HET GETOETER VAN DE MEDIA

Soms denk ik, ben ik nu alleen om het getoeter van de media te horen?
Of houden we met ons allen de spreekwoordelijke kak in want o, o, o je zou eens van het aantasten van de persvrijheid moeten beschuldigd worden.

Nu ik Oidipoes koning lees, zag ik het koor als een troep journalisten van diverse pluimage, de schrijvende, de auditieve troep (en wat voelde u toen?) en de beeldenaars.

Nu keer ik even terug naar mijn cherubijnen, 3 mooie 18de eeuwse beeldjes die weldra op een veiling komen.
De vierde is een tekening, Minerva die de cherubs bevelen geeft.

Cherubijnen horen in de hiërarchie van de engelen tot het Tweede Koor.

Zij bewaakten zowel in de joodse als in de christelijke leer de boom des levens. (Gen 3:24)
Cherub of Kerub in het Hebreeuws zou je kunnen vertalen als ‘degene die iemands voorspraak is’. Of een andere interpretatie: ‘ kennis’.

De oorspronkelijke Ka-ri-bu waren in Sumerië monsterlijke bewakers van tempels en paleizen.
En het is gedurende de Babylonische gevangenschap dat de Hebreeërs vertrouwd zijn geraakt met deze meervoudige belichaamde, fabuleuze dieren bij de ingangen van de heilige plaatsen.

En zo kwamen zowel de boom als zijn bewaker in de Hof van Eden terecht.
In de originele Hebreeuwse vorm bezitten zij vier vleugels, vier gezichten en worden ze vaak afgebeeld als dragers van Gods troon en zijn wagenmenners.

Er is een ooggetuigenverslag van de ontmoeting met een cherub aan de Chebar-rivier.
De Hebreeuwse profeet Ezechiël zag van dichtbij vier cherubs, elk met vier gezichten en vier vleugels al krijgen ze in het boek van Openbaring van Johannes zes vleugels en talrijke ogen, maar dat was waarschijnlijk in de hitte van de apocalyps waar ze een cherubs met een seraf hebben verwisseld.

De cherubs wekt de subtiele vibratie op die door kennis en wijsheid ontstaat.
Er waken ook twee cherubs als gouden beelden over de ark des verbonds.
En hoe nu die wakende geesten tot mollige baby’s zijn veranderd blijft een raadsel al zal daar wel de Griekse mythologie voor iets hebben tussen gezeten.

Of…?
Ik keer nu terug naar het koor der nieuwsgaarders.
Eerst en vooral zijn ze een koor, elke morgen in samengevatte vorm te beluisteren tijdens het dagelijks persoverzicht.

Ten tweede bewaken zij de boom der kennis van goed en kwaad: zij zeggen de vinger aan de pols te zijn, de herkenners van de signalen die in de samenleving al dan niet worden uitgezonden.
Zij waken, en in hun beste momenten dromen zij ervan een beerput te openen en de stank over de gehele bevolking te jagen zodat onze ogen worden geopend (al zouden neuzen hier beter op hun plaats zijn) en wij door hun wijsheid worden geïnformeerd, de wereldlijke vibraties dus van de cherubs.

Hun vier koppen dienen om alles, maar dan ook alles te kunnen waarnemen, en met hun vier vleugels haasten zij zich zo snel dat zij het nieuws tot ons brengen nog voor het gebeurd is.
Er is echter een maar.
Dat hoort zo bij een these.
Want onze nieuwscherubs moeten ook nog hun nieuws verkopen, en dan bedoel ik letterlijk verkopen, er geld uitslaan, of er munt uitslaan.

Er zullen waarschijnlijk ook al bij de hemelse cherubs handige jongens zijn geweest die hun bescherming aanboden tegen een menselijke gunst, een offer, een kus, of nog iets meer, want al zijn ze zuivere geesten, jaloersheid zal hen niet vreemd zijn geweest, getuige daarvan de schare gevallen engelen die enkele verdiepingen lager belandden.

Er zijn er ook bij de nieuwscherubs die in elkaar zijn geschrompeld tot mollige baby’s en die ons verblijden met koninklijke sprookjes en liefdesexploten van de meer bekenden onder ons.

Andere nieuwscherubs weten maar al te goed dat een verhaal met de nodige kleur moet verteld worden, en dat wij, de zondige massa tenslotte geilen op alles wat met geweld en seks heeft te maken.
Een verkoopsargument dus: bedien de klant met wat hij vraagt.

Nog andere cherubs gebruiken hun vier koppen om bij de ene a te zeggen en bij de andere b te melden en tenslotte bij nummer drie uit de wetstraat tussen pot en pint ook c uit te spreken om dan dan d in de krant neer te laten.

Variatie genoeg in dit aardse koor der nieuwsgaarders, dat moet gezegd.

Nu hebben sommige cherubs van de publieke omroep aardige gewoontes overgenomen van hun collegae van de commerciëlen.
Te pas en vooral te onpas komen buren en omstanders vertellen wat er zou kunnen gebeurd zijn en geeft dit volkskoor uiting aan de algemene heersende stemming alsof de gebeurtenissen op zichzelf niet vreselijk genoeg zijn om ons in alle stilte te laten nadenken.
Dat zij daardoor een soort klankversterkende buis zijn die de primitieve gevoelens van de massa legaliseren, moeten wij er dan maar bij nemen.

Natuurlijk, wij zijn dom.
Het is dus nodig om vanuit de studio te vertellen wat er gebeurd is, dat nog eens te laten herhalen door de nieuwsgaarder ter plekke, en tenslotte het nog eens door de omstander te laten vertellen. Of hoort ge niet goed?

Je moet zelf maar eens onderwerp van hun berichtgeving zijn geweest om dan pas te beseffen hoe makkelijk zij het begrip ‘door iemands voorspraak’ hanteren en hoe weinig ‘kennis’ er vaak toe doet.

Het koor is machtig in het Griekse drama, ook al neemt het niet deel aan de handeling.
Het geeft commentaar, interpreteert, zet aan tot daden, kortom het is de samenleving die op de dramatis personae reageert.

Het koor van de nieuwsgaarders is ook machtig.
Politici en kunstenmakers weten dat.
Zij proberen in het nieuws te komen, en dat is hun goed recht.
Andere mensen proberen uit het nieuws te blijven.
Dat zou ook hun recht mogen zijn.
Maar willens nillens worden zij plotseling uitgeroepen tot ‘interessant’ vaak niet met de interessantste zijde van hun persoonlijkheid, want die interesseert niemand.

Machtsmisbruik.
Is er ergens een aartsengel in de zaal of staat hij nog altijd op het Brusselse stadhuis de draak te doden.

Ik weet het, beste cherubs, ik overdrijf.
Maar ik vraag me af of jullie beseffen hoe machtig jullie zijn, hoeveel levens jullie gekraakt hebben, hoeveel mensen door jullie zijn plat gewalst, en met welk motief?
Kijk naar de mooie cherubs hier aanwezig.
Ze zijn niet mollig, noch braaf.
Ze hebben soms maar twee vleugeltjes en één hoofd.
Een hoofd zoals wij.
Elkanders kop eens opzetten helpt.
En laat die vleugeltjes deze warme dagen vooral koelte brengen in plaats van haast, haast en nog eens haast.
(stel je voor dat we een gebeurtenis missen!)

Kom, ik zet jullie vlug terug in de hemel.
Want jullie berichten ons over het werkelijke gebeuren van de anonieme oorlogen, van de onoplosbare conflicten, de grote kloof tussen Noord en Zuid, de verdrukte boeren in centraal Amerika, en het lijstje is nog heel lang.
Maar wil je de geburen aan elkaar de gebeurtenissen laten vertellen, want geloof me, wij weten wel wat er leeft tussen mensen als er vreselijke dingen hebben plaats gevonden.
En bezoek de hel van België, de beerputten van onze staat ook maar eens buiten deze vreselijke dagen als de tijd er traag wegtikt, de verzorging totaal ontbreekt, de ruimtes te klein zijn, de kleren mensonterend, de administratie te groot, en de familie te ver.

Het is niet aan de cherubs om Gods bliksem nog eens een extra duw te geven.
Je machteloosheid bekennen is ook een moedige daad.
De kennis is er zeker, nu de wijsheid nog.
We doen samen ons best.


La vida es sueno, het leven is een droom.

Niemand weet van zichzelf of hij waakt, of slaapt.
Wie slaapt denkt dat hij wakker is.
Hij denkt vormen te zien, ruimten, beweging, -hij voelt de tijd verstrijken en die kan hij meten en hij doet dezelfde dingen als wanneer hij wakker is.
En aangezien de helft van het leven opgaat aan slaap, wie weet of de andere helft niet een andere slaap is, iets anders, waar wij uit ontwaken als wij denken in te slapen?
En, net als we soms dromen dat we dromen, met de ene droom bovenop de andere, wie weet of het leven zelf niet maar een droom is?…

(Blaise Pascal, vertaling Dolf Verspoor.)

Het is oud zeer, waarde vriend, La vida es sueno om het met Pedro Calderon de la Barca te zeggen, het leven is een droom.

De droom kreeg de nodige aandacht, maar buiten de psychoanalyse weet de wetenschap niet goed wat zij er mee moet aanvangen.
Het fysische verschijnsel wordt herkend, honden en katten dromen ook, maar over de inhoud wordt wijselijk gezwegen.

En Calderon de la Barca (zijn moeders familie was uit Bergen-Mons afkomstig!) besluit zijn stuk met deze woorden:

‘Ik sidder nog bij de gedachte al
dat ik ontwaak en wéér gekerkerd ben.
En stel dat dat zo kwam – dromen volstaat.
Want ik zag in, dat menselijk geluk
uiteindelijk vervliegt -als elke droom.

Over weinig zijn we het zo eens anderzijds als over het begrip ‘droom’.
Hoe verschillend ook de religies zijn die duidelijk het Westen van het Oosten scheiden, over de vraag wat droom is en wat dat zogenaamde wakkere zijn we het eens.
We weten het niet, en we vermoeden dan het een dunne scheidslijn kan zijn.

Daarom die mooie foto van één van de items die weldra in München zullen geveild worden: Jezus op de wolken, uitgevoerd in ivoor.

Toen ik dit zeventiende eeuwse stuk zag, was ik erg ontroerd.
De Jezus-figuur, nog een kind, staat op het begrip wolk en al is hij dus zo hoog verheven, hij heeft in zijn hele houding een uiterst menselijke kentrek meegekregen van de anonieme kunstenaar.

Hij zet zijn ene beentje vooruit, wil iets zeggen, heeft de hand in de geëigende houding en de andere arm langs zijn lichaam, en is in deze verschijning kind en volwassene, ja mens.
Ook de wolk is beperkt gebleven, deels om dat ivoor kostbaar was en deels omdat de compositie het vereist.

Hij is de droom van het goddelijke kind, de Griekse Eros, dus wolken zijn z’n verblijfplaats, maar zijn houding en zijn gehele uiterlijk doen ondanks het verlossende gebaar, erg menselijk aan, hij is duidelijk menselijk lichaam met alles erop en eraan.

En dan het 18de eeuwse stenen hoofdje.
Ondanks de afwezigheid van ogen (of juist daardoor) lijkt het alsof het hoofdje droomt, zich met zijn gedachten duidelijk aan de andere kant van de werkelijkheid bevindt.
Het mondje is lichtelijk geopend, zoals kinderen soms spreken in hun slaap.

Hier heeft de tijd meegeholpen.
De schoonheid wordt mee bepaald door de opgelopen verwering die alleen nog de essentie benadrukt.
Je ziet dat nog sterker in de gotische beeldhouwkunst, maar dat is een onderwerp dat ik later met je wil bespreken.

Ik kan je weinig over het hoofdje vertellen, het valt buiten de stijlkenmerken maar heeft alles van de 18de eeuw in zich: de breuklijn, of zeg ik beter de lijm-lijn tussen wereld en hemel, tussen het religieuze en de nieuwe filosofen.

Je kunt er naar kijken en daardoor zelf aan het dromen gaan.
Wellicht een goede bepaling van boeiende kunst: aanzetten tot dromen.
En dan heb ik het niet over ‘het dromerige’ dat in onze tijd zo’n slechte connotatie heeft gekregen, maar over de diepere waarneming, bevrijd van de ratio, ontheven aan de remmen die het bewustzijn op ons denken en voelen zet.

Jezus op zijn wolk en het dromerige hoofdje.

‘Ik merk dat ik in mijn slaap heb ontdekt,
dat ieder droomt zolang hij wakker is.’

Uit datzelfde toneelstuk in de mooie vertaling van Dolf Verspoor.


nu is de Volksvriend meester!

Lieve Vriend,

Wie veel in het buitenland rondreist, kijkt vaak met enig ongeloof naar het reilen en zeilen van het verwijderde vaderland.

Blijkbaar kent dit land twee snelheden: onverschilligheid en paniek.
Onverschilligheid als er geld moet komen om de taalachterstand in te halen, klasjes dus en toegewijde bekwame mensen, en paniek als zes los geslagen jongeren hun communicatieproblemen stevig uit de hand (letterlijk dus ook) laten lopen.

In het mooie boek “De gouden lier’ toont meester-vertaler Paul Claes ons allerlei fragmenten uit de archaïsche Griekse lyriek. (Atheneum Polak&Van Gennep, A’dam 2005)
Van sommige dichters zijn slechts enkele zinnetjes gebleven, van andere fragmenten.
In plaats van ze zoals zijn voorgangers zelf even aan te vullen, laat hij voor wat ze zijn, maar door zijn levendige vertaling gaan die fragmenten daardoor hun eigen suggestieve leven leiden.

Archilochos van Paros leefde waarschijnlijk in de zevende eeuw (voor Chr.) circa 705-640?
Eusthatios geeft in zijn commentaar op Homerus hem deze fraaie naam: Archilochos, met de tong van de schorpioenen. (851.52)
De mythologie rond zijn leven zou deze dagen heel wat Koppen en Telefacts kunnen vullen.
Als kind ontmoet hij de Muzen, die hem een lier geven in ruil voor een koe.
Omdat hij als bastaard niet van zijn vader kan erven (Da Vinci had dat probleem ook!) trekt hij naar Thaos, het eiland met de goudmijnen.
In de strijd tegen de Thrakische volksstammen verliest hij zijn schild, en de vader van zijn lief verbreekt de verloving.
Hij beschimpt de man en zijn dochters in verzen tot ze zich uit schaamte ophangen, en zeg nu nog dat poëzie niets teweeg kan brengen.
Als hij wegens een spotdicht op Dionysios veroordeeld wordt maakt de god hem impotent.
En in gevechten tussen Paros en het naburige Naxos wordt Archilochos gedood door ene Kalondas, alias Korax (‘Raaf’= doodsvogel).
De Pythia van Delfi stuurt deze raaf weg omdat hij de dienaar van de Muzen heeft gedood.

dyn006_original_520_390_jpeg_20344_7b0eea795251076c8a54bae7e4e29282

Ik herlees graag fragmenten uit Homeros, en Archilochos’ naam werd in de Oudheid vaak in één adem met hem vernoemd.
Goden en helden spelen bij hem geen rol.
En, schrijft Paul Claes van wie ik deze gegevens ontvreemd, …zijn spotverzen lijken ingegeven door nietsontziende haat, woede en passie.
Voor een vriend van de Muzen kan dat tellen.

Als eerste poète maudit van de geschiedenis citeer ik graag van hem een heerlijk vers:

”Nu is de Volksvriend meester, Volksvriend heeft de macht,
Volksvriend beslist alles, Volksvriend doet zijn zin…”

In het Oude Grieks staat Leofilos voor Volksvriend, en als je dat in het Grieks zou horen:

Nun de Leofilos men archei, Leofilou d’ epikratein,
Leofilo de panta keitai, Leofilon d’..akoeé

Alleen al de verschillende uitgangen van de naamvallen waarin de Volksvriend zich kan wentelen zijn pure muziek, en toen ik het las wist ik wat we altijd geweten hebben: ja panta rei, neen, er verandert niet zo veel.
Net zo min als in het vers van hem:

Aisimidas, wie naar de goegemeente luistert,
wordt daar ten lange leste nooit gelukkig van.

Ze staan in het boek ook bij elkaar, en ze horen ook bij elkaar, en dat was dus al geweten zo’n 600 jaar voor onze jaartelling.

En om te eindigen:

De vos heeft vele streken
de egel één- hij kan steken.


zeer vluchtig avondpsalmpje

Ik weiger te geloven alles war umsonst, tevergeefs dus.
Dat gelooft ook de sneeuw niet
al weet hij dat zijn tijd kort is,

Je kunt als vlokje Parijs bezoeken
en onderduiken als nietig druppeltje om langs de Seine
weer naar zee te reizen.

Want hoe vlug voorbij ook
er was de zachte avond
en de gedempte voetstappen
of een klokje dat kwart voor negen sloeg.

Je was een sneeuwvlokje in Parijs.

Toen jij er was, reden er nog trams,
ze verdwenen met de wandelaars
in hun romig verlichte buik.

Dat heb jij gezien.

En die twee die stijf gearmd
bijna elke meter of twee naar elkaar moesten kijken.
Zoveel liefde toen
dat heb jij gezien.

dyn003_original_550_330_jpeg_20344_ee8c3853038af2d89f9f888f57456822

Je beet even van het leven, liefje.
Sneeuwvlokje in Parijs.

En wie naar zee wil
moet wellicht via de riolen
van de boulevard Sebastopol,
en langs de slome Seine
zijn reis beginnen.

Nu ben je zo’n kunstmatig vlokje
in een glazen bol
en ieder die het wil
zet de Eifeltoren
zelfs bij het warmste zomerweer
onder de wervelende sneeuw.

Zal ik je laten vallen,
zodat je met het water en de scherven
weer naar de zee kunt?

En deze winter
zien we elkaar in Parijs.

Twee vlokjes, pont de la Tournelle,
maar het mag ook Jardin du Luxembourg zijn


I’m sorry I’m not funny tonight (2)

Naarmate wij ouder worden bedenken wij ons een verleden.
De foto’s van het voorbije kind worden elk jaar raadselachtiger, van ons weg geduwd.

Omdat het echte verleden als geheel ook nooit heeft bestaan, proberen wij achter dit onzichtbare te komen met allerlei sluwe en sluikse middelen.

Eén daarvan naast de leugen en het verzinsel is de dapperheid om het lot van het oud(er) worden te verdragen door uit te zoeken waar de verbindingen met dat kind en de kindertijd dan wel lagen, als ze er al zouden zijn want zoals ik al zei, het is moeilijk om met het onzichtbare raakpunten te vinden.

Om je de kans te geven met Wekua mee te gaan probeer ik één van zijn werken beeld voor beeld, als een soort stripverhaal te tonen.
Je moet dus de kleine fotootjes aanklikken om de ware grootte te kunnen bekijken.

Het vertrekpunt is de foto waarmee deze brief begint, een foto uit Wekua’ s eigen kindertijd.

Nu gaat hij op zoek naar een model dat zijn jongen van toen benadert.

 

Daarna wordt het kind in kwestie door een gespecialiseerd atelier onder handen genomen, er wordt een driedimensionale afdruk van gemaakt.

Ik toon je de verschillende stappen:

 

 

 

Het eindresultaat: je bent onzichtbaar voor jezelf, want je kinderportret spiegelt alleen zichzelf.

Je kunt er jezelf zoals je nu bent niet meer tussen krijgen, dit was jij, maar nu ben je uit die larve gekropen en een vlinder doet niet meer aan een rups denken, al is misschien het beeld rups en vlinder hier niet op zijn plaats.

Jij staat inderdaad zoals de kunstenaar op de achtergrond.
Wellicht is het beeld van die tijd ook gestold zoals de was.
Het lijkt luchtig, maar in feite is het natuurlijk beklemmend levensecht.
Je staat er werkelijk buiten.

De ‘jongen’ is een kernidee voor Wekua.
Hij werkt rond zo’n kernidee en laat dat uitdeinen in verschillende andere werken die de kern omgeven.

dyn006_original_601_800_jpeg_20344_451b218a73fa2d019a404e00df6a6330

Zo ook in “Get out of my room”.
Hier ook, als je de ruimte binnenkomt, twijfel je aan de echtheid van het beeld, is het een mens, of-en dat is het altijd- een erg gedetailleerde poppenfiguur.

Ik laat Carla Gianfreda aan het woord die de vernissage inleidde:

‘Leicht aus dem Zentrum des Saals gerückt steht auf dem schwarzen Bretterboden ein Tisch, dessen Fläche mit dunklem Wachs bedeckt ist. Am Tisch sitzt ein halbwüchsiger Junge auf einem bronzenen Stuhl. Mit den Füssen auf dem Tisch nimmt er einerseits eine lässige Stellung ein, mit der Haltung der Arme verrät er aber eine gewisse Anspannung. Irritierend ist, dass der Junge keine Hose trägt. Ein Unbehagen beschleicht uns beim Betreten des Raumes, und in der Tat sind wir nicht sehr willkommen, heisst die Installation doch “Get out of my room”. Wie oft bei seinen lebensgrossen Figuren, die perfekt ausgeführt sind und deshalb den Betrachter für den ersten Augenblick im Unklaren lassen, ob es sich um einen lebenden Menschen oder um eine Puppe handelt, fehlt aber auch hier das wichtigste Element zur Vervollständigung der Täuschung: an Stelle der Augen stehen zwei weisse runde Flächen, die rosa und lila übermalt sind. Ob diese Übermalung als Schminke oder als Ausmerzung gedacht ist, bleibt offen. In jedem Fall ist das Gesicht unkenntlich gemacht gleichsam einer damnatio memoriae, als gelte es, die Erinnerung an den Jungen zu tilgen. So bleibt es uns vorderhand verwehrt, mehr über ihn zu erfahren, so wie es ihm verunmöglicht wird, die Aussenwelt wahrzunehmen und mit ihr zu kommunizieren. Dass der Junge dennoch etwas sieht, tritt in den Siebdrucken und der Radierung an den mit türkisblauem Stoff bespannten Wänden zutage.’

Jij had het in je stuk ‘HET TOUW’ over de stilte, het niet meer spreken, je helemaal terugtrekken uit de wereld.
In het werk van Andro Wekua voelde ik die zelfde tendens: ogen en handen, de mogelijkheden om kontakt te maken, zijn dode voorwerpen geworden.

Zijn beelden en andere werken vormen inderdaad ‘kernen’ waarrond andere werken dan letterlijk en figuurlijk aanwezig zijn.

Zo worden ze van iets vaak iemand, hoe geïsoleerd ook.
Ze hebben immers een ruimte toegemeten gekregen, ze zijn met ideeën, vragen en accesoires omringd, en je beseft dat je tenslotte -willen of niet- de kern der dingen bent, het centrum van je wereld-ervaring (ik vind Empfindung nog mooier, maar soit)

Je kunt dat verleden loochenen of het vullen met gaten en builen waardoor je nu uit de isolatie denkt te kunnen komen.
Maar in feite sluit je je nog meer op, je vernedert je tot willoos voorwerp, tot speelbal, alsof je als jongen of meisje geen verlangens of ideeën had, maar slechts door anderen was in te vullen of uiteen te scheuren.

Hoe pijnlijk de dialoog ook kan zijn, of hoe moeilijk ook, het is de enige mogelijkheid om aansluitingen te maken in plaats van jezelf en
alles wat rond jou beweegt of bewogen heeft te vernietigen.

Daarom kijken de twee jongens uit het eerste werk elkaar aan, denk ik.
Je kunt alleen maar te rade gaan bij jezelf, en met jezelf proberen te verklaren wat je denkt, voelt, hoopt, bemint.

Get out of my room,
I’m sorry I’m not funny tonight.

Waarom je iemand buitengooit, en waarom je je niet zo funny voelt, moet je dus op de eerste plaats bij jezelf gaan zoeken, hoe verwend je ook was, hoe laag je frustratiedrempel ook mag zijn, hoe onwetend je omgeving je ook heeft gehouden.

Jezelf aankijken is een moedige daad.


De titel van het werk: The Twins.
De foto’ s zijn van The art foundry kunstgiesserei, St. Gallen, Zwitserland.


I’m sorry I’m not funny tonight (1)

Beste Abraham,

In mijn schetsboek, al dan niet materieel aanwezig, sloeg ik vandaag de 100 schilderijen op zoals jij gisteren voorstelde.

Ik ben nu in Zürich en leerde daar een merkwaardig hedendaags kunstenaar kennen.
Hij doet enigszins denken aan Bernard Faucon, waarschijnlijk omdat hij ook vaak met poppen werkt en vanuit zijn eigen jeugdherinneringen vertrekt, maar is anderzijds druk bezig met het gebruik van diverse materialen waar jij gisteren (toevallig?) ook al naar verwees: tijdschriften, collages, enz.

Ik ben altijd erg geboeid geweest door het opnieuw citeren van reeds bestaande afbeeldingen, zeker als ze door dat citeren opnieuw een ander leven kunnen leiden.

Tenslotte zijn wij ook maar citaten van wat al lang voor ons is gebeurd en nog lange tijd na ons zal plaats vinden.

Hij heeft hier net de grote kunstprijs van het kanton Zürich gekregen, der Manor-Kunstpreis, de stad trouwens waar hij woont al is hij in 1977 in Georgië geboren en beweegt zijn werk voortdurend op de snijlijn tussen die verbrande wereld en de onze.
Zijn naam: ANDRO WEKUA

Hierbij nog het bekroonde werk:
‘I’m sorry I’m not funny tonight’.

En in Zürich funny zijn is inderdaad niet zo makkelijk ook al is Zwitserland toch nog in de achtste finale van de Wereldbeker Voetbal geraakt.

Volgende dagen meer!


I’m so sorry sir
I’m not funny tonight

En het smaakt naar zout
de saxofoon in de downtowns bluesbar
de waterige ogen
van de dronkaards aan de toog.

En jouw stem
het schuren van de hemelpoort
als de wolken boven Alabamah
zich eindelijk samenpakken
en de regen
op de ramen rammelt

En dat met de laatste borstelstreken
op de kleine trom

I’m so sorry
I’m not funny tonight


de honderd schilderijen van elke dag

Ik onthou honderden schilderijen, elke dag opnieuw en ik vergeet ze weer.
Schilders onthouden er enkele, lopen daarmee rond en zetten ze op doek of op papier.

Je zit in de auto voor het stoplicht.
Je wacht.
Je kijkt rond.
Op dat ogenblik verzamel ik al zo’n twintig tot dertig virtuele doeken: momentopnames van mensen in hun wagen, voor de deur, een bus of tram, op weg naar, komende van.

Vaak zijn het louter composities die je ogenblikkelijk opvallen, de stand van het hoofd in verhouding met het raam van de wagen, de houding terwijl iemand uitstapt, de wachtende voor een 19de eeuwse poort.

Ik denk er niet bij na.
Ik zie ze.
Ik hou ze bij in mijn schetsboek want ze zijn de opperhuid van het leven.
Je probeert ze niet uit te leggen, je begint niet op effecten te jagen, je maakt ze niet uit sociale of esthetische bedoelingen, je maakt ze instant omdat ze je opvallen, om ik ze kader.

Mijn waarneming trekt ze uit het geheel zonder ze daarvan los te rukken, maar ik zoem in.
Ik heb toch met hen te doen, dat moet ik toegeven.
Ik kom van een andere planeet.
Ik bezoek deze vreemde aarde en mijn waarnemingen zou ik het liefst dadelijk op een scherm zien.

Dan pas volgt het sorteren of combineren.
Terwijl ik verder leef, auto rij of van op een terras het plein opkijk, vallen allerlei stukken samen, en ook wel eens door elkaar.

Ik verdrink bijna in het materiaal.
Ik begin nu pas te beseffen wat ik gezien heb, of wie, en soms ook eens waar.
Maar ik denk er niet bij na, ik orden ze of maak detailstudies in mijn hoofd.
Ik leef van de fall out van het voorbije want het heden is te trillend, te lijfelijk of te neutraal om dadelijk de confrontatie aan te gaan.

Ik leerde mediterend kijken.
Ontvankelijk zijn, zou een oosterling zeggen.
Leeg genoeg om vol te lopen.

Ik maak nu kleine boekjes waarin enkele van die beelden beschrijf of met collages interpreteer.
Ik hoef ze vooral niet meer uit te beelden, dat is voorbij, dat is al gebeurd, maar vooral hun combinatie, hun tegenstellingen, hun isolatie of hun vervloeien trekken me aan.

Pas als de schetsen klaar zijn, als het verhaaltje (soms maar enkele lijnen) is geschreven of de reisdocumenten zijn ingeplakt durf ik wel eens ontwaken.

Dan verdwijnt tweederde van dat werk weer in het niets, en zo hoort het ook.
Wat overblijft, het korreltje in de zift, hou ik soms bij of gooi ik weer in de gulzige keel van het gebeuren.

Denk niet dat ik altijd in de drukte moet zijn om te verzamelen.
Het stuk ‘het touw’ is in volledige eenzaamheid ontstaan omdat er telkens twee figuren op een ladder opdoken die met elkaar in contact probeerden te komen.

In die stilte, met op de achtergrond het rumoer des mensen en de bloedende harten en mijn verfrommelde ziel, werden hun gesprekken hoorbaar.

Natuurlijk ben ik jaloers op de muzikant of de schilder die geen woorden moet gebruiken.
Maar anderzijds hebben ze naast hun stroefheid nu en dan een liefelijke vorm van hardloperij, een soort diarree van gedachten die aan je goed getrainde logisch denken ontsnapt en uit de brei van het onderbewuste naar lucht komt happen.

Als ‘s morgens het persoverzicht zijn dagelijkse preken tot de bevolking houdt (de afwezigheid van geestelijke herders is al lang door hoofdredacteurs ingevuld) zijn het woorden die niets meer hebben uit te staan met die alledaagse werkelijkheid.
Het is metaal.
Loden letters waarmee menig journalist zichzelf willen laten schitteren in het lamplicht van de schrale dag, of in de gloed van zijn wetstraat-kenissen.

Ik sta telkens weer versteld hoe weinig ‘s lands behoeders, klokkenluiders en commentatoren de tekens van de tijd waarnemen in de hierboven beschreven golven van zinderend leven.
Wij zijn de abstraheerders en te vol van voorkennis om tegendraads te kunnen en te mogen denken van onszelf.

Mijn schamele raad (voilà ik begin ook al te preken ) zou in de richting van die virtuele doeken gaan.
Wees leeg genoeg om je honderd schilderijen per dag toe te laten.
Maak tijd om ze door je geest te laten waaien.
Jij hoeft ze geen vragen te stellen, dat doen zij wel.
En als je het antwoord niet dadelijk kent, geef ze dan de tijd om uit te ademen.

Hou dus je mond en toon die dag enkele mooie doeken van vroeger en nu in je krant.
Neem vooral geen voorbeeld aan mij.

Morgen is er weer een dag, en weer een nacht.
Tijd om te ver-beelden.


MIDZOMER VAN DAT JAAR

MIDZOMER VAN DAT JAAR

Met de kleine rozenfee was ik in de zomertuin.
Midzomer van dat jaar.

Met de kleine fee was ik in de rozentuin
Midzomer van dat jaar.

Betwijfel maar of fee en rozentuin bestaan,
dat was het mooie, ik mocht er zijn.

Met de kleine fee was ik in de rozentuin.
Midzomer van dat jaar.

Verwacht geen belletjes, noch disney-getinkel,
vergeet de duizendvoudige cliché-roos in je geheugen.

Met de kleine rozenfee was ik in de rozentuin,
Midzomer van dat jaar.

De tuin met middagregen nog besprenkeld,
de druppels op de handen van mijn kleine fee
en tussen haar vingertjes
de scherven van de afgevallen rozenblaadjes.

Te veel om waar te zijn
en zo waar om ooit te veel te zijn,
een meisje van zes
zoekt urenlang
de rozenblaadjes bij elkaar

Zij kent de soorten niet,
noch weet zij al muziek uit gevallen schoonheid
te distilleren, ruikt soms, maar bewondert
de zachtheid, het vervloeien van de kleuren-
is gewoon aandachtig bezig, met hart en ziel dus
en verzamelt urenlang de rozenblaadjes
in de beregende zomertuin.

Staat stil bij een gestorven hommel,
legt haar op een rozenblaadje in haar hand
en bedekt het donzig lijfje met een ander blaadje.

Loopt zo, met in de ene hand
het mooiste praalgrafje voor een hommeltje
en in de andere weer het juist geraapte blaadje
in de grote stilte van de rozentuin.

Verzamelt puzzelstukjes
van een nooit te herstellen prent
en vindt telkens andere vormen, andere kleuren
en kan niet ophouden gelukkig te zijn
midzomer van dat jaar.

In god geloven wordt overbodig
als je er bij was, zwijgend, knikkend
en tot in de wortels van je ziel betoverd
door de kleine rozenfee in de zomertuin
midzomer van dat jaar.

dyn005_original_378_520_jpeg_20344_1f8adfed6ec4102f179b01a61dbfb88f


War immer ein Berliner

Ik keer nog even terug naar Ruïne-Robert.
Ik vond een merkwaardige afbeelding van een van zijn werken: de schommel.
Tussen de ruïnes schommelen twee mensen, maken ze plezier.

Aan de andere kant, wat er van Berlijn overbleef, 1945-46.
Een man met een hondje voor de ruïnes van de prachtige stad.
Er is al veel puin geruimd.
Je kunt er alweer wandelen.
De hond uitlaten.

Schommelen en de hond uitlaten.

In 1977 was ik met oudejaar-nieuwjaar voor een reportage in Berlijn.
Groetjes vanuit de Europese grote steden overbrengen via de radio.
Enkele interviews van de voorbije dag, een groetje, en de nachtelijke hemel.

In de verlaten radiostudio stonden we na de uitzending naar buiten te kijken.
Terwijl het vuurwerk de hemel verlichtte.

Ik wist toen dat ik altijd al een Berlijner ben geweest.
Het bengaalse vuur spatte open.

Noch de technicus, noch ikzelf spraken.
We dachten beiden hetzelfde.

Aan het tekort aan geheugen.
Het jaar nul.

Zoals de openingsceremonie van een bijeenkomst voor radio- en televisiemakers in het radiogebouw van Berlijn.
Met veel knallen vanop de balcons, huiselijk vuurwerk.
En mijn hart bloedde.

Want in datzelfde gebouw was de heer Goebbels thuis, en zag ik alleen de lange rood-witte hakenkruisenvlaggen aan de balcons hangen?

Ich bin ein Berliner, zonder applaus of gejuich.
En ik ben bang voor de volgende ruïnes.

Een peperkoekenhart meneer.


WIL JE JE KUNST EVEN TOEPASSEN, ASJEBLIEF? DANKUWEL.

Beste Abraham,

Je kent ze net zo goed als ik, de klanten die eerste naar de waarde vragen en dan pas: ‘ et c ‘est quoi, monsieur?’

Ik nam de oude Italiaanse mandoline en zei:
‘C’ est un ballon monsieur.’
Ik had net zo goed kunnen zeggen dat het een oud vroedvrouwen-instrument was of een antieke harde schijf, de prijs die inderdaad door het inlegwerk erg hoog was, maakte alle beschrijvingen overbodig.

Ik ben dus erg blij als ik in mijn werk mooie dingen van alledag tegenkom zoals de hierbij afgebeelde affiches en publiciteit.
Toch even waarschuwen dat dergelijke ‘gewone’ dingen ook al prijzig kunnen zijn, want ook hier speelt vraag en aanbod, en vooral de mode, wat is in en wat is uit.

Mijn volgende documentaire bij de BBC gaat over ‘postkaarten’, niet de oude kostbare en zeldzame postkaarten, maar vooral wat er vandaag in Europa zoal voorhanden is, wat succes heeft en wat absoluut niet verkoopt.

Postkaarten als eigentijdse grafiek, en inderdaad, er mag gehuiverd worden over zoveel kitsch en onzin, maar daar zijn we weer op de markt en vermits de kinderen vooral moeten weten dat er in Zuid Afrika diamanten worden gedolven en koper in Chili, is er geen tijd meer om de basis van de esthetica aan te reiken en beperken we ons -in het beste geval- tot enkele goed bedoelde tekensessies in een of andere museum waar de pedagogische dienst tenslotte ook iets om handen moet hebben. (zeggen dan de leerkrachten).

Bijna iedereen gaat per jaar wel enkele malen met de hedendaagse grafiek om: de verjaardagen, troostkaarten, liefdesperikelen, kerst- en nieuwjaar, kortom we lopen al snel de kaartjeswinkel binnen en zoeken tussen het grote aanbod naar wat ons en de bestemmeling kan verbinden.

De vraag is: wat doen al die verdomde kunstscholen hier ten lande tenzij hun leerlingen aanzetten tot het maken van reeds eerder gemaakte constructies en reeds vroeger volvoerde experimenten (de leraar moet zijn rust hebben en heeft zijn tijd nodig om aan zijn eigen tentoonstelling te werken.)

dyn002_original_640_480_jpeg_20344_d46c680120837c82684605167030b50f

Ja meneer, wat moeten ze anders doen?
Als ik de treurige grafiek van de VRT-televisie bekijk (die video-zuurtjes), als ik de treurige boodschappen van algemeen nut over me heen krijg (varkensvlees!), als ik langs de wegen de goed bedoelde boodschappen in kreupele taal en nog kreupeler beeld moet ondergaan, de initiatieven van de ‘bestuurders’ van dit land die na hun creatieve campagnes onmiddellijk ontslag moesten nemen, dan zie ik een berg werk voor de alledaagse grafiek die je zo maar voor de zwaar gesubsidieerde kunstscholen kunt werpen met de vraag hier dringend iets aan te doen, of mag het een eis zijn?

En dan zwijgen we over de schoolgebouwen en klassen waarin de toekomst van dit land dat schitterende onderwijs krijgt, die hoog gewaardeerde training van wat dan ook, en dat in een sfeertje van afgekalkte muren, eeuwenoude prenten, en sfeertjes waarin alleen nog de ziekenbedden ontbreken. (over ziekenbedden gesproken, hier is voor ontwerpers ook nog braak terrein!)

Je zou dus denken dat in onze opleidingen de hedendaagse grafiek (postkaarten, textiel, behangpapier, meubelontwerp, publieke plaatsen, treincoupé’ s, enz. enz.) ruime aandacht zou krijgen want de nood is groot en de scholen van die strekking zijn goed gevuld.

Meneer, dat is toegepaste kunst, en wij zijn de niet toegepasten, de vrije vogels, de smakkers, de verlichte zielen, de…

Bon, zullen we eens terug naar het Bauhaus gaan?
Ik zie tot mijn grootste vreugde dat je heel mooie art deco spullen hebt aangekocht, nog door datzelfde bauhaus geïnspireerd, thermo-kannen, mooi porselein, glas.

En wat deed meneer Bing in zijn winkel die ART NOUVEAU heette?
Hij zette die dure glasmakers van Tiffany aan het werk en liet ze prachtige dingen voor het interieur creëren.
Hij huurde Deense meubelmakers in, hij nodigde schilders en graveurs uit om vooral hun kunst TOE TE PASSEN.

Of is dat te veel gevraagd misschien?
Kijk vandaag om je heen en ween.
Kijk naar je eigen porselein dat je bij het ontbijt gebruikt hebt (ontbijt???) naar de uithangborden, de tram-en treininrichting, de aankleding van je bureel of klas, kortom, begin zelf met toepassen.
Jij bent tenslotte de art nouveau, en niemand anders.


RUÏNE-ROBERT en de volwassene in het kind

dyn003_original_570_700_jpeg_20344_1e3e71ba4d6c9736aabee3d98a39075b

Beste Theodore,

De schilder van het dure bruggetje, de passerelle, Hubert ROBERT (1733-1808) werd ook ‘Ruïne-Robert’ genoemd, vanwege zijn grote voorliefde voor ruïnes en grote donkere ruimten zoals monumentale schuren, de binnenkant van het Colosseum of het duister van een grot.

dyn003_original_333_512_jpeg_20344_5f99b1b883e6647a046139a781dc037b

Dat zijn opleiding -tegen de wil van zijn ouders, dat hoort zo- door de barokke beeldhouwer Michel-Angelo Slodtz werd verzorgd was alvast één pijl in de goede richting, en dat hij deze jongeman introduceerde bij de Romeinse Paolo Panini was alvast een tweede indicatie want zijn invloed bleef levenslang voel- en zichtbaar.

Deze Robert des Ruïnes was in Rome werkzaam met Jean-Honoré Fragonard met wie zijn late-rococostijl deelde.

Dat hij meer en meer zijn verbeelding liet werken en zijn ruïnes vaak niet eens bestonden tenzij in zijn rijke verbeelding maakte hem, Panini en de visionaire architect Giovanni Battista Piranesi enorm populair in de kunstwereld van die dagen.

En toen Diderot Roberts werk zag op het salon van 1767 zegde hij:
‘De ideeën die deze ruïnes in mij wakker maken zijn groot van aard.’

Later werd de schilder de designer van Lodewijks XVI’s tuinen en de behoeder van zijn prentenkabinet.
Toen Parijs einde van de 18de eeuw zijn oude wijken en krotjes die op bruggen stonden begon af te breken was hij een trouw chroniqueur van deze afbraak.

Tijdens de Franse revolutie zat hij even in de gevangenis (wie toen niet?) en later werd hij een van de eerste curators van het Louvre, dat geschenk aan het volk.

Ik hou van zijn werk omdat hij de landschappen en taferelen vaak verbeeldt, hij is een van de eerste schilders die het onderwerp van binnenuit benadert zonder zich om de uiterlijke werkelijkheid te bekommeren.

Hij loopt de romantiek vooruit, hij beschouwt het verval als een mooi onderdeel van het kunstwerk, en dat is het ook.
Telkens ik door steden kom, overvalt mij vaak het zelfde gevoel: ik zie de ruïnes van de OLV-kathedraal, van de Craybeckx-tunnel, kortom in elke schoonheid is het verval een noodzakelijk deel.

Als Westerlingen verbloemen wij het verval. Het jaagt ons angst aan.
Ik hoorde daarstraks Boeddhistische vrienden praten over de innerlijke schoonheid waarin het sterven geen ongelukkige gevoelens oproept, maar als een wezenlijk deel van de verschijningsvorm wordt beleefd.

Kijk maar naar zijn monumentale schuur, naar zijn binnenkant van het Colosseum hierbij, en je weet dat de verbeelde binnenkant alle uitwegen biedt voor onze verschaalde fantasie.

Dat kleine kinderen van zijn werk houden, zag ik hier toen mijn zesjarig kleinkind zijn schuur wilde natekenen omdat ze zo geheimzinnig was, net zoals ze bij het zien van Egyptische oudheden de vogel Ba, de ziel, zo enig vond.

Jaja, het kind in de volwassene daar hebben we de mond vol van, maar wanneer geloven we eindelijk dat er ook een volwassene in het kind aanwezig is?

(hier zie je een fragment van de grote Parijse stadssanering, einde 18de eeuw.
De huisjes op de bruggen worden afgebroken.
Parijs wil uit-kijk, een drang die tot bij de heer Eifel bleef doorwerken terwijl Mitterand voor in-kijk zorgde.)

dyn003_original_600_346_jpeg_20344_5089edf083da1fc1019f20c24b796952



het landschap als liefde

Beste Abraham,

Het schilderij van Henri Joseph Harpignies heeft ons in ieder geval weer even met elkaar in contact gebracht ook al leek de poort gesloten en liepen onze levens langs verschillende paden en weggetjes (die wegen zijn een geliefkoosd onderwerp in de landschappen van Henri).

In 1844 echter bestond de suikerraffinaderij van zijn familie nog altijd en keerde hij er even later naar terug.
Zijn vader zag hem als een soort handelsvertegenwoordiger (voyageur, zegden wij vroeger) die ten lande de raffinaderij moest bekend maken en er klanten voor winnen, de suikerbiet ter ere.

De kleine Henri was echter vanaf zijn vierde jaar bezig met tekenen en kleuren en blonk in school alleen uit in die vakken en in muziek en aardrijkskunde.
Hij was trouwens een getalenteerd cellist en speelde later erg graag de kamermuziek van Haydn en Beethoven.

Terwijl hij voor pa’s bedrijf werkt, tekent hij onder invloed van de grote Franse lithografen van die tijd karikaturen.

Rond 1838, hij is dan bijna 20 maakt hij een tour van zo’n twee maanden met doctor Lachèze die hem Jean Alexis Achard (1807-84) leert kennen waarbij hij op zijn 27ste in Parijs gaat studeren.
Zijn pa heeft intussen ingezien dat zijn zoon meer talent voor de schone kunsten heeft dan voor de suikerbieten en geeft hem een maandelijks stipendium van 150 francs.

De revolutie van 1848 brengt hem weer thuis en vanuit Famars reist hij met zijn leraar naar Brussel.

‘Het bier hier is een slechte zaak voor het schilderen,’ schrijft hij naar huis en uitgekeken op België krijgt hij van zijn vader de toestemming om naar Baden-Baden te vertrekken, maar ook daar vindt hij zijn draai niet.
Het is pas in november 1850 als hij in Rome aankomt, met het devies “alles voor de kunst en alles voor het schone” voor ogen dat hij open bloeit.

Hij is geen volgeling van de Barbizon-school, en ook de andere tijdsstromingen hebben weinig invloed op zijn werk, maar hij zoekt het in zijn landschappen eerder bij Poussin en Claude Lorraine.

En zo weet ik dat hij in 1852 weer terug in Famars is en debuteert op het salon van 1853 met een zicht op Capri.
Een zittende kont heeft hij niet, hij wil in zijn landschappen zijn, dus zien we hem terug in Marly, het woud van Fontainbleau (waar enkele decaden voor hem de school van Barbizon huisde) en in de Pyréneeën.
Zijn grootste inspiratie vindt hij in het werk van Corot :

‘Het was daar (in Italië) dat ik tenslotte begreep dat Corot mijn gids was gedurende mijn hele carrière.
Mocht vader Corot dit kunnen lezen, hij zou gelukkig zijn, want hij was altijd een Italiaan, de grootste landschapschilder van de moderne tijden.’

Hij wordt een zeer bekwaam aquarellist en onder invloed van Achard begint hij ook met grafiek.
Hij begint zijn aquarellen en etsen te verkopen in Londen en new York en verdient daarmee per jaar zo’n 70.000 franc per jaar.
Vooral zijn wonderlijk gevoel voor diepte in zijn aquarellen, het gebruik van het wit van het papier, en de trefzekerheid van de compositie maken hem gegeerd.

In 1869 trekt hij zich nu en dan terug in het dorpje Hérisson in de streek van de Yonne en verwerft er in 1878 een eigendom in Saint-Privé (jaja, dat verzin ik niet zelf!)
Sinds 1885 brengt hij de winters door aan de Cote Azur en hij begint er met een studio waar leerlingen, die ook zijn vrienden werden, komen werken met de meester.

Wie oud genoeg wordt kan op prijzen en legion d’honneurs rekenen, en op het salon van 1897 krijgt hij de medaille d’honneur voor zijn “ Bords du Rhône”, een schilderij dat door de Londense academie was geweigerd, en ook tijdens het salon van de wereldtentoonstelling van 1900 wordt hij gelauwerd.
Dat landschappen dergelijke vermeldingen kregen was nog nooit gebeurd.

Bekijken we gewoon zijn werk, wandel door zijn landschappen en ik hoor van jou wel of je je er thuis voelde.
Ik stort mij weer in het gewoel.
Glittering prizes, een mooie naam voor de kunsthandel, dat wel.


het raadsel van de gesloten poort

Beste Theodore,

Je brieven met je psychiater herlees ik wel eens.
De onzichtbaarheid immers is mij ook lief, want ‘s mensen gedoe waarin jij je dagelijks beweegt, ligt mij niet zo.

Maar ook vanuit de stilte van de verslenste dag is het mogelijk reizen te maken.
Ik was immers nieuwsgierig gemaakt door je vreemde schilderij van Henri-Joseph Harpignies, en gezien mijn contact met de onzichtbaren vrij goed is, besloot ik me dus tot hem te wenden zodat hij iets meer van zijn voorbije leven kon prijs geven.

Zevennegentig jaar worden is ook niet niets.
De brave man leefde van 1819 tot en met 1916, en al was hij vrijwel blind in zijn laatste levensjaren, zijn blik leek mij net zoals bij jou vertrouwder dan de kijkwijze van vele andere meer beroemde en vaak ook beruchte tijdgenoten.

Wist jij dat Henri-Joseph van een Belgische gegoede familie afkomstig was?
En financieel van goeden huize, of zoals dat in een biografie heet: solidly bourgeois background.

De pa zat in allerlei zaken en kwam rond 1825 in Famars, vlakbij Valenciennes wonen waar hij een suikerfabriek begon, blijkbaar één van zijn vele financiële exploten.

En nu terug naar dat schilderij van hem dat morgen verkocht wordt (schatting was zo’n 800-1200 euro las ik).
Daar lees je: Famars, près de Valenciennes.
In 1844, dat is toch zo’n twintig jaar na de suikerfabriek, bezoekt de schilder opnieuw de plaats van zijn kindertijd (hij was zes toen ze naar Famars trokken) en vindt nog de poort, of wat dan ook terug als enige getuige van die tijd.
De gesloten poort van de voorbije kinderjaren, le temps perdu.

Het onzichtbare proberen we vaak te verbeelden door resten die achterbleven, door getuigen van een vergane tijd te koesteren, en we zouden dat meer moeten doen, denk ik.
Niet als escapisme, als verdromen van de banaliteit die we nu denken te beleven, maar wel als verbinding, als andere oever, en wie de andere oever vergeet, verloochent een groot deel van zijn eigen werkelijkheid.

Daarom vind ik mijn werk tussen de voorbije dingen zo mooi.
Je beseft dat het onmogelijk is de tijd terug te halen, maar je krijgt lijntjes toegeworpen, je passerelle, ook al bestaat ze maar uit wankele planken, is gelegd.

Poging om het onzichtbare op te heffen?
Ik denk het niet, het is eerder een vervolledigen van het onzichtbare door het nu en de toekomst in die diepte te betrekken.

Als het nu wel duidelijk wordt dat onze genen ook de toestanden waarin dingen gebeurden kunnen onthouden dan is het vanzelfsprekend dat ons denken niet solitair is, dat ons voelen niet zo individueel is als we geloven.
Het is met de voorouders verbonden.
Wij zijn elkaar ook in het verleden rekenschap verschuldigd en we zullen in het leven van nu al moeten uitkijken willen we de nazaten niet met alle mogelijke tekorten opzadelen.
De stroeve tanden van de voorouders die zure wijn hebben gedronken zouden best eens door de kinderen kunnen overgeërfd worden.

In dat lange leven van Henri-Joseph Harpignies werd hij vooral bekend om zijn landschappen.
Hierboven vind je een mooi voorbeeld van zo’n landschap waarin de mens (in dit geval twee jongens die een kar vol brandhout naar huis trekken) bijna verdrinkt.

Je merkt dat hij Corot bewonderde, dat hij bijna Italiaanse sferen naar hier overbrengt.
Hij schreef trouwens over zijn verblijf in Rome:

‘Het was Rome dat me maakte, dat me in stand hield en nu nog inspireert.
Het is in Rome en in Rome alleen dat ik mijn nobelste emoties ervaarde, en mijn diepste inspiratie vond ik er.
Wie wil leren kan er van aangezicht tot aangezicht met de schoonheid verblijven, en haar betovering ondergaan.’

Zo kun je de ziel van het licht transplanteren, de sfeer losmaken van haar localiteit en ze hier laten uitdeinen.

Of hoe het zichtbare steeds minder met de werkelijkheid heeft te maken.


brief aan mijn vriend Abraham

Beste Abraham,

Nu je een (voorlopig) einde aan je stuk HET TOUW hebt gemaakt, wil ik je toch graag een verre stem laten horen die ons beide levens weer even met elkaar kan verbinden.

Verwacht van mij geen kritiek of applaus, daarvoor is het stuk zeker niet gemaakt, maar terwijl ik volop bezig ben met rondreizen en kunstwerken te evalueren, las ik elke avond het vervolg van je stuk met het idee er allerlei beelden aan te verbinden die ik hier voor ogen kreeg.
Dat zijn onze ladders, jij in de kleine kunsthandel ik de nomade, de zwervende, en tussen ons “de passerelle” zoals je hiernaast op het doek van Hubert ROBERT (1733-1808) kan zien, een doek dat maandag in Lille (Frankrijk) zal geveild worden en dat ik toch op zo’n 120.000-150.000 euro heb geschat.

Maar het gaat duidelijk niet om de som, noch minder om de geschiedenis van het doek (is dit een kopie ja of neen?) maar louter om het prachtige thema, Paysage à la passerelle, en die passerelle is dan de primitieve brug die op de resten van de eeuwenoude pijlers rust.

Op het eerste gezicht niets bijzonders.
Er is het landschap met de kronkelende rivier, de koeien, de wassende vrouwen en de passage boven op de brug.
Maar toch is van al de doeken van deze kostbare veiling dit doek mij bijgebleven juist omdat het die wankele verbinding tussen oude zekerheden zo treffend weergaf, de atmosfeer van verbinding, jouw zo dierbaar langs HET TOUW en voor mij hier in dit unieke doek.

Boven de passage, het gedoe.
Onderaan het handwerk, het drenken van de dieren, de verte.

In mijn werkruimte heb ik alle schilderijen en grafiek weg gedaan.
De muren zijn er kaal.
Als ik in mijn bed lig, projecteer ik vaak de voorbije beelden op die naaktheid.
Wil ik het beeld in de diepte bekijken, dan sluit ik mijn ogen en zoem ik denkbeeldig in op details of kleurschakeringen.

De passerelle is vaak terug gekomen.
Dat ze zondag verkocht wordt, doet dus weinig ter zake want ze leeft verder in mijn hoofd en in mijn verzameling herinneringen, mijn geheugen-museum.

Ik denk dat jij je stuk elke avond ook zo voor je geest zag gebeuren, dat je de dramatis personae hoorde praten en je gewoon als getuige hun woorden kon noteren of hen kon aanzetten tot wat meer kalmte of animo.

Honderd jaar voor mijn geboorte, in 1844 dus schilderde Henri Harpignies dit doek dat net zoals de passerele in mijn geheugen is gebeleven.
(als je weet dat er weken zijn waarop ik zo’n 800 doeken zie om maar van de prenten te zwijgen…)

De poort, de toegang tot nergens.
Of is het een monument, een grote grafzerk, een plaats om iemand terecht te stellen?
Het heeft geen belang.
Tussen de massale bomen rijst de poort op.
Ze was ooit, lang geleden een onderdeel van een kerkhof, een huis, een …
Wat overblijft dus.

In jouw stuk zou je ‘t over een verhaal hebben, de poging om het onvatbare toch te vatten.

Mensen hebben in het landschap ingegrepen.
Het proberen dienstbaar te maken of hun aanwezigheid in enkele stukken steen achtergelaten.

Het verhaal.
Om van de ene naar de andere kant te komen.
Pogingen tot verlies van zwaartekracht.


HET TOUW, scène 27 (voorlopig slot)

dyn001_original_450_450_jpeg_20344_2a1a42d4249ae5dca690b2f45ab0f46c

ZEVENENTWINTIGSTE SCÈNE

ER HANGEN NU VERSCHILLENDE TOUWEN TUSSEN DE LADDERS, ALLEMAAL DRUK BEVLAGD ZODAT WE DE INDRUK KRIJGEN OP EEN BOOT TE ZIJN WAARVAN DE LADDERS DE MASTEN VOORSTELLEN.
WE HOREN HET GEDRUIS VAN DE ZEE, WATER DAT HEN VOORTSTUWT.

EMMERICH EN ALISON STAAN OP HUN LADDER, MET DE RUG NAAR ELKAAR EN KIJKEN UIT OVER HET WATER.

ALISON
Land! Land in zicht!

EMMERICH
Ja, ik zie het ook!
Land! Land in zicht!

ZE KOMEN NAAR BENEDEN EN KIJKEN OVER EEN DENKBEELDIGE RELING, DICHT BIJ ELKAAR, ALISON MET ARMEN OVER EMMERICHS SCHOUDER

ALISON
Dat is het eiland, Emmerich.

EMMERICH
Nog voor het avond is zullen we het anker kunnen uitwerpen.

ALISON
Er zal fris drinkwater zijn.

EMMERICH
Voel, Alison. Voel.
Voel je de golven?
Dat is het geschommel, weet je nog?
ALISON
(citeert eigen gezegde uit scène 11)
Wieg mij in een grote wieg, en trek zachtjes aan het wiegetouw terwijl ik lig te ijlen, te reutelen en mijn terminale winden laat.

EMMERICH
Zou dit de grote wieg zijn, Alison?

ALISON
Kijk naar het eiland: zie je het vuur boven de vulkaan?

EMMERICH
Ben je bang, Alison?

HET BLIJFT EVEN STIL TERWIJL ZE DEZELFDE KANT OPKIJKEN.

ALISON
We dansten samen over hè touw zonder het te raken.
Waarom zouden we dan bang zijn, Emmerich?

EMMERICH
Elk einde van een verhaal maakte mij als kind bang.
Ook al leefden ze nog lang en gelukkig, ik kon me niet verzoenen met hun toestand van eeuwige gelukkige inertie.
Geluk is waarschijnlijk het meest afschrikwekkende ter wereld.

ALISON
Je hoeft niet bang te zijn voor iets wat niet bestaat, Emmerich.
Je kunt ernaar verlangen, en dat is op zichzelf al dwaas, laat staan er bang voor zijn.

EMMERICH
Maar we varen toch naar het eiland?

ALISON
En naar de vulkaan op het eiland.

ZE KIJKEN IN STILTE NAAR DE VERTE, WE HOREN HET WATER

EMMERICH
Dat is het dus.
Er is geen einde.

ALISON
Geen geluk en geen einde, een mooie synthese, jonge vriend.

EMMERICH
Herinner je nog de a van abricoteren, Alison?
Met abrikozenjam bestrijken.

ALISON
Maneschijn.
…Met de n van maan zou ik de neushoorn in mij wakker kunnen maken terwijl ik met de e van mane de engel werd die ik verdiende te zijn.
Met de sch kon ik mijn tranen schreien en hoor hoe de ij het ijzer kon smeden nu het heet was om met de laatste n van maneschijn de nulhypothese van dit leven onder ogen te kunnen zien.

EMMERICH
Het mooie is dat we uit eigen wil kunnen zwijgen nu we tot samenspreken in staat zijn.

ALISON
Als we thuis zijn moet ik het dak nog herstellen, Emmerich.

EMMERICH
Ik mag niet vergeten de vuilniszakken buiten te zetten.

ALISON
Eens we de vulkaan voorbijzijn, Emmerich…

EMMERICH
Sssttt, Alison. Stil.
Er staan twee schommelstoelen op het terras, dat weet ik nog.

ZE KLIMMEN BEIDEN WEER OP HUN LADDER, GEZICHT NAAR ELKAAR

ALISON
Johns ladder was een viool.

EMMERICH
Genade en sierlijkheid.

ALISON
Het is niet zo gemakkelijk met een ladder van je moeder weg te wandelen.

EMMERICH
Zeker niet als vallen onze familieziekte is!

ZE PROESTEN HET SAMEN UIT, DE LADDERS BEWEGEN VERVAARLIJK

ALISON
Het touw tussen ma en pa, daar moeten wij op lopen.

ZE LACHEN NU NOG HEVIGEREMMERICH
…En vanaf driekoningen liet James Brooks zijn baard groeien!
Waar haal hij het?

LACHEN ZEER LUID

ALISON
De dramatis personae!
Weet jij wat dramatis personae zijn, Emmerich!

EMMERICH
Ik dacht dat het wasgoed was.

ZE LACHEN, HET WATER WORDT STEEDS HEVIGER HOORBAAR EN DAN EEN LUIDE KNAL VAN DE VULKAANUITBARSTING, EN VOOR WIE HET WIL KUNNEN DE LADDERS VALLEN, HET SPEELVLAK MAG IN ELKAAR STUIKEN, KORTOM GROTE CHAOS TERWIJL HET GELUID VAN WATER DOOR VLAMMENGELUID WORDT OVERSTEMD.
ALLES BRANDT OOK NA DE LAATSTE BLACK OUT

VOORLOPIG EINDE

 


De foto’s zijn van Bernard Faucon