DRIEËNTWINTIGSTE SCÈNE

HET IS NACHT.
ER BRANDEN ENKELE FAKKELS OM HET TAFEREEL ZIJN ZICHTBAARHEID EN ATMOSFEER MEE TE GEVEN.
HET LICHAAM VAN EMMERICH LIGT IN HET ZEIL .
ALISON, NOG STEEDS TOUW OM DE NEK, WIEGT HET.

ALISON
Wat is een wonderdoener zonder bewonderaar?
Wat is de woestijn zonder zon?
De vis zonder water.

En zo kan ik nog wel even doorgaan, Emmerich.
Wat is ‘is’ zonder zijn?
Gesis.
Gesis, zoals jij je laatste adem uitsiste terwijl ik …

Maar wacht eens even.
Wie sloeg er alarm?
Jij, dode slimmerd.
Wie zag spionnen naar ons toe sluipen?
Jij, ontzielde makker.
Maar er was niemand, en dat wist jij, levenloze verrader.
Want jij had zo je eigen plannetje om er tussenuit te knijpen.
Terug naar af, en u ontvangt het eeuwige leven, amen,
En terwijl moet jouw vroegere levensgenoot het morgen alleen opnemen tegen de uitzinnigen, de mirakel-geilerds.
En nog voor zij verschijnen zal ik je lichaam moeten begraven willen we niet door jouw ontbinding ook nog de gieren en de jakhalzen deze kant opsturen.

Slim bedacht, engerd.
Heel slim, laffe dode onbenul!

HIJ ZWIERT ZO HARD MET HET ZEIL DAT EMMERICH ERUIT VLIEGT EN TEGEN DE GROND KWAKT.

Blijf daar maar liggen.
Mocht je nog een beetje moed hebben dan kon je als een mol je eigen graf graven en mij die last besparen.

De grote zwijgers hebben altijd gelijk.
Je hoort ze nooit.
Ze zijn het eens met al je beweringen en eens je rug gedraaid zijn ze het net zo eens met de beweringen van je tegenstander.

Maar wie steekt er een dolk in je rug, doorboort je hart en piept er tussenuit als je in grote nood verkeert?
Juist. De zwijgers.
Ik heb niets gezegd, zeggen ze, als ze al iets zeggen.
Ik heb niets gezegd, meneer de procureur, maar wat wilt u dat ik zeg?
O, dat?
Wel ja, ik zal eens wat zeggen.
Ik heb gezwegen omdat het trauma mijn stembanden verstikte, omdat de schaamte om zoveel pijn en leed mijn keel had dichtgeschroeid, maar nu zet ik tenslotte toch de stap, meneer de procureur.
En dan schreeuwen ze zich een weg naar het centrum van de belangstelling want hun zwijgen was de schuld van degenen die hun mond wel open hebben gedaan.
Hun boodschap bederft deze planeet, meneer de procureur.
Hun levensstijl lacht met de waarden die wij hoog in het vaandel voeren.

Nog even, Emmerich, en je wordt als een martelaar vereerd, verkozen tot man van het jaar, de post-mortem premier van dit land.

Zwijgers besturen ons.
Hun geschaafde schouders zijn het merkteken van hun verleden.
Multa tuli, veel heb ik gedragen, en ge zult het geweten hebben?

Emmerich!
Godverdomde zwijger van mijn hart, sta op en wandel.

EVEN STIL

Zie je nu dat ik geen wonderdoener ben, Emmerich?
Ja hoor, nu ziet hij het.
Met zijn dode ogen ver open gesperd hoor ik hem lachen.

dyn006_original_287_405_jpeg_20344_452e97b3089dd43cb8b90b566d508af9

Je dacht toch niet dat ik je geloofde, Alison, hoor ik hem zeggen.
Ik heb altijd maar geknikt en neen geschud om jou in de waan te laten dat je de sterkste was.
Geef iemand gelijk en hij staat buiten spel.
Kinderen weten dat.
Politici ook.
Misschien voel je in dat langzaam koud worden van jou toch nog een beetje pijn, en daarom zijn deze schoppen een warm vaarwel, een machteloze kreet van de blijver, een groet voor degenen die er tussenuit knijpen.

HIJ SCHOPT BRUTAAL TEGEN HET ONTZIELDE LICHAAM

En wat moet ik ze morgen wijsmaken als jij onder de grond ligt te wachten op mijn kreten?
Nog voor de zon ondergaat zul je met mij in het paradijs zijn, hoor ik je zeggen terwijl ze mijn kleren kapot scheuren, mijn haren uitrukken, mijn nagels van mijn vingers trekken.
Mag het ietsje vlugger zijn, zul je mij horen denken.
Mag ik a.u.b. ter plekke en terstond dood vallen?

Wat moet ik ze zeggen als ze naar jou vragen?
Op bedevaart naar Mekka, Jeruzalem of Compostella?
Ze zullen een touw spannen.
‘Dans nu over dit touw naar de andere kant zonder het met je voeten aan te raken, zullen ze zeggen. We hebben lang genoeg gewacht.

Kun jij je dat voorstellen, uitgeleefde vluchteling?
Al mijn uitvluchten zijn op.
Mijn makker heeft zichzelf opgehangen.
Zie je hun vreselijke ogen naar mij kijken?
Zie je mij de ladder opklimmen terwijl ze stil worden.
Zie je mij mijn voeten uitstrekken en dan naar beneden donderen?

Jaja, asielzoeker in het hiernamaals, jij ziet het.
Je zult niet verschijnen als een aartsengel.
Het zwaard in de hand, Emmerich-Michael.
De doder van de draak die massa-massa heet, ‘t broertje van kassa-kassa.
Jij zult niet als een lichtende wolk mij voorgaan zoals Jahweh dat deed toen hij zijn volk naar het beloofde land leidde.
De rode zee blijft op zijn plaats, en de stilte die je bij leven zo lief was zal nu ook suizend luid weerklinken terwijl ze zich op mij werpen.

Kom terug, Emmerich.
Of neem mij mee…
Wacht broertje, wacht bij de poort.

HIJ TILT EMMERICH OP EN LEGT HEM VOORZICHTIG TERUG IN HET ZEIL EN WIEGT HEM WEER.

Dat was ik niet, Emmerich, die man die je schopte.
Neen, dat was ik niet.
Dat was de grijze engel van de machteloosheid.
De cherubijn van de frustratie.
Bij alle oorlogen staat hij op de eerste rij, Emmerich.

Ik was in jouw ogen.
Met jou hoorde ik zijn verwijten, voelde ik zijn schoppen.
Vergeef het hem.
Al is hij voortdurend buiten zichzelf van woede, hij huist in ons.
Jij hebt hem geen onderdak aangeboden, misschien nu en dan een parasol of een hoedje van papier.
Maar bij mij was hij thuis.
Zalen vol woede ter zijner beschikking.
Een kasteel was ik voor hem.
En als hij mij dan buiten mezelf bracht, was ik het dus niet.
Ik bleef verweesd achter terwijl hij van mijn roepen en tieren gebruik maakte om de wereld te verketteren.

Wat kan ik anders doen, dan jou volgen, Emmerich?
Wij samen in de woestijn. Voor altijd.
Als er nu nog wat violen uit de oase weerklonken was het een melo van belang.

HIJ GAAT NAAR ZIJN LADDER, HANGT HET TOUW WEER VAST EN KRUIPT OP DE LADDER.

Een sprongetje en ik ben bij jou.
We zwemmen langs het zuiderkruis naar huis.
Wij, de verweesden, door de grijze engel achtergelaten.

Het zou fraai zijn als je je nu oprichtte en zei: kom maar, vriend.
Heel zachtjes zoals je je liedje zong, weet je nog?
Maar daarop wachten zal nog wel even duren.
Goed.
Gewoon een sprongetje, Alison.

OP HET ZEIL RICHT EMMERICH ZICH OP EN ROEPT HEEL LUID

EMMERICH

Niet doen, Alison! Niet doen!

ALISON SCHRIKT HEVIG, VALT VAN DE LADDER BEGINT TE SPARTELEN AAN HET TOUW, EN KOKHALST.

BLACK OUT