

Isaac Israëls is een meester in het schilderen van alledaagse taferelen. Kenmerkend voor zijn impressionistische stijl is het gebruik van intense kleuren en losse schildertoetsen. Het palet van Israëls is licht en fris. Isaac Israëls is er veel aangelegen om niet mee te liften op het succes van zijn vader, de beroemde Haagse school-schilder Jozef Israëls. Hij wil juist zijn eigen stijl ontwikkelen. Israëls is reislustig, woont enige jaren in Parijs, Nederlands-Indië en Londen. In 1923 keert hij terug naar Nederland, om te gaan werken in het mooie Haagse atelier van zijn vader. Zijn nieuwe woonplaats geeft zijn werk een enorme boost. Het Den Haag van die tijd groeit en bloeit als nooit tevoren en Scheveningen is een mondaine badplaats, bij uitstek een plek waar kunstenaars graag komen.
Ook Isaac Israëls vertoeft vaak op het strand om er en plein air te werken. Regelmatig schildert hij er, zelfs in gezelschap van zijn vader. Israëls heeft talloze strand-scènes geschilderd, van deftige, flanerende dames op de Boulevard tot vrolijke kinderen die op een ezeltje rijden op het strand, zoals dit aandoenlijke schilderij hierboven van drie meisjes op ezels. De voorstelling oogt als een fotografische snapshot. Met veel gevoel voor beweging weet Israëls de kinderen, ezeltje rijdend bij de branding, vast te leggen.
(Mark Smit Kunsthandel)

Een van de vroegste verwijzingen naar de impressionistische tentoonstellingen was van Marcellus Emants, Nederlandse literator en criticus die in de jaren 1870 af en toe tentoonstellingen recenseerde. Wanneer hij de nieuwe artistieke benaderingen van de Haagse School besprak, was hij gematigd liberaal, maar wanneer het op het impressionisme aankwam, overheerste zijn conservatieve houding. Emants schreef over de tweede tentoonstelling (1876), en hij was verre van enthousiast. “Ik zou het moeilijk vinden om een naam te geven aan wat ik daar zag hangen. De meeste dingen zijn zeker geen schilderijen, tenzij je een paar klodders kleur een schilderij wilt noemen. En het zijn zeker geen tekeningen, want het is nog moeilijker om er een goede lijn in te ontdekken dan in de geulen die kinderen in het zand op een Nederlands strand graven nadat de golven eroverheen zijn gespoeld […]”
De criticus vergeleek Caillebotte’s Déjeuner (afbeelding hieronder) met ‘Chinese’ perspectiefprincipes’, een interessante – zij het verkeerde – vergelijking. We mogen aannemen dat hij eigenlijk doelde op Japanse prenten, die zoals bekend een grote invloed hadden op de impressionisten.”
(Benno Tempel)

Je zou vader Jozef Israëls nog kunnen thuisbrengen in ‘De Haagse School’, zoon Isaac werd de ‘leading figure’ van de Amsterdamse Impressionisten zodat eerder naar hem dan naar zijn vader werd verwezen, een vaststelling die Tachtiger, literator en later beste vriend van de schilder, Frans Erens in 1900 verwoordde in ‘Elseviers Geïllustreerd Maandschrift, jaargang 10‘, hier in de oorspronkelijke versie afgedrukt:
“Een groote zoon van een groot vader is een zeldzaam verschijnsel in de historie en vooral in de kunsthistorie. De zoon van Racine was een in Duitschland die zich beklaagde, dat hij nooit bij zijn naam werd genoemd: het was de zoon van den wijsgeer Mendelsohn, die tegelijkertijd de vader van den componist was. In zijn jeugd werd hij de zoon en op zijn ouden dag werd hij de vader van Mendelsohn geheeten.
Sinds jaren heet de schilder Isaac Israels niet meer de zoon, maar wordt niet meer zijn vader genoemd, zelfs dikwijls niet meer aan den vader gedacht. Dit is een goed teeken zoowel voor den vader als den zoon.”

“Weldra wist men dat men bij den jongen schilder met een soort wonderkind had te doen, die niet alleen kleur en lijn wist te besturen, maar een intelligent kenner was van de meeste europeesche litteraturen, iemand die op zestien jaar Dante en Leopardi had gelezen in het Italiaansch, en uit Cervantes heele volzinnen van buiten kende, die Russisch kon verstaan en Horatius in het latijn opdreunen.
Zijn bibliotheek bestond uit de meest geraffineerde werken van dichters en prozaschrijvers. Het waren geen verzorgde mooie bandjes, alhoewel er keurige edities bij waren, maar zij vlogen door zijn atelier op goed geluk of soms verschroeid door begin van brand, of dienend als hoofdkussen voor het moede hoofd van een model uit de achterbuurten of als onderstel voor een bord met een warm gebakken biefstuk. Eenmaal gelezen verdwenen de boeken onnaspeurlijk langzamerhand het een na het ander.”
(F. Erens ibidem)

De Nes, een smalle straat in Amsterdam die parallel liep aan een hoofdstraat, was in Israëls tijd de thuisbasis van het variététheater; entertainment voor de middenklasse. In de verschillende cafés traden chantant dansers, zangers en andere variétéartiesten op terwijl de patroons rookten, dronken en genoten van het buffet. In dit kleurrijke schilderij vestigt Israëls de aandacht op de artieste; zij is zeer zeker een zangeres en hoogstwaarschijnlijk een danseres. Ik vraag me af wat de groep vrouwen die om haar heen zitten eigenlijk van haar presentatie vinden. Ze treedt vol zelfvertrouwen op, maar zonder uitzondering zitten de omringende vrouwen onderuitgezakt, zien er lusteloos uit, ook al geven hun felgekleurde jurken normaal gesproken een vrolijk effect. Sommige leden van het publiek zijn, zoals je gemerkt zult hebben, ook afgeleid.
Dit café-chantant heeft geïnvesteerd in elektrische verlichting. Door de gloeilampen in de achtergrondspiegel te laten reflecteren heeft Israëls een opvallend schouwspel gecomponeerd. De bovenste helft van het schilderij, met de stralende lampjes en de al even stralende jurken, gloeit. Israëls 'schilderde rechtstreeks vanuit de natuur'; hij bezocht regelmatig dit soort etablissementen. Het is meer dan waarschijnlijk dat Israëls bij deze voorstelling aanwezig was en hoogstwaarschijnlijk direct achter de man zat, met zijn rug naar ons toe. Vanuit die positie kon Israëls het toneel schetsen.
(Yvonne Beurnkes, 2021. Art & Dance)

“De weg afgelegd tusschen zijn werk van ’83 en het huidige is een groote vooruitgang ook. Want waren zijne menschen toen nog ietwat stijf in hun bewegingen, het coloriet nog ietwat droog, nu is dit anders geworden. Schittering en Beweging zijn de qualiteiten van zijn werk en al is hij in het schilderen van het menschelijk naakt de mindere van Breitner, in het weergeven van den Amsterdamschen stratenstroom is hij onovertroffen. Vooral is hij, de kernige stoere zetter der pootige lijnen, in het weergeven van dansende paren. Dat vliegen der breede gecrinolineerde rokken is als een wervelwind die u aanblaast uit zijne doeken en teekeningen, uit de losse bladen zijner schetsboeken. Wanneer men het voorrecht heeft hem aan het werk te zien kan men gadeslaan hoe hij telkens prikt als met een dolk tegen het doek stooten als van plotseling korte inspiratie direct geexcuteerd, onderbroken door wachten en zinnen, telkens een serie tremolos van kleur gebroddeld op het geduldig doek, toch ziet men vastheid en zekerheid in de bewegingen van hand en arm.”
(Frans Erens Elseviers Geïllustreerd Maandschrift, jaargang 10′ 1900)

In ‘Vervlogen Jaren’ vertelt dezelfde Frans Erens in 1938 over de intussen overleden ‘Isaäc Israels’. Hun zoektochten naar een goed en rustig onderkomen, hun schaakmomenten waarin de schilder hem steeds weer de baas was.
'En toen gebeurde er iets, dat bij het schaakspelen niet dikwijls voorkomt, geloof ik, want zooals ik zeide, ik heb er weinig ondervinding van. Na bijna een uur te hebben gespeeld, was er van beide zijden geen enkel stuk gevallen, zelfs geen pion. De stukken waren hier en daar vermetel binnengedrongen in het vijandelijke kamp. Zwijgend zat Isaäc toe te zien. Opeens stond ik mat. De koning was gevangen, kon niet verder. Geen enkel onderdaan had hij verloren, geen enkel onderdaan kon hem ter hulp komen. Ook de zegevierende vijand had geen soldaat op het slagveld gelaten. In stilte zaten wij verbaasd. Een fijne glimlach verscheen het eerst om den guitigen mond van den overwinnaar en ik, als overwonnene, bracht hulde aan zijn veldheerstalent.'
(BNL Vervlogen jaren Frans Erens)

"Hij had niet het air van te observeeren; zijn blik was zacht en leek onverschillig. Wanneer hij iets had gezien, kon men op zijn gezicht nauwelijks waarnemen, dat het hem aandeed. Hij scheen te staan in den geest boven alles uit, breed omvattend en in zich opnemend wat hem omringde. Hij bezat die gelukkige goedmoedigheid, welke hem tegen alles wapende en waarop alle tegenstand afstuitte. Die goedmoedigheid is het ook geweest, die hem een zoo hoogen ouderdom heeft doen bereiken.
Zooals hij verhalen maakte van zijn schilderijen, kon hij een verhaal vertellen in een reeks achter elkaar voortrollende tafereelen. Zoo heeft hij mij eens het geheele boek Esther verhaald. Het duurde lang, maar verveelde mij niet, hoewel ik den inhoud ervan zoo goed kende als hijzelf; zijn vertelling boeide mij van het begin tot het einde." ibidem)
bron:
https://www.dbnl.org/tekst/eren003verv01_01/eren003verv01_01_0030.php

‘Met zijn vader en zijn vriend, de schrijver Frans Erens, maakte Isaac een reis door Spanje en Noord-Afrika. Jozef Israëls was er niet erg gelukkig. Velasquez stelde hem teleur (‘is niet beter dan Rembrandt’), maar Isaac vond zijn schilderslust definitief terug. Hij was het jaar daarvoor al weer gaan werken, getuige bijvoorbeeld het prachtige ‘De hoedenwinkel van Mars bij avond’. In Amsterdam werd een aantal van zijn werken tentoongesteld en dat bleef niet onopgemerkt.
(De schaduw van de vader, Froukje Holtrop. De Groene Amsterdammer 19 december 2008)

Toen hij twintig was, in 1885, maakte Isaac zich los van zijn vader. Met George Breitner verruilde hij het Haagse voor Amsterdam. Ze meldden zich bij de Rijksacademie, waar ze na een jaar werden weggestuurd. De directeur, August Allebé, beschouwde hen als volleerd. Isaac verzeilde vervolgens in de kringen van de Tachtigers. Hij ging op in het uitgaansleven en schetste en krabbelde in cafés. Verder produceerde hij niets. In feite verdween hij een aantal jaar uit het kunstleven.
Zijn moeder maakte zich daarover ernstige zorgen. Ze vroeg Frederik van Eeden, schrijver, en psycholoog, om een oordeel over haar zoon. Van Eeden zag duidelijk dat hier iemand zijn beroemde vader en zijn dominante moeder wilde ontvluchten. Hij antwoordde: ‘Hij gaat, zoals hij altijd gedaan heeft, stilletjes zijn eigen gang. Hij wil juist onder niemands invloed staan en ik verzeker u, al is hij op het ogenblik een beetje de kluts kwijt – maak u niet bezorgd, bij iemand als Isaac komt dat snel genoeg terecht. Dacht u dat een kranig artiest als uw zoon onder zou gaan als hij in zijn jeugd een tijdje moet tobben en zoeken?’ (ibidem als hierboven)

In 2009 werd Israëls' Liggend naakt verkozen tot het mooiste naaktschilderij van Nederland. Het schilderij kreeg de meeste stemmen in de verkiezing georganiseerd door Oog, het tijdschrift van het Rijksmuseum Amsterdam. Het publiek kon kiezen uit 69 schilderijen van Nederlandse schilders die door een redactie waren geselecteerd, variërend van Rembrandt tot Appel. Ruim tienduizend mensen brachten hun stem uit, 1113 stemmen werden uitgebracht op Liggend naakt.
Israëls schilderde in zijn schildersloopbaan een hele reeks volwaardige en realistische naakten. Als model gebruikte hij vaak jonge vrouwen uit de Amsterdamse volksbuurten. De vrouw op dit schilderij heet dan ook gewoon Sjaantje van Ingen. Zij was een model dat voor meerdere Amsterdamse schilders poseerde. Over haar leven is verder weinig bekend. Israëls heeft haar eind jaren 1890 meerdere malen afgebeeld, soms in nagenoeg identieke poses als op het hier besproken schilderij
(Wikipedia)

Dicht bij de tijd waarin hij schilderde ben ik gebleven, dicht bij de mensen die hij kende en waardeerde. Bio’s zijn er in ruime mate aanwezig, maar de tijdsdocumenten, de mensen die hem hebben gekend vermenselijken het beeld. Je bekijkt zijn werk vanuit die tijd, vanuit de mensen die hem lief waren. Het gaat dus niet om volledigheid, -Breitner ontbreekt bv-, maar om stemmen uit de voltooid verleden tijd die ons dichter bij zijn werkelijkheid brengen dan abstracties vanuit de hedendaagse kunstterminologie. Een mooie verzameling van zijn werk kun je hier in alle rust op groot scherm bekijken.
