HET TOUW, scène 26

ZESENTWINTIGSTE SCÈNE

HET TOUW HANGT WEER TUSSEN DE TWEE LADDERS.
HET IS NACHT.
ALISON ZIT VERDWAASD ONDER HET TOUW, HOOFD TUSSEN DE KNIEËN.
EMMERICH IS DRUK IN DE WEER TOUW EN LADDERS ‘AF TE STELLEN’ VOOR HET WONDER VAN DE VOLGENDE DAG

EMMERICH
Wil je de ladders in oostelijke richting, Alison?
Of zullen we ze naar het westen richten en vragen dat jij het wonder verricht bij zonsondergang?

ALISON REAGEERT NIET

Of wil je vanuit de noordkant over het touw dansen?
Jouw zon laten schitteren op die plaats waar de zon nooit komt?

ALISON REAGEERT NIET
EMMERICH KOMT BIJ HEM ZITTEN.

Hoe vaak heb ik je angst gezien, Alison?Je hebt mij vertrouwd gemaakt met het idee dat grote gebeurtenissen door angst vooraf worden gegaan.
Weet je nog: faciosum, ja de fascinatie van het wonder.
Maar je hebt mij terecht op zijn tweelingsbroer gewezen: tremendum.
Het sidderen en beven.
Faciosum et tremendum.
Ze kunnen niet zonder elkaar.

ALISON SPRINGT RECHT, DUWT EMMERICH BRUTAAL WEG, BEGINT OP HEM IN TE SLAAN.
EMMERICH HOUDT HANDEN BOVEN HET HOOFD, VERDEDIGT ZICH NIET, OOK NIET ALS ALSION HEM PLAT OP DE GROND SMIJT EN OP HEM GAAT ZITTEN.

EMMERICH
Ik ben uw voetmat, heer.
Als dit de weg is, hou je niet in.

DIT MAAKT ALISON NOG WOEDENDER, HIJ SCHUDT EMMERICH DOOR ELKAAR.

EMMERICH
Ik beken dat ik te klein ben om zelfs maar in uw schaduw te mogen leven.
Maar spreek slechts één woord…

ALISON TREKT HEM RECHT EN SLEURT HEM NAAR EEN LADDER.
HIJ DRUKT EMMERICH TEGEN DE BUITENKANT VAN DE LADDER AAN.

EMMERICH
Als je denkt dat mijn dood nodig is, Alison, dan ben ik bereid.
Maar geef me eerst de kans om mijn zonden te biechten want ik wil met een rein hart voor de Schepper verschijnen.

ALISON SLAAT HEM BRUTAAL IN HET GEZICHT, MEPT OP HEM IN

EMMERICH
Ik ben maar een worm.
Sprakeloos was ik toen ik je zag, Alison.
Was ik al spaarzaam met woorden in mijn kindertijd, toen jij me riep om je te volgen verloor ik elke klank en kon ik alleen nog vage keelgeluiden uit mijn strot krijgen en een liedje zingen.

Waar ieder normaal mens dit als een vreselijke straf zou ondergaan, was het voor mij een opluchting, Alison.
Ik beken.
Het was een ware opluchting nooit meer te moeten spreken.
Eindelijk stond ik aan de uiterste rechterzijde van het grote leger der zwijgenden.
Zwijgen om de heer te dienen.
Je menselijk geratel inhouden om zijn stem te kunnen horen.
Het was zo’n schitterende uitvlucht, zo’n prachtige kans om jouw het woord te laten voeren.
Ik genoot van je verhalen, en als je onzin uitkraamde genoot ik nog meer.
Ja sla me maar verrot, ik verdien het.

Mijn stilte dwong jou om telkens weer nieuwe verhalen te verzinnen.
Jij dacht dat ik je slaaf was, maar in feite voelde ik mij de heerser.
Ik beken.

Ik hulde mij in stilte als in een koningsmantel.
Uiterlijk een minus habens voelde ik mij de overwinnaar.
Je zult het zelf aan de lijve ervaren, Alison.
Zwijgen betekent macht.
Zwijgen verplicht je tot niets.
Alles wat gezegd wordt, heb ik niet uitgesproken,.
De machtigen zwijgen en heersen.

dyn006_original_565_394_jpeg_20344_6e183640dd3019ab0b2e9cb4ef3a590f

Vereren wij de woordenzoekers, leggen wij lauwerkransen aan hun voeten, besprenkelen wij hen met de glitter van prijzen en eervolle vermeldingen, het is onze manier om ons veilig te voelen.
De sprekers weten dat elk woord weerbarstig is, dat zelfs de meest verheven zinnen to be or not to be kromgetrokken grappen zijn, gehuil van walvissen in de diepte van de oceanen, gejammer omdat hun massaliteit hen verhindert om op land te komen, laat staan dat ze de lucht konden ingaan, de vogels gelijk.

Vanaf het moment dat ik je leerde kennen, kon ik niet genoeg krijgen van die almacht, Alison.
Je hakte op mij in, je behandelde mij als het vuil van de straat, maar voor wie de macht van het zwijgen kent, is dat een habbekrats.
Ik beken.

HET SLAAN IS AFGENOMEN, ALISON LUISTERT IN VERBIJSTERING.

EMMERICH
En de goden straften mij.
Ze duwden mij de spraak in mijn keel.
Dat vergiftigde geschenk.
Zelf zwijgen zij al eeuwen.
Hier en daar pikken ze zo’n praatvaar uit de massa en laten hem hun grootheid en almacht verkondigen.
Ze verschroeien hun profeten, hun heilanden besmetten zij met woorden.
Het is hun manier om de mensen te laten twijfelen want hoe mooi ook hun boodschap mag klinken, hoe mysterieus ook hun vraag om liefde en gerechtigheid, het blijft menselijk gegorgel, ‘s morgens of ‘s avonds bij het tandenpoetsen.

Mijn verering was niet gespeeld, Alison.
Ik bewonderde je werkelijk.
Ik probeerde je op mijn manier lief te hebben zoals de sterken zich ontfermen over weduwen en wezen.

Waar jij dacht dat ik de slaaf was, wist ik van de eerste dag dat ik de heerser bleef terwijl jij je moest uitputten in verhalen en verzinsels om duidelijk te maken wat niet duidelijk te maken is.

Ik beken.
Ik heb tot daarnet nog in alle toonaarden je grootheid bezongen, en al klonk de muziek vertrouwd en was ze niet van een déjà vu vrij te pleiten, de cantus firmus van elke nederige, ze werd met een zeker genoegen gezongen, niet om jou te eren, maar om mezelf te beveiligen.
Ik beken.

Nu mag je me afmaken, Alison.
Ik heb dat valse kleed waarmee ik mijn hoogmoed bedekte, afgeworpen.
Ik heb de scherven van de vergeten woorden bij elkaar geraapt.
Op elke scherf kun je lezen: kruisig hem.
Als je denkt vandaag te moeten sterven, Alison, wacht dan niet om mij te laten voorgaan.
Ik zal op je wachten.
We zullen samen over het touw dansen.
Zonder het te raken.
En al zullen we nu voor de honden worden gesmeten, we weten dat onze eeuwige stilte voedsel voor verhalen en mythes kan worden.
Ik lach nu al als ik de toekomstige stukken en tempels aan ons gewijd zie verrijzen.
Ze zullen in hun eigen woorden verzuipen.

Wacht niet, Alison.
Nijp mijn lallende keel dicht tot ik aan je voeten neerzijg.

ALISON GRIJPT HEM INDERDAAD BIJ DE KEEL EN BRENGT DAN VOORZICHTIG ZIJN LIPPEN NAAR DE ZIJNE.
NET VOOR DE KUS, BLACK OUT.


HET TOUW, scène 25

VIJFENTWINTIGSTE SCÈNE

EMMERICH EN ALISON STAAN MET DE HANDEN GEBONDEN AAN HUN LADDER

EMMERICH
Je bent wel net op tijd je stem verloren, Alison.
En als het dan nog bij je stem zou blijven.
Morgen is het de dag van het wonder.
Je mag deze nacht oefenen, hebben ze gezegd.
Morgen verzamelt de stad op dit plein.
De trommels zullen roffelen;
De hoorns kreunen.
Het zal muisstil worden.

En je zult over het touw dansen zonder het te raken.
Daar ben ik van overtuigd.

ALISON SCHUDT HEVIG NEEN MET ZIJN HOOFD.

Wees niet zo nederig, Alison.
Al ben je door god met stomheid geslagen, wellicht zul je morgen je stem weer terugkrijgen.
We zullen elkaar eindelijk bij naam kunnen noemen.
Dag Alison zal ik zeggen.
Dag m’n trouwe Emmerich zul jij antwoorden.
Met een stem die trilt van ontroering.
Met een stem die daarna de boodschap kan verkondigen.
ALISON SCHUDT HEVIG NEEN MET ZIJN HOOFD.

En ik zal je schaduw zijn.
Jouw Johannes de doper.
Ik zal de bergen slechten, de dalen vullen.
En al heb ik mijn stem teruggekregen, ik zal ze alleen gebruiken om jou aan te kondigen.

Ik heb je op de proef gesteld.
Ik noemde jouw spreken heel oneerbiedig ‘blaffen naar de maan’.
Ik ben een diep gevallen zondaar, Alison.
Na al die jaren zwijgen, wilde ik me wreken.
Ik voelde me machtig.
En als zondaar misbruikte in onmiddellijk mijn stem.
Ik zag je zo hopeloos verdrietig naar mij kijken.
Alsof je mij gelijk wilde geven.
Alsof je dadelijk zou zeggen:
“Ik hoor jou denken, Emmerich.”
Want zo is het.
Jij hoort mij denken.
Ik weet het, mijn gedachten zijn niet meer dan verschrompelde gedroogde vijgen, maar jij kunt ze horen.
Ik kan me niet achter mijn woorden verbergen.
Ik geloof in jou, Alison.
Ook nu je beproefd wordt, ben je sterk.

ALISON SCHUDT HEVIG NEEN MET ZIJN HOOFD.

Wat zou ik je gebonden handen willen kussen.
Wat zou ik de voeten die morgen over de koord zullen dansen zonder ze te raken willen vereren.

ALISON SCHUDT HEVIG NEEN MET ZIJN HOOFD.

Spuw op mij, lijdende profeet.
Bliksem mij neer met je vurige ogen.
Toen de soldaten ons kwamen halen, zag ik je pas je grootheid.
Je rilde niet eens van angst terwijl ik als een espenblad stond te trillen.

Ook toen ze zegden dat het zwaard om je te onthoofden was geslepen, gaf je geen kik.
Ook toen ze aankondigden dat ze je eerst uren zouden martelen, verroerde je niet.
Je maakte indruk, Alison. Neem dat van mij aan.
Ik heb de mensen lang genoeg geobserveerd om te weten waneer ze door grootheid zijn aangegrepen.

ALISON SCHUDT HEVIG NEEN MET ZIJN HOOFD.

Ontken je eigen grootheid niet, profeet.
Ik weet dat je door twijfels wordt verscheurd.
Ik weet dat je water en bloed zweet als je de dag van morgen voor je geest probeert te halen.
Ik hoor je smeken: vader, smeek je, laat als’t kan deze kelk aan mij voorbijgaan, maar niet mijn wil maar uw wil geschiede, dat hoor ik je denken.
Ook in de stilte ben jij groot, Alison.

ALISON SCHUDT HEVIG NEEN MET ZIJN HOOFD.

En al ben ik maar een vliegje dat naar het lamplicht wil en wellicht zijn vleugels zal schroeien, ik zal je met die weinige krachten bijstaan, Alison.
Ik zal je aankondigen.
Ik zal getuigen voor wat mijn ogen hebben gezien.

Natuurlijk, oculos habent et non videbunt zegt de psalmist: ze hebben ogen en ze zien geen steek.
Dat gevaar loopt elke roepende in de woestijn.
Maar jij zult hun ogen openen, hun oren ontstoppen, Alison.
Jij zult in doodsangst gehuld de ladder beklimmen waaraan je nu gebonden staat.
Boven zal je de menigte overschouwen.
Je zult denken: ze komen niet voor de glorie van god maar voor het spektakel van de mens.
En hoe juist die redenering ook mag zijn, het spektakel is net zo goed gods vinger als de brandende hand die “mene tekel “op de muren schreef.

ALISON SCHUDT HEVIG NEEN MET ZIJN HOOFD.

Leg je neer bij je opdracht, Alison.
Verzet je niet langer.
Zoals ik een werktuigje ben, een schroevendraaiertje misschien, zo ben jij Jaweh’s kettingzaag.
Ja, Jaweh’s kettingzaag.
Je zult de hoge bomen van hun ongeloof brutaal omzagen en met die spaanders een vuur laten ontbranden waarin wij reuk- en slachtoffers zullen brengen.

ALISON SCHUDT HEVIG NEEN MET ZIJN HOOFD.

Arme profeet.
Niet de buik van walvis is zijn schuilplaats, maar de ontkenning van zijn grootheid.

Kijk het wordt nacht, Alison.
Daar komen de soldaten al om ons los te maken.
Ik weet dat jij geen oefeningen nodig hebt om het wonder te voltrekken, maar laten wij van die vrijheid gebruik maken om elkaar in de armen te vallen.

EEN HOORNSTOOT DUIDT DE NACHT AAN.
BLACK OUT.


HET TOUW, scène 24

3592189000

VIERENTWINTIGSTE SCÈNE

NU LIGT ALISON OP HET ZEIL.
HIJ KAN GEEN WOORD MEER ZEGGEN EN ROCHELT ZO NU EN DAN.
HET IS DUIDELIJK DAT ZIJN STEM VOORLOPIG (?) IS UITGESCHAKELD.

EMMERICH
Probeer nu niet te spreken, Alison.
Alleen rust kan helpen.
Zwijg, en rust.

ALISON PROTESTEERT HEFTIG MAAR KAN INDERDAAD ALLEEN SCHOR GELUID VOORTBRENGEN.

EMMERICH
Neen, Alison, ik ben niet uit de doden opgestaan.

ALISON GEEFT TE KENNEN DAT HIJ ER NIETS VAN BEGRIJPT: EMMERICH WAS TOCH OPGEHANGEN?

EMMERICH
Ik denk dat ik gewoon het bewustzijn verloor.
En toen ik bijkwam zag ik jou je hoofd in de lus steken en ik riep.

Ja, ik riep.
Zoals je uit een diepe slaap wakker denkt te worden maar je blijkbaar in een volgende nachtmerrie bent beland.
Ik wilde dat het zou stoppen.
Ik riep.
Niet doen, Alison, riep ik.

ALISON DOET TEKEN DAT EMMERICH NU PLOTSELING KAN SPREKEN, DAT HIJ DAAR NIETS VAN BEGRIJPT, DAT HIJ MISSCHIEN WEL DENKT DAT EMMERICHS ZWIJGEN EEN SOORT LIST WAS.
HIJ WIL OP EMMERICH LOSHAKKEN, BIJNA UIT GEWOONTE.

EMMERICH

Rustig, Alison, rustig.
Zoals jij je stem verloor, zo heb ik de mijne teruggekregen.

ALISON KAN ZICH NIET BIJ DIE OMGEDRAAIDE WERELD NEERLEGGEN, HIJ STAAT MET ZIJN ARMEN TE WIEKEN EN LEGT WOORDELOOS ZIJN ONMACHT UIT ZONDER BEGREPEN TE WORDEN.

EMMERICH
Ik zei toch dat je best zou rusten, Alison.
Ik begrijp er ook niets van.
Misschien zijn we dood.

ALISON BLIJFT IN ZIJN DRUKTE STEKEN.
WE ZIEN HEM GELUIDLOOS ‘DOOD’ ZEGGEN, MEERMAALS.
HIJ GAAT NAAR EMMERICH EN VOELT OF HIJ VAN VLEES EN BLOED IS, IETS WAARIN HIJ BEVESTIGD WORDT.

EMMERICH
Ja, dood.
Dit is wellicht het vagevuur.
Als straf voor onze zonden moet ik nu spreken en ben jij met zwijgen belast.

Of het is toeval.
Zoals de hele schepping tenslotte op toeval berust.
Een mooi woord overigens: toe-val.
Net als je een verklaring voor het bestaan denkt gevonden te hebben klapt de val dicht: toe-val.

ALISON DRAAIT ZICH BOOS OM.
ALS EMMERICH NAAR HEM KOMT OM HEM TE TROOSTEN REAGEERT HIJ ALS EEN NUKKIG KIND.
HIJ DRAAIT ZIJN HOOFD, VINGER VOOR DE MOND EN DOET ‘SSSTTT’.
DAT HERHAALT ZICH ENKELE MALEN.

EMMERICH
Als jij denkt dat ik moet zwijgen, dan hou ik mijn mond.

ZE ZITTEN NU BEIDEN OP HET ZEIL EN WIEGEN ZACHTJES HEEN EN WEER.
OOK NU NOG DREIGT ALISON MET SSSTTT ALS EMMERICH IETS WIL ZEGGEN.

EMMERICH
Maar we moeten plannen maken, Alison.
Of wil je dat ik met gebarentaal spreek?

ALISON LOOPT BOOS NAAR ZIJN LADDER STEEKT OPNIEUW ZIJN HOOFD IN DE LUS EN KLIMT ENKELE TREDEN HOGER.

EMMERICH

Alison!
Niet doen!

MET GEBAREN EN SCHORRE KLANKEN PROBEERT ALISON HEM UIT TE LEGGEN DAT HIJ DOOR EEN VOLGENDE OPHANGING WELLICHT ZIJN STEM KAN TERUGKRIJGEN EN DAT EMMERICH BEST ZIJN VOORBEELD ZOU VOLGEN ZODAT DE WERELDORDE WEER HERSTELD ZAL ZIJN.
HIJ WIJST DUS NAAR EMMERICHS LADDER.

EMMERICH
Wil je dat ik…?

ALISON KNIKT HEVIG EN MAAKT HET NOG EENS DUIDELIJK DAT EMMERICH ZIJN HOOFD DOOR DE LUS MOET STEKEN.

EMMERICH
Jij wilt weer kunnen spreken en ik moet opnieuw zwijgen?

HEVIG KNIKKEN

EMMERICH
Ik denk er niet aan!
En wie zegt dat jij je stem terugkrijgt als je je ophangt?
Je kunt net zo goed voor altijd zwijgen.
Het was toeval, en toeval herhaalt zich nooit.
Of wil jij toeval met toeval vermenigvuldigen om opnieuw naar de maan te kunnen blaffen?

Ja, Emmerich.
Blaffen naar de maan.
Ik ben blij dat ik het nu eindelijk eens kan zeggen.
Jij bent een maanblaffer.
Jouw filosofie is zo lek als je hoofd.
Je bent een woordenkramer.
Mijn god, dat lucht op na al die jaren.

ALISON HEEFT ZICH LOS GEHAAKT EN ZIJN HOOFD UIT DE LUS GEDAAN.
HIJ SLUIPT NU NAAR EMMERICH OM HEM IN ZIJN LUS TE VANGEN.

EMMERICH
Ik zeg je dit als vriend, Alison.
Je mag mijn woorden niet verkeerd opvatten.
Want al blafte je, er waren momenten dat je geblaf alleraardigst klonk.
Ik weet het: er zijn momenten dat de hond aan de ketting een aria kan zingen, maar juist dan is er niemand thuis.
En eens zijn bazen weer thuiskomen en hij de aria wil herhalen klinkt alleen dat schor geluid dat jij nu produceert.

Maar het went, Alison. het went.
Een spreekverslaving is niet vlug te genezen, maar eens je zo ver bent, zul je anders leren denken.
Zonder woorden of klanken.
Eerst denk je zoals muziek.
Daarna blijven er alleen vergezichten en bergtoppen.
Je woorden…

ALISON HEEFT DE STROP ROND EMMERICHS NEK GEGOOID EN TREKT HEM DICHT.
ER ONTSTAAT HANDGEMEEN.
HET GELUID VAN AANSTORMENDE RUITERS WORDT HOORBAAR, SCHERPE FLUITMUZIEK.

EMMERICH
Hou op..Alison.
De ruiters van de stad.
Ze komen ons halen voor het wonder.


BLACK OUT


HET TOUW, scène 23

DRIEËNTWINTIGSTE SCÈNE

HET IS NACHT.
ER BRANDEN ENKELE FAKKELS OM HET TAFEREEL ZIJN ZICHTBAARHEID EN ATMOSFEER MEE TE GEVEN.
HET LICHAAM VAN EMMERICH LIGT IN HET ZEIL .
ALISON, NOG STEEDS TOUW OM DE NEK, WIEGT HET.

ALISON
Wat is een wonderdoener zonder bewonderaar?
Wat is de woestijn zonder zon?
De vis zonder water.

En zo kan ik nog wel even doorgaan, Emmerich.
Wat is ‘is’ zonder zijn?
Gesis.
Gesis, zoals jij je laatste adem uitsiste terwijl ik …

Maar wacht eens even.
Wie sloeg er alarm?
Jij, dode slimmerd.
Wie zag spionnen naar ons toe sluipen?
Jij, ontzielde makker.
Maar er was niemand, en dat wist jij, levenloze verrader.
Want jij had zo je eigen plannetje om er tussenuit te knijpen.
Terug naar af, en u ontvangt het eeuwige leven, amen,
En terwijl moet jouw vroegere levensgenoot het morgen alleen opnemen tegen de uitzinnigen, de mirakel-geilerds.
En nog voor zij verschijnen zal ik je lichaam moeten begraven willen we niet door jouw ontbinding ook nog de gieren en de jakhalzen deze kant opsturen.

Slim bedacht, engerd.
Heel slim, laffe dode onbenul!

HIJ ZWIERT ZO HARD MET HET ZEIL DAT EMMERICH ERUIT VLIEGT EN TEGEN DE GROND KWAKT.

Blijf daar maar liggen.
Mocht je nog een beetje moed hebben dan kon je als een mol je eigen graf graven en mij die last besparen.

De grote zwijgers hebben altijd gelijk.
Je hoort ze nooit.
Ze zijn het eens met al je beweringen en eens je rug gedraaid zijn ze het net zo eens met de beweringen van je tegenstander.

Maar wie steekt er een dolk in je rug, doorboort je hart en piept er tussenuit als je in grote nood verkeert?
Juist. De zwijgers.
Ik heb niets gezegd, zeggen ze, als ze al iets zeggen.
Ik heb niets gezegd, meneer de procureur, maar wat wilt u dat ik zeg?
O, dat?
Wel ja, ik zal eens wat zeggen.
Ik heb gezwegen omdat het trauma mijn stembanden verstikte, omdat de schaamte om zoveel pijn en leed mijn keel had dichtgeschroeid, maar nu zet ik tenslotte toch de stap, meneer de procureur.
En dan schreeuwen ze zich een weg naar het centrum van de belangstelling want hun zwijgen was de schuld van degenen die hun mond wel open hebben gedaan.
Hun boodschap bederft deze planeet, meneer de procureur.
Hun levensstijl lacht met de waarden die wij hoog in het vaandel voeren.

Nog even, Emmerich, en je wordt als een martelaar vereerd, verkozen tot man van het jaar, de post-mortem premier van dit land.

Zwijgers besturen ons.
Hun geschaafde schouders zijn het merkteken van hun verleden.
Multa tuli, veel heb ik gedragen, en ge zult het geweten hebben?

Emmerich!
Godverdomde zwijger van mijn hart, sta op en wandel.

EVEN STIL

Zie je nu dat ik geen wonderdoener ben, Emmerich?
Ja hoor, nu ziet hij het.
Met zijn dode ogen ver open gesperd hoor ik hem lachen.

dyn006_original_287_405_jpeg_20344_452e97b3089dd43cb8b90b566d508af9

Je dacht toch niet dat ik je geloofde, Alison, hoor ik hem zeggen.
Ik heb altijd maar geknikt en neen geschud om jou in de waan te laten dat je de sterkste was.
Geef iemand gelijk en hij staat buiten spel.
Kinderen weten dat.
Politici ook.
Misschien voel je in dat langzaam koud worden van jou toch nog een beetje pijn, en daarom zijn deze schoppen een warm vaarwel, een machteloze kreet van de blijver, een groet voor degenen die er tussenuit knijpen.

HIJ SCHOPT BRUTAAL TEGEN HET ONTZIELDE LICHAAM

En wat moet ik ze morgen wijsmaken als jij onder de grond ligt te wachten op mijn kreten?
Nog voor de zon ondergaat zul je met mij in het paradijs zijn, hoor ik je zeggen terwijl ze mijn kleren kapot scheuren, mijn haren uitrukken, mijn nagels van mijn vingers trekken.
Mag het ietsje vlugger zijn, zul je mij horen denken.
Mag ik a.u.b. ter plekke en terstond dood vallen?

Wat moet ik ze zeggen als ze naar jou vragen?
Op bedevaart naar Mekka, Jeruzalem of Compostella?
Ze zullen een touw spannen.
‘Dans nu over dit touw naar de andere kant zonder het met je voeten aan te raken, zullen ze zeggen. We hebben lang genoeg gewacht.

Kun jij je dat voorstellen, uitgeleefde vluchteling?
Al mijn uitvluchten zijn op.
Mijn makker heeft zichzelf opgehangen.
Zie je hun vreselijke ogen naar mij kijken?
Zie je mij de ladder opklimmen terwijl ze stil worden.
Zie je mij mijn voeten uitstrekken en dan naar beneden donderen?

Jaja, asielzoeker in het hiernamaals, jij ziet het.
Je zult niet verschijnen als een aartsengel.
Het zwaard in de hand, Emmerich-Michael.
De doder van de draak die massa-massa heet, ‘t broertje van kassa-kassa.
Jij zult niet als een lichtende wolk mij voorgaan zoals Jahweh dat deed toen hij zijn volk naar het beloofde land leidde.
De rode zee blijft op zijn plaats, en de stilte die je bij leven zo lief was zal nu ook suizend luid weerklinken terwijl ze zich op mij werpen.

Kom terug, Emmerich.
Of neem mij mee…
Wacht broertje, wacht bij de poort.

HIJ TILT EMMERICH OP EN LEGT HEM VOORZICHTIG TERUG IN HET ZEIL EN WIEGT HEM WEER.

Dat was ik niet, Emmerich, die man die je schopte.
Neen, dat was ik niet.
Dat was de grijze engel van de machteloosheid.
De cherubijn van de frustratie.
Bij alle oorlogen staat hij op de eerste rij, Emmerich.

Ik was in jouw ogen.
Met jou hoorde ik zijn verwijten, voelde ik zijn schoppen.
Vergeef het hem.
Al is hij voortdurend buiten zichzelf van woede, hij huist in ons.
Jij hebt hem geen onderdak aangeboden, misschien nu en dan een parasol of een hoedje van papier.
Maar bij mij was hij thuis.
Zalen vol woede ter zijner beschikking.
Een kasteel was ik voor hem.
En als hij mij dan buiten mezelf bracht, was ik het dus niet.
Ik bleef verweesd achter terwijl hij van mijn roepen en tieren gebruik maakte om de wereld te verketteren.

Wat kan ik anders doen, dan jou volgen, Emmerich?
Wij samen in de woestijn. Voor altijd.
Als er nu nog wat violen uit de oase weerklonken was het een melo van belang.

HIJ GAAT NAAR ZIJN LADDER, HANGT HET TOUW WEER VAST EN KRUIPT OP DE LADDER.

Een sprongetje en ik ben bij jou.
We zwemmen langs het zuiderkruis naar huis.
Wij, de verweesden, door de grijze engel achtergelaten.

Het zou fraai zijn als je je nu oprichtte en zei: kom maar, vriend.
Heel zachtjes zoals je je liedje zong, weet je nog?
Maar daarop wachten zal nog wel even duren.
Goed.
Gewoon een sprongetje, Alison.

OP HET ZEIL RICHT EMMERICH ZICH OP EN ROEPT HEEL LUID

EMMERICH

Niet doen, Alison! Niet doen!

ALISON SCHRIKT HEVIG, VALT VAN DE LADDER BEGINT TE SPARTELEN AAN HET TOUW, EN KOKHALST.

BLACK OUT


HET TOUW, scène 22

dyn001_original_500_613_jpeg_20344_b5213002a98637f7ed779f62a68bbe5c

TWEEËNTWINTIGSTE SCÈNE

HET IS AVOND.
EMMERICH EN ALISON ZITTEN IEDER OP HUN LADDER, TOUW OM DE NEK.

ALISON
Zie jij iemand, Emmerich?

EMMERICH KIJKT, SCHUDT HET HOOFD.

ALISON
We hebben deze namiddag ons de blauwe striemen in de nek gehangen, dus moeten we nu zeker zijn of er inderdaad iemand komt.
Zo te zien maken ze zich weinig zorgen om ons.

Het wordt donker.
In onze slaap zullen ze niet geïnteresseerd zijn.

EMMERICH MAAKT PLOTSELING TEKENS DAT HIJ IEMAND ZIET AANKOMEN

ALISON
Zie jij iemand?
Ben je zeker dat het geen slome karavaan is die net voor deze heuvel links of rechts afslaat zoals deze middag gebeurde?
Is het een karavaan, Emmerich?

EMMERICH SCHUDT HEVIG HET HOOFD.

ALISON
Zijn het dan mannen te paard?
Of zijn ‘onschuldige’ kinderen die ons met stenen komen bekogelen?

EMMERICH DUIDT AAN DAT HET STEVIGE KERELS ZIJN DIE HUN KANT OPKOMEN.

ALISON
Mannen met snorren en lange baarden?
Voor de heilige man is het niet de juiste tijd noch de juiste plaats.

Blijven ze deze kant uitkomen?

KNIKKEN VAN EMMERICH.

ALISON

Of is het de begrafenisondernemer die onze maten komt nemen?
Wat zeg je?
Sluipen ze?

Bedoel je, plat op de buik?

Bon.
Spionnen dus.
Ze maken van het aanrollend donker gebruik om ons te controleren.
Beste vriend, ik denk dat we moeten gaan hangen.
heb je nog chocolade genoeg onder je kont, want ik kreeg daarstraks een gezin woestijnratten op bezoek.

Jaja, Emmerich.
Als ze sluipen hebben we nog even tijd.
Sterven in de ondergaande woestijnzon, je zou er een vers bij bedenken.

Ik weet het, Emmerich, ze zijn dichtbij, ik weet het.
Ik kan hun vieze adem nu al ruiken.
Ze doen waar ze goed in zijn.
Kruiperigheid tot in de ongeknipte nagels van hun werkeloze voeten.

Bon, daar hangen we dan.

ZE LATEN ZICH HANGEN ONDER HUN LADDER.

ALISON
Tong uit de mond, Alison, en laat een wind nu het nog kan.
De wind zal ons bederf hun kant opsturen.

ZE HANGEN EEN TIJDJE STIL.
ER GEBEURT NIETS.

ALISON
Emmerich!
Zijn ze onderweg in slaap gevallen?

EMMERICH SIST IETS DUS HANGEN BEIDEN WEER EVEN STIL ZONDER DAT ER IETS VOORVALT.

ALISON
…of heeft jouw stevige wind hen voor uren verdoofd?

ZE HANGEN.

ALISON
Enfin, het is bijna donker!
Te vroeg voor een dutje en te laat voor een zonneslag.
Kom, Emmerich.
Vals alarm.
Je hebt waarschijnlijk een woestijnvos met zijn kroost gezien.
Emmerich?

HIJ KIJKT NAAR EMMERICH DIE NOG STEEDS ROERLOOS AAN ZIJN TOUW HANGT.

ALISON
Emmerich!
Hou op met dat gehang.
Er is niemand en er zal niemand meer komen vandaag.

EMMERICH GEEFT GEEN TEKEN VAN LEVEN

ALISON

Emmerich, hang niet de flauwe plezante uit, al is het woord uit-hangen hier wel erg toepasselijk.
Zie je, dat is talent.
Noch voor je vaste voet op de bodem zet, ben ik er al met een dubbele bodem.
Enfin.

Emmerich, het heeft nu echt lang genoeg geduurd.
Laten we nog een flesje kraken om goed te kunnen slapen.

EMMERICH NOG STEEDS GEEN REACTIE.
ALISON LOOPT NAAR HEM TOE EN TREKT HEM ZIJN KANT OP.
HET LICHAAM BENGELT ZONDER LEVENSTEKEN.

ALISON

Mijn god, Emmerich.
Je had toch die dubbele knoop, die veiligheidsknoop achter je lus gelegd, ds.

HIJ TREKT HET LICHAAM NU WEER ZIJN KANT OP EN INSPECTEERT DE KNOOP.

Zeg dat het niet waar is.!
Ja, die extra-knoop drukte en schaafde je huid open, dat was zo.
Maar..
Driedubbele dwaze Alison!
Ik heb je daarstraks nog gezegd eerst je veiligheidsknoop na te kijken.
En dat ‘ssstt’ van jouw was dus gewoon je laatste adem en niet een aanmaning om..

Emmerich.
Wat moet ik zonder jou?

BLACK-OUT

Residenzgalerie Salzburg
Residenzplatz 1
A-5010 Salzburg


HET TOUW, scène 21

EENENTWINTIGSTE SCÈNE

LADDERS STAAN WEER OPGESTELD, MET VANGZEIL.
ER IS HEEL WAT ETEN EN DRANK AANWEZIG DAT RONDOM DE SCHROKKENDE ALISON IS OPGESTELD.
HIJ DOET ZICH TEGOED AAN DEZE AALMOEZEN TERWIJL EMMERICH DRUK IN DE WEER IS DE OPSTELLING AF TE WERKEN.
DAARNA KLIMT EMMERICH LANGS ZIJN LADDER NAAR BOVEN.
ALISON ZIT MET ZIJN RUG NAAR EMMERICH MAAR WEET WAT HIJ AAN ‘T DOEN IS, HIJ BEGINT MET VOLLE MOND TE SPREKEN.

ALISON
Emmerich, wat ben jij van plan?

EMMERICH WILDE NET HET TOUW PROBEREN.

ALISON
Ik wil niet dat jij het zeil bevuilt met je puistenlijf.
Kom naar beneden en ruim de boel hier op.
Als de spionnen komen, moeten wij van discipline getuigen.

ALISON DRINKT FLINKE SLOK, BOERT EN WRIJFT ZICH IN DE HANDEN TERWIJL EMMERICH VAN DE LADDER KOMT EN DE BOEL OPRUIMT.

ALISON
Alleen de restjes heb ik gezegd, Emmerich.
We moeten zuinig zijn.

Als ik nog een beetje van dat goedje drink kan ik zonder moeite over de koord dansen.

ALISON KLIM NAAR BOVEN AAN ZIJN KANT.
EMMERICH SCHROKT STIEKEM EN SNEL ETEN EN DRANK NAAR BINNEN.

ALISON
De restjes eerst, Alison.
Laten we niet dikkenekkerig doen en tuchteloos schransen.
Wat is het hierboven warm!
Emmerich, zorg voor koelte asjeblieft!

EMMERICH, NOG MET VOLLE MOND WEET NIET GOED HOE HIJ HET BEVEL MOET UITVOEREN.
HIJ LOOPT ROND, KOMT EVEN BLAZEN, TREKT TENSLOTTE ZIJN T-SHIRT UIT EN WAAIT DAARMEE IN ALISONS RICHTING.
ALISON ZUCHT, KLIM NOG EEN BEETJE HOGER EN LAAT ZICH VAN OP HET TOUW IN HET ZEIL VALLEN.
EMMERICH BLIJFT WUIVEN, OOK ALS ALISON WEER ZICHTBAAR WORDT.

ALISON
Hou op, gehoorzaam kind.
Straks komt de grote koelte voor ons beiden.
Neen, ik bedoel niet de woestijnnacht.
De grote koelte van de dood.

Toen ik boven op het touw stond voelde ik de kogel in mijn hart dringen en weet je wat het laatste was wat ik van deze aarde zag?
Jouw vuil ondergoed, Emmerich.
Ja, we zijn in de woestijn.
Ja, we hebben andere dingen aan ons hoofd.
Maar zoek tenminste in je rugzak naar iets propers zodat nog enig gevoel van zuiverheid mijn ogen zal treffen voor ik ze voor altijd sluit.

EMMERICH VERGELIJKT ZIJN VUILE KLEDIJ MET DE NET ZO SMERIGE KLEDIJ VAN ALISON EN KIJKT HEM VRAGEND AAN.

ALISON
We kunnen natuurlijk ook naakt optreden.
Net voor we aan het wonder beginnen trekken we alles uit.
De goegemeente gilt en sluit de ogen, werpt zich vol afschuw op de grond.
Zeker als ze eerst jouw misvormde lijf te zien krijgen terwijl het mijne inderdaad voor verblinding zal zorgen.
Een mooie mix: afschuw en verblinding.
Faciosum et tremendum.

We hollen naar de andere kant en daar kom ik de ladder af en slaan we een handdoek om ons lijf.
En jawel hoor, wanneer ze eindelijk hun ogen op ons durven richten, staan wij aan die kant eenvoudig gelukkig te zijn na een geslaagde overtocht.
Wel?

EMMERICH HAALT ZIJN SCHOUDERS OP EN TWIJFELT

ALISON

Inderdaad.
We kennen het stiekem gedrag van onze scherprechters.
Ze zullen loeren.
Ze zullen gluren.
Ze zullen door hun vingers kijken.
Ze willen weten of de wonderdoeners een geslacht hebben of inderdaad engelen bleken te zijn.
En dat is nog een nobel motief.
Ze zijn vol afschuw voor hun eigen lijf opgevoed, en omdat hun eigen ouderen geen griezels mogen zijn, willen ze ons die rol toe bedelen.

Ik denk dat er maar één oplossing is, Emmerich!
We hakken het touw in twee.
We maken er een lus in en knopen het andere eind tussen onze ladder.
Daarna de lus om onze nek, de ladder op, en…
Na de slag die onze nek breekt, kunnen we over elk touw dansen, zijn we lichter dan de lucht.
Maar dat zien zij niet.
Zij zien de heiligen bengelen.
Strepen van uitwerpselen en urine langs hun benen, hun tong uit de mond.

EMMERICH HOUDT ZIJN HANDEN VOOR ZIJN OREN EN BEGINT HEVIG NEEN TE SCHUDDEN.

dyn005_original_558_509_gif_20344_efd8588f5580b5af00875840276a1693

ALISON
Dat teken van leven is hoopgevend!
Mijn gezel hangt liever aan het leven dan aan dit touw.
Maar…

Emmerich, de goden zijn ons genadig!
Handen weg voor die schelpen.
Ik zei: de goden zijn ons genadig.
Hoor je dat, Emmerich?
Hoor je mijn stem?
Klinkt ze als iemand die zo dadelijk in eigen nat door de gieren wordt leeggeplukt?
Neen, zo klinkt ze niet.
Ze klinkt…hoopvol, inderdaad.
Dat heb jij goed gedacht, Emmerich.
Hoopvol.
Want wat gaan wij doen?
Hoe geraken wij uit deze benarde situatie?

ALISON HAKT MET EEN STEVIGE SLAG VAN EEN MACHETE OF IETS DERGELIJKS HET TOUW DOOR.
ALISON
Trek jouw stuk los, net zoals ik doe.

ZE MAKEN HET TOUW LOS.

Maak nu een stevige lus aan jouw touw.
Doe wat ik zeg.
Jaja, een lus.
Je hoofd moet e net doorkunnen en de lus mag dan dichtschuiven rond je nekje.
Twijfel niet, Emmerich.
Heb ik je al ooit in de steek gelaten?
Was ik niet je vader en moeder tegelijkertijd, je vrouw en kind, je grootmoeder en -vader en zelfs de waakhond op het erf?
Ja, dat was ik.
Goed, als die lus klaar is, snoer ze dan vast om je nek.
Mooi zo.
Maak het andere eind vast aan het hoogste punt van je ladder.
Kruip terug in die oude baarmoeder, Emmerich.

MET DE HAAK VAST AAN LADDER.

ALISON
Klim nu naar boven.
Neen, niet met knikkende knieën…maar met de zekerheid dat Alison je zal redden.
Momentje.
We zijn nog iets vergeten.
Numero uno: maak een tweede knoop achter de eerste zodat het touw niet rond je nek kan dichtglijden.
Het is belangrijk dat die knoop stevig en onzichtbaar is.
Ja, zoiets.
Schuift hij dicht?

ALISON TREKT EVEN STEVIG AAN EMMERICHS TOUW, SNOK MAAR NIET DICHT.

ALISON
Keurig.
Numero duo.
Die chocolade pasta en gemberkoek met water bewerken en dan de achterkant van je bovenbenen ermee insmeren.
Kijk niet zo verbaasd, Emmerich.
Het moet echt lijken, en beter Belgische chocolade in deze vorm dan…enfin, je begrijpt.

ZE SMEREN HUN BOVENBENEN IN.

ALISON
Mijn god, Emmerich, als ze jou zien hangen denken ze dat je net een vier gangen maal hebt genuttigd!

We wachten dus tot de spionnen komen.
Dan hangen we.
Dood als een pier zullen we zijn.
Denken zij.
Daarna halen ze de oudsten en die zullen ons bewenen of verdoemen, het maakt niet uit, maar op het geschikte moment fluister ik: ja, en dan verrijzen wij ter plekke uit onze pierdode toestand.
We vertellen hen dat vuige rovers met ons geld en eten zijn gaan lopen en ons opknoopten om zich op de stad te wreken.
`Maar de goden, hoe ze ook mogen heten, hebben ons niet verlaten.
Ze hebben hun profeten weer tot leven gewekt.

Zie je ze neerzijgen, Emmerich.
Zie je ze onze voeten en handen kussen?
O, wacht eens even.
Als ze gaan likken moeten ze wel van onze chocolade-benen blijven.

Wel, goede vriend, wat denk je?
Zullen we even oefenen?

ZE LOPEN NAAR DE LADDERS, HET LICHT DOOFT.


HET TOUW, scène 20

TWINTIGSTE SCÈNE

HET GEZANG IS IN NOGAL KRIJGSHAFTIGE MUZIEK OVERGEGAAN.
EMMERICH EN ALISON LEGGEN TERWIJL DE LADDERS NEER IN EEN SOORT RUIT WAAR ZE ZELF KUNNEN INSTAPPEN.
MET HET TOUW WORDEN DE TWEE LIGGENDE LADDERS AAN ELKAAR VASTGEMAAKT

HET IS DUIDELIJK DAT EMMERICH DE LEIDING HAD, HET IS ZIJN VOORSTEL OM DEZE PRIMITIEVE BORSTWERING ALS DEFENSIE OP TE RICHTEN.

ZE STAPPEN IN HUN ‘VEILIGE’ OMGEVING.

ALISON
Is er iets mooiers dan martelaren, Emmerich?
Ik ben er zeker van dat noch stevig gesjor aan je teelballen, noch dat hoofd van jou in de stront stoppen jouw zwijgen zal verbreken terwijl ik bij de eerste smash op mijn neus om genade zal smeken, hun verdomde hielen zal likken en zelfs mijn vader en moeder zaliger zal verraden al blijft er niet veel meer dan enkele knoken van hen over.
Zo ben ik nu eenmaal.
Pijn vernietigt mijn zelfrespect.

EMMERICH LOOPT MANHAFTIG HEEN EN WEER IN DE LADDER-RUIT, SPEUREND NAAR ONRAAD.
ALISON PROBEERT OP DE RAND VAN DE GEKANTELDE LADDERS TE LOPEN BIJ DE VOLGENDE REPLIEK

ALISON
Ik hoor je denken, Emmerich.
Je kent mijn gave om de zeldzame kronkelingen in jouw hoofdje te ontwarren, Emmerich, want al ben je stom je houding spreekt meestal boekdelen.
Kijk niet zo verbaasd, dit is geen magie noch mensenkennis.
Het is gewoon je ogen open houden en je geestelijke oren ontsluiten.
Ben je eens zo ver dan hoor je de mensheid spreken.
Luid en duidelijk, en het zijn voorwaar geen volzinnen maar korte uitroepen of steunende geluiden van parende dieren, niesbuien zijn het of lange hikpartijen.
Enkelvoudige zinnen waarin hebben, pakken en krijgen de boventoon voeren.

Ik hoor je denken, Emmerich.
Ik hoor je denken dat deze versterking ons zal redden.
Dit is het fort van de manmoedige cowboys dat elke aanval van de primitieve indianen zal afslaan.
In deze baarmoeder dringt geen buitenlands geluid binnen.
Dit is de ommuurde stad.
Het seniele eiland waar alleen een ondertunneld streepje water voor de splendid isolation zorgt.
De puber Europa, een puber met groeistuipen en gevaarlijke narcistische neigingen.
Steeds weer omringen we ons met muren, plaggen of heggen.
Ik hoor je denken, Emmerich.
Waarom trekken we het zeil niet over ons hoofd en houden we daaronder een zweterig theekransje?
Wij de specialisten in het verklaren van dromen, het ontzenuwen van getover, de afstekers van knallende vuurwerken, liefst ver van huis, wij voelen ons veilig.

Ik hoor je denken, Emmerich.

En wat hebben we om ons te verdedigen?
Eén revolver die elk ogenblik in je eigen handen kan ontploffen, twee gekantelde ladders, één touw en een zeil.
Mijn god zoveel wapens tegen een horde fanatieke believers, tegen uitgehongerde wonder-zoekers, sensatiegeile stedelingen, wat een gevoel van overmacht.
Zouden we dit niet aan Europa moeten voorleggen wegens oneerlijke concurrentie?

HIJ SPRINGT VAN DE LADDERRAND

Op deze ladders lukt het mij nog aardig, dat beetje evenwicht, maar als zelfs een hoog bejaarde mits enige oefening nog op zijn stoel kan staan zonder op zijn smikkel te vallen, is dit niet het wonder waarop de kudde wacht.

Emmerich.
Wij zijn verloren.
Het is gedaan met ons.
Nog even en mijn woorden zijn op.
Ik voel me leeg lopen.
En ik hoor je denken:
Hij maakt een grapje, hoor ik je denken.
Ik hoor je denken:
Hij wil mij bang maken, mij uittesten, hoor ik je denken.
Ik hoor je denken:
We wachten op een schitterende morgen, hoor ik je denken,
en dan zal hij over het touw dansen zonder het touw te raken.

Heb ik goed gehoord?

EMMERICH KNIKT ONSTUIMIG EN DANKBAAR, HIJ WIL ALISONS HANDEN KUSSEN MAAR WORDT WEG GEDUWD.

dyn002_original_475_469_jpeg_20344_42b5b25696514156362f1464ad62c939

ALISON
Maar je denkt verkeerd, Emmerich.
Ik weet het, wij denken wat we graag denken.
In onze vesting hebben we stromend water en elektriciteit, we verschansen ons in onze design-huizen, we zijn verzekerd tegen onkuise gedachten en woede-aanvallen, en als we niet kunnen kakken bellen we naar slachtofferhulp.

Je zou je voor minder in het paradijs wanen, Emmerich.
Maar zelfs in het paradijs stond een boom.
De boom van kennis van goed en kwaad.
Daar hebben wij Provençaalse keukens van gemaakt, of loften uit gezaagd.
En in die keukens verzamelen we onze kuikentjes.
In die loften komen we alleen ‘s nachts slapen want welvaart heeft zijn prijs.
En alles wat ons overkomt is de schuld van anderen.
Want de kuikentjes blijven eeuwig donzige wezentjes.
En wijzelf trappen in duizend vallen tegelijkertijd, de vallen van de schurken, de verleiders en waanzinnigen die ons belagen.

Hulp, roepen wij met zo’n piepend kuiken-stemmetje.
Hulp.
heb medelijden met ons.
Red ons Heer want wij vergaan.

En in mijn gedachten zie ik de heer snel over het water wegrennen en van op de kant roepen: trek uzelf recht, sukkels.
Wie niet kan zwemmen zal moeten roeien, en wie zijn mama mist kan aan de mem van god de vader gaan liggen en mystieke aanvallen krijgen die het dagelijkse leven verlichten en hem tot ziener zullen verheffen.

EMMERICH KRUIPT IN ELKAAR, ALS VOELT HIJ DE SLAGEN WERKELIJK.

ALISON
We kunnen menselijk blijven, Emmerich en gaan lopen.
Maar natuurlijk hebben ze elke weg afgezet.
Ze bewaken de grenzen.
En mijn listen zijn net zoals mijn moed opgebruikt, vermoed ik.

EMMERICH DOET TEKEN DAT ER MENSEN NADEREN

ALISON
Zie je wel, ze komen al eens poolshoogte nemen of het wonder vordert.
Dus vlug de vesting afgebroken en het touw gespannen.
Laten we tenminste van elk levensminuut zestig maal genieten.
Jaja, Emmerich, genieten.

ZE TREKKEN DE LADDERS RECHT EN SPANNEN HET TOUW .
HET ZEIL WORDT EEN VANGNET.

ALISON
Ga nu die spionnen tegemoet en maak hevige gebaren die hen vertellen dat hun gluurogen uit hun verdomde koppen zullen vallen als ze voortijdig van Gods Almacht willen genieten!
Ik begin mijn diepste meditatie.
En o ja, Emmerich.
Wil je even de giften van de gelovigen ophalen.
Ik begin honger te krijgen.
En dorst!