Zoeken en/of vervloeken?

Mochten we vervloekingen, uitgesproken of in stilte bedacht, in energie kunnen omzetten, dan zouden we waarschijnlijk lange tijd in licht en warmte kunnen baden, tenzij de inhoud ervan ook werkelijk werd toegepast zodat eerder een helse leegte, een uitgestorven maar goed gevuld en danig verlicht slagveld het resultaat zou zijn. Die morbide rol heeft de beeldende kunst vaak overgenomen.

Fragment met burijngravure uit de reeks ‘de tastzin’ ‘de vijf zintuigen’ Frederick Bloemaert A’dam naar Nicolaas I Visscher 1614-1617 MSK Gent
De profeet Elisa, links op de achtergrond, vervloekt de kinderen die hem bespotten. Als straf worden deze jochies door beren verslonden.

Een vloek in de betekenis van "onheilsbezwering" is een meestal geritualiseerd gebaar of gezegde met de bedoeling een persoon of een plaats kwaad te berokkenen. Motieven daarbij zijn woede of een verlangen om te straffen of om zich te wreken. (Wikipedia)

Het tegenovergestelde van de vloek is de zegen. De studie van de verschillende vormen van vervloekingen behoort zowel tot het domein van het volksgeloof als van de folklore. Vaak maakt het met opzet uitspreken van vervloekingen deel uit van de praktijk van de magie. (idem)
Samuel verwenst Saul. Hans Holbein de Jongere. Klik op onderschrift om te vergroten.

Met de vervloeking van de eerste mensen Adam en Eva, terwijl zij uit het paradijs werden gejaagd, begint een bijna ononderbroken rij soortgelijke onvriendelijkheden die voortdurend in literatuur en beeldende kunsten zullen meespelen. De Zwitser Henry Fuseli schildert in 1768 de blinde Oedipus die hier zijn zoon Polyneikes vervloekt. Een scene uit ‘Oedipus te Kolonos’, het laatste toneelstuk van de al oude Sophocles.

Henry Fuseli (1741-1825) 1786. Oedipus cursing his son Polynices National Gallery of Art.



Fuseli’s own pessimism and fascination with the extremes of human passion are evident. He heightened the intensity of this scene from Sophocles’ Oedipus at Colonus by placing Oedipus and his children in a dark, shallow space. The tragedy of the father’s curse is played out through the gestures of the four figures. Polynices, who had expelled his blind father from Thebes and left him to live as a beggar, has come to ask his father’s support in overthrowing his brother. Oedipus, enraged at his son’s request, stretches out his accusing arms and levies his dreadful curse, by which each son would die at the hands of the other. Ismene, weak and despairing, kneels with her head on her father’s knee. Antigone, whose strength and determination have kept her father alive, is highlighted above the terrible drama as she reaches out to protect her brother with one hand and restrain Oedipus with the other. Her gesture, however heroic, is futile. (National Gallery of Art)

Kostuumontwerp voor Theseus

Fuseli’s eigen pessimisme en fascinatie voor de uitersten van menselijke passie zijn duidelijk. Hij verhoogde de intensiteit van deze scène uit Sophocles’ Oedipus te Colonus door Oedipus en zijn kinderen in een donkere, ondiepe ruimte te plaatsen. De tragedie van de vloek van de vader wordt uitgespeeld door de gebaren van de vier figuren. Polyneikes, die zijn blinde vader uit Thebe had verdreven en hem als bedelaar achterliet, komt zijn vader om steun vragen om zijn broer Eteocles ten val te brengen. Oedipus, woedend over het verzoek van zijn zoon, strekt zijn beschuldigende armen uit en spreekt zijn vreselijke vloek uit, waardoor elke zoon zou sterven door toedoen van de ander. Ismene, zwak en wanhopig, knielt met haar hoofd op de knie van haar vader. Antigone, wier kracht en vastberadenheid haar vader in leven hebben gehouden, wordt boven het vreselijke drama uitgelicht als ze haar hand uitsteekt om haar broer met de ene hand te beschermen en Oedipus met de andere hand in bedwang te houden. Haar gebaar, hoe heroïsch ook, is vergeefs.

Oedipus at Colonus. Jean-Baptiste Hugues

De filosoof Baruch (Benedictus de) Spinoza 1632-1677) politiek denker en exegeet uit de Gouden Eeuw wordt beschouwd als een van de grondleggers van het rationalisme en een van de inspiratoren van de Verlichting.

Op 27 juli 1656 werd in de synagoge van de Portugees-Israëlietische Gemeente aan de Houtgracht in Amsterdam de cherem (meestal vertaald als banvloek; zie ook anathema) tegen “Baruch Espinoza” uitgesproken waarmee hij uit de Sefardische gemeenschap werd verstoten. De Portugese tekst, die bewaard is gebleven in het Escamoth, het register van besluiten en reglementen van de joodse gemeente, bestond uit drie delen: na de aanklacht waarin Spinoza werd beschuldigd van más opinioins e obras (verderfelijke ideeën en handelingen), volgde zijn verstoting en vervloeking met teksten uit de Thora. Tot slot kregen de leden van de gemeenschap de waarschuwing dat ze bij Spinoza uit de buurt moesten blijven en geen zaken met hem mochten doen. Ook zijn familieleden mochten geen contact meer met hem hebben of hem op wat voor manier dan ook ondersteunen. De verstoting werd uitgesproken door de parnassim van de joodse gemeente, zoals in de Amsterdamse gemeenschap gebruikelijk was. Spinoza is waarschijnlijk niet zelf bij de uitspraak aanwezig geweest. (Wikipedia).

De tekst van de ‘verstoting’ is onder het beeld van deze unieke denker te raadplegen.

Beeld van Spinoza in Den Haag


"Volgens het besluit der Engelen en het oordeel der Heiligen bannen, verstoten, verwensen en vervloeken wij Baruch de Espinoza, met toestemming van den Heiligen God en met toestemming dezer ganse heilige gemeente, voor de heilige Boeken der Wet met de 613 voorschriften, die daarin opgetekend zijn, met de ban, waarmee Jozua Jericho bande, met de vloek waarmee Eliza de knapen vervloekte, en met al de verwensingen, die in de Wet geschreven staan. Vervloekt zij hij bij dag en vervloekt zij hij bij nacht; vervloekt zij hij wanneer hij zich neerlegt, en vervloekt zij hij, wanneer hij opstaat; vervloekt zij hij, als hij uitgaat, en vervloekt zij hij, als hij binnenkomt. Moge God hem geen vergiffenis willen schenken. De toorn en gramschap des Heren zal tegen dezen mens ontbranden en op hem werpen alle vloeken, die in het Boek der Wet geschreven staan. En de Heer zal zijn naam onder de Hemel uitwissen en de Heer zal hem tot zijn verderf uitscheiden uit alle stammen Israëls met alle vloeken des Hemels, die in het Boek der Wet geschreven staan. Gij evenwel, die Gij den Heer uwen God aanhangt, Gij leeft heden altemaal."

Benedictus de Spinoza. Franz Wulfhagen 1664

Zelfs de kind-verslindende beren werden nog geciteerd. Jan & Annie Romein beschreven dit in hun serie ‘Erflaters van onze beschaving’ (1977) waarin zij over de toenmalige Joodse gemeente schreven:

"Van nog groter belang echter zal geweest zijn, dat juist deze joodse gemeente minder dan welke andere ook zich onverschillig tegenover afwijkingen kon betonen, omdat zij, traditieloos als zij in wezen was, meer dan andere aan de traditie moest hechten. Een en twee generaties terug immers waren al deze joden in Spanje en Portugal nog katholiek geweest, zij het dan gedwongen, en eenmaal in het vrije Nederland konden deze maranen, zoals zij heetten, de verachting van de echte katholieken en de zelfverachting die daarvan het gevolg was geweest, slechts afschudden door zich tastend en zoekend opnieuw zo diep mogelijk in het traditionalisme van het echte jodendom te verbergen. Tastend en zoekend, want er laten zich duidelijk twee richtingen onderscheiden, de Portugese van de humanistisch gezinde Menasse ben Israël - de zogenaamde Sephardim - en de oostjoodse van Saul Levi Morteira - de zogenaamde Asjkenasim, een tegenstelling die, wat haar sociaal aspect betreft, zich zelfs tot op deze dag onder de Amsterdamse joden heeft gehandhaafd."

Lees ‘Erflaters van onze beschaving (1977). Jan Romein, Annie Romein-Verschoor “Nederlandse gestalten uit zes eeuwen – Benedictus Spinoza”

https://www.dbnl.org/tekst/rome002erfl01_01/rome002erfl01_01_0019.php

De cherem uit 1656, waarmee het synagogebestuur Spinoza verbande uit de Joodse gemeenschap. Foto: Stadsarchief Amsterdam

Blijkbaar is zo’n ‘banvloek’ in alle religies thuis zoals de nare ervaringen van auteur Salman Rushdie bewijzen. Maar ook de Roemeens-Franse filosoof Emil Cioran wist zijn diepe ontgoocheling over de wereld om te zetten in een oeuvre waarvan, volgens Jan Postma in de Morgen, ieder boek als ‘een uitgestelde zelfmoord’ geldt.

Voor (auteur) Cioran (boek: Bekentenissen & Banvloeken) was het duidelijk: wij mensen zijn vóór alles belachelijke wezens, en alles wat we doen is ten diepste lachwekkend. Onze aardse ambities en verheven verlangens, al ons wereldse streven en al onze geloofsijver, onze lage gevoelens en hoogmoedige rationaliseringen, de potsierlijke toneelstukjes die we opvoeren voor anderen en de niet minder bespottelijke leugens die we onszelf vertellen om ons staande te kunnen houden te midden van alles wat we maar half of eigenlijk helemaal niet begrijpen.
Mooi is de reactie van Peter Sloterdijk, die in Cioran ‘een dubbelganger van Heidegger’ ziet (iemand die niet tot de conclusie kwam dat ‘denken danken wil zeggen’, maar in plaats daarvan ‘de zwartgnostische antithese’ uitwerkte dat ‘denken zich-wreken betekent’) schrijft over de therapeutische werking van Ciorans geschriften: ‘Hun helderheid in de verlatenheid immuniseert tegen de verleiding zich vormeloos gewonnen te geven.’
Cioran vond dat we alleen boeken zouden moeten schrijven om de dingen te zeggen die we niemand durven toe te vertrouwen. Wat durfde hij niemand toe te vertrouwen? Hoe diep hij geloofde dat alles ijdel en vergeefs is, denk ik, en hoe vrij ons dat maakt. Zijn oeuvre is het enige in de geschiedenis van de literatuur dat geen bouwwerk is maar een schroothoop. En zo het enige geloofwaardige monument voor een betekenisloze wereld.

(De Groene Amsterdammer 16 november 2022)

Paul Fuhrmann, ‘De geest van de tijd’ (1927). bpk/Staatliche Schlösser, Gärten und Kunstsammlungen Mecklenburg-Vorpommern/Hugo Maertens

Gentse verwensingen (een oud document dat wel) zijn in ruime mate aanwezig in “Krijgt de jukte woar dadde nie kunt scharte!”

Lees:

https://openjournals.ugent.be/gt/article/68932/galley/193176/view

Steeds als Heraclitus de deur uitging en al die mensen zag die een ellendig leven hadden – of beter gezegd ellendig ten onder gingen – weende hij, en had hij medelijden met iedereen die hij tegenkwam, zelfs als die blij en gelukkig waren. […] Van Democritus daarentegen wordt gezegd dat hij zich alleen maar lachend in het openbaar vertoonde; ja, zelfs handelingen die in
alle ernst werden verricht nam hij volstrekt niet serieus. Waar is hier ergens plaats voor woede? Alles is om te lachen of om te wenen.
(Seneca. Verder: De tranquillitate animi 15.2, 3)
Georg Scholz, ‘Nachtelijk lawaai’ (1919).

“Ik acht het niet nodig hier alle eigenschappen van de geestkracht afzonderlijk te bewijzen, en al helemaal niet dat een mens met geestkracht niemand haat, op niemand kwaad wordt, jaloers of verontwaardigd is, niemand veracht en volstrekt niet hovaardig is. […] Haat moet integendeel door liefde worden overwonnen, en ieder die door de rede wordt geleid wenst dat het goed dat hij voor zichzelf nastreeft ook de anderen te beurt valt. Daar komt nog bij […] dat iemand met geestkracht allereerst het volgende overweegt, dat alles volgt uit de noodzakelijkheid van de goddelijke aard, en dat derhalve dat waarvan hij denkt dat het onaangenaam en slecht is, alsmede wat goddeloos, afschuwelijk, onrechtvaardig en schandelijk schijnt, hiervandaan komt, dat hij de dingen verward, verminkt en ongeordend begrijpt. En om die reden zal hij vooral proberen de dingen te begrijpen zoals ze in zichzelf zijn en zich te ontdoen van wat de ware kennis belemmert, zoals daar zijn haat, woede, nijd, hoon, hovaardij en dergelijke meer, waarop ik het in het voorgaande heb gewezen. En zo streeft hij ernaar zoveel als in zijn vermogen ligt wel te doen, zoals men zegt, en zich te verheugen.” (Spinoza)

Spinoza’s advies ‘het menselijk handelen niet te bespotten, niet te betreuren, noch te verwensen, maar te begrijpen’ is geen pleidooi voor het ontkennen of onderdrukken van de affecten, maar een wijsgerig programma dat tot doel heeft de passies te transformeren tot gevoelens waar we sterker en gelukkiger van worden.

(Uit: ‘Niet bespotten, niet betreuren, noch verwensen, maar begrijpen…’ Lezing op Spinozadag van de Amerdamse Spinozakring ‘Spinoza en het verschil’. 14 november 2010. Piet Steenbakkers)



“I always preserve the natural right in its entirety and I hold that the sovereign power in a State has right over a subject only in proportion to the excess of its power over that of a subject.”

"Ik behoud altijd het natuurlijk recht in zijn geheel en ik houd vol dat de soevereine macht in een staat alleen recht heeft over een onderdaan in verhouding tot de overmaat van zijn macht over die van een onderdaan."

Spinoza, Epistle-Brief 50


Verzoeken of vervloeken? Vragen stellen of elke twijfel monddood maken? Of met een oude spreuk: Het is beter een kaars aan te steken dan de duisternis te vervloeken.

Jo van Cauter: Spinoza: Geluksleer, verhandeling ingediend tot het behalen van de graad van Master in de Wijsbegeerte (Prof. dr. Johan Braeckman)

Spinoza begreep echter dat een totale en volmaakte kennis van de natuur – van de oneindige oorzaak en gevolg ketens – buiten het menselijk vermogen ligt. Ons begrijpen is in de woorden van Herman De Dijn niet echt ons begrijpen: “we bezitten niet want we zijn onderdeel, we zijn niets anders dan
een onophoudelijke poging om te begrijpen”. Het menselijk vermogen is beperkt, we zijn niet in staat in alle gevallen de uitwendige dingen voor ons bruikbaar te maken.
Toch kunnen we proberen die gebeurtenissen voor de geest te halen waarvan we menen dat ze hebben bijgedragen tot de ontwikkeling van Spinoza en diens gedachtegoed. Een moeilijke taak, maar één die ons wel eens met blijdschap zou kunnen vervullen. (Citaat uit deze verhandeling)

Ill. The Critic

Ook een vroegere bijdrage is een mooie aanvulling