
Komt in en uit het boek gevaren,
baren letters, letters baren:
gekromd of regelrecht om te bedaren.
De horizon? Wie zal mij sparen?

In memoriam Gerrit Achterberg I
Afvaart. Eiland der Ziel. Dead end. Osmose.
Huis. Thebe. Existentie. Energie.
Euridyce. Morendo. Sintels. Meisje.
Sphinx. Radar. Cryptogrammen. Stof. Limiet.
Titels als pijlen: nu 'k ze opschrijf, voel 'k ze
nog zinderend natrillen in mijn hart.
Nadien heb ik je weinig meer gelezen:
't was niet mijn land, voorbij die laatste stad.
Maar je bleef wel altijd in mij aanwezig,
zo ongeveer als de tb-bacillen
die in mijn rechterlong zijn ingekaasd.
En nu kruipt ook bij mij soms plots een beest
van vrees door aderen en ingewanden.
Word ik dan toch nog naar je teruggekaatst?
(C. Buddingh', De eerste zestig, bz. 12)

Geschreven werd en wordt er, geschilderd en gedicht, kortom pakhuizen gevuld met creaties. Eens de velden gemaaid zijn door de sikkels van de tijd, blijven er allerlei resten en fragmenten liggen. Anderen werden glanzend tot letteren- of beeldenvoedsel verwerkt maar daarna door de muizen van de vergetelheid weg geknabbeld. Ook in de schuren en de serres van het internet zijn er talrijke overblijfsels van vroegere oogsten weinig of nooit meer bezocht. En het 'voorbije' is steeds sneller voorbij.
Aren lezen zal tussen de duizenden teksten en reproducties dwalen en schoonheid verzamelen die lang in het duister of de schemer van de tijd is achtergebleven en best weer het licht in de ogen kan verdragen.

Het zonnespel
Zacht daalde een zondagsrust, ik lei mij dromend
In ’t geurig bloemgoud, dat de wei bemint,
En voor mij rees, het groene veld omzomend,
Een berg van beuken, wuivend op de wind.
Ik zag hun toppen, beurtlings licht en donker,
In vlammen opgaand en weer uitgeblust,
Zich tot dit spel van schaduw en geflonker
Alle gewillig lenen, onbewust.
Doch ik, de blik gericht, het hoofd geheven,
Zocht naar de speler, die deez’ scherts begon,
En vond hem, waar de zomerwolken dreven
In stille stoeten langs dat schild: de zon.
Toen, turend, werd ook ik gelijk die bomen
Een door het hemels licht beschenen kind,
En voelde vreugde en weemoed me overkomen,
In beide zwelgend, en voor beide blind.
Aart van der Leeuw (1876-1931)

e. du Perron (1899-1940)
Leven is goed
LEVEN is goed, - en zijn wij tachtig jaar,
wij doen geen afstand van ons duur verleden.
Koel is de schaduw van het leed geleden,
en zacht de glimlach om het oud misbaar.
Dàn eerst zij onze hemel glad en klaar:
achterom kijkend, niet vooruit, als heden;
ruggelings reizend, met onwilge schreden,
naar welke Zuidpool of welke Evenaar?
Wij gaan, wij gaan - maar met de minste spoed.
Profetendromen, stelsels en gebeden
waaiend om ons als wind om zuilen doet.
Strijdend voor 't Leven, listig en verwoed,
als onze vaadren met de draken streden,
zullen wij gaan. Maar langzaam. Voet voor voet.

Zeg dit vers zachtjes luidop eens het licht is uitgeknipt:
Zachtjes uit de haven, bij slapend water
glijden zoals de droom
glimlacht met de zwaartekracht
en hemelen helen vroom
de schoonheid van de sterrennacht.
Het wordt nooit later.
Later.

'Stel, wij werden voor het eerst geconfronteerd met
De dingen, die onverwachts op ons netvlies vielen:
Wie had zich zoiets wonderbaarlijks kunnen dromen,
Wie iets dergelijks ooit voor mogelijk gehouden?'
Lucretius, Over de natuur II, 1033-1036 geciteerd Michel de Montaigne 'De essays', p.225
