barry Friedman Ltd)

Altijd op zoek naar liefde en schoonheid in de duisternis, sprak Takamori ooit over kunstenaars als doorgeefluiken. Hij vergeleek ze met regen die op de grond valt, waarbij elke regen geleidelijk wordt opgenomen en de grond verrijkt, zodat er nieuw gras kan ontspruiten: “Kunstenaars zijn als regendruppels – stuk voor stuk. Je moet dit erkennen als de natuurlijke rol van het beïnvloeden van de samenleving door middel van kunst.” Takamori zelf biedt zo’n catharsis door kwetsbare momenten uit te beelden die de feilbaarheid van onze menselijke ziel laten zien. De werken in deze tentoonstelling wijzen op onze fouten, maar Takamori herinnert ons er ook aan dat kunst kan helpen om de strijd te verlichten. (Judy Anderson)

Girl in yellow Jacket.

Akio Takamori. Sleeper in Striped Dress


The simplified volume and form of the musculature along with Akio’s painterly glazing echo his interest in classical sculpture of the East and West. The nuance of gesture references Greek Kouros, Renaissance sculpture, and Buddhist sculpture. While creating this work, Takamori was also influenced by photography. Edward Weston’s photograph of his son Neil and a photograph of three boys taken by John Swope, one of the first American photographers to set foot on Japanese soil at the end of World War II, are of particular influence. Takamori continues to push the boundaries of the ceramic medium through his subject matter and scale of the work. All of his works are personal investigation of cross-cultural attitude about family, sexuality, and relationships. (James Harris Gallery)
Akio Takamori, installation view of “People / Alphabet,” 2012.

Akio Takamori, Innocence, 2005. Coil built stoneware clay with painted underglazes, height varies 35-38 inches.
Takamori’s childhood in Japan was both idyllic and unconventional. His father, a dermatologist and urologist, specialized in treating venereal diseases and victims of the nuclear bombing. His small medical clinic was attached to the family house creating a bustling environment where nurses and members of Takamori’s extended family lived. Takamori’s artwork has been influenced by the many stories he heard from the nurses and the wide range of patients his father treated. The young Takamori also took great interest in browsing through his father’s vast library which contained not only graphic medical texts, but also an extensive array of books on Western and Japanese art.
Akio Takamori, Willy B, 2016.

Titled Willy B, the sculpture memorializes a single action by Chancellor Willy Brandt, who in 1970 became the first German leader to visit Poland since 1939, when the country was invaded by Nazi Germany. Words are often times insufficient, and the Chancellor instead opted to act: he laid a wreath upon the monument to the thousands of Jews killed in the 1943 Warsaw Ghetto Uprising. As captured in the documentation of the event, Brandt knelt and solemnly bowed his head. This gesture—one of humility, deference, and respect—was seen and felt throughout the world, understood as a pivotal step by the German government towards healing the traumas of World War II.

“The artist demonstrates his painterly approach to the three-dimensional with his glazes by layering patterns upon patterns in bold colors that imbue his work with a baroque sensibility. The intense hues evoke a feeling of joy and youthful inventiveness. These painted figures have only an implied connection to the young, perhaps as their siblings or as symbolically related, representing the next stage of development and again referencing notions around aging and the cycle of life”. (James Harris Gallery Seattle)

Akio Takamori, Boy in Blue Shorts, 2015, stoneware with underglazes,
Akio Takamori, Girl in Yellow Jacket, 2015, stoneware with underglazes

Akio Takamori, Girl in Black Dress, 2015, stoneware with underglazes

Net voor deze werken werden tentoongesteld vertelde Akio dat deze vrijstaande kinderen geïnspireerd waren op de spookachtige, pijnlijke foto hier onderaan. De foto komt uit de serie ‘Photographing the Bomb’ van de Japanse fotograaf Yosuke Yamahata. Op 9 augustus werd hij uitgezonden om de vernietiging vast te leggen. In 1952 schreef hij over deze ervaring de tekst onder de foto.

From the series “Photographing the Bomb” by Yosuke Yamahata.
A warm wind began to blow. Here and there in the distance, I saw small fires, like elf-fires, smoldering: Nagasaki had already been completely destroyed. Higashi, Yamada, and I progressed quickly along the prefectural road that ran down the middle of the plain. Stepping carefully in spite of our hurry, we nearly tripped on the human and animal corpses lying in our path.

The photograph here is of a child carrying his brother as they searched for the parents amongst the rubble of what once been a city and villages. This is one of those images I wish I could un-see, scrub it from the mind. It is now scorched into my memory, as it was with Takamori, and hopefully it now resides your brain as well because it is something that should never be forgotten, a ghostly shadow to his ceramic sculpture. 

(Garth Clark is the Chief Editor of CFile.) (Cfile.Capsule. 08.06.15)

Akio Takamori exhibition view at the James Harris Gallery, Seattle.

En dit jaar zal het acht jaar geleden zijn sinds Akio Takamori stierf aan pancreaskanker. Zijn website wordt nauwelijks bijgehouden, je moet steeds dieper onderduiken in de tijd om bronnen en besprekingen te vinden. Deze wereld heeft helaas bijzonder weinig met het voorbije. Tik zijn naam in en ga verder zelf op zoek mochten deze beelden en woorden je nieuwsgierig hebben gemaakt. 

Hij laadde zijn laatste oven in, de dag voor hij stierf.

Ayumi Horie, a potter who studied with Takamori as a graduate student at the UW, agreed that Takamori’s work was always evolving.

“He was the kind of artist we as students aspired to be,” she said.

Zo lang je naar dit intense, liefdevolle werk kunt kijken weet je dat hij inderdaad een weg vond om bij ons te blijven.