HET TOUW, scène 16

ZESTIENDE SCÈNE

DE TENT STAAT OPGESPANNEN OVER HET TOUW.
HEEL HELDER ZONLICHT OP HET WITTE ZEIL.
EMMERICH EN ALISON IN ONTBLOOT BOVENLIJF WUIVEN ZICH KOELTE TOE

ALISON
We hebben er eerlijk om gedobbeld, die laatste druppel was voor mij.

EMMERICH WIL DE VELDFLES NIET GEVEN EN PROBEERT ZE UIT TE KNIJPEN BOVEN ZIJN MOND

ALISON
Dat kan niet eens spreken maar zwelgt mijn waterrantsoen naar binnen.
Om die laatste druppels hebben we eerlijk de dobbelstenen laten beslissen.
Jij gooide en één en ik een zes.
Of wil je soms beweren dat één meer is dan zes?

ALISON GRIJPT RUW DE VELDFLES EN SCHUDT NAUWELIJKS WAARNEEMBARE DRUPPEL UIT BOVEN ZIJN MOND.

ALISON
Verdomme Willem de Zwijger is mij te vlug af geweest!
Hier.
Ga op zoek naar water.
Zorg dat je terug bent voor het donker wordt.
En als het kan breng ook wat brood en beleg mee mocht de supermarkt nog open zijn, anders trek je maar één van je smartelijke gezichten als je een bakker of kaasboer ontmoet.
Mogelijk geven ze je iets te eten of ze hakken met hun kromzwaard dat zwijgende hoofd van je nutteloze romp.

EMMERICH STAAT RECHT. HIJ DENKT NA, JE ZIET HEM TWIJFELEN. DAN GOOIT HIJ DE WATERKRUIK OP DE GROND EN DRAAIT ZICH ALS EEN BOOS KIND WEG VAN ALISON

ALISON
Wat krijgen we nu?
Muiterij?
Opstand tegen het wettelijke gezag.
Mijn vriend verraadt de kroon.
Emmerich, dit was een bevel.

ALISON REIKT HEM DE WATERZAK AAN.
EMMERICH DUWT HEM WEG, BRUTAAL.

Dat heb ik gekoesterd aan mijn borst, dat addergebroed.
Ik, Alison, de koorddanser wiens naam tot in Marrakech weerklinkt.
Ik had maar te knippen en knappe mannen en vrouwen stonden als hijgende hondjes voor mij.
Spreek Alison, hijgden ze, spreek en we gaan met jou tot aan het einde van de wereld.
Prachtige oosterse jongens waren het en meisjes met gazellenogen, kracht en sierlijkheid straalden ze uit.
En wat deed ik?
Ik wendde mijn hoofd af.
Ik koos jou, Emmerich. Jij zwijgertje van mijn voeten, het manke dromertje, het kneusje van dienst, want onder mijn ruwe bast schuilt een blanke pit.

Ik had grote plannen met jou.
Ik wist dat er meer in je schuilde dan dat rolletje als de stomme van portici.
Ik zou je leren spreken.
Ik weet het, ik weet het, het zou me maanden en maanden van intense inspanning kosten, maar geloof me, makker, die kracht zat in mijn intentie opgesloten toen ik je vroeg om mee te gaan.
Die ader van ondergrondse energie die ik langzaam zou laten leeglopen in jouw beperkte maar essentiële gesproken woordenschat.
Want zoals de moeder haar kind zoogt, als het ware haar eigen leven in haar baby overgiet, zo zou ik mijn kunde naar die enorme leegte in dat hoofd van jou overbrengen.
Ik wist dat ik er niet rijk mee zou worden, en roem oogsten was er ook niet bij.
Maar wat doe je als je hart nu eenmaal groter dan je wil tot zelfbehoud is?
Sterven aan het kruis, Emmerich.

Elk lettertje van jou was een overwinning maar tegelijkertijd een nagel door mijn handen of mijn voeten.
Jij zou spreken met al die weggezogen energie van dit uitgeteerde lichaam.
Jij zou de maneschijn kunnen spellen met letters die ik nodig had om ‘melk’ te vragen, jaja de m van maneschijn kun je ook voor melk gebruiken.
Met de a kon ik abricoteren zeggen, mooi hè abricoteren, met abrikozenjam bestrijken.
Met de n van maan zou ik de neushoorn in mij wakker kunnen maken terwijl ik met de e van mane de engel werd die ik verdiende te zijn.
Met de sch kon ik mijn tranen schreien en hoor hoe de ij het ijzer kon smeden nu het heet was om met de laatste n van maneschijn de nulhypothese van dit leven onder ogen te kunnen zien.

Wat een weggeschonken rijkdom, besef je dat, Emmerich.
Geen melk noch abrikozenjam, geen neushoorn noch engel zou mij redden en het schreien zou voor altijd uitgesloten zijn terwijl het ijzer tot een koud zwaard verworden was en ik zelfs de nulhypothese moest opgeven voor de zwartste wanhoop in mijn hart.

Maar al die letters waren voor jou, vriend.
Ja, ik zeg ‘vriend’. Idem velle et idem nolle, dat wilde ik, hetzelfde willen en hetzelfde niet willen, idem veram amicitiam est zoals de heer Cicero dat zo treffend wist te verwoorden.

Vriend.
Jij zou de maneschijn kunnen spreken terwijl ik de zojuist opgesomde krachten en schoonheden voor jou graag wilde ontberen.
Hoor je dat woord, Emmerich?
Ont-beren?
De beer in mij laten zwijgen.
De beer die nooit bang is, ruig en beresterk aan jou wegschenken om in die leegte van het weggegeven woord een lijdend lam te zijn dat enkel nog even kan mekkeren voor de slachter het mes in zijn weke keeltje duwt.

Ik wilde er niet over spreken, ik wilde dit geheim voor altijd in mijn hart bewaren tot in de kille tombe waar mijn helemaal weggeschonken lichaam zou rusten, maar zwak mens als ik ben, zondaar en egoïst, heb ik het toch verraden.

Neen, ik ben niet waardig dat je mij zou omhelzen, vriend.
Ga gewoon op stap om een beetje water en mondvoorraad te zoeken en dat volstaat al besef ik dat het weinig is , maar voor wie het geven tot een gewoonte heeft gemaakt is het voldoende om weer een schenkende bron te zijn.

EMMERICH HEEFT AANDACHTIG GELUISTERD, IS DOOR HET AANDOENLIJKE VERHAAL MEEGESLEURD EN LOOPT MET DRINKFLES NAAR BUITEN.

ALISON
Blijf niet te lang weg, vriend.
Al zeg je weinig, je aanwezigheid sterkt mij zoals het frisse water en het kruimige brood dat je weldra zult meebrengen.

HIJ KIJKT EMMERICH NA, ZOEKT DAN ONDER DE ACHTERKANT VAN HET ZEIL EN HAALT DAAR EEN FLES WATER EN EEN BUNDELTJE IN VETPAPIER TE VOORSCHIJN.
HIJ WIKKELT HET OPEN, RUIKT AAN EEN KIPPENBILLETJE EN BEGINT HET SMAKELIJK OP TE ETEN.

ALISON
Van zoveel edelmoedigheid krijgt een mens honger, dat wel!

HIJ SMEKT EN DRINKT DAN MET VEEL GENOEGEN HET FLESJE LEEG.