Van canon naar praktijk

In Berthen, een klein dorpje in Frans-Vlaanderen, ontmoet Jeroen Meus vier oudere broers die nooit getrouwd zijn en nog steeds samen op de ouderlijke boerderij wonen. De Verbaeres pakken het huishouden aan zoals ze dat geleerd hebben in hun kindertijd. Tussen de soep en de aardappelen geven ze Meus hun unieke kijk op het leven mee. In deze aflevering komen ook de kippen op de boerderij ter sprake, in meer dan één betekenis.

‘De mooiste televisie uit mijn nochtans goed gevuld beeldrijk geheugen. Via DailyMotion vonden we nog enkele afleveringen. Bekijk rustig in groot beeld de tweede aflevering, en als je verder wil, de derde komt gewoon na nummertje twee. Het is dan ook televisie van het allerhoogste gehalte terecht met de prix Europe bekroond. Verwacht geen vervlogen heimwee naar vroegere tijden, integendeel. Actueler dan dit uniek verslag van het alledaagse nu kan haast niet. (Even zijn er enkele seconden zwart na enkele minuten, maar geen nood, de aflevering loopt gewoon verder. (Met dank aan de gene die deze afleveringen op DailyMotion heeft bijgehouden, ook een liefhebber van Blokken zoals blijkt.)

Bovendien is er het beeld, de muziek, het talent van Jeroen en zijn deze vier mannen er. Er zit zoveel meer in hen dan in dit stukje en we kunnen nooit beschrijven wie ze zijn, hoe ze zijn, wat ze zeggen en hoe ze dat zeggen. Etienne op sleffers, Ignace op Nikes en Daniël zie je in de kast op een foto bij zijn fiets: “Het was zo’n prachtige dag toen hij vorig jaar op een ochtend zei dat hij naar Santiago de Compostella vertrok”, zegt Etienne. “En toen hij later terugkeerde, hebben we de klok geluid.”  (De Morgen 4 april 2017)
Aurora Salvador Dali
 
 
Ode aan Salvador Dalí (fragment)
Federico Garcia Lorca

O, Salvador Dalí, met je olijfgroene stem!
Ik zeg wat jouw persoon en schilderijen me zeggen.
Ik prijs niet je onvolmaakte penseel van je jeugd,
maar bezing de trefzekerheid van je pijlen.
 
 Ik bezing je fraai gebruik van het Catalaanse licht,
 je liefde tot wat verklaard kan worden.
Ik bezing je astronomische en tedere hart,
als een Frans kaartspel geschud maar ongewond.
 
Ik bezing de standbeeldenzucht die je onverlet najaagt,
de angst voor emotie die je opwacht op straat.
Ik bezing de kleine sirene van de zee die jou bezingt
op haar rijwiel van koralen en schelpen.
 
Maar vooral bezing ik een gemeenschappelijk denken
dat ons in de donkere, gouden uren verbindt.
Het is niet de kunst die onze ogen verblindt.
Allereerst is het de liefde, de vriendschap, of het schermen.
 
Eerst, voor het schilderij dat je geduldig schetst,
de borst van Teresa, met haar slapeloze huid,
de dikke haardos van de ondankbare Matilde,
staat onze vriendschap geschilderd als een ganzebordspel.
 
Mogen vingerafdrukken van bloed op het goud
het hart van het eeuwige Catalonië doorstralen.
Mogen sterren als valkloze vuisten je verlichten,
terwijl je schilderkunst en je leven floreren.
 
Kijk niet naar de waterklok met vliesdunne vleugels,
noch naar de hardnekkige zeis van de allegorieën.
Kleed en ontkleed steeds je penseel in de lucht,
gekeerd naar de zon vol zeelieden en schepen.
 
1926
vertaling E. de Vries-Boveé

The Disintegration of the Persistence of Memory

"We worden uitgedaagd omdat we geloven dat horloges prachtig gemaakte, precieze mechanische objecten moeten zijn die een betrouwbare en consistente tijd bijhouden, maar hier zien we ze verwelkt en verwrongen - hoe vreselijk om te denken dat je een mooie Patek Philippe ref. 1518 Perpetual Calendar Chronograph  ziet smelten in je eigen dromen! 
Tijd was een concept dat Dalí in 1954 opnieuw zou bekijken in zowel zijn 'Melting Watch' als 'The Disintegration of the Persistence of Memory', maar het is zijn originele werk uit 1931 dat is blijven bestaan als de meest aangrijpende en gedenkwaardige voorstelling van tijd in de kunstgeschiedenis. Misschien is de blijvende aantrekkingskracht van het meest herkenbare schilderij van de meest invloedrijke surrealist toe te schrijven aan de universele relatie die we allemaal delen met tijd - het verstrijken en bijhouden van tijd is natuurlijk iets dat ons allemaal verbindt. "(The Hour Glass  Patek Philippe Geneve  Cultural Perspectives • 16 Mar 2020)

De tijd waarin we samenleven. En de bewondering van de dichter Lorca voor de schilder Dali, -bezing ik een gemeenschappelijk denken dat ons in de donkere, gouden uren verbindt-. Meer nog dan door de kunst door vriendschap. verbonden. Hoe de broers uit ‘Goed Volk’ in hun dagelijkse leven ook filosofisch de tijd in de seizoenen beleven, terwijl de dure horloges hier met naam genoemd zeker de zorg voor de tijd willen doorgeven maar vooral een waarborg voor de (financiële) status van de nieuwe bezitter moeten zijn.

Naast kinderen zijn dieren een geliefkoosd onderwerp in de publiciteit. Je weet wat je moet doen als je je eenzaam voelt. De verbinding (generation) blijkt net zo belangrijk.

Filosofe Martha Nussbaum stelde een lijst op met tien universele vermogens waarover elk mens zou moeten beschikken. Is het een ambitieus plan voor sociale groei, of een wilde utopische fantasie?
De lijst verscheen voor het eerst in haar in 2000 verschenen ‘Women and Human Development’. Hij wordt uitvoeriger vermeld in ‘Gerechtigheid voor dieren’. ‘De 10 centrale menselijke vermogens zijn, in verkorte versie:

  1. leven en levensduur – in staat zijn een leven van normale lengte te leiden.
  2. lichamelijke gezondheid – in staat zijn een goede gezondheid te hebben, met adequate voeding en huisvesting.
  3. lichamelijk integriteit – in staat zijn vrij te bewegen, te leven zonder geweld.
  4. zintuigen, voorstellingsvermogen en gedachten – in staat zijn deze te gebruiken, in te zetten, onderwijs te genieten.
  5. emoties – in staat zijn te kunnen hechten aan dingen en mensen.
  6. praktische rede – in staat zijn tot een voorstelling van het goede en kritische reflectie over de eigen levensplanning.
  7. erbij horen – in staat zijn met anderen te leven en deel te nemen aan sociale interactie, en met waardigheid behandeld worden.
  8. andere wezens – in staat zijn met dieren, planten, natuur te leven en ervoor te zorgen.
  9. spelen – in staat zijn te lachen, spelen, recreëren.
  10. controle over je omgeving – in staat zijn tot politieke participatie, arbeid en bezit.

(uit: Social Research & Journalism)

HET LICHAAM TERUGEISEN

dyn001_original_450_300_jpeg_20344_a650e94e099217188a1ea56909cf0a99

Whitmans dubbele taak bestaat erin de mensen weer belangstelling en liefde bij te brengen voor het bloed, de ingewanden en de botten waaruit zij bestaan, en hij wil de seksuele begeerte weer tot middelpunt maken van de verklaring van ethische waarde.

Die twee taken staan met elkaar in verband.
Seks richt de aandacht op de stof waaruit het lichaam bestaat en als die stof iets walgelijks is wordt seksuele belangstelling iets heimelijks en gemengd met schaamte.

‘Daarentegen wordt de seksualiteit met schoonheid bezield door de gedachte dat bloed en ingewanden een groot wonder en mysterie zijn, nauw gekoppeld aan de meest waardevolle vorm van betrokkenheid en liefde.’ (Nussbaum)

In de gedichten van het gedeelte Children of Adam geeft Whitman zichzelf weer als Adam voor de zondeval en hij nodigt in taal van nobele eenvoud de lezer uit om de aanvaarding en het genot met hem te delen.

dyn001_original_475_560_jpeg_20344_744e04a640cfbf4c1e30035acd313531

Als Adam vroeg in de morgen
Te voorschijn stappend uit het prieel, verfrist door slaap
Aanschouw me waar ik langskom, hoor mijn stem, kom dichterbij.
Raak me aan, leg je handpalm op mijn lichaam als ik langskom
Wees niet bang van mijn lichaam.

Merk op, zegt Nussbaum dat het er niet toe doet of de lezer een man of een vrouw is, en zelfs niet of de aanraking van de lezer al dan niet specifiek seksueel getint is.
Het middelpunt van het tafereel is het liefdevol accepteren van het vlees en van de onschuld van het vlees.
In Eden is er geen schaamte over welk lichaamsdeel dan ook, geen angst voor aanraking.

Het gedicht verbindt deze afwezigheid van schaamte op een wat raadselachtige manier met het openlijk accepteren van Adam als persoon.

Centraal in Whitmans tegenkosmologie van het lichaam staat het opmerkelijke gedicht ‘I Sing the Body Electric’ waarin hij de Aristotelische stelling onderschrijft dat het lichaam de ziel is, dat het lichaam een gedicht en onderwerp van gedichten is.

O mijn lichaam! Ik wend me niet af van jouw gelijkenis in andere mannen en vrouwen, noch van de gelijkenis van jouw delen.
Ik geloof dat jouw gelijkenissen staan of vallen met de gelijkenissen van de ziel
(en dat ze ziel zijn)
Ik geloof dat jouw gelijkenissen staan of vallen met mijn gedichten en dat ze mijn gedichten zijn.
Gedichten van man, van vrouw, van kind, van echtgenote, van echtgenoot, van moeder, van vader, van jonge man of jonge vrouw.
Hoofd, hals, haar oren, lel en schelp van de oren.
Ogen wimpers, iris, wenkbrauwen, en de open of geloken oogleden,
Mond, tong, lippen, tanden, verhemelte, kaken en kaakgewricht,
Twee sterke dijen, de tors erboven goed dragend,
Beenspieren, knie, knieholte, bovenbeen, onderbeen,
De longblaasjes, de maagwand, de darmen, zoet en schoon,
De hersenen gevouwen in de schedelpan,
De stem, articulatie, taal, fluisterend, luid schreeuwend,
Voedsel, drank, hartslag, spijsvertering, zweet, slapen,lopen, zwemmen,
Zitten, springen, leunen, omarmen, armen buigen en strekken,
De voortdurende veranderingen in de spanning rond mond en ogen,
De huid, de zonverbrande schaduw, sproeten, haar,
Het eigenaardige gevoel dat je krijgt als je met je hand het naakte vlees van het lichaam aanraakt,
De dunne rode gelei in jou en in mij, de botten en het merg in de botten,
Het verrukkelijk besef van gezondheid;
O! Ik zeg dat niet alleen de delen en gedichten van het lichaam zijn, maar van de ziel,
O! Ik zeg nu dat deze de ziel zijn!

(hier en daar fragmenten weggelaten)

dyn001_original_403_512_jpeg_20344_500de7ada438816b1e6c7a994a00f691

De traditionele metafysici, zegt de dichter, kennen het gevoel niet dat je krijgt als je met je hand het naakte vlees van het lichaam aanraakt, en als ze het kennen hebben ze het rigoureus geschrapt uit hun analyse van de menselijke liefde.
En ze haasten zich de kunst los te koppelen van het ervaren van het gewicht van het lichaam, en allen bewaren ze afstand tot de soms komische en wat onhandige maar zo charmante opsomming die de dichter in zijn tekst geeft.

Maar, zegt Whitman, dat wil dus ook zeggen dat ze de ziel ontwijken, want al onze daden zijn daden van het lichaam en al onze kunst is naakt vlees en al onze betrokkenheid is bloed.

Het valt op hoe hij zich afzet tegen de schaamte.
Hij treedt naar voren zoals hij is.
En het lichaam kijkt met belangstelling en vreugde naar het lichaam van andere mannen en vrouwen.

Zo worden hier ook delen van het lichaam die meestal niet mooi worden gevonden toch als mooi ervaren: longen, darmen, maag, en de dunne rode gelei, ze maken deel uit van de menselijke gezondheid en dat alles moet bewonderd worden naast het golvend haar en de gespierde dijen.

In het zachte en organische ontdekt het gedicht ‘een elektrische’ vitaliteit en dynamiek.

Het politiek belang van dit in ere herstellen van het lichaam is volgens Whitman groot want het lichaam is uiteindelijk de basis van de gelijkheid van mensen.

Heb je ooit het lichaam van een vrouw bemind?
Heb je ooit het lichaam van een man bemind?
Besef je niet dat deze precies hetzelfde zijn in alle naties en alle tijden in de hele wereld?

Dit verhaal staat vlak naast het verhaal over de slavenveilingen.
De les is duidelijk.

En als we onze liefde en betrokkenheid niet alleen op het lichaam richten maar ook op onze geslachtsdelen, verschaft ons dat nog een kritisch inzicht: we zullen volgens Whitman beseffen dat vrouwen even waardevol zijn als mannen.
Vrouwenhaat, zegt hij herhaaldelijk, komt voort uit walging voor onze geslachtsdelen en seksuele handelingen en dat leidt er toe dat we iemand de schuld willen geven die ons tot dergelijke handelingen aanzet.
Het vrouwelijk lichaam werd daarom als onzuiver en onrein beschouwd, als oorsprong van onze zondigheid.
Als we echter denken op de manier waartoe Whitman aanspoort, dan zien we niet langer de vrouw als vlees en de man als geest, maar zien we hen als mensen die elkaar aanvullen in een democratisch proces dat zowel lichaam als geest omvat.

En in 2007, zijn we dan al verder geëvolueerd?
En kunnen deze kostbare gedachten ons helpen onze inzichten omtrent dezelfde materie opnieuw te verdiepen?

Wordt vervolgd, hoe dan ook.


OP ZOEK NAAR HET VERLOSSEND WOORD

notebook2

Na studie van het nieuwe en antieke, van Griekse en Duitse stelsels,
Na studie en verklaring van Kant, van Fichte en Schelling en Hegel,
De traditie van Plato bekeken, en Socrates groter dan Plato,
En groter dan Socrates gezocht en bekeken, de goddelijke Christus lang bestudeerd,
Zie ik in het heden herinneringen aan die Griekse en Duitse stelsels,
Zie ik in al die filosofieën, in de christelijke kerken en leerstellingen, zie ik,
Toch zie ik onder Socrates duidelijk en zie ik onder Christus de goddelijke,
De liefde van de mens voor zijn makker, de aantrekking van vriend tot vriend,
En van de keurig getrouwde man en vrouw, van kinderen en ouders,
Van stad voor stad en van land tot land.

Dit fragment uit zijn gedicht ‘The Base of All Metaphysics’ zet de toon.
Net zoals Mahler die alle boeken doorzocht, de bijbel bestudeerde om ‘het verlossende woord’ te vinden, komt Whitman tot de bedenking dat hij de woorden van liefde zelf moet bedenken.

Belangrijk bij een filosofische of godsdienstige leer is niet het gezag van de bron ervan, maar de kwaliteit van de liefde die de inhoud van de leer is, zegt Nussbaum treffend.

Een besluit zou kunnen zijn dat het enige echt belangrijke de liefde van mensen is en je eigen vermogen om die liefde te uiten en te beleven.

Hij gaat dus aan de slag om zijn eigen tegenstelsel van liefde te scheppen waarin tot uiting zal komen wat hij als werkelijke grondslag van de godsdienstige metafysica beschouwt.

Hij treedt in de voetsporen van de kosmologische geschriften van Grieken en de christelijke filosofie en probeert een democratische tegenkosmos te scheppen waarin de hiërarchie van zielen is vervangen door het democratisch lichaam van de Verenigde Staten, dat hij het grootste gedicht noemt.

Walt Whitman, een kosmos, zoon van Manhattan,
(…)Geen sentimentalist, geen verheffer boven mannen en vrouwen, niet afgescheiden van hen,
In mij neemt de streler van leven waar ik ook ga, achterwaarts en voorwaarts kerend,
Afbuigend naar plaatsen opzij en lager gelegen, niets en niemand missend,
Alles in zich op voor mijzelf en dit lied.

Dit wordt dus de tegenkosmos: het eindige sterfelijke individu, democratisch burger, gelijk aan en met anderen, die de wereld in zichzelf bevat dankzij zijn levendige verbeeldingskracht en zijn meelevende liefde.

Ook de poëzie is democratisch door haar vrijheid van vorm en regel, door woorden op te nemen die men als ongepast zou benoemen als men het heeft over ‘de waardigheid’ van de literatuur.

Hij kijkt ook niet neer op de religieuze bronnen van liefde.
‘Ik veracht jullie priesters niet, schrijft de dichter.
Het geloof van de dichter is het grootste geloof en het kleinste geloof.

De godsdienst is zijn aanspraak op gezag kwijtgeraakt, dus wil de dichter filosofie en godsdienst opnieuw onderzoeken.
Je zult niet langer dingen uit de tweede of derde hand aannemen, vertelt hij de lezer, en evenmin zul je kijken door de ogen van doden of je voeden met spoken uit boeken.
En om zichzelf te relativeren en zich niet op te werpen als een nieuw pseudo-religieus gezag vertelt hij dadelijk:

Evenmin zul je door mijn ogen kijken, of dingen van me aannemen,
Je luistert naar alle partijen en zeeft ze dan uit in je ziel.’

Een ander belangrijk punt is dat religie niet langer een transcendentie van onze sterfelijke toestand moet beloven.
God wordt voorgesteld als iets wat in de wereld en de energie die daarin besloten ligt, en in een bepaalde passage zelfs als een erotische partner van de dichter’.

Er is alleen maar leven dat zich vernieuwt, en de enige continuïteit is voor de mens de continuïteit van de natuur en de menselijke beschaving.

En tenslotte bevestigt de poëzie het lichaam en de seksualiteit daarvan als geen van de andere besproken vormen van liefde.
Seks is een belangrijk kenmerk in de tegenkosmologie van Whitman.

En Nussbaum legt de vinger op de wonde:

Volgens mij is een van de grote vragen die zijn poëzie opwerpt, een van de hardnekkige struikelblokken voor een goed begrip en volledige acceptatie, nog steeds waarom dit thema zo centraal staat.
Waarom denkt Whitman dat een nieuwe houding tegenover seks en het lichaam een rol speelt bij het oplossen van de problemen met hiërarchie en rassenhaat?’

We zullen in een volgende bijdrage het antwoord niet uit de weg gaan.


KWETSBAARHEID ALS THEMA, EEN TUSSENSTOP

image-2761

In 1986 wordt Martha Nussbaum op slag beroemd met haar boek The fragility of goodness’, een boek over de menselijke onmacht in de creatie van geluk en goedheid, zoals Simone van der Berg dat zo mooi zegt in haar artikel over haar in ‘Denkers van Nu. (Veen magazines B.V. Diemen, 2005)

Nussbaum sympathiseert sterk met de ethiek van Aristoteles die het over een grote variëteit van onderwerpen heeft, dus tegen Kant en Plato en hedendaagse volgelingen want daarin zijn moraal en kwetsbaarheid onverenigbaar.

‘Wat wij als goed ervaren is niet altijd te plannen.’
Vaak valt ons bij verrassing iets goeds ten deel, of valt het juist toevallig weg zonder dat we er iets aan kunnen doen.
Ethiek moet deze aspecten van het leven niet negeren, sterker nog: dat verlies is zelfs de kern waarom haar ethiek draait.

De ethiek noemt ze ’technè’, een klassiek Grieks begrip dat je nu als ‘ambacht’ of ‘kunst’ zou kunnen vertalen: dingen die door mensen worden bedacht en door hen worden voortgezet.

‘Tuchè’ daarentegen zou je met ’toeval’ kunnen vertalen.
Het woord verwijst naar alles wat effect heeft op het leven van mensen zonder dat zij zelf er controle over kunnen op uitoefenen.

Kou, noodweer, ziekte, voedselgebrek of een nachtmerrie zijn enkele voorbeelden van tuchè.
Technai (meervoud van technè) zijn dan huizenbouw, weersvoorspelling, geneeskunde, landbouw, jacht en droomduiding en bevatten een vorm van kennis die mensen weerbaar maakt tegen de effecten van tuchè op hun leven.

Ethiek is dus een manier om onszelf te beschermen tegen beschadiging, en juist daarom is ze ook noodzakelijk.
En deze behoeftigheid is bij Nussbaum niet per se een negatieve toestand: onze meest gewaardeerde technai komen eruit voort.

‘Onze kwetsbaarheid en onze behoeften zijn dus ook de oorsprong van datgene waarop we het meeste trots zijn, de ethiek incluis.’ aldus Simone van der Berg.

Plato dacht dat de mens zich kon immuun maken voor kwetsbaarheid.
Met behulp van de tragediën identificeert Nussbaum drie bronnen van kwetsbaarheid waarop de ethiek zich richt.

Pluraliteit van waarden, passies en hechting.

Die kwetsbaarheidsbronnen zijn herkenbaar voor iedereen mits we er aandacht aan besteden.

dyn002_original_421_580_jpeg_20344_4bedf803dc2d742c47501c417a41f4db

Het risico van hechting maakt het al vlug duidelijk: de persoon waaraan we ons hechtte kan emigreren, in de gevangenis belanden, doodgaan of op een ander vallen.

We kunnen ons ook aan bezittingen hechten die kunnen gestolen worden, of verbranden.
Hechting maakt ons dus kwetsbaar: ze maakt het slagen van ons levensplan afhankelijk van factoren die we niet zelf in de hand hebben.

Bij de pluraliteit van waarden komen we misschien voor een dilemma te staan.
Zal ik mijn vriend verraden die mij een geheim toevertrouwde als dit voor de wet ‘medeplichtigheid’ zou betekenen?
Zo kun je geen gastvrije vriend zijn en tegelijkertijd iemand die de deadlines moet halen om voor Artsen zonder Grenzen te werken en in te staan voor je zieke ouders.

Maar ook de passie is een zelfstandige bron van kwetsbaarheid.
De bestuurbaarheid daarvan is beperkt en in sommige gevallen totaal afwezig: het ontbreken ervan is soms even raadselachtig als het moment dat ze zich in alle hevigheid opdringen.

Met zoveel kwetsbaarheid voor de boeg zou je je toch bij Plato’ s ideeën kunnen aansluiten (of die van Spinoza).
Plato wil zich immuun maken voor kwetsbaarheden. Hun belang negeren.
Dat is ook nu een bekend fenomeen.

Zijn ethisch perspectief overstijgt de menselijke werkelijkheid.
In het dagelijkse leven waarderen mensen allerlei dingen die voor Plato geen waarde hebben: zij willen liefde, vrienden, raken aan een huis gehecht, en nemen hun passies serieus als wegwijzers op de levensweg.
Maar al deze objecten kunnen we ook kwijt geraken, en daarom keurt Plato ze af.

‘Het oog van onze menselijke ziel ligt normaal begraven in ‘barbaars’ slijm en dat ontneemt ons het uitzicht op het goede.’

We moeten volgens hem onze ziel instrueren anders te kijken.
Daarvoor heb je een geleidelijk ontwikkelingsproces nodig waarin je onthecht raakt en leert streven naar veiliger hartstochten zoals kennis en waarheid.

Je voelt duidelijk dat het Christendom niet geheel onbekend was met deze platonische wijsheden!

Nussbaum begrijpt Plato maar keurt zijn denkwijze af.
Immers op die manier kun je niet compassioneel zijn, kun je geen mededogen opbrengen.
Socrates komt tevoorschijn als een mens die boven de werkelijkheid staat.
Hij heeft het nooit koud, hij kan drinken zonder dronken te worden, kent geen passies, heeft geen bezit.
Hij is het summum van de onkwetsbare.

Nussbaum verwacht weinig medeleven van iemand als Socrates.
Als wij zelf de ethiek vormen als een technè dan kunnen we haar ook naar eigen goeddunken wijzigen.
Nussbaum komt op voor een ethiek waarin we dit inlevingsvermogen moeten kunnen waarderen en stimuleren.
Deze ethiek negeert de bronnen van de kwetsbaarheid niet.
Kwetsbaarheden geven ons namelijk belangrijke informatie over dat wat we goedkeuren.
Daarom richt zij zich naar Aristoteles die deze bronnen niet elimineert, hij geeft ze integendeel een centrale plaats.
Zijn ethisch onderzoek start hij vanuit het perspectief van het dagelijks leven.

En dan zijn we terug waar we gisteren zijn aangeland, bij de emoties.


Deze bijdrage was een redactie van Simone van der Burgs artikel in het reeds geciteerde boek.

De schilderijen zijn van de Amerikaanse kunstenares Jennifer Balkan (1970)


Jennifer Balkan – Poof (left) – Slipping away (right),

Scientific Approach Consolidated with Artistic Spirit

Although she has been drawing all her life, painting became her full-time occupation in 2001. She studied behavioral neuroscience at Lehigh University in Pennsylvania and received Ph. D in sociology from the University of Texas. Though she had an intellectual satisfaction and professional confirmation, she all the time craving for creative expression. In 2002. she finally decided to quit her job and take painting lessons. Her education has a crucial influence on her painting. With the vocational and scientific approach to her subjects, Balkan reveals the development of its interpersonal behavior. Her work has been exhibited in galleries all over The United States and internationally. Active in conducting workshops, Balkan also work as a teacher of figurative oil painting in her studio. (Widewalls Susan Wang 2016)