EENENTWINTIGSTE SCÈNE

LADDERS STAAN WEER OPGESTELD, MET VANGZEIL.
ER IS HEEL WAT ETEN EN DRANK AANWEZIG DAT RONDOM DE SCHROKKENDE ALISON IS OPGESTELD.
HIJ DOET ZICH TEGOED AAN DEZE AALMOEZEN TERWIJL EMMERICH DRUK IN DE WEER IS DE OPSTELLING AF TE WERKEN.
DAARNA KLIMT EMMERICH LANGS ZIJN LADDER NAAR BOVEN.
ALISON ZIT MET ZIJN RUG NAAR EMMERICH MAAR WEET WAT HIJ AAN ‘T DOEN IS, HIJ BEGINT MET VOLLE MOND TE SPREKEN.

ALISON
Emmerich, wat ben jij van plan?

EMMERICH WILDE NET HET TOUW PROBEREN.

ALISON
Ik wil niet dat jij het zeil bevuilt met je puistenlijf.
Kom naar beneden en ruim de boel hier op.
Als de spionnen komen, moeten wij van discipline getuigen.

ALISON DRINKT FLINKE SLOK, BOERT EN WRIJFT ZICH IN DE HANDEN TERWIJL EMMERICH VAN DE LADDER KOMT EN DE BOEL OPRUIMT.

ALISON
Alleen de restjes heb ik gezegd, Emmerich.
We moeten zuinig zijn.

Als ik nog een beetje van dat goedje drink kan ik zonder moeite over de koord dansen.

ALISON KLIM NAAR BOVEN AAN ZIJN KANT.
EMMERICH SCHROKT STIEKEM EN SNEL ETEN EN DRANK NAAR BINNEN.

ALISON
De restjes eerst, Alison.
Laten we niet dikkenekkerig doen en tuchteloos schransen.
Wat is het hierboven warm!
Emmerich, zorg voor koelte asjeblieft!

EMMERICH, NOG MET VOLLE MOND WEET NIET GOED HOE HIJ HET BEVEL MOET UITVOEREN.
HIJ LOOPT ROND, KOMT EVEN BLAZEN, TREKT TENSLOTTE ZIJN T-SHIRT UIT EN WAAIT DAARMEE IN ALISONS RICHTING.
ALISON ZUCHT, KLIM NOG EEN BEETJE HOGER EN LAAT ZICH VAN OP HET TOUW IN HET ZEIL VALLEN.
EMMERICH BLIJFT WUIVEN, OOK ALS ALISON WEER ZICHTBAAR WORDT.

ALISON
Hou op, gehoorzaam kind.
Straks komt de grote koelte voor ons beiden.
Neen, ik bedoel niet de woestijnnacht.
De grote koelte van de dood.

Toen ik boven op het touw stond voelde ik de kogel in mijn hart dringen en weet je wat het laatste was wat ik van deze aarde zag?
Jouw vuil ondergoed, Emmerich.
Ja, we zijn in de woestijn.
Ja, we hebben andere dingen aan ons hoofd.
Maar zoek tenminste in je rugzak naar iets propers zodat nog enig gevoel van zuiverheid mijn ogen zal treffen voor ik ze voor altijd sluit.

EMMERICH VERGELIJKT ZIJN VUILE KLEDIJ MET DE NET ZO SMERIGE KLEDIJ VAN ALISON EN KIJKT HEM VRAGEND AAN.

ALISON
We kunnen natuurlijk ook naakt optreden.
Net voor we aan het wonder beginnen trekken we alles uit.
De goegemeente gilt en sluit de ogen, werpt zich vol afschuw op de grond.
Zeker als ze eerst jouw misvormde lijf te zien krijgen terwijl het mijne inderdaad voor verblinding zal zorgen.
Een mooie mix: afschuw en verblinding.
Faciosum et tremendum.

We hollen naar de andere kant en daar kom ik de ladder af en slaan we een handdoek om ons lijf.
En jawel hoor, wanneer ze eindelijk hun ogen op ons durven richten, staan wij aan die kant eenvoudig gelukkig te zijn na een geslaagde overtocht.
Wel?

EMMERICH HAALT ZIJN SCHOUDERS OP EN TWIJFELT

ALISON

Inderdaad.
We kennen het stiekem gedrag van onze scherprechters.
Ze zullen loeren.
Ze zullen gluren.
Ze zullen door hun vingers kijken.
Ze willen weten of de wonderdoeners een geslacht hebben of inderdaad engelen bleken te zijn.
En dat is nog een nobel motief.
Ze zijn vol afschuw voor hun eigen lijf opgevoed, en omdat hun eigen ouderen geen griezels mogen zijn, willen ze ons die rol toe bedelen.

Ik denk dat er maar één oplossing is, Emmerich!
We hakken het touw in twee.
We maken er een lus in en knopen het andere eind tussen onze ladder.
Daarna de lus om onze nek, de ladder op, en…
Na de slag die onze nek breekt, kunnen we over elk touw dansen, zijn we lichter dan de lucht.
Maar dat zien zij niet.
Zij zien de heiligen bengelen.
Strepen van uitwerpselen en urine langs hun benen, hun tong uit de mond.

EMMERICH HOUDT ZIJN HANDEN VOOR ZIJN OREN EN BEGINT HEVIG NEEN TE SCHUDDEN.

dyn005_original_558_509_gif_20344_efd8588f5580b5af00875840276a1693

ALISON
Dat teken van leven is hoopgevend!
Mijn gezel hangt liever aan het leven dan aan dit touw.
Maar…

Emmerich, de goden zijn ons genadig!
Handen weg voor die schelpen.
Ik zei: de goden zijn ons genadig.
Hoor je dat, Emmerich?
Hoor je mijn stem?
Klinkt ze als iemand die zo dadelijk in eigen nat door de gieren wordt leeggeplukt?
Neen, zo klinkt ze niet.
Ze klinkt…hoopvol, inderdaad.
Dat heb jij goed gedacht, Emmerich.
Hoopvol.
Want wat gaan wij doen?
Hoe geraken wij uit deze benarde situatie?

ALISON HAKT MET EEN STEVIGE SLAG VAN EEN MACHETE OF IETS DERGELIJKS HET TOUW DOOR.
ALISON
Trek jouw stuk los, net zoals ik doe.

ZE MAKEN HET TOUW LOS.

Maak nu een stevige lus aan jouw touw.
Doe wat ik zeg.
Jaja, een lus.
Je hoofd moet e net doorkunnen en de lus mag dan dichtschuiven rond je nekje.
Twijfel niet, Emmerich.
Heb ik je al ooit in de steek gelaten?
Was ik niet je vader en moeder tegelijkertijd, je vrouw en kind, je grootmoeder en -vader en zelfs de waakhond op het erf?
Ja, dat was ik.
Goed, als die lus klaar is, snoer ze dan vast om je nek.
Mooi zo.
Maak het andere eind vast aan het hoogste punt van je ladder.
Kruip terug in die oude baarmoeder, Emmerich.

MET DE HAAK VAST AAN LADDER.

ALISON
Klim nu naar boven.
Neen, niet met knikkende knieën…maar met de zekerheid dat Alison je zal redden.
Momentje.
We zijn nog iets vergeten.
Numero uno: maak een tweede knoop achter de eerste zodat het touw niet rond je nek kan dichtglijden.
Het is belangrijk dat die knoop stevig en onzichtbaar is.
Ja, zoiets.
Schuift hij dicht?

ALISON TREKT EVEN STEVIG AAN EMMERICHS TOUW, SNOK MAAR NIET DICHT.

ALISON
Keurig.
Numero duo.
Die chocolade pasta en gemberkoek met water bewerken en dan de achterkant van je bovenbenen ermee insmeren.
Kijk niet zo verbaasd, Emmerich.
Het moet echt lijken, en beter Belgische chocolade in deze vorm dan…enfin, je begrijpt.

ZE SMEREN HUN BOVENBENEN IN.

ALISON
Mijn god, Emmerich, als ze jou zien hangen denken ze dat je net een vier gangen maal hebt genuttigd!

We wachten dus tot de spionnen komen.
Dan hangen we.
Dood als een pier zullen we zijn.
Denken zij.
Daarna halen ze de oudsten en die zullen ons bewenen of verdoemen, het maakt niet uit, maar op het geschikte moment fluister ik: ja, en dan verrijzen wij ter plekke uit onze pierdode toestand.
We vertellen hen dat vuige rovers met ons geld en eten zijn gaan lopen en ons opknoopten om zich op de stad te wreken.
`Maar de goden, hoe ze ook mogen heten, hebben ons niet verlaten.
Ze hebben hun profeten weer tot leven gewekt.

Zie je ze neerzijgen, Emmerich.
Zie je ze onze voeten en handen kussen?
O, wacht eens even.
Als ze gaan likken moeten ze wel van onze chocolade-benen blijven.

Wel, goede vriend, wat denk je?
Zullen we even oefenen?

ZE LOPEN NAAR DE LADDERS, HET LICHT DOOFT.