
“De figuur van de dwaas liep van de marge van middeleeuwse manuscripten naar de wereldse hoven van de Renaissance en keerde vervolgens terug op papier als Yorick van Hamlet,” schrijft Dominic Green van de Wall Street Journal. “ Later, in het tijdperk van rede en democratie, werd de parodist van koninklijke waardigheid een spiegel van de universele conditie: Dostojevski’s ‘heilige dwaas’ en Picasso’s groezelige clowns; Stan Laurel en Oliver Hardy om Buster Keaton niet te vergeten.”
In medieval times, the definition of the fool was derived from the Scriptures, particularly the first verse of Psalm 52: ‘Dixit insipiens…’ (The fool has said in his heart, ‘There is no God’). Madness was primarily seen as ignorance and an absence of love for God, but there were religious fanatics too, such as Saint Francis. So in the thirteenth century, the idea of madness was inextricably linked to love and its measure or excess in the spiritual, then the earthly realm. (Codart)

Musée du Louvre, Paris
De status van de nar verschoof van mystiek en symbolisch naar politiek en sociaal: in de veertiende eeuw werd de hofnar de geïnstitutionaliseerde antithese van koninklijke wijsheid en zijn ironische of kritische observaties werden steeds meer geaccepteerd. Er ontstonden nieuwe beelden waarin de nar werd afgebeeld met een opvallend kostuum: een bauble (schijnscepter), een gestreepte of ‘half en half’ outfit, een pet en bellen. (ibidem)

A kind of mirror, it was also a reminder of the vice of vanity. The fool could as easily succumb to narcissism as anyone else.

Ontworpen als illustratie bij psalm 52 van het psalter van de hertog van Berry, toont deze afbeelding de dwaas gedeeltelijk ontkleed, knuppel in de hand, terwijl hij in een brood of een wiel kaas bijt. Deze afbeelding, een van de vroegste die te zien is, is gebaseerd op het gevestigde archetype van de “arme stakker” met een knuppel. De Hesdin ontleende deze compositie aan het eerdere getijdenboek van Jeanne d'Évreux (1324-28), maar hij plaatste zijn nar in een bos met een achtergrond met rode patronen. Er is ook iets bijna adelijks aan deze man op blote voeten; zijn gedrapeerde witte doek is smetteloos, waardoor hij er elegant uitziet. De lange wandelstok op zijn schouder lijkt nauwelijks op een wapen, maar eerder op een sportstok, zoals de stokken die Franse aristocraten zouden hebben gebruikt bij veel 14e-eeuwse bowl games. (ARTnews)

Volgens de Nederlandse kunsthistoricus Guido de Werd diende dit beeld als morele waarschuwing: pas op voor de vrouw die van het rechte pad afdwaalt, ze zal uiteindelijk haar verstand verliezen. Geleerden weten nog steeds niet zeker of dit werk bedoeld was voor een patriciërsinterieur of een herberg; het laatste zou logischer zijn aangezien de vrouwelijke figuur hetzelfde gezicht heeft als Van Trichts voorstelling van Maria Magdalena, de beschermheilige van boetvaardige zondaars en seksuele verleiding, die hij maakte voor het altaarstuk van de Sint-Nicolaaskerk in Kalkar, Duitsland. (ibidem)

In de Middeleeuwen was de figuur van de nar nauw verbonden met religieuze en morele kwesties. De nar, symbool van de ‘goddelozen’, leefde in de marge van de maatschappij en tartte de goddelijke en sociale orde. Zijn toestand werd als besmettelijk beschouwd, vooral wanneer er liefde en passie in het spel waren – twee overweldigende en oncontroleerbare krachten. Net als in epische cycli, de Arthur- en Karolingische legenden, waar hoofdpersonen ver verwijderd van de codes van hoofse liefde werden meegesleurd in een draaikolk van verlangen, lust en verderf.
Sociaal gedefinieerd door zijn verschil, verwerpt en fascineert de dwaas tegelijkertijd, waardoor hij al snel niet alleen de rol van een moreel symbool aanneemt, maar ook een specifieke sociale functie. Met zijn bellen, gestreepte mantel en kap betreedt de nar het hof en wordt hij de onmisbare tegenhanger van de koninklijke macht: een satirisch en subversief personage, de enige die het gezag in twijfel mag trekken. (Domus Giorgia Aprosio)

In de Vlaamse traditie is de nar de figuur van de dwaas als een spiegel van menselijke tegenstrijdigheden vaak met een ironische en visionaire benadering. Kijk ook maar eens naar de Vlaamse Spreekwoorden (1607) van Pieter Brueghel, een visionaire encyclopedie van alledaagse dwaasheden waarbij populaire gezegden en spreekwoorden vertaald worden in surrealistische en satirische beelden. ‘Het schip der dwazen’ van Jheronimus Bosch is een ander voorbeeld. Van de minder bekende Marx Reichlich ‘ een fraai portret van ‘Een Nar’, begin zestiende eeuw.

In de vastelavondliteratuur (vastelavondviering) is het narrenschip het vervoermiddel bij uitstek van allerlei "buitenmaatschappelijken'; dronkelappen, overspelige vrouwen, hoerenlopers en ander maatschappelijk wrakhout worden uitgenodigd aan boord te komen. Door omkering van de moraal en door middel van felle satire benadrukt men dat allen die niet aan de eisen van de geordende samenleving voldoen, zich moeten aanpassen of verdwijnen. (DBNL 2012 'nar')

De hofnar
Een der beroemdste narren was Triboulet, de nar van Frans I. Gewoonlijk droeg deze tabletten bij zich, op welke hij den naam der hovelingen schreef, die zich, volgens hem, door gekke daden onderscheidden. Eens vernam hij dat Karel V door Parijs komen zou en zich dus als het ware aan zijnen mededinger overleverde.
‘Die prins,’ zeide Triboulet, ‘is gek en verdient op mijne lijst te staan!’
‘Maar,’ vroeg de koning, ‘als ik hem laat doorgaan, wat zult gij dan zeggen?’
‘In dat geval, Sire, zal ik zijnen naam van mijne tabletten vegen, en er den uwe op schrijven.’
Uit ‘De Belgische Illustratie’ Jaargang 6. (1873-1874)

Wat er in de 18de-19de eeuw met de nar gebeurde, de verwarde mens die zorg nodig had, is een ander verhaal. Waan en/of waanzin was geen straf van God, maar ging namen krijgen die -hoopten wij- voor zorg, troost en/of heling zouden zorgen. De titel van het boek ‘De waan van de waanzin. De psychiatrie als voortzetting van de inquisitie” (Thomas S. Szasz) voorspelde alvast niet veel goeds, maar dat boek is intussen vijfenvijftig jaar oud. Toch? Dat enkele hofnarren intussen koningsgewaden hebben aangetrokken waarborgt ook niet dadelijk de vrijheid van het menselijk denken. Hoe de moderne nar in de twintigste en eenentwintigste eeuw theaters en schermen ging bevolken kun je alvast in diverse media zelf nog dagelijks in levende lijve meemaken.
Hierbij nog een zeldzame foto van Buster Keaton, acteur, regisseur. (1895-1966). The Great Stone Face. Virtuoos in de visuele komedie. En daaronder een suite van fragmenten waarin hijzelf duidelijk aanwezig is, en er ook zelf elke halsbrekende stunt uitvoerde. Een heuse nar uit de twintigste eeuw. De weemoedige verliezer die steeds weer opnieuw wil beginnen.
