The will to change begins in the body not in the mind! Adrienne Rich (1929-2012)



Aunt  Jennifer’s  Tigers  by  Adrienne  Rich 

Aunt  Jennifer’s  tigers  prance  across  a  screen , 
Bright  topaz  denizens  of  a  world  of  green . 
They  do  not  fear  the  men  beneath  the  tree ; 
They  pace  in  sleek  chivalric  certainty . 

Aunt  Jennifer’s  fingers  fluttering  through  her  wool 
Find  even  the  ivory  needle  hard  to  pull . 
The  massive  weight  of  Uncle’s  wedding  band 
Sits  heavily  upon  Aunt  Jennifer’s  hand . 

When  Aunt  is  dead ,  her  terrified  hands  will  lie 
Still  ringed  with  ordeals  she  was  mastered  by . 
The  tigers  in  the  panel  that  she  made 
Will  go  on  prancing ,  proud  and  unafraid . 

Het is een gedicht over een kunstenaar-een vrouw- die een afbeelding van ’tijgers in de jungle’ borduurt. In het verloop van het gedicht verschuift de aandacht tussen de tijgers en glimpen van leven en dood van hun schepper (NY Times). Het gedicht is moeilijk naar het Nederlands te vertalen wil je rekening houden met rijmen en typisch Engelse uitdrukkingen. Letterlijk gaat het deze richting uit, een werktekst dus:

Tante Jennifer's tijgers door Adrienne Rich 

Tante Jennifer's tijgers paraderen over een scherm ,
Heldere topaas bewoners van een wereld van groen .
Ze zijn niet bang voor de mannen onder de boom ;
Ze lopen in slanke ridderlijke zekerheid .

Tante Jennifer's vingers fladderen door haar wol
Vinden zelfs de ivoren naald moeilijk te trekken .
Het massieve gewicht van de trouwring van oom
Zit zwaar op tante Jennifer's hand .

Als tante dood is , zullen haar bange handen liggen
Nog steeds omringd door beproevingen waar ze meester over was .
De tijgers in het paneel dat ze maakte
Zullen blijven steigeren , trots en zonder angst .

De bespreker in de NY Times merkt op dat het wel Aunt Jennifers tijgers zijn:

‘The big cats are the apex predators here, dominating the world with serene ferocity. They don’t need to growl or show their fangs and claws. They know how dangerous they are.”

En al horen die tijgers bij haar, zijzelf ‘belongs to other people”. Het is duidelijk dat we ‘Uncle’ moeten vrezen maar al was ze door beproevingen omringd, zij bleef er meester over zodat de tijgers blijven steigeren, trots en zonder angst.

Isabella Cotier NY Times

In ‘Biografieportaal’ schrijft Marian Janssen over ‘Het raadsel Adrienne Rich’: (1929-2012)

Ze was de eerste van twee dochters van een prominente arts aan de befaamde Johns Hopkins Medical School, Arnold Rich, en Helen Jones, een musicus, die haar loopbaan opgaf toen ze trouwde. Adrienne groeide op in een rijke wijk in Baltimore in een huis dat zo op de filmset van Gone with the Wind paste. Ze was een wonderkind en haar vader stimuleerde haar vanaf jongs af aan: zij moest en zou een gevierd schrijver worden. Adrienne voldeed aan zijn hooggespannen verwachtingen. Als 21-jarige student werd ze door W.H. Auden verkozen tot winnaar van de prestigieuze Yale Series of Younger Poets Award. Ze verwierf een van de felbegeerde Guggenheim Fellowships-die gewoonlijk werden toegekend aan artiesten die al veel meer gepresteerd hadden dan zij–om een jaar in Oxford te studeren. Na terugkeer in Amerika trouwde ze met Alfred Conrad, een hoogleraar economie aan Harvard—samen kregen ze drie zonen. Zij volgde Conrads carrière en de familie verhuisde van Cambridge naar het bruisende, politiek bewuste New York City. Haar eigen loopbaan nam tegelijkertijd een vlucht: ze publiceerde een aantal goed ontvangen dichtbundels en doceerde aan verschillende universiteiten. Nobelprijswinnaar Louise Glück vond haar een mislukte mentor. Holladay citeert haar: ‘If she liked a poem, Rich would say, “I dig it.” If not: “I don’t dig it.” De biograaf vervolgt: ‘Glück didn’t dig the class or her professor. She wanted to talk poetry in depth; she didn’t feel comfortable in the artificially relaxed setting, nor did she share her professor’s interest in the unrest afflicting Columbia.’

bettye-lane photographs.

Zoals veel critici over haar werk opmerkten: de ontwikkeling van haar poëzie weerspiegelde de verandering van vrouwenlevens in de twintigste eeuw. Maaike Meijer, die in de jaren tachtig een mooi stuk over Rich’s poëzie schreef, zag ook de transformatie van een meisje dat zich netjes aan de regels hield naar een ‘eigenzinnige heks’, die tovert met de taal en in de oude voorraadkamers van de cultuur zoekt naar eigen woorden en beelden om de vrouwelijke ervaring te kunnen vatten.
Maar voor het zo ver was trouwde Rich met Alfred Conrad, hoogleraar economie aan Harvard, en kreeg ze drie zonen. Langzaam maar zeker radicaliseerde ze. In haar bundel uit 1963, Snapshots of a Daughter-in-Law, sprak al onomwonden het feministische onbehagen. In haar persoonlijk leven begon ze zich steeds meer in te zetten voor de burgerrechtenbeweging en het feminisme. Ze organiseerde thuis soirées voor de Black Panthers en tegen Vietnam. De afstand tot haar man groeide en in 1970 volgde een scheiding. In hetzelfde jaar schoot hij zichzelf door het hoofd.

(Adrienne Rich. Xandra Schitte. De Groene Amsterdammer 2012)

Rich wierp zich in de vrouwenliefde en ontmoette de in Jamaica geboren schrijfster Michelle Cliff, met wie ze vanaf 1976 tot haar dood zou samenleven. ‘De onderdrukte ­lesbienne die ik sinds mijn adolescentie met mij meedroeg begon haar ledematen te strekken’, schreef ze. De persoonlijke, politieke en ­seksuele revolutie in haar leven uitte zich ook in haar dichtwerk, in bundels als The Will to Change (1971), Diving Into the Wreck (1973) en vooral in TwentyOne Love Poems (1976). Daarin dichtte ze: ‘The rules break like a thermometer,/ quicksilver spills across the charted systems/ we’re out in a country that has no language/ …whatever we do together is pure invention/ the maps they gave us were out of date/ by years…’. (ibidem DG-Amsterdammer)


Tonight No Poetry Will Serve


Saw you walking barefoot
taking a long look
at the new moon's eyelid

later spread
sleep-fallen, naked in your dark hair
asleep but not oblivious
of the unslept unsleeping
elsewhere

Tonight I think
no poetry
will serve

Syntax of rendition:

verb pilots the plane
adverb modifies action

verb force-feeds noun
submerges the subject
noun is choking
verb disgraced goes on doing

now diagram the sentence

(This is a late Adrienne Rich poem, from 2007)

Vanavond zal geen poëzie helpen

Zag je op blote voeten lopen
een lange blik werpend
naar het ooglid van de nieuwe maan

later gespreid
in slaap gevallen, naakt in je donkere haar
slapend maar niet vergeetachtig
van de niet-slapende niet-slapende
elders

Vannacht denk ik
geen poëzie
zal helpen.

Syntaxis van vertolking:

werkwoord bestuurt het vliegtuig
bijwoord wijzigt actie

werkwoord voedt zelfstandig naamwoord
dompelt het onderwerp onder
zelfstandig naamwoord stikt
werkwoord onteerd gaat door met doen

schets nu de zin.
Félix Vallotton, 1899 – Femme couchée dormant.jpg

Dat is wat Adrienne Rich in haar poëzie vanaf de jaren zeventig zou doen: regels breken, de grenzen opzoeken en die overschrijden, en telkens zoeken naar nieuwe taal en nieuwe mythen om de vrouwelijke identiteit in woorden te vangen. Zoals ze in het gedicht Tear Gas schreef: ‘The will to change begins in the body not in the mind/ My politics is in my body, accruing and expanding with every/ act of resistance and each of my failures/ Locked in the closet at 4 years old I beat the wall with my body/ that act is in me still’. (Xandra Schutte)


Power

Living in the earth-deposits of our history
 
Today a backhoe divulged out of a crumbling flank of eart
h
one bottle amber perfect a hundred-year-old

cure for fever or melancholy a tonic

for living on this earth in the winters of this climate.
 
Today I was reading about Marie Curie:

she must have known she suffered from radiation sickness

her body bombarded for years by the element
she had purified

It seems she denied to the end
the source of the cataracts on her eyes

the cracked and suppurating skin of her finger-end
s
till she could no longer hold a test-tube or a pencil

 
She died a famous woman denying

her wounds

denying

her wounds came from the same source as her power.


What Kind of Times Are These
By Adrienne Rich


There's a place between two stands of trees where the grass grows uphill
and the old revolutionary road breaks off into shadows
near a meeting-house abandoned by the persecuted
who disappeared into those shadows.

I've walked there picking mushrooms at the edge of dread, but don't be fooled
this isn't a Russian poem, this is not somewhere else but here,
our country moving closer to its own truth and dread,
its own ways of making people disappear.

I won't tell you where the place is, the dark mesh of the woods
meeting the unmarked strip of light—
ghost-ridden crossroads, leafmold paradise:
I know already who wants to buy it, sell it, make it disappear.

And I won't tell you where it is, so why do I tell you
anything? Because you still listen, because in times like these
to have you listen at all, it's necessary
to talk about trees.
Foto door jonas mohamadi op Pexels.com

De beweging bewogen: optical arts

Giuseppi Arcimboldo De Seizoenen. 1573


In formele termen maken Op Art werken, die voor het grootste deel gebruik maken van een geometrisch vocabulaire, deel uit van de 20e-eeuwse traditie van abstracte concrete kunst, waartoe ook de Minimal Art behoort die in de jaren 1960 (en dus laat) opkwam. Op Art onderscheidt zich echter van deze andere vormen door het uitgesproken verlaten van de comfortzone van harmonieuze gematigdheid ten gunste van dramatische effecten, vervormingen en andere vormen van zintuiglijke overbelasting.

Deze werken illustreren hoe een engagement met vibrerende patronen, pulserende en vluchtige nabeelden, paradoxale ruimtelijke illusies, anamorfoses, moiré en verschuivende effecten, evenals andere methoden van optische illusie en fysieke invloeden, al in vroegere tijdperken te vinden zijn als tegenwicht voor meer “klassieke” artistieke benaderingen.

(Alain R. Truong. Canalblog)

Guido Reni, Umkreis, Jesus und Maria, first half of 17th century. Oil on wood, 33,5 x 26,5 cm © Sammlung Werner Nekes.
In formal terms, Op Art works, which for the most part make use of a geometric vocabulary, are part of the 20th-century tradition of abstract concrete art, which also includes the Minimal Art that came onto the scene in the 1960s (and thus at a late date). Op Art is distinguished from these other forms, however, in its pronounced departure from the comfort zone of harmonious moderation in favor of dramatic effects, distortions, and other forms of sensory overload. 
(ibidem)
Aleksandar Srnec, Luminoplastics, 1967. Photo: Markus Wörgötter © Marinko Sudac Collection, Zagreb

Theoretische grondslagen voor deze benadering zijn bijvoorbeeld te vinden in Umberto Eco’s boek Opera Aperta (1962), waarin de auteur de toeschouwers erkent als actieve deelnemers aan de totstandkoming van de kunstwerken – ja, zelfs als een noodzakelijke voorwaarde voor hun volledigheid. Gebaseerd op dit concept werden Eco als denker en Op Art als artistieke beweging vroege protagonisten in de participatieve kunst van de tweede helft van de twintigste eeuw en het postmoderne denken in het algemeen. Umberto Eco werd met name ook een vroege Op Art-theoreticus met zijn tekst. (ibidem)

Francesco Mazzola gen. / known as Parmigianino, Self-portrait in a Convex Mirror, 1523/1524. Oil on wood. Diameter 24,5 cm © KHM-Museumsverband

Fundamenteel in Salvador Dalí’s werk uit deze periode is zijn interesse in nieuwe wetenschappelijke ontdekkingen, met name kwantumfysica en kernfysica. In Confesiones inconfesables (Bruguera, 1975) herinnert hij zich dat “de atoomexplosie van 6 augustus 1945 mij seismisch had geschokt. Vanaf dat moment was het atoom mijn favoriete onderwerp van reflectie”. Naast deze nieuwe fascinatie kwam de kunstenaar in de jaren 1940 dichter bij de katholieke religie en keerde hij ook terug naar het academisme door middel van thema’s die geïnspireerd waren door de westerse traditie, zoals de Italiaanse Renaissance en de Spaanse Gouden Eeuw. De combinatie van beide invloeden zal leiden tot wat bekend staat als de “atomaire periode”, en tot de publicatie van het Mystieke Manifest (1951) waarin Dalí de symbiose uitlegt die hem tot de nucleaire mystiek heeft gebracht: “Elk kwartier en elke seconde bevindt de materie zich in een constant en versneld proces van dematerialisatie, van desintegratie, ontsnappend aan de handen van de wijzen en ons zo de spiritualiteit van alle materie tonend […]”. In Raphaels Madonna Maximum Speed leent de kunstenaar het beeld van een van de madonna’s van Raphael Sanzio, een van de grote renaissancemeesters die hij het meest bewonderde. Het werk synthetiseert de grote klassieke traditie via het religieuze thema, met de ontdekkingen en ervaringen van de moderne kunst, wat de kunstenaar de mogelijkheid geeft om een kunstwerk te creëren met een heel andere stijl.

Ruth Gallego Fernández

Maximum Speed of Raphael’s Madonna (Máxima velocidad de la Madonna de Rafael)
Salvador Dalí. 1954
Figueras, Girona, España, 1904 – 1989
"We must keep in mind that whatever we observe its not Nature itself but Nature as exposed to our way of framing questions."

Werner Heisenberg.
ROBERT SILVERS (1968- )
Migrant Mother. PhotoMosaic

Dorothea Lange, Migrant Mother, Nipomo, California (Destitute pea pickers in California. Mother of seven children. Age 32), silver print, 1936. Previously in the collection of Romana Javitz.

1968 New York. Robert Silvers works with the medium of photo-mosaics. Out of an infinite number of photographs he assembles motifs that often reproduces famous works of the history of art or represent personalities from te realms of politics and cinema. To do this he use a software which he developed himself, so that his works might be designated as a kind of high-tech pointillisme.

Giuseppe Arcimboldo, The Libarian, ca. 1566, oil on canvas. Wikimedia Commons

Maximiliaan II was gefascineerd door de natuurlijke wereld en deze interesse in biologie en andere gebieden lokte wetenschappers en filosofen naar zijn hof. Het is dan ook geen verrassing dat Arcimboldo’s eerste projecten voor Maximiliaan II – de series “De Vier Jaargetijden” (zie bovenaan deze bijdrage), waarmee hij in 1563 begon, en “De Elementen”, voltooid in 1566 – voortkwamen uit die liefde voor de wetenschap. “De vier seizoenen” bestaat uit vier profielportretten van figuren die zijn gemaakt van ingewikkelde arrangementen van natuurlijke materialen zoals fruit, groenten, bloemen en planten die specifiek zijn voor de zomer, herfst, winter of lente. Arcimboldo hanteerde een vergelijkbare benadering voor de vierdelige serie “De Elementen”, met spookachtige afbeeldingen van figuren die respectievelijk zijn samengesteld uit vuur en goud, veelvuldige zeedieren en parels, groepen vogels en diverse fauna.

Adam en Eva. Volger van Arcimbold. 1578

Tot zijn meest idiosyncratische schilderijen behoren De bibliothecaris (ca. 1566), dat volgens sommigen de Oostenrijkse humanist, historicus en arts Wolfgang Lazius voorstelt en een stoïcijnse, antropomorfe piramide van boeken toont; portretten van Adam en Eva uit 1578 die de gezichten van een vrouw en een man tonen die zijn samengesteld uit groepen menselijke lichamen; en De kok (ca. 1570), dat een serveerschaal toont die op een houten tafel wordt gepresenteerd die, wanneer deze ondersteboven wordt gekeerd, een dreigend gezicht onthult. (Claire Selvin. ARTnews 2020)

De Kok. Het schilderij omgekeerd en de juiste kant op. va 1570

Een heerlijke tocht wordt het als je Giuseppe Arcimbold intikt en de grote diversiteit van zijn werk en tijdgenoten bekijkt. Van een ‘follower’ is deze ‘Allegorie van Water’ circa 1560-70.

Volger van Arcimboldo ‘Allegorie van Water’ 1569-70

Een zelfde composiet-techniek vind je bijvoorbeeld in de Indische vormgeving toegepast in de Deccan-school uit de eerste helft van de zeventiende eeuw. Kijk naar dit fraaie paard.

Anoniem. Deccan school India eerste helft 17de eeuw

Natuurlijk mag je Antwerpenaar Joos de Momper niet vergeten. (1564-1635) ook als Josse of Jan aangesproken. We willen de nieuwsgierige lezer-kijker zijn winter-allegorie niet onthouden. De andere seizoenen vind je in allerlei formaten op het net.

Joos de Momper. de Jongere uit een serie van vier seizoenen in antropomorfische landschappen: Allegorie van de winter
Liefelijke plaats
waar alleen het ware
zijn onverbloemde beweging
zingt in verre velden
traagzaamheid.
Geen wraak of wrevel
maar eindelijk
de tederste stilte
waarin belletjes
de aankomst van de nieuwe maan
verwelkomen.
O, liefste,
eindelijk ontdaan van woorden.


Gmt
Verschijning van een gezicht op het strand. Salvador Dali

In Baltische landschappen leven

Petras Kalpolkas (1880-1945) Landschap in Litouwen 1945

De ziel uitlaten? Geen slechte lucht te vrezen, gewoon uit de dagelijkse kortzichtigheid een deur naar landschappen openduwen en zonder bekommernis of wetenswaardigheden het vaak nog onbekende landschap in. Ziel onder de arm. Kijken. Onder de balken door de weide oplopen. Je omdraaien en even wachten of degene die je liefhebt je achterna komt. Waarom je op de loop bent zou de geschiedenis je kunnen leren, die jaren in Litouwen, maar nu -op dit heiligste ogenblik- is het schuldenvrij. Jouw landschap.

Petras Kalpokas. Brug in maanlicht (1906)
Kwebbelend kwamen ze uit de wind tevoorschijn

Kwetterend doken ze op uit de wind
naderden
de krakende poorten van de dood
passeerden

en
- oh hemel -
zonder het te beseffen kletsten ze verder

© Donaldas Kajokas From: Meditacijos
Vilnius: Vaga, 1997

Petras Kalpokas. Vissershut in Palanga Strandlaken
Laten we het bronwater, 1910, nemen door Vilhelms Purvitis. De Letse kunstenaar kopieert de gevolgen van het ontdooien niet graag. Hoewel het water verstoken is van winterijs en er  berken en sparren in worden  gereflecteerd, speelt het tafereel zich elders af. Een verbeelding die verder gaat dan de pure en eenvoudige beschrijving, akkoorden anders dan de directe van bomen. Oppervlak-effecten als een soort meditatie, de zoektocht naar een innerlijke ruimte die openstaat voor de droom en die  als een spiegel waarin de flora deze keer geen van beide is, maar onze eigen aarzelingen in de schaduw van een kosmos, zowel ver als dichtbij.

(Baltische verf: terra incognita. Bertrand Raison)
Vilhelms Purvatis, 1872-1945, Bronwateren, olieverf op doek, rond 1910, Riga, Nationaal Museum voor Schone Kunsten van Letland. Klik op onderschrift om te vdergroten.

(Vilhelms Purvītis)

“De diepste essentie van een kunstwerk kan niet worden begrepen en uitgeput. (...) De werken van de grote meesters zijn eeuwig mooi en onverwoestbaar door het feit dat ze gecreëerd zijn met een immense kracht van de geest. (...) Eeuwig onpeilbare schoonheid komt voort uit een waar kunstwerk.”

(Vilhelms Purvītis)
Vilhelms Purvitis. Winter 1910
Dat zullen we doen.

We zullen mensen van heinde en verre oproepen
en we zullen het doen.
Samen zullen we creëren.

We zullen de natuur doen.
We maken een appelboomgaard, we maken een bos,
we maken een bloem in de wei.
Stilte in de avond.
Vrede zullen we doen.

We zullen streven naar het mooie.
“Handen moeten getraind worden, geesten moeten gewekt worden.”
We zullen alle dingen harmonieus doen.
We zullen doen om de schoonheid van Letland te laten doorschijnen.

We zullen een wit overhemd aantrekken en de aarde uitgraven.
We zullen de aarde uitgraven zoals niemand voor ons dat ooit heeft gedaan.
We zullen het museum maken, we zullen de tempel maken.

En ons werk zal ons creëren.
De werken zullen onze wegwijzers zijn.
We zullen het zelf doen.

We zullen het doen.

Manifest van het Purvitis museum
bezoek:
Pavasaris

Visual music’ – these are the words often used to describe the oeuvre of Mikalojus Konstantinas Čiurlionis (1875–1911), one of the most prolific figures in the history of Lithuanian art. A composer and an artist, Čiurlionis produced more than 200 musical compositions and 300 paintings despite his untimely death at the age of thirty-five. Working at the turn of the twentieth century, he was keenly aware of both pan-European intellectual developments and tensions within Lithuania, especially the growing concern for the nation’s independence from the Russian Empire. In his works Čiurlionis combined international fin de siècle ideas of Symbolism, cosmology, and metaphysics with motifs from Lithuanian folk culture, and presented them all in compositions centred around music.

Gusté Matiulionyte. Hasta 2021

Mikalojus Konstantinas Čiurlionis, Žvaigždžių Sonata. Allegro [Sonata of the Stars. Allegro], 1908, tempera on paper, 72.2 x 61.4 cm. Source: http://www.ciurlionis.eu
Kandinsky has generally been seen as the forefather of abstract art. 

But in 1951 the art critic Aleksis Rannit claimed that the Lithuanian artist M.K. Čiurlionis had beaten Kandinsky to the punch by several years. Was he correct? Watch and find out! (5')

Between 1894 and 1899, Čiurlionis, a talented young pianist and organist, travelled to the Conservatorium in Warsaw where he studied music, and then to the Conservatorium in Leipzig from 1901 to 1902. It was not until 1899 that he took up drawing and painting, enrolling in the Warsaw Art Academy in 1904 when he was 29 years old, and remaining there until 1906. After 1906, painting came to dominate his output until he died in 1911, although he remained an active composer. (ART UK)

Fairy Tale (Fairy Tale of Kings)
1909, tempera on paper by M. K. Čiurlionis (1875–1911)
[in het diepst van een koude winter...]

een diepe koude winter
toen er zelfs geen stoom uit de mond kwam
maar giraffen rond dartelden op stoppelvelden
eilanden en fregatten haakten in de zeilen
er liep een kind aan de rand van het bos, het sloeg af
naar het pad dat langer was
maar alleen de kleine vos die met het kind meeliep
zag deze beelden - een witte witte witte drie keer.

Donaldas Kajokas. (1953)

Mikalojus Konstantinas Čiurlioniš, 1875-1911, L’été, 1907, tempera sur toile Kaunas, musée national des Beaux-arts M.K. Čiurlioniš.

Vanaf februari 2025 zijn ze niet meer verbonden met het Russische stroom-netwerk, de Baltische Staten.
De Litouwse minister Šakalienė haalde tijdens de HCSS-bijeenkomst ‘Baltic Defence Line’ een persoonlijk verhaal aan. Een oom van een van haar ouders belandde in een Siberische cel. “Hij verspreidde pamfletten, waarop ‘Litouwen is vrij’ stond. Hij werd gevangen genomen en gemarteld. Rusland gaat met niemand medelijden hebben. Het maakt niet uit of je man of vrouw bent, volwassen of nog maar een kind. We moeten ons zo goed mogelijk voorbereiden. Want afschrikking is onze beste defensie.”
De Baltische landen zijn uiterst kwetsbaar voor Russische dreigingen. Ze hebben ze een 520 kilometer lange grens met Rusland en de Russische enclave Kaliningrad, thuisbasis van de Russische Baltische vloot, ligt direct naast Litouwen. Daarnaast is hun bevolkingsaantal, 6,2 miljoen in totaal, zeer gering en liggen ze geografisch geïsoleerd t.o.v. de EU- en Navo-kernlanden.

Petras Kalpokas, 1880-1945, Arbres près d’un lac, huile sur toile, avant 1914, Kaunas, musée des Beaux-Arts M.K. Čiurlioniš.

Poëzie via Duitse en Engelse vertalingen:

https://english.lithuanianculture.lt/category/lithuanian-culture-guide/literature/poetry/

Johann Walter, Jeune Paysanne, vers 1904.
Riga, musée national des Beaux-Arts de Lettonie, VMM GL-98 ©Normunds Braslins.

Hannah Höch: een vrouw tussen de mannen van Dada

Een duidelijke boodschap? Nieuw Zeeland koos best voor “equal electorals rights’, dus stemrecht voor mannen en vrouwen. The funny old machine voor male electors only was werkelijk uit de tijd. Male and female als equal electoral rights hoorde bij het nieuwe, frisse denken. Zeg het met fietsen:

Met een beetje kennis van de geschiedenis kom je er makkelijk achter of deze ‘right way’ dat ook was, als er al zo’n enige echte weg zou bestaan.

In deze bijdrage echter wordt de vraag gesteld, politiek, goed en wel, maar wat betekende de zelfstandige vrouw in de mannenwereld van de kunsten, einde 19de tot half twintigste eeuw? De tijd van Dada? Met een boeiend voorbeeld in leven en werk van de Duitse kunstenares Johanna Höch.(1889-1978) die als titel van een collage koos: “Schnitt mt dem Küchenmesser Dada durch die letzte weimarer Bierbauchkulturepoche Deutschlandes’ (Snee met het keukenmes Dada door de laatste bierbuikcultuurperiode van Weimar-Duitsland).

Hannah Hoch – Cut with the Dada Kitchen Knife through the Last Weimar Beer-Belly Cultural Epoch in Germany (1919)

Hannah Höch had haar hele leven al te maken met dit soort schooljongensseksisme. Ze werd op 1 november 1889 geboren als Anna Therese Johanne Höch in een respectabel, bevoorrecht gezin uit de middenklasse in Gotha. Vanaf haar vroegste jaren was Höch een veelbelovend kunstenares. Maar haar vader maakte zich daar zorgen over. Hij vertelde haar dat vrouwen niet voorbestemd waren om kunstenares te worden, maar dat ze (door de goede God van boven) alleen bedoeld waren om moeder en verzorger te zijn – “een meisje moet trouwen en haar kunststudie vergeten”, zei hij vaak tegen haar.

Dada-Ernst / Hannah Hoch / 1920

Als oudste van vijf kinderen moest Höch voor haar jongere broertjes en zusjes zorgen. Wees een moeder, dat zul je worden. Op haar vijftiende werd Höch van school gehaald (onderwijs is slecht, liefje, je hoeft alleen maar te weten hoe je voor kinderen moet zorgen en een man tevreden moet houden) om voor haar broers en zussen te zorgen. Haar dromen om kunstenares te worden werden op een zijspoor gezet tot ze in 1912 besloot haar droom te volgen en zij zich inschreef aan de Kunstnijverheidsschool in Berlijn om glas- en keramiekdesign te studeren. Maar het lot is wispelturig en de Eerste Wereldoorlog annuleerde al snel haar studie.

Hannah Höch, Ohhh, 1925, collage, 35.5 x 21.5 cm, © Berliner Sparkasse © VG Bild-Kunst, Bonn 2015 © ADAGP, Paris

Höch ging bij het Rode Kruis. Maar haar ambities om kunstenaar te worden bleken te groot om te ontkennen. Ze keerde terug naar Berlijn en studeerde grafische kunst aan de school van het Koninklijk Museum voor Toegepaste Kunsten. Hier ontmoette ze de dadaïsten Raoul Hausmann (met wie ze een relatie kreeg) en Kurt Schwitters (van wie gezegd wordt dat hij een “H” aan haar naam toevoegde zodat het een palindroom werd).

Ohne Titel (Aus einem ethnographischen Museum) / Hannah Hoch / 1930

Aangemoedigd door haar nieuwe vrienden met eindelijk de controle over haar leven, begon Höch collages te maken. Haar inspiratie haalde ze uit de ansichtkaarten die Duitse soldaten naar hun geliefden stuurden waarop ze foto’s van hun gezichten plakten bovenop de afbeeldingen van cavaliers of boeren.

Höch werkte daarna voor verschillende tijdschriften en schreef artikelen over handwerk en borduren. Ze werkte omdat haar minnaar, de zwakke, zelfingenomen Hausmann, zei dat het haar plicht was om hem te steunen omdat hij de echte kunstenaar was. Höch beschreef haar relatie met Hausmann later in het korte verhaal “De schilder”, waarin een mannelijke kunstenaar vervuld is van bittere wrok wanneer zijn vrouw hem (“minstens vier keer in vier jaar”) vraagt om de afwas te doen.

The Father / Hannah Hoch / 1920

In 1920 werd Höchs werk opgenomen in de Eerste Internationale Tentoonstelling in Berlijn. Grosz en Heartfield verwierpen haar opname omdat ze een vrouw was. Pas toen Hausmann dreigde zijn eigen werk terug te trekken als Höch niet werd opgenomen, gaven Grosz en Heartfield schoorvoetend toe.

Maar eerlijk gezegd had Höch een hekel aan het luide, onstuimige, opschepperige exhibitionisme van haar mede-dadaïsten. Ze vond ze kinderachtig, dwaas en gênant. Terwijl hun werk vooral bedoeld was om te shockeren en verontwaardiging te veroorzaken, was Höch meer geïnteresseerd in gender, seksisme, identiteit, etniciteit en de verdeelde ongelijkheden in de maatschappij. Ze legde uit hoe ze foto’s gebruikte zoals een schilder kleur gebruikt of een dichter woorden.

Flucht (Flight) / Hannah Hoch / 1931

In 1922 trok Hausmann zich terug uit de Dada-groep. Ze begon een relatie met de Nederlandse dichter en schrijfster Til Brugman, die tien jaar duurde voordat ze in 1938 de zakenman Kurt Matthies ontmoette en met hem trouwde.

De Tweede Wereldoorlog bracht ze door in een bijna anoniem leven in een klein huisje met een overwoekerde tuin waar ze in stilte bleef werken. In 1944 scheidde ze van Matthies.
Na de oorlog evolueerde Höchs werk in de richting van abstractie met een interesse in de natuur en het milieu. Hoewel haar werk vanaf deze tijd tot aan haar dood niet zo bekend is, was Höch nog steeds zeer productief en controversieel. Ze beschouwde het als de rol van de kunstenaar om geaccepteerde waarden in twijfel te trekken en zich in te zetten voor een betere en gelijkwaardiger samenleving.
Höch verloor nooit haar verlangen om “de wereld van vandaag te laten zien zoals een mier haar ziet en morgen zoals de maan haar ziet”.
Ze stierf op 31 mei 1978, 88 jaar oud.

Portret van Hannah Höch (1933) door Chris Lebeau (op een stoel ontworpen door Cornelis van der Sluys
The Dada Art Style of Hannah Höch’s Collages

Dada was an art concept that began in Zurich, Switzerland in 1915. The movement was anti-monarchy, military, and conservatives, and it was deeply rooted in an “anti-art” mindset. Dadaists believed that art should be free of restrictions and that it should be humorous and fun. These sentiments emerged in the aftermath of the Great War, which drove society to doubt the role of government and to denounce militarization in the face of war’s atrocities.

Many Dada works criticized the Weimar Republic and its unsuccessful attempt to establish democracy in post-World War One Germany. In terms of bourgeois culture, the Dada phenomenon had a fundamentally negative tone. The name “dada” has no genuine meaning; it is only a childish phrase used to indicate the lack of explanation or logic in most of the artwork.
(Art in context-Isabella Meyer. 2022-2024)
Photograph of Hannah Höch, 1974; Dietmar Bührer (de:Dietmar Bührer), CC BY-SA 4.0, via Wikimedia Commons

Bekijk ook:

Stil- en ander leven, een verkenning.

Jan Brueghel de Oude ‘1568-1625) ‘Het grote boeket’. 1607. Kunsthistorisches Museum, Vienna, Austria.

Het was Jan Brueghel de Oude die zijn bloemencompositie tegen een donkere achtergrond plaatste en er kleine details aan toevoegde: vliegen, slakken, vlinders in alle stadia van de metamorfose als symbool voor transformatie en wederopstanding. Ook libellen als teken voor ‘vergankelijkheid’. Uiteraard alles ‘net echt’, een bewijs voor het meesterschap van de schilder.

Flowers also held symbolism that had Christian connotations inherited from the Middle Ages: roses and lilies for Virgin Mary and purity, tulips for nobility, poppies for power as well as death. (DailyArt 2024)
Jan Brueghel de Oudere. Bloemenboeket. 1606 National Museum of Art of Romania, Bucharest, Romania.

Vreemd dat net bloemenstillevens de toenemende verstedelijking van de Vlaamse en Nederlandse samenleving weerspiegelen. Er is een huis, persoonlijke bezittingen, handel. Niet voor iedereen, eerder een gecultiveerd publiek met ‘middelen’ was vragende partij.

Bloemstillevens waren vooral prominent in de vroege jaren 1600 en richtten zich in hun zeer verfijnde uitvoering en in hun onderwerpen en symboliek tot een gecultiveerd publiek. Schilders als Ambrosius Bosschaert de Oude, Balthasar van der Ast, Roelandt Savery en Jacob Vosmaer verwezen vaak naar kruidenboeken en andere botanische teksten bij het samenstellen van “boeketten” (zoals Vosmaers Een vaas met bloemen; ) waarin meestal bloemen uit verschillende landen en zelfs verschillende continenten in één vaas en op één moment van bloei werden gecombineerd. Een mooie presentatie daarover:  site van het Rijksmuseum A'dam.

https://www.rijksmuseum.nl/nl/stories/10-dingen/story/10-dingen-bloemstilleven-jacob-vosmaer

Jacob Vosmaer. Een vaas met bloemen. waarschijnlijk 1613

De aantrekkingskracht van ‘de veelheid’ in dit leven zorgt naast jacht op ‘nog meer‘ ook voor verwarring. De ‘veelheid’ is moeilijk waar te nemen. Overschouw de wereld en hoor ons bijna luidop ‘veel te veel en te druk!’ roepen. De verwarring kun je zelfs lijfelijk aanvoelen.
Stillevens kunnen een middel zijn om een reeks ingewikkelde gevoelens en ideeën over het bestaan terug te brengen naar één eenvoudig begrijpbaar beeld dat de kern kan vormen van een morele bedenking, bv. als een allegorie. Hier een vanitas-stilleven (vanitas: ijdelheid) van de Nederlandse schilder David Bailly. Maar…ook een zelfportret?

David Bailly. Vanitas-stilleven met zelfportret van de schilder. 1651. Olieverf op paneel Vergroot door op onderschrift te klikken

‘Het is een complex werk. Zelfportret en stilleven lopen door elkaar, een spel met de tijd. Het rechtergedeelte van het schilderij geeft een groot aantal objecten te zien die typisch zijn voor een vanitas-stilleven: de schedel, een boek, de uitgedoofde kaars waaraan nog een kleine rookpluim ontsnapt, een horloge, een zandloper en zelfs een wierookhouder. Als om het thema nog extra te onderstrepen staat op het papier in de rechterbenedenhoek geschreven: “Vanitas . vani[ta]tum . et . omnia . vanitas” (“IJdelheid der ijdelheden, alles is ijdelheid”); een zin uit Prediker. Ook de muntstukken, het omgevallen glas, de fluit, de beeldhouwwerken, de bloemcorsage en de parels kunnen stuk voor stuk geïnterpreteerd worden als symbolen van de ijdelheid.

Tegelijkertijd zijn op het schilderij een aantal voorwerpen te zien die zelden voorkomen op een vanitas-stilleven en die vooral te maken hebben met het ambacht als kunstschilder: de schildersstok en het palet aan de muur, een schets van een oude man die doet denken aan een werk van Jan Lievens en een kopie van De luitspeler van Frans Hals, een tekening die Bailly ook daadwerkelijk zelf heeft gemaakt, in 1626, dus 25 jaar eerder dan het hier besproken werk. De beide tekeningen op het schilderij, gescheiden door zeepbellen, refereren qua thema trouwens andermaal aan de vanitas-symboliek van ijdelheid en verstrijkende tijd.

Wie de jonge schilder is, is niet zeker. Het zou een collega-schilder kunnen zijn, of misschien heeft Bailly zichzelf geschilderd als jonge man. In zijn handen houdt hij een klein portret dat een zelfportret van de kunstenaar is, maar dan op latere leeftijd, aan het einde van zijn carrière. Bailly speelt hier nadrukkelijk met het tijdsaspect en draait de rollen feitelijk om: eigenlijk zou het de oude man moeten zijn die een portret van de jongere vasthoudt. Het lijkt nu alsof de afgebeelde persoon in de toekomst kijkt. Opvallend in dat opzicht is ook het omhoog krullend papier van de Hals-kopie, hetgeen suggereert dat het werkje al jaren oud moet zijn; dat was het geval op het moment dat het hier besproken schilderij werd gemaakt, maar dus niet toen de schilder de leeftijd had waarop hij zichzelf hier afbeeldt. Het ovale portret in het midden toont mogelijk de echtgenote van de schilder op jonge leeftijd en vormt aldus een merkwaardige pendant met het portretje van de oudere Bailly links ervan. Haar gezicht doemt nog een tweede keer op als schim vanachter het fluitglas. In feite toont de oudere Bailly op het schilderijtje het zelfportret van zijn jongere ik dat ons recht in de ogen kijkt. Ingenieus! Het is ook zijn beste werk gebleven. (fragm Wikipedia).

Bailly’s De luitspeler, kopie naar Frans Hals, 1626.

Waarschijnlijk bezitten we in onze collecties meer stillevens dan doeken van welk ander genre ook. Kijk naar een werk van de Amerikaanse hedendaagse Hopie Hill uit 2024.

Hopie Hill, Ingres with Oranges (2024). Photo by Jeff McLane.

Los Angeles in de 21e eeuw en het Franse neoclassicisme van de 19e eeuw komen onverwacht samen in het schilderij van kunstenares Hopie Hill waar een zak citrusvruchten nonchalant bovenop een hardcover boek van Jean Auguste Dominique Ingres is geplaatst. In dit schilderij, getiteld “Ingres met sinaasappels”, toont Hill’s creatie een plastic zak met fruit, lichtgevend met doorschijnende plooien die ze op een lokale boerenmarkt kocht. Haar aanpak is hier niet minder precies of eerbiedig dan de manier waarop ze de uitgebreide juwelen en zijden en kanten kledingstukken die op de omslag van het boek staan heeft nagemaakt. L.A. heeft tenslotte altijd haar manieren gehad om traditionele hiërarchieën te ondermijnen. (Artnet)

Hill is adept at synthesizing signifiers of a millennial creative’s life in Los Angeles with her enduring admiration for still-life paintings from the Dutch Golden Age. “The sense of wonder at beauty defining the 17th-century still-life tradition has always felt thrilling to me,” the New Jersey native shared. She and her three sisters, including painter Lily Stockman who is also represented at Moffett, were raised with a broad exposure to art. “My mom used to sit me in her lap and we would open up art books” focusing on canonical figures such as Holbein, John Singer Sargent, and others. “We would look at clues that helped tell the story of the subject.”  (Artnet)

Het veilinghuis Charles Moffet toonde haar collectie in ‘The Souvenir’ nog te zien via het net:

https://charlesmoffett.com/exhibitions/94-hopie-hill-the-souvenir/

Het geschenk (olie op paneel, 14×18) door Janet Rickus

Dit mooie werk van de Amerikaanse Janet Rickus is geen foto maar een heus schilderij. In the Artists network vertelt ze uitvoerig hoe ze te werk gaat en begint met acht dunne lagen acryl gesso, telkens tussen de lagen schurend om een glad oppervlak te krijgen. Vervolgens brengt ze een dunne laag acrylverf aan om het hele canvas te verven. “Ik gebruik een rauwe ombrage, maar zou mezelf gemakkelijk elke neutrale kleur kunnen zien gebruiken – zwart, blauwgrijze of andere bruine tinten,” zegt ze.

Stilleven met lepels (olie op doek). Janet Rickus

Lees en kijk:

Aan het werk!

Lees ook: