‘De natuurlijke standen der Troniën’

Willem Goeree, Jan Luyken, Maet-redige tronie-stellingh, (Drawing heads according measuring), Four Natural positions of Heads.1682.
In Goeree’s General Art of Painting the importance of philosophers, mathematics, geometry, symmetry,Liberal Arts and Cesare Ripa’s Iconologia is mentioned, in the Art of Drawing, the use of ovals, of a grid, diagonals and a lead-line as an axis of symmetry while drawing after plaster statue, is recommended. This practice is in the 18 th century also used by artists, like Gerard De Laraisse and Abraham Bosse. (The hart of Rembrandt Symbolism and geometry in the Dutch 17th century. by Theo Elsing)

In 1670 publiceerde Willem Goeree (1635-1711) een kleine verhandeling getiteld: Inleyding tot de practijck der algemeene schilder-konst Acht jaar later publiceerde Samuel van Hoogstraten (1627-1678) zijn langere Inleyding tot de hooge schoole der schilderkonst . Hun interesses waren zeker niet beperkt tot de beeldende kunst. Na het publiceren van verschillende titels over kunst, richtte Goeree zijn aandacht op andere kennisgebieden, zoals theologie en wereldgeschiedenis. Van Hoogstraten schreef, naast zijn verhandeling over schilderkunst, als ondertitel: De zichtbaere werelt, een pendant getiteld: De onzichtbare werelt.
De exacte inhoud blijft onbekend, omdat het boek nooit gepubliceerd is, maar experts vermoeden dat het over filosofische zaken ging.

Uit: ‘Willem Goeree versus Samuel van Hoogstraten ‘ (Gijsbert M. van de Roemer)

Dit om duidelijk te maken dat de theorieën die beide heren kunstenaars verspreidden niet alleen over maten en gewichten handelden, kennis omtrent het in beeld brengen van de werkelijkheid, (de natuurlijke uitzichten van de tronies) maar de werkelijkheid zelf in haar filosofische en technische gedaantes als onderwerp kreeg.

"As a prolific author, publisher and bookseller operating between Middelburg and Amsterdam, Goeree represents a remarkable case study through which to investigate the processes of producing, printing and publishing knowledge in the Dutch Republic. As his early biographer David van Hoogstraten remarked, Goeree demonstrated “eene grote genegenheit voor allerhande kunsten en wetenschappen” – an affection for knowledge in the widest sense, as understood at a time when disciplinary boundaries were still in flux. Goeree’s diverse interests and vast erudition are reflected in his own books, in which he discusses topics ranging from the art of painting to the history of the Jews, from cosmological theories to the ideas of Descartes. Similarly, his library suggests a learned owner conversant with natural history and ancient civilisations, curious about the latest philosophical debates and recent developments in the field of medicine." (Workshop Willem Goeree and the production of knowledge in the early Modern Netherlands)
Syrian Sheep Or Ram, Jan Luyken, Willem Goeree is a drawing by Jan Luyken And Willem Goeree

Als productieve auteur, uitgever en boekverkoper die opereerde tussen Middelburg en Amsterdam, vormt Goeree een opmerkelijke casestudy aan de hand waarvan de processen van het produceren, drukken en uitgeven van kennis in de Nederlandse Republiek kunnen worden onderzocht. Zoals zijn vroege biograaf David van Hoogstraten opmerkte, gaf Goeree blijk van “eene grote genegenheit voor allerhande kunsten en wetenschappen” – een genegenheid voor kennis in de breedste zin van het woord, zoals begrepen in een tijd waarin disciplinaire grenzen nog in beweging waren. Goeree’s uiteenlopende interesses en enorme eruditie worden weerspiegeld in zijn eigen boeken, waarin hij onderwerpen bespreekt die variëren van schilderkunst tot de geschiedenis van de Joden, van kosmologische theorieën tot de ideeën van Descartes. Ook zijn bibliotheek suggereert een geleerde eigenaar die vertrouwd is met natuurlijke historie en oude beschavingen, nieuwsgierig naar de laatste filosofische debatten en recente ontwikkelingen op het gebied van geneeskunde.” (Werkplaats Willem Goeree en de productie van kennis in de vroegmoderne Nederlanden)

In het biografisch woordenboek der Nederlanden deel 7 wil ik je graag de samenvatting van zijn bio meegeven:

GOEREE (Willem), zoon van den voorgaande, werd te Middelburg den 11den December 1635 geboren. Hij toonde van zijne jeugd af aan eene groote neiging voor de beoefening van kunsten en wetenschappen, en vond, meer tot jaren gekomen, zijn grootste vermaak in den omgang met geleerde mannen. Tot zijn ongeluk verloor hij vroeg zijn vader, en geraakte daardoor onder de tucht van een onkundigen en strengen stiefvader, die hem, niet willende toestaan dat hij zich aan de studie toewijdde, noodzaakte eene andere werkkring te zoeken. Hij koos hierop den boekhandel, doch vergat daarbij echter de kunsten en wetenschappen niet

A.J. Van der Aa. 1862

In 2004 schrijft Inger Leemans in ‘Nederlandse Letterkunde Jaargang 9: “De weg naar de hel is geplaveid met boeken over de bijbel
Vrijgeest en veelschrijver Willem Goeree (1635-1711)”.

Of hoe je ook nog in deze eeuw op de brandstapel kunt belanden. Vandaar de aandacht van universiteiten om geschiedenis, wetenschap en letterkunde vanuit de tijd waarin ze ontstonden te onderzoeken zoals Weststeijn, T dat deed in 2013 met “The universal art of Samuel van Hoogstraten (1627-1678): painter, writer, and courtier. (University of Amsterdam) en te raadplegen:

Samuel van Hoogstraten
Self-Portrait
c. 1643 and 1650
170 x 135 mm
Pen and brush in brown with red and black chalk
Institut Néerlandais, Frits Lugt Collection, Paris

En bezoek ook:

Hanneke Grootenboer schrijft in ‘De Witte Raaf’, editie 217 van mei-juni 2022 een heel mooie tekst over een ook door mezelf gekoesterd schilderijtje van Rembrandt. ‘Inrtieme ruimtes. Denken in de zeventiende-eeuwse kunst.’ Een fragment.

Rembrandt. ‘De filosoof mediterend’ Klik op onderschrift om te vergroten

“Rembrandt is een schilder van denkers. In 1632 maakte hij een paneeltje van een filosoof die met de handen over de buik gevouwen in een kamer zit. Goud licht valt door het raam. Met het hoofd iets naar voren geleund neemt hij een typerend peinzende pose aan. Het grote folio dat opengeslagen op tafel ligt is wellicht de aanzet geweest tot de mijmeringen waaraan hij ten prooi is gevallen. Terwijl hij niets doet dan denken, als het vleesgeworden vita contemplativa, staat rechtsonder de tegenhanger: de vrouwelijke belichaming van het vita activa, het actieve leven, die met een pook het vuur onder een kookpot opstookt. De twee figuren, hun rol en de verschillende ruimtes rondom hen (de private ruimte van het huishouden en de intieme ruimte van het innerlijk) worden gescheiden door een opvallende s-vormige wenteltrap die beschouwers al kijkend kunnen betreden, tot ze blijven steken in de duistere bocht halverwege, en hun ogen de spiraal naar boven afronden via de onderkant van de trap. De binnen- en buitenzijde van de trap zijn als een DNA-streng helemaal verwikkeld geraakt. Moeten vita contemplativa en vita activa als twee gescheiden leefwijzen gezien worden, of vormen ze samen een wenteltrap, als twee in elkaar gedraaide vormen die elkaar volledig aanvullen?”

Dit kleine paneeltje van 28 bij 34 centimeter – de afmetingen van een iPad – zit vol met gedachten, die zich niet alleen in het hoofd van de oude man afspelen, maar ook de binnenruimte lijken te vullen. Als dit vertrek een metafoor is voor zijn denkruimte, dan speelt de opvallende wenteltrap een grote rol, als een denkfiguur waarmee de filosoof hoger of dieper in zichzelf kan spiralen. Wenteltrappen werden vaker afgebeeld in combinatie met filosofen, zoals in een tafereel van Salomon Koninck – ongeveer een decennium later gemaakt, en met bijna dezelfde afmetingen – dat lang als een pendant is gezien van Rembrandts paneel.

Hanneke Grootenboer “Intieme Ruimtes. Denken in de zeventiende-eeuwse kunst” (fragment) De witte raaf. editie 217. mei-juni 2022

Een versie van deze tekst is uitgesproken op 13 mei als oratie van de auteur als hoogleraar kunstgeschiedenis aan de Radboud Universiteit Nijmegen.

Lees:

Rembrandt. De filosoof mediterend. Klik op afbeelding om te vergroten

Er is dus meer dan ‘de natuurlijke stand der troniën’. Er is nieuwsgierigheid. Aanvoelen. Kiezen. Nieuwsgierig zijn en blijven. Soms vragen stellen, twijfel uitdrukken, vooral: waar-nemen. Je toont niet alleen het denken, je zet aan tot denken. Nog even Hanneke aan het woord:

“Rembrandts paneeltje kan bekeken worden met de definities van Van Hoogstraten of Goeree in het achterhoofd, maar het roept, als verbeelding van het denken, ook de fundamentele vraag op die door Hannah Arendt zo helder is geformuleerd in haar meesterwerk The Life of the Mind uit 1971. Ze vraagt zich af wat we precies doen als we denken. Wat is het dat ons aanzet tot denken, en waar en wanneer grijpt het denken plaats? Arendt laat zien dat we ons moeten afsluiten van de wereld om ons heen vooraleer een denkproces te kunnen starten. We moeten ons terugtrekken uit de publieke sfeer en de private sfeer betreden – of juister nog: een domein binnen die private sfeer, een intieme ruimte waarin een denker slechts van gedachten vergezeld wordt, en zo met zichzelf in gesprek kan gaan. Denken valt altijd buiten de gewone bezigheden en staat daarmee in contrast, schrijft Arendt:
‘Het onderbreekt telkens weer de gewone levensprocessen, juist zoals het gewone leven telkens weer het denken onderbreekt.’
Een denker heeft altijd een object nodig: hij of zij denkt niet ‘iets’, maar denkt na over iets. Zo’n object noemt Arendt een thought-object, een ‘denkding’. Kunstwerken zijn voor Arendt denkdingen bij uitstek, en betrokkenheid bij kunstwerken leidt niet zozeer tot kennis (of tot waarheid), maar gaat juist voorbij aan de grenzen van kennis en leidt tot betekenisgeving. “(ibidem)

In het zeventiende eeuwse Parijs werd Aristoteles’ filosofie op onderstaande manier verbeeld. Het zal dus eerder bij tuinieren dan bij diep zuchten te zoeken zijn.

Meurisse and Gaultier’s Artificiosa totius logices descriptio, 1614 — Source.

Lees en bekijk:

https://publicdomainreview.org/essay/the-art-of-philosophy-visualising-aristotle-in-early-17th-century-paris/

Nog steeds niet voorbij: Tom Duncan, sculptor (1939)

Tom Duncan (b. 1939)
1939-A War Toy for a German Child-1945, 1989
mixed media
15 x 27 x 13

Tom Duncan werd in 1939 in Shotts, Schotland geboren. Zijn jeugd kreeg vorm door het geschreeuw van sirenes, vluchten naar schuilkelders en de ervaring waar zijn moeder door nazi-piloten gedood kon worden. Als toevluchtsoord begon Duncan met het maken van kunst toen hij 4 jaar oud was. In 1947 verhuisde zijn familie naar de Verenigde Staten. Op 20-jarige leeftijd ging hij naar de kunstacademie, maar werd hij ontmoedigd door medestudenten die dachten dat abstract impressionisme “de enige echte kunstvorm” was. Tom werkte als modelbouwer voor de NYC Port Authority, inclusief het maken van de architecturale modellen voor de geplande World Trade Center Towers. Getuige van de instorting van deze torens vanop het dak van zijn studio, 11 september 2001, versterkte deze gebeurtenis voor hem nog meer de onvoorspelbaarheid van het leven. In een interview zegt hij: “I’m not sure if I would say I’m an inventor. But I love to make things and find out how things work. I guess I’d prefer to say I’m a sculptor.”

Tom Duncan (b. 1939)
Portrait of Tom with a Migraine Headache (No. 3), 2020
Found objects, acrylic, graphite, collage and tin cutouts
42.5 x 25.75 x 2 inches
Portrait of Tom with a Migraine (2020), is a double relief, consisting of found objects, collage, and tin cutouts. The work consists of two reliefs– green on the verso and red on the recto. The two busts are placed within a frame with curving embellishments. Considerable open space occurs. Both figures’ bodies incorporate found objects that make their torsos more intricate, even if we don’t really know what these objects symbolize. Their heads, too, are filled with unknowable things–an obvious reference to the migraine Duncan is referring to. The manufacture of the sculpture is fairly rough, yet the overall effect is cultivated in some idiosyncratic, nearly 19th-century manner. Duncan communicates the migraine in subtle ways despite the work’s aura of directness.  (Whitehot Magazine. Jonathan Goodman. 2023)
Tom Duncan (b. 1939), Portrait of Tom with a Migraine Headache, 2013, Mixed media, 128.5 x 61.5 inches
 

Een ander werk, met dezelfde titel als het eerste reliëf dat in de recensie wordt genoemd, “Portrait of Tom with a Migraine“, is gemaakt in 2013. Het toont een robotachtige vorm in het wit, bestaande uit verschillende doosvormige objecten die op elkaar gestapeld zijn. Er is een hoofd bovenaan de kolom, maar het lijkt meer op een dier dan op een persoon. Het hoofd, dat herkenbare gelaatstrekken heeft, geeft enige menselijke zwaarte aan het object, maar het suggereert ook een brute achtergrond: we weten niet of het werk een zelfportret is, of een afschuwelijk wezen met pijn. Een aantal pijplengtes lopen van het middenrif van het beeld naar de sokkel. Deze laatste, onregelmatig gevormd maar met rechte randen, ondersteunt het werk van bijna 130 centimeter hoog. Terwijl de titel duidelijk maakt dat het werk verwijst naar de kunstenaar zelf, is er ook het gevoel dat deze werken emblematisch zijn voor de menselijke conditie in het algemeen. Het ogenschijnlijke gebrek aan academische verfijning in veel van Duncans sculpturen kan de toevallige kunstkijker voor de gek houden door te veronderstellen dat hij directe communicatie wil tussen hem en zijn publiek. Dat is niet echt het geval. In plaats daarvan zou je kunnen veronderstellen dat zijn rauwe benadering van het werk een manier is om contact te maken met een groter publiek dan degenen die zich doorgaans bezighouden met beeldende kunst. (ibidem)

Tom Duncan (b. 1939)
The Blue Madonna and her Friends, 1981
Wood, collage, paris craft, acrylic, lights, found objects
79 x 42 x 12 inches

Duncan cites Flannery O’Connor as an abiding influence. His images evoke the uncanny and can be unsettling, involving viewers in a narrative much like good fiction. Set as they are within seductively theatrical cabinets (that some pieces resemble altars seems no accident), the dramatic scenes possess at once the depth of storytelling as well as the epiphanic flash of poetry. In his recurring depictions of wartime violence as seen through the eyes of a child, history is particularized, personalized, and charged with mystery. The past, as another Southern author, William Faulkner, once said, isn’t dead, it isn’t even past. (Andrew Edlin Gallery. NY)

Bezoek:

https://www.edlingallery.com/artists/tom-duncan

Tom Duncan (b. 1939)
1939-A War Toy for a German Child-1945, 1989
mixed media
15 x 27 x 13

“Een van de eerste herinneringen waar ik bijvoorbeeld een stuk over maakte, was de eerste zomer dat ik in Amerika was toen ik op kamp ging. Ik was nog nooit bij mijn moeder weg geweest. Ik ging twee weken op slaapkamp. Ik kreeg ruzie met kinderen. Er was een stationwagen die ons over een grindpad naar het zwembad bracht. Ze stapten in de stationwagon en ik hing aan de achterkant van de auto en ze sloegen me en sloegen me eraf. Ik hield me vast. Ik ben erg vasthoudend. Plotseling reed de auto weg en de kinderen sloegen me nog steeds op mijn handen om me eraf te krijgen. Uiteindelijk realiseerde ik me dat ik los moest laten. Ik liet los en rende zo snel als ik kon. Ik probeerde mezelf overeind te houden, maar dat lukte niet en ik maakte een buiksprong op het grindpad. Ik sneed mijn hele borst open. Ik kwam terug bij de kleedkamer en een non kwam naar me toe en zei: Ga naar het kampziekenhuis. De non smeerde me in met mercurochrome en ik had een knalrode borst die er de hele tijd dat ik op kamp was niet afwaste. Alle kinderen kwamen naar me toe en vroegen: “Kun je je borst aan mijn vriend laten zien? En dan tilde ik mijn shirt op. Het voelde alsof ik een stigmata had, maar ze behandelden me met ongelooflijk respect. ( Westbeth home tot the arts Terry Stoller)

The Mercurochrome Kid Finally Comes Home. 1988. Mixed media, 16 x 25 x 2½ inches.

Lees:

Kijk naar zijn werk ‘dedicated to Coney Island’ waar hij vijftien jaar aan werkte. (werking zie YouTube)

Tom Duncan (b. 1939)
Dedicated to Coney Island, 1984-2002
Mixed media
96 x 90 x 84 inches

In werking? Kijk naar:

Coney Island, vijftien jaar werkplezier


Dedicated to Coney Island, a giant three-dimensional scene and vivid recreation of the amusement park. This recreation of the New York City landmark is based on Tom Duncan's memories of growing up near Coney Island. The myriad details of the work show, among other things, the beach crowded with bathers, various amusement rides, a balloon, trains... By pushing buttons, the viewer can activate different moving parts of the work such as the Wonder Wheel and the trains. In this video, Andrew Edlin introduces us to the fantastical world of Tom Duncan, who was strongly influenced by his childhood in World War II Scotland and postwar New York. (Vernissage TV)

Tommy and the Scottish Sky. 2007. Mixed media, 47½ inches in diameter, 1½ inches deep.

“I apparently was strafed while I was out in the brandy by a German plane when I was 2 years old. The brandy was a cow pasture that doubled as a playground. My mother heard the siren and came running to get me. I don’t remember the event of the strafing. I know unconsciously I must have seen the bombers. Whether I saw them in Edinburgh or in Shotts, it doesn’t matter. For me it’s an iconic image that reappears in my work.” (Westbeth Home to Arts)

Tom Duncan (b. 1939)
Homage to William Blake, 1982
Mixed media
11 x 14 x 1.5 inches

De kunst van Tom Duncan wordt gekenmerkt door een kinderlijke kijk op zowel trauma als plezier in al zijn vormen. Zijn kunstwerken staan ook vol eerbetoon aan de vele fascinerende en krachtige vrouwen die hij in zijn leven heeft gekend. Duncan maakte een werk als eerbetoon aan zijn tante Meg die Tom voor het eerst boetseerklei gaf. Gekleed in haar uniform van het Woman’s Air Corps herinnert Tom zich hoe tante Meg hem stiekem chocolaatjes van de zwarte markt gaf en hem leerde om miniatuurkelkjes van de wikkels te maken. Nonnen waren ook een vast onderdeel van Duncan’s jeugd en adolescentie. Tom Duncan’s 500 nonnen doneren hun hersenen aan de wetenschap in de iconische Duncan-stijl, het waar gebeurde verhaal van de zusters van de Notre Dame, in de leeftijd van 75-106 jaar, die er moedig voor kozen om deel te nemen aan een historische studie die meerdere decennia duurde. Het onderzoek onder leiding van Dr. David Snowden van de Universiteit van Kentucky in Lexington, naar veroudering, beroerte en de ziekte van Alzheimer. “Ik beschouw mezelf als ex-katholiek nadat Vaticanum II niet ver genoeg ging in het doorvoeren van hervormingen, maar ik heb mijn liefde voor de verhalen uit het Oude en Nieuwe Testament en al mijn spiritualiteit behouden.” (American Visionary Art Museum)

Tom Duncan (b. 1939)
Dream Nun, 2000
Mixed media
13 x 10 x 2.5 inches

Hij zal nu 86 worden. Maar zijn werk blijft het mooie van de kinderlijke inspiratie hebben, aangevuld met de angsten en waarderingen met wat ons allen op allerlei leeftijden overkomt. Zijn werkwijze steunt op ervaringen, op een sterke open kijk waarin eerder een ‘art brut’ het haalt op een modieuze afstandelijkheid. De intensiteit van herinneringen en verwachtingen behoudt juist daardoor haar herkenning die ook vaak de onze mag worden.

My Guardian Angel and My Devil Fighting Over My Soul From My Conception to My Death, 2014
Mixed media
28 x 11 x 11 inches

Bezoek ook:

Hazen en klokken, een paasbrief (met geluid en gelui)

Grote Haas met mandje. 38cm. Atelier Rosa

Het is duidelijk. Anno 2025 hebben de hazen het gehaald. Niet alleen een zinnetje om de aangeblazen H te leren uitspreken, maar tevens een zachte zegekreet uit het land van de zalig zoete Paasverbeelding. Nog maar een leven-lang geleden waren ‘de klokken’ aan de macht. In één geldige uitdrukking te benoemen: de-klokken-van-Rome. De reeds vernoemde haas hoorde toen nog bij het heidense of -minder erg- bij de protestantse drang om de opstanding van Jezus en de natuur te vieren terwijl de Roomsen al op paaszaterdag-morgen de luchten afspeurden om het gevleugelde brons te ontdekken. Vind je nog een chocoladen klok dan lees je tot je verbazing: ‘Kerstklok-uitverkocht-‘. Of: ‘Easter Bells Milk’. ‘This Product is too fragile to ship.’ Maar toch nog dichtbij (2024) deze mooie rij gedecoreerde PAASklokken. Klokken-van-Rome!

2O24. SKWinkel in Sint)Katelijne Waver. ‘Paasklokken Rij’

Ja, in Parijs, Cheval Blanc Paris kun je “La Cloche de Pâques” van Maxime Frédéric, geïnspireerd op de kathedraal Notre-Dame en de Art Nouveau-motieven van het gebouw’ aanschaffen. Ze belt zelfs. Maar is deze afbeelding niet een smartelijk beeld van een ‘ingekapselde’ klok? De-klokken-van-Rome zijn gevleugelde klokken! Ze vertrekken samen met een horde duiven op het Sint-Pietersplein.

Maxime Frédéric. Cheval Blanc. Paris. 2025

"De bel, volledig gemaakt van pure chocolade versierd met arabesken, kan worden geproefd als een verdeler met gedroogd en gekonfijt fruit: sinaasappels, amandelen, hazelnoten en pistachenoten vormen deze elegante, gastronomische finale. Het is een speels, poëtisch eerbetoon aan het Parijse erfgoed, dat herinneringen oproept aan de kindertijd."

De paasklok-van-Rome uit mijn kindertijd kon je ophangen met een lintje. In de klok zat er wel eens parelsnoep (zoals in elk ouderwets paasei) zodat je met enige verbeelding (in ruime mate aanwezig) nog de grote Romeinse moederklok hoorde als je ermee rammelde. Puur hemels handwerk was het!

Uit: Pallieter, Felix Timmermans:

Een eenden-driehoek keerde hoog in de lucht terug uit de warme landen! En ineens sprongen overal, in stad, dorp en begijnenhof, de paaschklokken los en galmden en jubelden over de wereld de Verrijzenis van God en van het leven! Christus is opgestaan!
De klokken kwamen van Rome terug, en ze zwierden een regen van eieren over de wereld. Het land rook van een nieuwe ziel, de jonge Lente stond gereed in de boomen! Alles had knop en bot, het Leven jubelde over den Dood. ’t Was de Verrijzenis, de levengevende Verrijzenis!
En toen, smeltend van ontroering, kuste Pallieter den grond.

Foto door Ehaan Deva op Pexels.com

Het geheim van de lengende dagen. Hoe je als kind het verschuiven van de donkerte ervaarde naar het lichtende van de nieuwe dag. Beetje bij beetje wakker worden met meer morgenlicht. Maar ook naar bed moeten als het nog niet donker zal zijn. Je ervaart de lente omdat je zelf in de lentejaren van je leven woont. Je begint de ritmes van de natuur te herkennen. Pasen is verrijzen uit de kleine kindertijd. Eerst als schoolkind, daarna als jongen die de melodie al herkent en probeert mee te deinen of zich te verzetten tegen de voorbij glijdende kindertijd, of halsreikend uitkijkt naar morgen. Kijken en ook luisteren naar wat je omringt. Luister mee. Bij een beekje, vroeg in de morgen. Toen er nog stilte was.

natuurgeluiden met beekje op achtergrond, begin van de lente (lang geleden)

Foto door Johanna op Pexels.com
‘K EN HORE U NOG NIET

‘k En hore u nog niet,
o nachtegale, en
de paaszunne zit
in ‘t oosten;
waar blijft gij zo lange,
of hebt gij misschien
vergeten van ons
te troosten?

‘t En zomert, ‘t is waar,
‘t en lovert, ‘t en lijdt
geen bladtje nog uit
de hagen;
‘t zit ijs in de wind,
‘t zit sneeuw in de lucht,
‘t is stormen, dat ‘t doet,
en vlagen.

Toch spreeuwt het en vinkt
het luide, overal;
de merelaan lacht
en tatelt;
het must en het meest,
het koekoet, in ‘t hout;
het zwaluwt en ‘t zwiert
en ‘t swatelt.

Waar blijft hij zo lang,
de nachtegale; en
vergeet hij van ons
te troosten?
‘t En zomert nog niet,
maar zomeren zal ‘t:
de Paaschzunne zit
in ‘t oosten.

Guido Gezelle
Foto door Ayyeee Ayyeee op Pexels.com

En hier zijn zij: twee nachtegalen..

Twee nachegalen, een wonderbaar mooie BBC-opname

En jawel, ‘klokken luiden’ in de letterlijke betekenis; de uitvoering van het woord is niet zo eenvoudig als het zou blijken. “Campanalogia or ‘The art of ringing” is een omvangrijk boek dat in Londen verschijnt anno 1677, Improved.
 With plain and easie Rules to guide the Practitioner in the Ringing all kinds of Changes.
to
 Which is added, great variety of
 NEW PEALS.

Je kunt zelfs met enkele klokken een meer dan behoorlijk aantal variaties bereiken zoals blijkt uit de wiskundige berekeningen uit dit boek. Te raadplegen: .

https://www.gutenberg.org/cache/epub/73423/pg73423-images.html

Zo kun je, volgens de auteurs van ‘Campanalogia’ met zes klokken en evenveel luiders makkelijk 124.635 variaties hoorbaar maken! Met ‘The Nightingall’ instelling zijn er 523.641 variaties mogelijk. In ons voorbeeld hierboven: de klokken van de Kapucijnerkerk H. Drievuldigheid in Meersel-Dreef, wordt een aantal variaties hoorbaar. Lees de boeiende geschiedenis van deze klokken onder de YouTube. Met dank aan Leander Schoormans.

In Utrecht is er een heuse klokkenluidersgilde. Bezoek hun boeiende en klankrijke website. Vakwerk!

https://www.klokkenluiders.nl/

En Jesse aan het werk!

Geheim

De lach is heilig en een onverdund geheim,
zij is de vreemde vreugde van de binnenkant,
de kinderlijke moed die ondanks alles danst,
de sterren die in al dat donker helder zijn.

Men zegt dat hij niet lachte, hij die eenzaam stierf
de man die ons gered heeft ooit, op Golgotha,
dat hij voor arm Jeruzalem in zijn verdriet
bepaald niet bang was om een traan te laten.

Verdriet schiet op als gras: zijn pijn was niet gespeeld,
hij was oprecht door de ellende aangedaan –
de dood schuift overal zo duidelijk in beeld,
een man mag net zo vaak zijn tranen laten gaan.

Maar vreugde, die is heilig. Soms ging hij alleen
de berg op om te bidden: misschien klonk daar ’s nachts
alleen onder de strenge sterrenbeelden
daar op die hoge top zijn hartelijke lach.

• G.K. Chesterton, ‘Secrecy’, in de bundel Wayfarer’s Love – Contributions from Living Poets (1904); vertaling Menno van der Beek, juni 2024
Foto door Pixabay op Pexels.com

De dromer gedroomd (George Dance The Younger)


Het zuchtje licht kust je,
verbindt je
uiteindelijk,
dat alles inclusieve woord
waarin wij allen zullen slapen.
Het puntje bij het paaltje.

Het dromen
hoort bij leven
te gebeuren.
‘Man in Hammock’. Albert Gleizes. 1913

Je zou het niet van een Engelse stadsarchitect verwachten, zelfs niet met de nogal bewegelijke naam ‘George Dance the Younger’, net tweehonderd jaar geleden overleden (1741-1825) schepper van innovatieve plannen voor gebouwen die op dit ogenblik in meerderheid zijn geslecht, tekende hij, samen met zijn vriend architect William Daniel, ook voortreffelijk -hoofdzakelijk voor de vriendenkring- grappige scenes uit het alledaagse leven naast fraaie portretjes van huisgenoten en bekenden. Maar, naar goede Britse traditie, ook dit:

George Danse A ghost appearing to a group of figures
Repose & Exertion
George Dance RA

Hoewel de schetsen over het algemeen zwelgen in het absurde, zijn sommige duidelijk beïnvloed door hedendaagse gedachten en historische gebeurtenissen. Dance gaf het album zelfs de titel “The Sublime and the Beautiful”, een luchtige verwijzing naar Edmund Burke's zeer invloedrijke On the Sublime and the Beautiful uit 1756. Een reeks karikaturen van hoogwaardigheidsbekleders satireert ineffectieve buitenlandse overheden en ten minste één kan specifiek in verband worden gebracht met de gebeurtenissen tijdens de Peninsulaire Oorlog, waaraan Dans zoon William deelnam. Een aantal tekeningen is ook verbonden met toneelstukken en opera's die in die periode werden opgevoerd. Dit is misschien niet verwonderlijk gezien de sterke theaterconnecties van de familie Dance. James, de oudste van de gebroeders Dance (gestorven in 1774), was een ietwat guitige acteur en schrijver die een theater runde in Richmond en optrad in Drury Lane en zijn zoon William (gestorven in 1840) was muzikant in het King's Theatre Orchestra.
George Dance. ‘Both Cosey’

Je kunt ze zelf bekijken:

https://www.royalacademy.org.uk/art-artists/search/works-of-art?procedure_id=G383

A skeleton and two figures in a Gothic building
George Dance RA (1741 – 1825)

Deze belangstelling voor spoken en griezels zal een blijvend thema zijn in de Angelsaksische literatuur, kijk maar even bij onze serie ‘The turn of the screw” naar het bekende en vaak gedramatiseerde verhaal van Henry James.

Dance’s profile portraits were well known to his contemporaries but his caricatures seem to have been reserved for his own private entertainment and that of his family and friends. Nevertheless, while staying with Sir George Beaumont at Coleorton, Dance frequently entertained his host and patron by ‘drawing humorous figures’. The album was possibly assembled for Dance’s own family, and the inscription on the first page reminding “Nobody (so well known to Everybody)” to “put their fingers, toes, or elbows &c. upon the Gigs in pensil only” certainly suggests that he anticipated its use by persons perhaps less respectful than Sir George Beaumont. (RA)

George Dance The Younger ‘The Peep Show’. Vergroot door klik op onderschrift

Dance was a sociable man. He played musical instruments and drew for the amusement of others. This included satirical drawings and portraits. Some were published, and over 200 of his portraits survive in various collections, including four at the Soane Museum. Dance’s portraiture style was meticulous, usually depicting the subject seated, at half-length, and produced in short strokes with hatching, usually in pencil and sometimes with colour in wash or chalk. Dance described his portraits as ‘relaxation from the severer studies and more laborious employment of professional life’. Between being widowed in 1791 and left to care for three young sons, and his busy professional activities, Dance’s life may have been onerous, and drawing portraits offered relaxation and sociability. This informal likeness of George Soane (1789-1860), the younger son of John and Eliza Soane, was probably produced at a social gathering: as Soane’s architectural master, Dance became a close family friend. (Sir John Soane's Museum London)

Dance was een gezellige man. Hij bespeelde muziekinstrumenten en tekende voor het vermaak van anderen. Hieronder vielen ook satirische tekeningen en portretten. Sommige werden gepubliceerd en er zijn meer dan 200 van zijn portretten bewaard gebleven in verschillende collecties, waaronder vier in het Soane Museum. Dance’s portretstijl was nauwgezet, meestal zittend, op halve lengte, en uitgevoerd in korte streken met arceringen, meestal in potlood en soms met kleur in was of krijt. Dance beschreef zijn portretten als “ontspanning van de strengere studies en het meer arbeidsintensieve werk van het professionele leven”. Omdat Dance in 1791 weduwnaar werd en de zorg voor drie jonge zonen op zich moest nemen, en zijn drukke professionele activiteiten, kan zijn leven zwaar zijn geweest en het tekenen van portretten bood ontspanning en gezelligheid. Deze informele beeltenis hierboven van George Soane (1789-1860), de jongere zoon van John en Eliza Soane, werd waarschijnlijk gemaakt tijdens een sociale bijeenkomst: als architecturale meester van Soane werd Dance een goede vriend van de familie

George Dance the Younger ‘A Man doing the Splits’

En nu?…NOG STEEDS bang in het donker?





Binnen lig ik in mijn bed
met gedachten aan daarbuiten
waar kabouters vrolijk fluiten,
want die hebben altijd pret.

Binnen in mijn warme hol
hoor ik mijn gedachten lopen,
die tevoorschijn zijn gekropen
en ik voel me boordevol.

Vol verwarring en plezier
om de koude nacht daarbuiten,
klamme handjes op de ruiten
van het een of andere dier.

Vast een soort van chimpansee.
Zal ik hem eens binnenlaten?
Nee, in godsnaam laat maar praten,
ik zit genoeg in de puree.

Lekker is het hier in bed.
'k Heb mijn allermooiste dromen
nu vanavond laten komen
en de wekker afgezet.

Maar des nachts om twaalf uur
komt een kerel van de zolder
met een grote zak vol kolder
en een fles vol apezuur.

Daarvan ben ik toch wel bang,
maar gelukkig gaan mijn kleren
dan elkaar weer mores leren
en ze rennen door de gang.

De zanger en de verteller, beiden in 1944 geboren. Kind in de wederopbouw, vaak in denkpatronen terug naar de jaren dertig eens de overlevenden in de vijftiger jaren weer thuis waren. De oorlog onder de mat geschoven tot de Frankfürter processen (1963-65) een fel ontwaken veroorzaakten.

De grote beeldbak, televisie begon aarzelend de avonden te vullen. Ruimte om te vertellen bij het invallend duister bleef voorradig. Zelfs de ‘acht-uren-moeder’ (Kempische uitspraak “Muiër”) bleek nog wel eens op pad te zijn om kinderen die rond die tijd nog buiten speelden schrik aan te jagen, en naar verteld werd, ja zelfs mee te nemen. Op zijn vraag ‘waar naar toe?’ kreeg hij een onduidelijk antwoord. Het donker echter, vooral de diepe nachtelijke duisternis, bleef op hem wegen. Maar, zei men, er kwam een nieuwe tijd, een tijd waarin de wetenschap die oude angsten zou oplossen. En het zou nooit meer donker worden.

Robert Dickerson (1924-2015). Man sleeping on the steps. (1952)

Lees ook:

Lees: George Dance the Younger Sets Guildhall Alight

Now anonymous artist, A View of the Illuminations and Rejoicing in the City on the Evening of the Jubilee Day Oct 25, 1809, 1809. Engraving, 40 x 67 cm. © London Metropolitan Archives (City of London).

-klik op gravure om te vergroten – daarna terug op titel buiten het blog –

Egon Schiele: DE LAATSTE JAREN

Egon Schiele, Transfiguration (The Blind II), 1915 © Leopold Museum, Vienna | Photo: Leopold Museum, Vienna

Transfiguratie (De blinde II) werd geschilderd in de eerste helft van 1915 en is een van de meest raadselachtige werken uit deze tijd. Twee figuren lijken te zweven boven een fragmentarisch, gestileerd landschap, waarbij de onderste figuur steviger geworteld is in de grond. In dit dubbelportret is de kunstenaar, die zichzelf vroeger vaak afbeeldde als een “ziener”, nu ook blind. Een mogelijke interpretatie is dat Schiele afscheid neemt van zijn vroegere zelf en zijn jeugdige narcisme, dat “blind was voor anderen”, terwijl de meer volwassen Schiele, die geaard blijft, “blind is voor zichzelf” – voorlopig. (Jane Kallir. Leopoldmuseum. Wenen)

Halverwege een carrière die in 1909 begon en nauwelijks tien jaar duurde, nam het leven van de in Tulln geboren kunstenaar Egon Schiele (1890-1918) een dramatische wending. De troonopvolger van het Oostenrijks-Hongaarse Rijk werd op 28 juni 1914 vermoord en in augustus was het grootste deel van Europa in oorlog. In november 1914 trouwde de favoriete zus van de kunstenaar, Gertrude “Gerti” (1894-1981), na een tumultueuze buitenechtelijke relatie met zijn vriend en oud-klasgenoot Anton Peschka (1885-1940). In dezelfde periode nam Schiele geleidelijk afstand van zijn oude metgezellin, Walburga “Wally” Neuzil (1884-1917). Vlak voordat hij in militaire dienst ging, eerst in Praag en daarna in Neuhaus in Bohemen, trouwde hij op 17 juni 1915 met het ingetogen buurmeisje Edith Harms (1893-1918). 
3 portretten van Edith

De familie Harms, bestaande uit Edith, haar oudere zus Adele en hun ouders Johann en Josefine, verhuisde begin 1913 naar het pand tegenover het atelier van de kunstenaar aan de Hietzinger Hauptstrasse. De zussen groeiden op in een beschermde omgeving; ze leerden allebei naaien en koken en spraken vloeiend Engels en Frans. Schiele maakte schijnbaar voor het eerst contact met de twee vrouwen in januari 1914, een relatie die in december van dat jaar intensiever werd. Begin 1915 bekenden Egon en Edith hun liefde voor elkaar.

Egon Schiele Woman removing her Blouse (presumably. Edith schiele). 1917

Slechts drie dagen na hun huwelijk en een korte huwelijksreis in Praag moest Schiele Edith op 21 juni achterlaten in een hotel in Praag en zich melden bij zijn regiment. De 21-jarige vrouw was nog nooit alleen geweest en vond het extreem moeilijk om de langdurige afwezigheid van haar man te verdragen. In haar dagboek – dat ze oorspronkelijk als schetsboek van Egon had gekregen en sinds hun huwelijk bijhield – schreef ze onder andere over ondraaglijke eenzaamheid.
Ediths wisselende stemmingen, die vooral te wijten waren aan haar langdurige eenzaamheid, brachten Egon ertoe om te worstelen met menselijke intimiteit op een manier die voor hem volkomen onbekend was. In zijn portrettekeningen werd hij zeer ontvankelijk voor elk van haar vluchtige stemmingen, die hij met grote gevoeligheid vastlegde.

Egon Schiele. Edit Schiele in an striped Dress, Seated. 1915. Photo Leopold Museum Vienna

In juni 1916 – een jaar waarin Schiele vanwege de oorlog slechts negen schilderijen voltooide – schilderde hij een oude molen aan de rivier de Erlauf bij Mühling in Neder-Oostenrijk, waar hij gestationeerd was. Het werk is ongewoon gedetailleerd en heeft een bijna documentaire-achtige objectiviteit. Kort daarna noemde de kunstenaar dit schilderij “waarschijnlijk mijn beste landschap”. Het onderwerp kan ook worden gelezen als emblematisch voor die tijd: als afspiegeling van de turbulente omstandigheden lijkt het krachtige, kolkende water op het punt te staan de vervallen molen omver te werpen. De symbolische weergave van vergankelijkheid, van leven en dood, maar ook van eeuwigdurende vernieuwing, komt in het hele oeuvre van Schiele terug.

Egon Schiele, Decaying Mill (Mountain Mill), 1916 © State Collections of Lower Austria | Photo: State Collections of Lower Austria

Als je Schiele’s enige bekende zelfportret als soldaat (midden) vergelijkt met een zelfportret uit 1912 (links), wordt het sterke contrast in stijl en expressie meteen duidelijk. Het portret uit 1916, geschilderd met een soms losse maar assertieve potloodstreek, toont de kunstenaar op een ongewoon realistische manier – zijn blik is sceptisch en plechtig, zijn voorhoofd licht gegroefd en zijn vermoeide ogen donker gearceerd. Er is geen spoor van de theatrale posering of expressionistische vervormingen die kenmerkend zijn voor zijn eerdere werken. Het rechtse portret van een Russische krijgsgevangene toont vooral de menselijke kant van het gebeuren, de hulpeloosheid.

Egon Schiele, Self-Portrait in Uniform, 1916 © Private collection, Courtesy Richard Nagy Ltd., London | photo: Private collection, Courtesy Richard Nagy Ltd., London

De vrouwelijke figuur

Toen Schiele in februari 1917 terugkeerde naar zijn Weense atelier en weer toegang had tot modellen, vertoonden zijn werken in dit genre een duidelijke stilistische verschuiving ten opzichte van eerdere werken.

De figuren werden merkbaar meer sculpturaal, met een nadruk op vrouwelijke rondingen. “Nu zijn het lichamen, gezwollen van leven,” merkte de schilder Anton Faistauer op, verwijzend naar de late werken van zijn vriend. Bovendien demonstreerde Schiele zijn steeds verfijndere vaardigheid door middel van weloverwogen poses en geraffineerd gebruik van perspectief. Bepaalde houdingen – hurkend, liggend, staand of buigend – werden herhaaldelijk onderzocht, verfijnd en geperfectioneerd.

Zijn omgang met kleur in werken vanaf 1914/15 onderstreept Schiele’s interesse in plasticiteit. De weergave van de huid werd steeds genuanceerder en vertoonde vaak meer detail en differentiatie.

Egon Schiele, Reclining Female Nude, 1917 © Moravská galerie v Brně/Moravian Gallery in Brno | Photo: Moravian Gallery in Brno

In de laatste twee jaar van zijn leven begon Schiele te werken aan een cyclus van allegorische naaktportretten, die hij wilde presenteren in een speciaal daarvoor gebouwd mausoleum. Deze cyclus, ontworpen om de grote thema’s van het aardse bestaan, de dood en wederopstanding te behandelen, was zowel een samenvatting van de levenslange spirituele verkenningen van de kunstenaar als een poging om de immense menselijke verliezen van de Eerste Wereldoorlog te verwerken.

Kaurendes Menschenpaar. ‘Die Familie’ (1918)

Het gezin dat nooit de werkelijkheid zou halen. Edith sterft in oktober 1918, zes maanden zwanger. Egon drie dagen later. De Spaanse griep. Schieles moeder, Marie, zou hen zeventien jaar overleven.

De Dood en het meisje (1915), Belvedere, Wenen

Deze bijdrage werd samengesteld met o.a. teksten rond de net geopende tentoonstelling: Egon Schiele Last Years. Leopold Museum 28/3-13/07/25 Wenen.

bezoek:

https://www.leopoldmuseum.org/de/ausstellungen/digitale-ausstellungen/egonschiele/en

„Eine Epoche zeigt der Künstler ein Stück seines Lebens. Und immer durch ein großes Erlebnis im Sein der Künstlerindividualität beginnt eine neue Epoche die kurz oder länger dauert […].“

Egon Schiele, Manifest der Neukunstgruppe, 1909

Edith 1917-Edith met Egon en haar neefje Paul Erdmann rond 1915