Gaten in donkere dagen (1): Heliotroop.

‘Heliotroop’. Neen, niet de steen, maar -ik mag dat oude Grieks toch nog eens citeren: ‘helios’ dat is zon en ’tropein’ dat betekent ‘draaien’, een bloem dus die met de zon zou meedraaien. ‘Heliotroop’. Zacht uitspreken, de aangeblazen ‘h’ niet vergeten, en geloof niet te vlug in sprookjes, want een heliotroop-bloem (Heliotropium) staat zo vast als buntgras en alleen de wind kan er zijn verhaal kwijt wat meestal enkel met licht buigen en wiegen wordt beantwoord, maar draaien? Een sprookje. Al riekt ze naar kersen en vanille, haar diepblauwe bloemen zijn giftig voor honden, katten en mensen, zegt AI, netjes gespiekt uit wat vroeger een encyclopedie heette. Maar, het is mij om de kleur te doen. Heliotroop is (ook) een kleur. Zoals de meeste kleuren, met een verhaal.

Heliotropium

Hoe beschrijf je een kleur? Digitaal met een code. De hex-code (#DF73FF) die de lichte paars-magenta tint vertegenwoordigt. Heliotroop. Hier is het lijstje van de purperen familie:

-Tyrisch purper
-Orchilla
-Magenta
-Mauve-
-Heliotroop
-Violet

Image palette Shades of Heliotrope color #DF73FF hex png

Dit zijn de verschillende palette shades, ongeveer middenin benadert deze balk de ‘heliotroop-kleur’

In het unieke gekartonneerde boek: ‘Het geheime leven van kleuren’ een Nederlandse vertaling van ‘The secret Life of Colour’ geschreven door Kassia St Clair, achttiende druk november 2022 en prachtig uitgegeven door Meuelenhoff A’dam. vind je voor elke kleur (elke pagina heeft een eigen kleurenbalk ) heel wat mooie wetenswaardigheden over geschiedenis, samenstelling en gebruik. Een graag gekregen geschenk!

Al deze verrassende verhalen lopen als een helderrode draad door de geschiedenis heen en Kassia St Clair heeft haar levenslange obsessie met kleuren en waar ze vandaan komen in een unieke studie van de menselijke beschaving gegoten. Het geheime leven van kleuren gaat over mode en politiek, kunst en oorlog, over Picasso’s blauwe periode, over het rood van Mondriaan en dat van Leicester-kaas. Dit kleurrijke verhaal geeft een ander zicht op onze geschiedenis en cultuur.  (Standaard Boekhandel)

De zoete kersengeur van de heliotropium had een voorouder die als ingrediënt voor een Egyptisch parfum diende, geëxporteerd naar Griekenland en Rome.

"Deze kleur beleefde zijn hoogtepunt tegen het eind van de negentiende eeuw, tijdens de snelle opkomst van veel tinten paars. Voor een deel dankte hij zijn aantrekkingskracht aan het feit dat hij nieuw was. Voor het mauve van William
 Perkin  was paars moeilijk geweest om te maken en had het nog de keizerlijke glans van zijn vroegere status, dus misschien moeten we het de victorianen maar vergeven dat er in het decennium daarna steeds meer combinaties met heliotroop opkwamen die pijn deden aan de ogen. In 1880 droeg men de kleur met lichtgroen of abrikoos; later met kanariegeel, eucalyptusgroen, bronsgroen of pauwblauw. ‘Geen kleur is blijkbaar te fel,’ schreef een recensent. ‘De combina
ties zijn soms nogal onthutsend.”

(Het geheime leven van kleuren p. 172)

Maar heliotroop duidde ook op ’toewijding. Het was dus een van de weinige kleuren die een vrouw na de dood van de geliefde mocht dragen. In een periode van halfrouw, schrijft Kassia St. Clair, moest je heliotroop en andere zachte tinten dragen. Maar ook personages die zich ‘onfatsoenlijk’ gedragen zijn vaak in deze kleur gekleed. (met voorbeelden uit de literatuur van toen en nu.)

Dichter bij huis, in het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen, vond ik een schilderij waarin heliotroop naast de andere paarsen uit de familie mee de atmosfeer bepaalt.

‘Maria Sèthe aan het harmonium’. Theo Van Rysselberghe. 1891

“De schilder plaatste op het doek min of meer zuivere kleuren in kleine stippen naast elkaar om ze, volgens destijds recente wetenschappelijke inzichten, in het oog van de toeschouwer te laten versmelten tot de gewenste tint. Dat intensiveert de luminositeit van het beeld. Hij gebruikte de techniek meesterlijk, maar was geen orthodoxe neo-impressionist. Om zijn modellen natuurgetrouw te portretteren gebruikte hij kleinere stippen voor het gelaat. Haarlokken en de contouren van de gelaatstrekken werden in dunne penseelstreken geaccentueerd. In dit werk maakte hij ook gebruik van een dynamisch patroon van kronkelende bewegingen van links onder tot in de rechter bovenhoek, die als het ware tot rust worden gebracht door de nagenoeg horizontale lijnen van het muziekinstrument. De paarse of violette kleur van Maria’s jurk en van het gordijn domineert het beeld. De kleurstof werd sedert midden 19de eeuw industrieel vervaardigd in vele varianten: mauve, magenta, heliotroop enz. De kleur was op een bepaald moment zozeer in de mode dat polemisten als Oscar Wilde het een kleur voor onbetrouwbare dames vonden. De voorkeur van de Franse impressionisten voor blauwe en violette schaduwen, indigomanie, werd van meet af aan bespot. Maar in weinig schilderijen krijgt paars zo demonstratief de hoofdrol als hier. Het portret kreeg in de huizen die Van de Velde voor zijn gezin liet bouwen in Ukkel, Weimar, Scheveningen en Tervuren steeds een ereplaats.”

(Vlaamsekunstcollectie.be)

Lees helemaal:

https://vlaamsekunstcollectie.be/collectie/2690

https://vlaamsekunstcollectie.be/nieuws/theo-van-rysselberghe-maria-sethe-kmska

LEGT ZIJ HAAR KOUDE WITTE MANTEL

Legt zij haar koude witte mantel
over rommel en rattenholen, het geblaas
en gemekker, zwijgend als een kind
dat zijn geheimen deelt voor het als een ster
de verglaasde hemel siert, ook over zoveel
ogen-blikken spreidt zij haar vlokkendeken,
verbergt zij wat te lang het licht zag en verbleekte
bij gereutel en geratel van de persen,
vernevelt zij vergeten in de zware traagheid
waarmee zij op de daken ligt,
de herinnering,
mijn witte fee.

De laatste maand van het jaar. Met nu en dan, door de donkere gaten, een bericht, een prent, een verhaal, gedicht.  'Gaten in de donkere dagen'. Met inkijk in de lichtere wereld. Bij leven en welzijn. .

https://indestilte.blog/2022/07/04/het-steeds-veranderend-licht/.

Dagboeken, Victorianen beschrijven hun eigen wereld. Een inleiding.

Albrecht Dürer ‘De kop van een Walrus’, 1521 Bron The Trustees of the British Museum

Heel nauwkeurig is hij, Albrecht Dürer wanneer hij in 1520 een reis door de Nederlanden maakt en verslag bijhoudt in zijn ‘dagboek’ dat sommigen eerder als ‘kasboek’ hebben bestempeld.

“Ik heb 2 Philipsgulden gewisseld voor eten en drinken. Ik heb de vrouw van de apotheker 10 stuivers gegeven voor een klysma. De monnik, bij wie mijn vrouw biecht, heb ik 8 stuivers gegeven.” 

Maar het verschijnsel ‘dagboek’ vond bij de Victorianen wel zijn meest intense voedingsbodem. Koningin Victoria begon met het bijhouden van haar dagboek in 1832 op 13-jarige leeftijd en bleef dit doen tot aan haar dood in 1901. Ze schreef in totaal 141 dagboeken vol, met ongeveer 43.000 pagina’s.

Haar dagboeken zijn door haar jongste dochter Beatrice uitgeschreven, op verzoek van koningin Victoria zelf. Daarbij zijn gevoelige of onbelangrijke passages weggelaten. Nadat een dagboek was getranscribeerd (uitgeschreven), werd het origineel vernietigd. Later zijn ze uitgetypt en voorzien van bijschriften.

“Het Victoriaanse tijdperk was een tijdperk dat vooral werd gedefinieerd door een ‘obsessie’ met vooruitgang. De Victorianen waren grote vernieuwers en utopisten die een eeuwigdurend proces van verbetering voor ogen hadden: niet alleen van het zelf, maar van de samenleving, van de hele mensheid. Koninklijke commissarissen en filantropen daalden in drommen af naar de sloppenwijken van Londen om armoede en sanitaire omstandigheden te onderzoeken. Rijke industriëlen financierden bibliotheken, gemeentehuizen, openbare werken en riolen. Prins Albert schreef berichten over huisvesting. De middenklassen consulteerden enthousiast wetenschappelijke kennis die in tijdschriften en verhandelingen in het streven naar ‘rationeel vermaak’ werd behandeld. De meer totale weergave – de tekst of het beeld dat alles en iedereen zou onthullen – was een impliciet doel van de Victoriaanse cultuur, van Wordsworth en Charles Dickens tot het panorama en de camera. Er was een razernij van meten en in kaart brengen. Gegevens zouden tot begrip leiden, en begrip zou meesterschap mogelijk maken. (Aeon ‘Elena Mary ‘I woke at 1/2 past 7″)

Early diaries sold by John Letts in London.
The world is too much with us,’ complained William Wordsworth in 1807. Almost 30 years later, Alfred, Lord Tennyson struck a more triumphant note:

"Not in vain the distance beacons. Forward, forward let us range,
Let the great world spin for ever down the ringing grooves of change. "(ibidem)

Taken, afspraken, memoranda – kunnen allemaal worden genoteerd in een netjes gestructureerd zak-dagboek dat u zou helpen uw tijd zo productief mogelijk te gebruiken.

‘Technologiebedrijven hebben met succes geld verdiend met deze diepgewortelde drang om onszelf te verbeteren, nieuwe manieren te bieden om ons dagelijks leven te documenteren en te vergelijken, wat een eeuwigdurend gevoel van falen kan creëren. De daad van het delen van verhalen over onszelf is niet langer beperkt tot een vertrouwde kring van intieme vrienden en familieleden. In plaats daarvan functioneren sociale mediaplatforms als multimediadagboeken met een onmiddellijk, wereldwijd publiek dat constante feedback geeft over onze keuzes en activiteiten.”(ibidem)

mage © Daria Nepriakhina / Unsplash
"We leven in een tijdperk van zelfkwantificering en de verheerlijking van productiviteit. Bullet journals, habit trackers, slimme horloges – al deze tools stellen ons in staat om gegevens over onszelf te verzamelen in een razernij van zelfverbetering. Mijn Instagram-feed wordt overspoeld met video's van dunne vrouwen met gladde glanzende voorhoofden en glanzende witte tanden, die de deugden van 5 uur durende trainingen, langdurige huidverzorgingsrituelen en dankbaarheidsdagboeken ophemelen. We zoeken ‘hacks’ op die ons in staat zullen stellen steeds efficiënter te zijn, en om de meest mogelijke waarde uit onze tijd en bezittingen te halen."  ( (Aeon 'Elena Mary 'I woke at 1/2 past 7")

Frederick Cayley Robinson. Evening in London 1920 Tempera, Watercolour, Pencil on paper

“De 19e-eeuwse obsessie met zelfverbetering en zelfdiscipline wordt misschien het best geïllustreerd door het boek Self-Help van Samuel Smiles; (1859) with Illustrations of Character and Conduct , dat hard werken, goede gewoonten en doorzettingsvermogen verdedigde. Verkoop: 20.000 exemplaren in het eerste jaar van publicatie. Bovenal bleek de sleutel om actief te zijn het nastreven van vooruitgang. De grootste Victoriaanse zonde was nietsdoen.

As the 15-year-old Victoria, heir presumptive to the throne, virtuously wrote in her diary on the 27 January 1835: ‘I love to be employed; I hate to be idle.’ Just as they sought to measure and quantify the progress of Western civilisation, so the Victorians sought to measure progress and improve the self through the simple practice of keeping a diary. (idem)

In 1812 begon de boekhandel van John Letts met de verkoop van een jaarlijks gedrukt dagboek in zijn winkel, plaats: Royal Exchange Londen. Het dagboek was een groot succes, en in 1862 bood Letts 55 verschillende versies gericht op specifieke sociale groepen, met prijzen variërend van sixpence tot 14 shilling (of 1,7€ tot 47,70€ in het geld van vandaag). Tegen 1900 verkocht Letts bijna een kwart miljoen dagboeken per jaar en het gedrukte dagboek werd als een essentieel kenmerk van het commerciële leven beschouwd. Niet langer alleen een ruimte om na te denken over wat er was bereikt, het dagboek was ook een plek om te plannen wat nog bereikt moest worden.

Letts of London was en is nog steeds een Britse maker van notitieboekjes, agenda’s en planners. Letts werd opgericht in 1812 door John Letts, die het briljante idee had om een standaard notitieboekje te voorzien van een kalender. De notitieboekjes van Letts vallen op door hun stijl, die duidelijk beïnvloed werd door het verleden.

“Dagboek bijhouden was een conventie bij de opvoeding van kinderen uit de middenklasse, met ouders zoals Charles Darwin en zijn vrouw Emma die dagboeken gebruiken om angstvallig de fysieke, intellectuele en religieuze ontwikkeling van hun kinderen vast te leggen in overeenstemming met het romantische idee dat ‘het kind de vader van de man is’. Blanco of voorgedrukte dagboeken waren ook een gemeenschappelijk huiselijk geschenk, omdat ouders dagboeken aan hun kinderen gaven en kinderen dagboeken gaven aan hun bedienden. In ‘Between Women’ (2007) schrijft de literatuurwetenschapper Sharon Marcus dat prinses Victoria werd geïnstrueerd in het bijhouden van een dagelijks dagboek van haar geliefde gouvernante, Lehzen, en totdat Victoria koningin werd, inspecteerde haar moeder dagelijks haar dagboeken.” (Elena Mary)

The world is too much with us,’ complained William Wordsworth in 1807. Almost 30 years later, Alfred, Lord Tennyson struck a more triumphant note:

Not in vain the distance beacons. Forward, forward let us range,
Let the great world spin for ever down the ringing grooves of change.

Binnen het dagboek konden Verlichtingsidealen van wetenschappelijk empirisme worden benut ter ondersteuning van het evangelisch geïnspireerde project van zelfverbetering. Toenemende alfabetiseringspercentages, goedkopere materialen en nieuwe druktechnologieën moedigden de productie en consumptie van dagboeken op een ongekende schaal aan. De broers George en Weedon Grossmith’s satire The Diary of a Nobody, voor het eerst geserialiseerd in Punch in 1888 en gepubliceerd als een striproman in 1892, beschrijft het dagelijks leven van de ‘niemand’ Charles Pooter, een klerk die woont in de Londense buitenwijk Holloway met zijn vrouw Carrie. In de inleiding vraagt Pooter:

"Waarom zou ik mijn dagboek niet publiceren? Ik heb vaak herinneringen gezien aan mensen waar ik nog nooit van gehoord heb, en ik zie niet – omdat ik toevallig geen ‘Iemand’ ben – waarom mijn dagboek niet interessant zou moeten zijn. Mijn enige spijt is dat ik er niet mee begon toen ik nog jeugdig was."

En laten we eerlijk zijn: er is ook heel wat gebeurd ten goede van iedereen in die Victoriaanse 19de eeuw! De vergelijking met de hedendaagse sociale media is nogal losjes. Was het dagboeken schrijven nog steeds voorbehouden aan de groeiende middenklasse dan spreekt de toon en inhoud van het dagelijks berichten in de sociale media een nog bredere bevolkingslaag aan, of beter een bredere mélange die makkelijk ten dienste van of in verweer tegen kan gebruikt worden. Ik kan je hier de lectuur aanraden van een thesiswerk van Sam van Esch (2022): ‘De typische Victoriaan.

Het historiografisch discours over Londen onderzocht
aan de hand van dagboeken uit de negentiende eeuw.

Met uitgebreide bibliografie.

https://theses.ubn.ru.nl/server/api/core/bitstreams/9526eb27-7684-4f1c-80d8-a8f2f26fb35b/content

‘Het artikel ‘I woke at 1/2 past 7′. Our coursed age of self-monitoring and optimisation did’n start with big tech as so often, The Victorians are to blame.”werd geschreven door Elena Mary. (Aeon 17 november 2025)

Elena Mary is a postdoctoral associate member in the Faculty of History at the University of Oxford in the UK. She is a historian of culture, class and the female body in modern Britain.

https://aeon.co/essays/victorian-diary-writers-kicked-off-our-age-of-self-optimisation

Very cold winter. The Round Pond in Kensington Gardens frozen solid, and, outside Kensington Palace, icicles hang from the guardsman’s busbies. Buttoned up, with muffs and gloves, we boldly set off to skate on the
Serpentine. Trixie hired some skates, and was a danger to all on the ice, as her laces trailed about her heels. Lily and I had our own skates. We both enjoy the sport tremendously, and the odd assortment of people on the ice
makes for a most diverting time. Sometimes skaters’ enthusiasm outweighs their abilities. Several times we landed flat on the ice. All in a good day’s sport, however. We forgot our aches and pains in the evening, roasting chestnuts in the grate.”

Maud was 29 toen ze in 1888 begon met haar dagboek. De eerste vier jaar daarvan beschreven haar leven in Sandown. Mijn werk richt zich op de periode nadien, van 1892 tot 1900, toen Maud in Londen woonde. In de uitgegeven versie van het dagboek zijn de notities per maand, seizoen en jaar
gegroepeerd. (Uit thesis Sam van Esch ‘De typische Victoriaan. Het historiografisch discours over Londen onderzocht aan de hand van dagboeken uit de negentiende eeuw.)

Manuscript journals of Henry David Thoreau (1817–1862), 1837–61. Purchased by Pierpont Morgan, 1909. Courtesy of The Morgan Library.
Diary with transcript of Alfred Whiters in the JAMES BAINES, 1857

Bekijk meer pagina’s:

https://www.rmg.co.uk/collections/objects/rmgc-object-505984

Elena Mary noemt de Victorianen grote vernieuwers, maar de vooruitgang was een Janus-gezicht. Voor elke sprong voorwaarts, een hernieuwde druk om verder te gaan, en sneller, om beter te doen, beter zijn. Ook het tijdperk van de vooruitgang was een tijdperk van angst. Ik denk persoonlijk dat wij iets te nadrukkelijk de Victoriaanse tijden willen laten samenvallen met onze boeiende maar ook dwaze tijden. De angst van de Victorianen hebben we uitvoerig belicht in een reeks over deze tijden die je kunt teruglezen en waarin er via een bredere invalshoeken de eigenheid van die angsten wordt belicht. Basis was het boeiende boek ‘The Victorian Frame of Mind, 1830-1870. van Walter E. Houghton, Yale University Press, New Haven and London, 1975-1985.

Kijk en lees:

en 12 volgenden (zie bij uitgewerkte onderwerpen)

De sleutel vinden, joie de vivre in de kunst

wooden chair on water in shallow water
Photo by Clive Kim

Hij stond er. In het water. Gespiegeld. In het water van het meer. Duidelijk uitnodigend. Ga zitten en kijk. Kijk over het meer. Vanzelfsprekend. Geen engelen of de verdwaalde ziel van zijn oma. Het opluchtend ontwaken na koortsige kinderdromen.

Liep hij over de onzichtbare grens tussen leven en dood? Zou zijn voorbije leven hem voorbijtrekken? Schoenen en kousen uit; het voorbije leven bleef waar het was. Voorbij. Een man op een stoel in het water. Zeven spijlen in zijn rug. Zijn hoofd bevrijdend leeg. Het moment waarop je, na lang zoeken, een sleutel terugvindt.

old key hanging on wooden door
Photo by Alexander Grigorian on Pexels.com

Of kunst oog heeft voor ‘het gelukzalige” van alle formaten? Een van de grondleggers van het pointillisme (de andere is Georges Seurat) vindt dat geluk ook bij het water. Signac beschrijft het werk in een brief uit 1893 aan zijn collega neo-impressionist Henri-Edmond Cross:

“Goed nieuws! Op jouw advies ga ik een groot doek proberen! ... Op de voorgrond een groepje mensen die uitrusten ... man, vrouw, kind ... onder een grote dennenboom vertelt een oude man verhalen aan de jonge kinderen ... op een heuvel ... de oogst: de machines roken, werken, verlichten het zware werk: en rond de hooibergen ... een farandole van oogsters ... in het midden een jong stel: vrije liefde!”

– Dimanche au Bord de la Mer), Paul Signac, 1895-96.

Matisse doet dat op zijn manier.

Bonheur de Vivre, Henri Matisse, 1905-1906. 1,74m x 2,38m

Dit immense doek, waarvan de personages geïnspireerd zijn op Les Baigneuses van Cézanne, wordt slecht ontvangen door de critici. Felix Feneon vindt dat “Matisse de plank misslaat … nutteloos, niet te volgen” en bekritiseert hem om zijn kleuren die niets met de werkelijkheid te maken hebben, en zijn witte, lege figuren. Het schilderij wordt gekocht door Léo Stein, maar vanaf 1913 is het niet meer te zien. Het komt terecht in privécollecties, totdat de Barnes Foundation het verbiedt te reproduceren (alleen in zwart-wit tot voor kort, voor dat financiële problemen hen liberaler maakten). Maar dit schilderij, dat bij de familie Stein tentoongesteld werd, werd vaak door Picasso bekeken. Hij zag het als een uitdaging, aangezien hij zich niet op zijn gemak voelde met grote formaten. La famille de saltimbanques (1905, National Gallery of Art, Washington) is een ontroerend schilderij waar Rilke en Apollinaire dol op waren. La Joie de vivre van Matisse is de eerste van twee mijlpalen die aanleiding waren voor de uitdaging van Les Demoiselles d’Avignon. Paul Delvaux zag het intiemer in 1937.

La Joie de Vivre, Paul Delvaux, 1937.

In het kunstwerk toont Delvaux een vrouw die een man omhelst. Het paar, dat dicht bij elkaar staat in een slecht verlichte kamer, roept een gevoel van intimiteit en surrealisme op. De intense blik van de vrouw contrasteert met de verder alledaagse omgeving. Een open raam op de achtergrond onthult een weelderige tuin met hoge planten, waardoor een intrigerende tegenstelling ontstaat tussen het interieur en de levendige buitenwereld. Dit bijzondere landschap draagt bij aan de surrealistische sfeer die kenmerkend is voor het werk van Delvaux. Bovendien is er een eenzame figuur te zien in de tuin, zittend te midden van de vegetatie, wat verder bijdraagt aan het raadselachtige en dromerige karakter van het werk. De doordachte compositie en de nauwgezette aandacht voor detail tonen Delvaux’s meesterschap in het samenbrengen van het gewone met het buitengewone. (Artchive)

Pierre Bonnard. De eetkamer op het platteland 1913

In 1912 kocht Pierre Bonnard een landhuis genaamd Ma Roulotte (‘Mijn Caravan’) in Vernonnet, een klein stadje aan de Seine. Dit schilderij toont de eetkamer van het huis, met katten die op de stoelen zitten en Marthe de Méligny, de vrouw van de kunstenaar, die op de vensterbank leunt. Bonnard, die zichzelf beschouwde als ‘de laatste impressionist’, benadrukte in dit schilderij de expressieve kwaliteiten van heldere kleuren en losse penseelstreken. Hij verbond het interieur met het exterieur door de open ramen en deuren, en bracht de vormen met elkaar in verband door ze in verwante tinten te baden. In tegenstelling tot de impressionisten schilderde Bonnard echter volledig uit zijn geheugen. En net als de symbolisten wilde hij dat zijn werken zijn subjectieve reactie op het onderwerp weerspiegelden.”

Van Gogh Opengeslagen Bijbel 1884

Stilleven met open bijbel, voltooid in 1885, enkele maanden na de dood van zijn vader, met wie hij een stormachtige relatie had. Op een gedekte tafel ligt een grote familiebijbel open bij Jesaja 53, hoewel de tekst onleesbaar is. Rechts van de bijbel staat een kandelaar waarvan de vlam is gedoofd, terwijl op de voorgrond een exemplaar ligt van Emile Zola’s roman ‘Joie de Vivre’ (“Vreugde van het leven”) uit 1884. De opgebrande kaars werpt geen licht op de bladzijden van de bijbel, maar vanuit een andere bron schijnt een gloed op en vanuit de hedendaagse roman. (ArtWay 8.8.21)

Pablo Picasso, Visage de femme (Woman’s Face) (A.R. 220), 1953. 

Naarmate Picasso meer vertrouwd raakte met het medium, begon hij een esthetiek te ontwikkelen die het midden hield tussen schilderkunst en beeldhouwkunst. Hij creëerde originele beelden in droge kleimallen, waarna hij het ontwerp overbracht naar verse klei. Deze werken dragen het merkteken ‘Empriente Originale de Picasso’ of ‘Edition Picasso’, dat keramiek identificeert dat is gemaakt met een geheel nieuwe techniek die uniek is voor Picasso. Deze uitvinding getuigt van de open houding van de kunstenaar ten opzichte van experimenteren, waarbij hij traditionele methoden volledig onderuit haalde en een persoonlijke dimensie aan zijn keramische werken toevoegde. (Philips Auctions LLC)

Ernst Josephson (1851-1906) Zweden, Livsglaeden, 1887 (Levensvreugde)

⁤In het laatste deel van zijn leven leed Ernst Josephson aan een psychische aandoening, zijn artistieke stijl beïnvloedde en bijdroeg aan wat later zou worden aangeduid als “sjukdomskonst” (of “ziektekunst”). ⁤⁤In deze periode vond een verschuiving plaats naar een meer spontane, minder beperkte vorm van expressie, wat leidde tot werken die rauw, krachtig en zeer persoonlijk waren. ⁤⁤Deze kunstwerken geven inzicht in de innerlijke worstelingen van de kunstenaar en worden beschouwd als belangrijk in de context van de moderne Zweedse kunst. ⁤⁤Josephsons nalatenschap ligt niet alleen in zijn thematische en stilistische bijdragen, maar ook in de manier waarop zijn persoonlijke uitdagingen zijn artistieke visie hebben beïnvloed en hervormd. (seum.se)

silhouette of keys
Photo by Ismaeel Zakariya

De deur op een kier? Elkaar binnen laten in de geschiedenis waar het onderwerp ‘joie de vivre’ zijn weg zocht tussen dromen en kwellingen. Wij zijn niet alleen, dat ervaar je wel in de dromen van de kunstenaars die met hun werk ons troosten, sterken en met de tijd blijven verbinden.

Lees ook:

“Karakterkoppen?” Franz Xaver Messerschmidt

Van 31 oktober 2025 tot 6 april 2026 kun je in het Belvedère Museum te Wenen naar een merkwaardige tentoonstelling gaan kijken ‘Franz Xaver Messerschmidt “More Than Character Heads”. (Mehr als Charakterköpfe”)

Franz Xaver Messerschmidt (1736 –1783) is presented as an artist at a cultural and political turning point in history. His portraits of members of the court and the aristocracy, scholars, scientists, and writers offer an insight into the social structures o f his day. Furthermore, his now iconic “Character Heads,” which he started working on in 1770, are also interpreted as a phenomenon of their time.

Franz Xaver Messerschmidt_Sogenanntes Selbstbildnis lachend_um 1777–83.jpg

Franz Xaver Messerschmidt werd geboren in 1736 in Wiesensteig, Zuid-Duitsland. Hij volgde een opleiding tot beeldhouwer bij zijn ooms, Johann Baptist Straub in München en Philipp Jakob Straub in Graz. Daarna studeerde hij aan de academie in Wenen. Messerschmidt begon te werken als een onafhankelijke beeldhouwer in 1760; kreeg opdrachten van de aristocratie, de keizerlijke familie evenals van middenklasse klanten. Rond 1770 begon hij aan zijn inmiddels beroemdste stukken: de zogenaamde ‘Karakterkoppen’. Nadat hij was gepasseerd voor de functie van professor aan de academie, verliet hij Wenen in 1775 en vestigde zich, na een verblijf in Wiesensteig en München, in Bratislava, waar hij in 1783 stierf, nauwelijks 47 geworden.

Exhibition view “Franz Xaver Messerschmidt. More Than Character Heads”, Lower Belvedere
Photo: Johannes Stoll / Belvedere, Vienna

In München opgegroeid waar hij leerling was van zijn oom Johann Baptist Straub en Ignaz Grüber, studeerde aan de academie van de beeldende kunsten, en werd daarna ‘ciseleur’ bij het Keizerlijk Arsenaal en door Maria Theresia van Oostenrijk benoemd tot hof-beeldhouwer. Was in Rome op studiereis en daarna hoogleraar aan de academie in Wenen. Daar werd hij ‘gepasseerd’ voor de functie ‘hoofd van de beeldhouw-afdeling’ en begon in 1769-70 wat hij later zijn karakter-koppen zou noemen. (klik op foto om te vergroten)

De titel van dit voorbeeld hierboven van één van deze ‘karakterkoppen’: ‘Een schijnheilige en een lasteraar’. (1770-1783) (37 x 24.4 x 29.5 cm, 11.3399kg) Tinlegering.

Messerschmidt Franz Xaver, de belangrijkste beeldhouwer aan het hof van Wenen in de jaren 1760, werd om persoonlijke en professionele redenen gedwongen naar de provincie te vertrekken en vestigde zich in 1777 in Pressburg (het huidige Bratislava). Daar concentreerde hij zich op een privécollectie van hoofden, waarvan hij er meer dan zestig voltooide in zijn favoriete materiaal, een tin-legering of albast.

Hoewel hij de artistieke traditie van het onderzoeken van gezichtsuitdrukkingen en emoties erkende, waren deze Kopfstücke, of hoofd-stukken, zoals hij ze noemde, zeer origineel door hun combinatie van realisme en abstractie. Bezoekers van zijn atelier zagen hoe de kunstenaar zichzelf in een spiegel bestudeerde. Sommige hoofden zijn rechttoe rechtaan zelfportretten, glimlachend of fronsend; andere zijn satirisch of komisch, waarbij de geportretteerde reageert op een sterke geur of breed gaapt. Een paar, zoals deze, door een vroege criticus ‘weigeraars’ genoemd vanwege de manier waarop ze contact met hun omgeving ontkennen, zijn diep introspectief.

Franz Xaver Messerschmidt, “Character Head” nr. 25, 1771/83; persfoto door Johannes Stoll; met dank aan en © Belvedere, Wenen)

De betekenis van de serie is lang onderwerp van discussie geweest. De titels werden toegekend na de dood van de beeldhouwer, toen in 1793 negenenveertig werken werden tentoongesteld. Messerschmidt was op de hoogte van hedendaagse medische theorieën, zoals Johann Caspar Lavaters studie uit 1775 over de relatie tussen fysionomie en het menselijk karakter, en hij kende zeker zijn Weense buurman, de arts Franz Anton Mesmer, die geloofde dat uiterlijke zintuigen verbonden zijn met innerlijke emoties en die gerelateerde therapieën ontwikkelde om zijn patiënten te behandelen. Hoe men ze ook beoordeelt, de serie is uitzonderlijk in de achttiende-eeuwse beeldhouwkunst, stilistisch verdergaand dan het neoclassicisme naar een reductieve eenvoud, vooruitlopend op het moderne minimalisme, en psychologisch weergevend van seriële gemoedstoestanden in een project dat nieuw was voor de pre-Freudiaanse wereld. (The Met)

Simplicity of the highest degree”. N°9 of the “caracter heads”. Franz Xaver Messerschmidt, after 1770. Alabaster in Wien Museum Karlsplaz

Toen de schrijver Friedrich Nicolai hem in 1781 kwam bezoeken, presenteerde Messerschmidt het perfecte beeld van de artistieke balling. Hij had zijn bezittingen verkocht en woonde nu alleen in een ‘eenzaam huisje’ dat alleen was ingericht met ‘een bed, een fluit, een tabakspijp, een waterkan en een oud Italiaans boek over de verhoudingen van het lichaam’. Als decoratie hing in een raam ‘een tekening van een Egyptisch beeld zonder armen, waar hij altijd met bewondering en ontzag naar keek’.
Messerschmidts enige andere gezelschap, zo noteerde Nicolai, waren 60 van zijn eigen creaties: bustes van albast of dof grijs metaal. Vier daarvan waren volgens Nicolai ‘werkelijk bewonderenswaardige meesterwerken, zelfportretten in overeenstemming met de natuur’. Van zijn twee favorieten toonde de ene de kunstenaar zo hartelijk lachend dat zijn tanden, gehemelte en tong ‘tot aan de wortel’ zichtbaar waren; de andere toonde hem ‘zeer ernstig in de oude stijl’. Deze onthulden volgens Nicolai het genie van Messerschmidt. Alle andere vond hij gewoonweg verontrustend. ‘Men zag er echt in’, schreef hij, ‘welke ellende de menselijke kunst voortbrengt wanneer zij iets bovennatuurlijks tracht te creëren’. (Tim Smith-Laing. 2018)

Franz Xaver Messerschmidt. ”Een ondeugende grappenmaker’ (1777-83)
De Character Heads, zoals ze bekend zijn geworden, vormen nu de kern van wat latere generaties als het genie van Messerschmidt hebben gezien. De 49 bewaard gebleven bustes met wild vervormde gezichten, gemaakt tussen circa 1770 en Messerschmidts dood, zijn anders dan alle andere beeldengroepen die ooit zijn gemaakt. Sommige hebben hun kin en nek diep naar beneden gedrukt, alsof ze zich tussen hun sleutelbeenderen willen terugtrekken; andere strekken zich uit totdat de pezen zich spannen in krachtlijnen die zich lijken uit te strekken tot voorbij het slanke deel van het lichaam dat wordt weergegeven. Ze hebben allemaal even extreme als ondoorgrondelijke uitdrukkingen: elke rimpel is met onnatuurlijke precisie en diepte gegraveerd om een effect te creëren dat tegelijkertijd hyperrealistisch en volkomen onwerkelijk is.

(Tim Smith-Laing 2018)
From left: Childish Weeping, 1771–83, tin-lead cast; The Ill-Humored Man, 1771–83, lead-tin cast.

Bij het bezoek van Nicolai waren er 56 hoofden. Het plan was er 66 te maken. Daarvan zouden er 54 deel uitmaken van een onvoltooid project om de ‘vierenzestig variaties op de grimassen’ van het menselijk gezicht’ te verbeelden. Messerschmidt liet ook doorschemeren dat ze ‘de bovennatuurlijke zintuigen van dieren voorstellen’. Eens voltooid zou het een soort afweermiddel (een apotropaeon) tegen kwade krachten voorstellen (Oudgrieks: ἀποτρόπαιον / apotrópaion; “(onheil) afwerend”) die hem zouden stalken. Hierbij Second Beaked Head of ook het snavelhoofd.

(Klik hieronder op foto om te vergroten.)

Among the more extreme examples of this paradox is the Second Beaked Head, briefly described by Nicolai. This alabaster bust makes uncomfortably fleshy use of the stone’s veining and staining, and uncomfortably stony use of human features – in such a way that it almost flickers between the two as you look at it. Focus on the lower half, and it could be an anatomical model: as the neck cranes up, its sinews are drawn into tight lines that gradually blend into the iron oranges of the upper chest, exaggerated but recognisable. Stretch your own chin up and forward, and the same sinews appear, along with that smooth, fat wrinkle running round the back of the neck. The same realism appears in the tightly clenched eyes. But then the rest of the face, with its incised parallel lines on the cheeks, and the inhuman protrusion of the ‘beak’, belongs to impossibility. (Apollo 2018)

Een van de meer extreme voorbeelden van deze paradox is de Second Beaked Head, kort beschreven door Nicolai. Deze albasten buste maakt op een ongemakkelijke manier gebruik van de aders en vlekken in de steen en op een ongemakkelijke manier gebruik van menselijke trekken – op zo’n manier dat het bijna heen en weer flikkert tussen de twee als je ernaar kijkt. Als je je concentreert op de onderste helft, zou het een anatomisch model kunnen zijn: terwijl de nek omhoog steekt, worden de pezen in strakke lijnen getrokken die geleidelijk overgaan in de ijzeren oranje tinten van de bovenborst, overdreven maar herkenbaar. Strek je eigen kin omhoog en naar voren, en dezelfde pezen verschijnen, samen met die gladde, dikke rimpel die rond de achterkant van de nek loopt. Hetzelfde realisme komt terug in de strak samengeknepen ogen. Maar de rest van het gezicht, met zijn ingekerfde parallelle lijnen op de wangen en de onmenselijke uitstulping van de ‘snavel’, behoort tot het onmogelijke.

Al lijkt het in profiel een karikaturale sarcastische grijs te hebben, schrijft Tim Smith-Laing, van voren lijkt het alsof het zijn lippen vooruitsteekt voor een kus. En dan die spanning van de nek? Is die spanning invasief of ontwijkend? Of beide? ‘Bekijk de buste goed en Messerschmidt’s beschrijving van geknepen door de geest begint logisch te worden, aldus de auteur van deze studie.

“Het is dan ook niet verwonderlijk dat veel interpretatoren van Messerschmidts hoofden door de jaren heen hun toevlucht hebben genomen tot waanzin als verklaring. Sinds het begin van de 20ste eeuw hebben kunsthistorici, artsen en psychologen Messerschmidt achteraf gediagnosticeerd met aandoeningen variërend van de ziekte van Crohn tot loodvergiftiging, narcisme en paranoïde schizofrenie. Het is echter onduidelijk wat het nut is van dergelijke diagnoses, behalve dat ze de sculpturen tot pathologie reduceren: een manier vinden om de karakterhoofden weg te redeneren door ze te beperken tot een wereld die buiten het rationele of interpreteerbare valt. (ibidem)”

Franz Xaver Messerschmidt, Character Head No. 21 (The Vexed Man), 1771–1783, The J. Paul Getty Museum, Los Angeles, CA, USA. (de gekwelde man)

Een van de meest boeiende bronnen van deze bijdrage kwam uit het apollo-magazine: The many faces of Franz Xaver Messerschmidt geschreven door Tim Smith-Laing 28 july 2018.
Messerschmidt’s Character Heads, in a lithograph of 1839 by Matthias Rudolph Toma. Österreichische Nationalbibliothek, Vienna

Voor de donkere dagen rond 11 november, het gedenken van een oorlog, het steeds ontstaan van nodeloze leegte

Ons Aller Zielen

white dandelion under blue sky and white cloud
Van Dale Rijmwoordenboek:  788 woorden beginnen met ziel

Een van de mooiste ‘zielen-woorden’ is “Allerzielen”. Ons aller zielen. Niet alleen voor die oude genitiefvorm, (van ons allen), maar omdat het ontdaan is van het hoogdravend wijsgerige en geen uitzonderingen toestaat. Het zijn wij allemaal. Zonder uitzondering. De katholieke kerk probeerde het nog een vagevuur-geurtje mee te geven maar in zijn ware betekenis zegt het wat het te zeggen heeft. Je kunt ermee over de dood springen, denk je, maar dat is noch verplicht of verboden. Je bent een ziel van in de moederschoot en die blijf je ook tot lang na je dood. Al kunnen vergeten zielen ook weer tot leven geschreven of geschilderd worden. De mens. Bewustzijn inbegrepen. Allerzielen. (Het is ook een boek van Cees Nooteboom. (1998))

Hans Op de Beeck. De bootman
All Souls' Day

Be careful, then, and be gentle about death.
For it is hard to die,
it is difficult to go through the door,
even when it opens.

And the poor dead, when they have left
the walled and silvery city
of the now hopeless body
where are they to go, Oh where are they to go?

They linger in the shadow of the earth.
The earth’s long conical shadow is full of souls
that cannot find the way across the sea of change.

Be kind, Oh be kind to your dead
and give them a little encouragement
and help them to build their little ship of death
for the soul has a long, long journey after death
to the sweet home of pure oblivion.
Each needs a little ship, a little ship
and the proper store of meal for the longest journey.
Oh, from out of your heart
provide your dead once more, equip them
like departing mariners, lovingly.

The Complete Poems of D. H. Lawrence with an introduction and notes by David Ellis, Wordsworth Poetry Library, 1994/2002.
Inuk-art Roger Aksadjuak, Death Boat, ceramic, 2008. Photo: Don Hall.
Allerzielen

Wees dus voorzichtig en ga zachtjes om met de dood.
Want het is moeilijk om te sterven,
het is moeilijk om door de deur te gaan,
zelfs als die opengaat.

En de arme doden, als ze eenmaal
de ommuurde en zilveren stad
van het nu hopeloze lichaam hebben verlaten,
waar moeten ze dan heen, o waar moeten ze heen?

Ze blijven hangen in de schaduw van de aarde.
De lange kegelvormige schaduw van de aarde is vol met zielen
die de weg over de zee van verandering niet kunnen vinden.

Wees vriendelijk, o wees vriendelijk voor uw doden
en geef ze een beetje aanmoediging
en help ze hun kleine schip van de dood te bouwen
want de ziel heeft een lange, lange reis na de dood
naar het zoete huis van pure vergetelheid.
Ieder heeft een klein schip nodig, een klein schip
en de juiste voorraad voedsel voor de langste reis.
O, vanuit je hart
voorzie je doden nogmaals, rust ze uit
als vertrekkende zeelieden, liefdevol.

The Complete Poems of D. H. Lawrence with an introduction and notes by David Ellis, Wordsworth Poetry Library, 1994/2002.
Sculpture
by Yladimir Slobodchikov (ArtParkS)

Het MSK, museum voor Schone Kunsten in Gent stuurde een bericht de wereld in, “Een whodunit voor Allerheiligen”. Dat bleek een nieuw bibliotheekstuk te zijn ‘Le Triomphe de la Mort’ uit 1780 en dat bestaat uit 47 gravures rond het thema van de dodendans..

"In deze prenten wordt de Dood voorgesteld als een geraamte dat mensen uit alle lagen van de samenleving komt ophalen. Achter de ontstaansgeschiedenis van het boek schuilt een fascinerend verhaal over de toenmalige kunsthandel en de jonge Rubens. (..)
Het thema van de dodendans stamt uit de woelige veertiende eeuw, toen de bevolking van West-Europa frequent met de dood geconfronteerd werd, onder andere door de pestepidemie. In de voorstellingen werden mensen eraan herinnerd dat de dood voor niemand een onderscheid maakt. Arm, rijk, oud of jong… iedereen wacht hetzelfde lot. (MSK)

Lees en kijk:

https://www.mskgent.be/focus/een-whodunit-voor-allerheiligen

Laten we zachter eindigen, ons aller zielen verkeren graag in de luwte van de verbinding. Onze onwetendheid over elkaar is groot. Weinigen passen in de voorziene hokjes. Wij zijn elkaar nabij, dat is een zekerheid. Over de dood heen. In de bevende lichtjes, de bloemen en de data waarin een ‘van-tot’ de duizend werkelijkheden uit een voorbij leven denkt samen te vatten. De ontelbare kleine geschiedenissen, de verlangens en mislukkingen, ook daarin verschillen ons aller zielen niet zo veel. De verbindingen. Tot ver voorbij het graf.

Gabriele Münter. ‘Ontbijt van de vogels’
Het ruimen van het graf
In memoriam matris (1 november 1990)

Dat uw gebeente werd verzameld,

uw bekken dat mijn slaapplaats was,

het hoofd dat zong en heeft gestameld

dat ik uw allerliefste kindje was.

Uw armen waarin ik woonde,

uw schouderblad waarop ik sliep,

uw vingers die de wereld toonden,

uw stem waarop ik angstig riep.

Dat uit uw dodenwieg geschud,
gij in de aarde moet verdwalen.

Verschuil u dan in mij en stut

mijn woorden in al uw moedertalen.

gmt
Dit schilderij is een zelfportret van de kunstenares Chie Fueki, getiteld “Painting” (2023). Het werk is gemaakt met acryl, email, grafiet en kleurpotlood op moerbeipapier op hout