het gewicht van de wereld (378)

923_d9aa4416e95979ba695097d4cde51f0d

Als kind keek ik op naar de heilige Christoffel, en in de Griekse les leerde ik de ware betekenis van zijn naam kennen: forein was dragen, de drager van het Christuskind.
Dat leek op het eerste gezicht een karweitje van niets voor zo’n sterke man, maar het jochie werd zwaarder en zwaarder tot de drager midden in de rivier niet meer verder kon, want in feite torste het kind de hele wereld op zijn en dus ook op Christoffels schouders.

Mijn bewondering echter lag niet in de krachtpatserijen van de heilige man, maar eerder in het feit dat hij de patroon van de automobilisten was, en in mijn jongensjaren waren auto’ s een zeldzaam verschijnsel en werden ze bij de jaarlijkse autowijding van op een feestelijk verhoog met wijwater besprenkeld.

Hij was de beschermer van al dat geweld onder de motorkap, van dat voertuig dat ‘s avonds door het donker kliefde zonder dat je de lichten binnenin mocht aansteken.
Het was heel duidelijk dat zo’n onderneming een beschermer nodig had.
Je hing dus zijn beeltenis in de wagen, je vroeg hem om bescherming als je van Turnhout naar Arendonk wilde rijden (Arendonk lag toen ook al aan de andere kant van de wereld) en je zuchtte als je na de donkere bossen de wittige schijn van de dorpskom zag opduiken.
Onze geburen stonden blijkbaar niet op zo’n goede voet met de heilige Christoffel.
Ze verdwenen in Wijnegem in het Albert kanaal nadat hun wagen door de houten reling van de brug was geslipt, en heel hun hebben en houden werd openbaar verkocht.
Zij hadden waarschijnlijk geen medaille in de auto gehad, of erger nog: ze waren niet gezegend want naar mijn ma beweerde waren het socialisten, en die gingen nooit naar de autowijding.

De studebaker van mijn oom was een vorstelijke wagen, maar vanaf die dag verging ik van angst als we over een rivier of kanaal moesten, vooral ‘s avonds.
Ik heb tot de heilige Christoffel gebeden, hem mijn hele hebben en houden beloofd, mijn tamme eend naar hem vernoemd, en hem gesmeekt om ons niet in de diepe wateren te laten verdwijnen.

Nu je me gisteren over Ghirlandaio schreef, vond ik vandaag zijn mooie Christoffel terug en ik stuur hem jou als beschermer op al je reizen.
Hij is hier een jonge sterke man, de lange kleren opgeschort, en met fikse pas is hij aan zijn opdracht begonnen.
Natuurkundig was er nog weinig bekend over de breking van het licht in water want zijn stok loopt keurig rechtdoor, het kind veilig op zijn schouder.
Hij is voor hedendaagse stervelingen frivool gekleed maar de mooie combinatie van paars en roze complementeren met het donkergroen van het Jezuskind.

Michel Tournier heeft in “De Elzenkoning” prachtig over Christoffel geschreven en samen met mijn kinderherinneringen bewaar ik zijn mythe in het stille huis en de Debussiaanse tuin in de regen.

Het gewicht van de wereld is nog niet voelbaar, hij is er nog te jong voor, maar het kind, de wereldbol als een donker kaaswiel in zijn handje, weet wat er komen zal.

In de verte komt de morgen door de schemering.


EUPHORIE – Texte de Michel Tournier

C’est un long chemin parcouru. Celui de toute une vie. C’est avec joie que j’en suis aujourd’hui la trace dans l’œuvre de Jean-Michel Jaquet.

Au commencement était Christophe. Ce bon géant voulait se convertir au christianisme. « Il faut que tu jeûnes « lui dit le moine auquel il s’adressa. « Moi, jeûner ? Impossible, je suis un géant. Il faut que je nourrisse ma force » lui répondit Christophe. « Alors puisque tu es si grand et si fort, lui dit le moine, tu vas t’établir au bord du fleuve et tu transporteras sur ton dos les voyageurs qui se présenteront pour traverser. »
Christophe accomplit ce service de longues années. Un jour il ne trouva au bord du fleuve qu’un petit enfant qui demandait le passage. Il le prit sur son épaule et entra dans le courant. Mais voici que l’enfant pesait sur lui comme une masse de plomb, tellement que le géant se trouva dans de grandes angoisses et craignit de périr. Quand il déposa enfin le petit garçon sur l’autre rive, il lui dit : « Tu m’as tant pesé que j’ai pensé avoir le monde entier sur moi – Ne t’en étonne pas, Christophe, dit l’enfant, tu n’as pas eu seulement le monde sur ton épaule, mais celui qui a pris sur lui tous les péchés du monde, car je suis le Christ ton roi. »
Pourtant il n’y a pas que le bon porteur. Il y a celui qui porte, mais il y a celui qui emporte. Il y a celui qui sert, mais il y a celui qui enserre. Il y a le Roi des Aulnes, ogre aérien, qui arrache l’enfant à son père pour le faire mourir. A l’origine, mon roman Le Roi des Aulnes s’intitulait La Phorie, car ce n’était que de cela qu’il s’agissait.
Phorie, du grec Phorein, porter. Eu, c’est le bonheur. Christophe porte avec bonheur, c’est un porte-bonheur, c’est un Euphore.
Pourtant la Légende Dorée ne nous dit rien sur ce fameux fleuve que Christophe faisait franchir aux voyageurs. De quel fleuve s’agissait-il ? Du Nil, du Danube ou du Rhin ? Ou alors d’un fleuve métaphysique, je veux dire franchissant l’en-deça pour aller dans l’au-delà, le Styx ou l’Achéron ? Dès lors Christophe serait l’équivalent chrétien de l’Hadès grec et du Pluton latin.
Cela donnerait un sens plus profond et même fatal à l’euphorie. La fin du voyage, c’est son but, sa finalité, mais aussi son achèvement, son point final. L’euphorie serait-elle un bonheur mortel ?
A mesure qu’il vieillit – ne faudrait-il pas dire : qu’il mûrit ? – l’homme est de plus en plus souvent envahi par une bouffée d’euphorie. C’est l’un des charmes – et non des moindres – du grand âge. Notamment lorsqu’il change de position la nuit dans son lit.
Il s’agit tout simplement de l’approche de la mort. Car la naissance s’accompagne d’une souffrance affreuse, non seulement pour la mère, mais pour l’enfant. Rien de plus cruel que cette insertion brutale hic et nunc dans l’existence. A l’inverse, la mort est provoquée par un coup de volupté d’une intensité mortelle dont la drogue et l’orgasme ne sont que de timides avant-goûts. Les mâchoires de l’espace et du temps – hic et nunc – s’étant brusquement desserrées, me voilà délivré de l’existence. Je m’épanouis comme une bulle dans le néant avant de disparaître en éclatant de rire.