Wat hang ik aan de muren van de kamer?

Walt Whitman (1819-1892). Library of Congress

Het was deze historische foto van de Amerikaanse dichter Walt Whitman die het artikel van Elisa New in de New York Times van 6 juli ll. opende. (‘Walt Whitman would have hated this’). Onder de foto een vers uit 1865 van de dichter uit “When Lilacs last in the Dooryard Bloom’d “

 "O what shall I hang on the chamber walls?
And what shall the pictures be that I hang on the walls,
To adorn the burial-house of him I love?"
"Wat zal ik aan de muren van de kamer hangen?
En welke schilderijen zal ik aan de muren hangen?
Om het graf van hem die ik liefheb te versieren?"
"Ik moest dit voorjaar aan Whitman denken toen we zagen hoe de regering Trump en haar ministerie van Overheidsefficiëntie de culturele infrastructuur van de natie afbraken. Deze roekeloze en kortzichtige bezuinigingen hebben onze bibliotheken en musea getroffen, onze publieke media-instellingen, onze lokale raden voor de kunsten en geesteswetenschappen en de langdurige schenkingen - waaronder de National Endowment for the Arts en de National Endowment for the Humanities - die de afgelopen 60 jaar voor financiering hebben gezorgd. 

Deze instellingen zijn de entiteiten die we hebben belast met het ophangen van foto's aan de muren van de nationale vergaderzaal; ze zijn opgericht om het principe te vertegenwoordigen en uit te voeren dat een groot land en een grote beschaving zelfbegrip nodig heeft en dat een dergelijk begrip niet voortkomt uit politici of toewijzingen van het Congres, maar uit blijvende werken van reflectie die verleden, heden en toekomst met elkaar verbinden."
(NY Times ibidem)

Als alternatief voor de brede financiering voor de kunsten en geesteswetenschappen heeft de heer Trump opdracht gegeven om een project te financieren, een beeldentuin uit te voeren , “Garden of Heroes” waarbij hij de namen van 250 mensen die hij levensgroot afgebeeld wil zien, evenals de materialen waarin ze mogen gegoten worden en de uitvoeringsstijlen die realistisch of klassiek maar niet abstract mogen zijn. Ook Walt Whitman komt in aanmerking. (NY Times ibidem)

Walt Whitman

Whitman werkte als verpleeghulp in Washington tijdens de Burgeroorlog en nadat hij ’s avonds laat de ziekenzalen had verlaten, liep hij soms achter de koets waarin een slapeloze Abraham Lincoln langzaam door de straten reed. De dichter hield van Lincoln en toch onthielden de “foto’s” die hij aanbood in antwoord op zijn eigen verzoek zich van schetsen of zelfs maar het noemen van Lincoln en vermeden ze elke vorm van heldenverering of portrettering. Whitman gaf de voorkeur aan een breder panorama en schreef over “foto’s” van groeiende lente en boerderijen en huizen” en “alle scènes van het leven en de werkplaatsen en de werklieden die huiswaarts keerden”.(ibidem)

Abrham Lincoln. 1865
The poet argued, above all, for American memory, and he knew that in the many years hence we would need songs and pictures of our history in all its variety, in all its ups and downs, its eras of heroism and its lesser moments, too. “What shall I hang on the chamber walls?” leads toward a beautiful abstraction, the ideal of a more perfect union. It’s an ideal that has always informed our greatest cultural institutions, the ones now being hobbled and slashed — an ideal for which many of the heroes who might reside in the proposed sculpture garden struggled, and for which we must continue to struggle together." (NY Times ibidem)

Foto door Mark Direen op Pexels.com
Lied van mezelf
(Vertaling: Jules Grandgagnage)

1.

Ik vier mezelf, bejubel mezelf,
en wat ik ontvang, ontvang jij ook,
want elk atoom in mij is ook van jou.

Ik slenter, en nodig mijn ziel uit,
Ik buig over een halm zomergras die ik op mijn gemak observeer.

Mijn tong, al de atomen van mijn bloed, gevormd door de aarde hier,
de lucht hier, mijn geboorte, hier, van ouders die hier zelf zijn geboren,
zoals de ouders van hun ouders voor hen,
Zevenendertig op deze dag, volmaakt gezond, begin ik,
In de hoop pas op te houden tot ik sterf.

Alle geloof verworpen, de scholen verworpen,
Afgezonderd van hen, ken ik nu hun juiste waarde, zonder te vergeten,
Ik verwelkom al het goede en het slechte,
laat het zich uiten, onbeperkt in pure energie.

Walt Whitman (uit de bundel 'Leaves of Grass', 1855)

Foto door Alex P op Pexels.com

De dichter pleitte bovenal voor het Amerikaanse geheugen, en hij wist dat we in de vele jaren daarna liederen en beelden nodig zouden hebben van onze geschiedenis in al haar verscheidenheid, in al haar ups en downs, haar heroïsche tijdperken en ook haar mindere momenten. “Wat zal ik aan de muren van de kamer hangen?” leidt naar een prachtige abstractie, het ideaal van een meer perfecte unie. (Elisa New NY Times)
Toen ik luisterde naar de geleerde astronoom

Toen ik luisterde naar de geleerde astronoom,
Toen de bewijzen, grafieken, tabellen voor mijn neus verschenen,
Toen hij me z’n kaarten, diagrammen toonde om ze te plussen, te minnen en te waarderen,
Toen ik daar zat te luisteren naar de astronoom terwijl hij onder veel applaus sprak achter zijn spreekgestoelte,
Werd ik al snel zo ellendig, moe en afwezig,
Dat ik ten slotte afgemat opstond en wegliep
In de mystieke, klamme nacht, en zo nu en dan
Opkeek in volmaakte stilte naar de sterren
Foto door brenoanp op Pexels.com

Lees ook: (en volgenden)





Foto door Pixabay op Pexels.com

HET LICHAAM TERUGEISEN

dyn001_original_450_300_jpeg_20344_a650e94e099217188a1ea56909cf0a99

Whitmans dubbele taak bestaat erin de mensen weer belangstelling en liefde bij te brengen voor het bloed, de ingewanden en de botten waaruit zij bestaan, en hij wil de seksuele begeerte weer tot middelpunt maken van de verklaring van ethische waarde.

Die twee taken staan met elkaar in verband.
Seks richt de aandacht op de stof waaruit het lichaam bestaat en als die stof iets walgelijks is wordt seksuele belangstelling iets heimelijks en gemengd met schaamte.

‘Daarentegen wordt de seksualiteit met schoonheid bezield door de gedachte dat bloed en ingewanden een groot wonder en mysterie zijn, nauw gekoppeld aan de meest waardevolle vorm van betrokkenheid en liefde.’ (Nussbaum)

In de gedichten van het gedeelte Children of Adam geeft Whitman zichzelf weer als Adam voor de zondeval en hij nodigt in taal van nobele eenvoud de lezer uit om de aanvaarding en het genot met hem te delen.

dyn001_original_475_560_jpeg_20344_744e04a640cfbf4c1e30035acd313531

Als Adam vroeg in de morgen
Te voorschijn stappend uit het prieel, verfrist door slaap
Aanschouw me waar ik langskom, hoor mijn stem, kom dichterbij.
Raak me aan, leg je handpalm op mijn lichaam als ik langskom
Wees niet bang van mijn lichaam.

Merk op, zegt Nussbaum dat het er niet toe doet of de lezer een man of een vrouw is, en zelfs niet of de aanraking van de lezer al dan niet specifiek seksueel getint is.
Het middelpunt van het tafereel is het liefdevol accepteren van het vlees en van de onschuld van het vlees.
In Eden is er geen schaamte over welk lichaamsdeel dan ook, geen angst voor aanraking.

Het gedicht verbindt deze afwezigheid van schaamte op een wat raadselachtige manier met het openlijk accepteren van Adam als persoon.

Centraal in Whitmans tegenkosmologie van het lichaam staat het opmerkelijke gedicht ‘I Sing the Body Electric’ waarin hij de Aristotelische stelling onderschrijft dat het lichaam de ziel is, dat het lichaam een gedicht en onderwerp van gedichten is.

O mijn lichaam! Ik wend me niet af van jouw gelijkenis in andere mannen en vrouwen, noch van de gelijkenis van jouw delen.
Ik geloof dat jouw gelijkenissen staan of vallen met de gelijkenissen van de ziel
(en dat ze ziel zijn)
Ik geloof dat jouw gelijkenissen staan of vallen met mijn gedichten en dat ze mijn gedichten zijn.
Gedichten van man, van vrouw, van kind, van echtgenote, van echtgenoot, van moeder, van vader, van jonge man of jonge vrouw.
Hoofd, hals, haar oren, lel en schelp van de oren.
Ogen wimpers, iris, wenkbrauwen, en de open of geloken oogleden,
Mond, tong, lippen, tanden, verhemelte, kaken en kaakgewricht,
Twee sterke dijen, de tors erboven goed dragend,
Beenspieren, knie, knieholte, bovenbeen, onderbeen,
De longblaasjes, de maagwand, de darmen, zoet en schoon,
De hersenen gevouwen in de schedelpan,
De stem, articulatie, taal, fluisterend, luid schreeuwend,
Voedsel, drank, hartslag, spijsvertering, zweet, slapen,lopen, zwemmen,
Zitten, springen, leunen, omarmen, armen buigen en strekken,
De voortdurende veranderingen in de spanning rond mond en ogen,
De huid, de zonverbrande schaduw, sproeten, haar,
Het eigenaardige gevoel dat je krijgt als je met je hand het naakte vlees van het lichaam aanraakt,
De dunne rode gelei in jou en in mij, de botten en het merg in de botten,
Het verrukkelijk besef van gezondheid;
O! Ik zeg dat niet alleen de delen en gedichten van het lichaam zijn, maar van de ziel,
O! Ik zeg nu dat deze de ziel zijn!

(hier en daar fragmenten weggelaten)

dyn001_original_403_512_jpeg_20344_500de7ada438816b1e6c7a994a00f691

De traditionele metafysici, zegt de dichter, kennen het gevoel niet dat je krijgt als je met je hand het naakte vlees van het lichaam aanraakt, en als ze het kennen hebben ze het rigoureus geschrapt uit hun analyse van de menselijke liefde.
En ze haasten zich de kunst los te koppelen van het ervaren van het gewicht van het lichaam, en allen bewaren ze afstand tot de soms komische en wat onhandige maar zo charmante opsomming die de dichter in zijn tekst geeft.

Maar, zegt Whitman, dat wil dus ook zeggen dat ze de ziel ontwijken, want al onze daden zijn daden van het lichaam en al onze kunst is naakt vlees en al onze betrokkenheid is bloed.

Het valt op hoe hij zich afzet tegen de schaamte.
Hij treedt naar voren zoals hij is.
En het lichaam kijkt met belangstelling en vreugde naar het lichaam van andere mannen en vrouwen.

Zo worden hier ook delen van het lichaam die meestal niet mooi worden gevonden toch als mooi ervaren: longen, darmen, maag, en de dunne rode gelei, ze maken deel uit van de menselijke gezondheid en dat alles moet bewonderd worden naast het golvend haar en de gespierde dijen.

In het zachte en organische ontdekt het gedicht ‘een elektrische’ vitaliteit en dynamiek.

Het politiek belang van dit in ere herstellen van het lichaam is volgens Whitman groot want het lichaam is uiteindelijk de basis van de gelijkheid van mensen.

Heb je ooit het lichaam van een vrouw bemind?
Heb je ooit het lichaam van een man bemind?
Besef je niet dat deze precies hetzelfde zijn in alle naties en alle tijden in de hele wereld?

Dit verhaal staat vlak naast het verhaal over de slavenveilingen.
De les is duidelijk.

En als we onze liefde en betrokkenheid niet alleen op het lichaam richten maar ook op onze geslachtsdelen, verschaft ons dat nog een kritisch inzicht: we zullen volgens Whitman beseffen dat vrouwen even waardevol zijn als mannen.
Vrouwenhaat, zegt hij herhaaldelijk, komt voort uit walging voor onze geslachtsdelen en seksuele handelingen en dat leidt er toe dat we iemand de schuld willen geven die ons tot dergelijke handelingen aanzet.
Het vrouwelijk lichaam werd daarom als onzuiver en onrein beschouwd, als oorsprong van onze zondigheid.
Als we echter denken op de manier waartoe Whitman aanspoort, dan zien we niet langer de vrouw als vlees en de man als geest, maar zien we hen als mensen die elkaar aanvullen in een democratisch proces dat zowel lichaam als geest omvat.

En in 2007, zijn we dan al verder geëvolueerd?
En kunnen deze kostbare gedachten ons helpen onze inzichten omtrent dezelfde materie opnieuw te verdiepen?

Wordt vervolgd, hoe dan ook.


OP ZOEK NAAR HET VERLOSSEND WOORD

notebook2

Na studie van het nieuwe en antieke, van Griekse en Duitse stelsels,
Na studie en verklaring van Kant, van Fichte en Schelling en Hegel,
De traditie van Plato bekeken, en Socrates groter dan Plato,
En groter dan Socrates gezocht en bekeken, de goddelijke Christus lang bestudeerd,
Zie ik in het heden herinneringen aan die Griekse en Duitse stelsels,
Zie ik in al die filosofieën, in de christelijke kerken en leerstellingen, zie ik,
Toch zie ik onder Socrates duidelijk en zie ik onder Christus de goddelijke,
De liefde van de mens voor zijn makker, de aantrekking van vriend tot vriend,
En van de keurig getrouwde man en vrouw, van kinderen en ouders,
Van stad voor stad en van land tot land.

Dit fragment uit zijn gedicht ‘The Base of All Metaphysics’ zet de toon.
Net zoals Mahler die alle boeken doorzocht, de bijbel bestudeerde om ‘het verlossende woord’ te vinden, komt Whitman tot de bedenking dat hij de woorden van liefde zelf moet bedenken.

Belangrijk bij een filosofische of godsdienstige leer is niet het gezag van de bron ervan, maar de kwaliteit van de liefde die de inhoud van de leer is, zegt Nussbaum treffend.

Een besluit zou kunnen zijn dat het enige echt belangrijke de liefde van mensen is en je eigen vermogen om die liefde te uiten en te beleven.

Hij gaat dus aan de slag om zijn eigen tegenstelsel van liefde te scheppen waarin tot uiting zal komen wat hij als werkelijke grondslag van de godsdienstige metafysica beschouwt.

Hij treedt in de voetsporen van de kosmologische geschriften van Grieken en de christelijke filosofie en probeert een democratische tegenkosmos te scheppen waarin de hiërarchie van zielen is vervangen door het democratisch lichaam van de Verenigde Staten, dat hij het grootste gedicht noemt.

Walt Whitman, een kosmos, zoon van Manhattan,
(…)Geen sentimentalist, geen verheffer boven mannen en vrouwen, niet afgescheiden van hen,
In mij neemt de streler van leven waar ik ook ga, achterwaarts en voorwaarts kerend,
Afbuigend naar plaatsen opzij en lager gelegen, niets en niemand missend,
Alles in zich op voor mijzelf en dit lied.

Dit wordt dus de tegenkosmos: het eindige sterfelijke individu, democratisch burger, gelijk aan en met anderen, die de wereld in zichzelf bevat dankzij zijn levendige verbeeldingskracht en zijn meelevende liefde.

Ook de poëzie is democratisch door haar vrijheid van vorm en regel, door woorden op te nemen die men als ongepast zou benoemen als men het heeft over ‘de waardigheid’ van de literatuur.

Hij kijkt ook niet neer op de religieuze bronnen van liefde.
‘Ik veracht jullie priesters niet, schrijft de dichter.
Het geloof van de dichter is het grootste geloof en het kleinste geloof.

De godsdienst is zijn aanspraak op gezag kwijtgeraakt, dus wil de dichter filosofie en godsdienst opnieuw onderzoeken.
Je zult niet langer dingen uit de tweede of derde hand aannemen, vertelt hij de lezer, en evenmin zul je kijken door de ogen van doden of je voeden met spoken uit boeken.
En om zichzelf te relativeren en zich niet op te werpen als een nieuw pseudo-religieus gezag vertelt hij dadelijk:

Evenmin zul je door mijn ogen kijken, of dingen van me aannemen,
Je luistert naar alle partijen en zeeft ze dan uit in je ziel.’

Een ander belangrijk punt is dat religie niet langer een transcendentie van onze sterfelijke toestand moet beloven.
God wordt voorgesteld als iets wat in de wereld en de energie die daarin besloten ligt, en in een bepaalde passage zelfs als een erotische partner van de dichter’.

Er is alleen maar leven dat zich vernieuwt, en de enige continuïteit is voor de mens de continuïteit van de natuur en de menselijke beschaving.

En tenslotte bevestigt de poëzie het lichaam en de seksualiteit daarvan als geen van de andere besproken vormen van liefde.
Seks is een belangrijk kenmerk in de tegenkosmologie van Whitman.

En Nussbaum legt de vinger op de wonde:

Volgens mij is een van de grote vragen die zijn poëzie opwerpt, een van de hardnekkige struikelblokken voor een goed begrip en volledige acceptatie, nog steeds waarom dit thema zo centraal staat.
Waarom denkt Whitman dat een nieuwe houding tegenover seks en het lichaam een rol speelt bij het oplossen van de problemen met hiërarchie en rassenhaat?’

We zullen in een volgende bijdrage het antwoord niet uit de weg gaan.