ZESENTWINTIGSTE SCÈNE

HET TOUW HANGT WEER TUSSEN DE TWEE LADDERS.
HET IS NACHT.
ALISON ZIT VERDWAASD ONDER HET TOUW, HOOFD TUSSEN DE KNIEËN.
EMMERICH IS DRUK IN DE WEER TOUW EN LADDERS ‘AF TE STELLEN’ VOOR HET WONDER VAN DE VOLGENDE DAG

EMMERICH
Wil je de ladders in oostelijke richting, Alison?
Of zullen we ze naar het westen richten en vragen dat jij het wonder verricht bij zonsondergang?

ALISON REAGEERT NIET

Of wil je vanuit de noordkant over het touw dansen?
Jouw zon laten schitteren op die plaats waar de zon nooit komt?

ALISON REAGEERT NIET
EMMERICH KOMT BIJ HEM ZITTEN.

Hoe vaak heb ik je angst gezien, Alison?Je hebt mij vertrouwd gemaakt met het idee dat grote gebeurtenissen door angst vooraf worden gegaan.
Weet je nog: faciosum, ja de fascinatie van het wonder.
Maar je hebt mij terecht op zijn tweelingsbroer gewezen: tremendum.
Het sidderen en beven.
Faciosum et tremendum.
Ze kunnen niet zonder elkaar.

ALISON SPRINGT RECHT, DUWT EMMERICH BRUTAAL WEG, BEGINT OP HEM IN TE SLAAN.
EMMERICH HOUDT HANDEN BOVEN HET HOOFD, VERDEDIGT ZICH NIET, OOK NIET ALS ALSION HEM PLAT OP DE GROND SMIJT EN OP HEM GAAT ZITTEN.

EMMERICH
Ik ben uw voetmat, heer.
Als dit de weg is, hou je niet in.

DIT MAAKT ALISON NOG WOEDENDER, HIJ SCHUDT EMMERICH DOOR ELKAAR.

EMMERICH
Ik beken dat ik te klein ben om zelfs maar in uw schaduw te mogen leven.
Maar spreek slechts één woord…

ALISON TREKT HEM RECHT EN SLEURT HEM NAAR EEN LADDER.
HIJ DRUKT EMMERICH TEGEN DE BUITENKANT VAN DE LADDER AAN.

EMMERICH
Als je denkt dat mijn dood nodig is, Alison, dan ben ik bereid.
Maar geef me eerst de kans om mijn zonden te biechten want ik wil met een rein hart voor de Schepper verschijnen.

ALISON SLAAT HEM BRUTAAL IN HET GEZICHT, MEPT OP HEM IN

EMMERICH
Ik ben maar een worm.
Sprakeloos was ik toen ik je zag, Alison.
Was ik al spaarzaam met woorden in mijn kindertijd, toen jij me riep om je te volgen verloor ik elke klank en kon ik alleen nog vage keelgeluiden uit mijn strot krijgen en een liedje zingen.

Waar ieder normaal mens dit als een vreselijke straf zou ondergaan, was het voor mij een opluchting, Alison.
Ik beken.
Het was een ware opluchting nooit meer te moeten spreken.
Eindelijk stond ik aan de uiterste rechterzijde van het grote leger der zwijgenden.
Zwijgen om de heer te dienen.
Je menselijk geratel inhouden om zijn stem te kunnen horen.
Het was zo’n schitterende uitvlucht, zo’n prachtige kans om jouw het woord te laten voeren.
Ik genoot van je verhalen, en als je onzin uitkraamde genoot ik nog meer.
Ja sla me maar verrot, ik verdien het.

Mijn stilte dwong jou om telkens weer nieuwe verhalen te verzinnen.
Jij dacht dat ik je slaaf was, maar in feite voelde ik mij de heerser.
Ik beken.

Ik hulde mij in stilte als in een koningsmantel.
Uiterlijk een minus habens voelde ik mij de overwinnaar.
Je zult het zelf aan de lijve ervaren, Alison.
Zwijgen betekent macht.
Zwijgen verplicht je tot niets.
Alles wat gezegd wordt, heb ik niet uitgesproken,.
De machtigen zwijgen en heersen.

dyn006_original_565_394_jpeg_20344_6e183640dd3019ab0b2e9cb4ef3a590f

Vereren wij de woordenzoekers, leggen wij lauwerkransen aan hun voeten, besprenkelen wij hen met de glitter van prijzen en eervolle vermeldingen, het is onze manier om ons veilig te voelen.
De sprekers weten dat elk woord weerbarstig is, dat zelfs de meest verheven zinnen to be or not to be kromgetrokken grappen zijn, gehuil van walvissen in de diepte van de oceanen, gejammer omdat hun massaliteit hen verhindert om op land te komen, laat staan dat ze de lucht konden ingaan, de vogels gelijk.

Vanaf het moment dat ik je leerde kennen, kon ik niet genoeg krijgen van die almacht, Alison.
Je hakte op mij in, je behandelde mij als het vuil van de straat, maar voor wie de macht van het zwijgen kent, is dat een habbekrats.
Ik beken.

HET SLAAN IS AFGENOMEN, ALISON LUISTERT IN VERBIJSTERING.

EMMERICH
En de goden straften mij.
Ze duwden mij de spraak in mijn keel.
Dat vergiftigde geschenk.
Zelf zwijgen zij al eeuwen.
Hier en daar pikken ze zo’n praatvaar uit de massa en laten hem hun grootheid en almacht verkondigen.
Ze verschroeien hun profeten, hun heilanden besmetten zij met woorden.
Het is hun manier om de mensen te laten twijfelen want hoe mooi ook hun boodschap mag klinken, hoe mysterieus ook hun vraag om liefde en gerechtigheid, het blijft menselijk gegorgel, ‘s morgens of ‘s avonds bij het tandenpoetsen.

Mijn verering was niet gespeeld, Alison.
Ik bewonderde je werkelijk.
Ik probeerde je op mijn manier lief te hebben zoals de sterken zich ontfermen over weduwen en wezen.

Waar jij dacht dat ik de slaaf was, wist ik van de eerste dag dat ik de heerser bleef terwijl jij je moest uitputten in verhalen en verzinsels om duidelijk te maken wat niet duidelijk te maken is.

Ik beken.
Ik heb tot daarnet nog in alle toonaarden je grootheid bezongen, en al klonk de muziek vertrouwd en was ze niet van een déjà vu vrij te pleiten, de cantus firmus van elke nederige, ze werd met een zeker genoegen gezongen, niet om jou te eren, maar om mezelf te beveiligen.
Ik beken.

Nu mag je me afmaken, Alison.
Ik heb dat valse kleed waarmee ik mijn hoogmoed bedekte, afgeworpen.
Ik heb de scherven van de vergeten woorden bij elkaar geraapt.
Op elke scherf kun je lezen: kruisig hem.
Als je denkt vandaag te moeten sterven, Alison, wacht dan niet om mij te laten voorgaan.
Ik zal op je wachten.
We zullen samen over het touw dansen.
Zonder het te raken.
En al zullen we nu voor de honden worden gesmeten, we weten dat onze eeuwige stilte voedsel voor verhalen en mythes kan worden.
Ik lach nu al als ik de toekomstige stukken en tempels aan ons gewijd zie verrijzen.
Ze zullen in hun eigen woorden verzuipen.

Wacht niet, Alison.
Nijp mijn lallende keel dicht tot ik aan je voeten neerzijg.

ALISON GRIJPT HEM INDERDAAD BIJ DE KEEL EN BRENGT DAN VOORZICHTIG ZIJN LIPPEN NAAR DE ZIJNE.
NET VOOR DE KUS, BLACK OUT.