Naarmate wij ouder worden bedenken wij ons een verleden.
De foto’s van het voorbije kind worden elk jaar raadselachtiger, van ons weg geduwd.

Omdat het echte verleden als geheel ook nooit heeft bestaan, proberen wij achter dit onzichtbare te komen met allerlei sluwe en sluikse middelen.

Eén daarvan naast de leugen en het verzinsel is de dapperheid om het lot van het oud(er) worden te verdragen door uit te zoeken waar de verbindingen met dat kind en de kindertijd dan wel lagen, als ze er al zouden zijn want zoals ik al zei, het is moeilijk om met het onzichtbare raakpunten te vinden.

Om je de kans te geven met Wekua mee te gaan probeer ik één van zijn werken beeld voor beeld, als een soort stripverhaal te tonen.
Je moet dus de kleine fotootjes aanklikken om de ware grootte te kunnen bekijken.

Het vertrekpunt is de foto waarmee deze brief begint, een foto uit Wekua’ s eigen kindertijd.

Nu gaat hij op zoek naar een model dat zijn jongen van toen benadert.

 

Daarna wordt het kind in kwestie door een gespecialiseerd atelier onder handen genomen, er wordt een driedimensionale afdruk van gemaakt.

Ik toon je de verschillende stappen:

 

 

 

Het eindresultaat: je bent onzichtbaar voor jezelf, want je kinderportret spiegelt alleen zichzelf.

Je kunt er jezelf zoals je nu bent niet meer tussen krijgen, dit was jij, maar nu ben je uit die larve gekropen en een vlinder doet niet meer aan een rups denken, al is misschien het beeld rups en vlinder hier niet op zijn plaats.

Jij staat inderdaad zoals de kunstenaar op de achtergrond.
Wellicht is het beeld van die tijd ook gestold zoals de was.
Het lijkt luchtig, maar in feite is het natuurlijk beklemmend levensecht.
Je staat er werkelijk buiten.

De ‘jongen’ is een kernidee voor Wekua.
Hij werkt rond zo’n kernidee en laat dat uitdeinen in verschillende andere werken die de kern omgeven.

dyn006_original_601_800_jpeg_20344_451b218a73fa2d019a404e00df6a6330

Zo ook in “Get out of my room”.
Hier ook, als je de ruimte binnenkomt, twijfel je aan de echtheid van het beeld, is het een mens, of-en dat is het altijd- een erg gedetailleerde poppenfiguur.

Ik laat Carla Gianfreda aan het woord die de vernissage inleidde:

‘Leicht aus dem Zentrum des Saals gerückt steht auf dem schwarzen Bretterboden ein Tisch, dessen Fläche mit dunklem Wachs bedeckt ist. Am Tisch sitzt ein halbwüchsiger Junge auf einem bronzenen Stuhl. Mit den Füssen auf dem Tisch nimmt er einerseits eine lässige Stellung ein, mit der Haltung der Arme verrät er aber eine gewisse Anspannung. Irritierend ist, dass der Junge keine Hose trägt. Ein Unbehagen beschleicht uns beim Betreten des Raumes, und in der Tat sind wir nicht sehr willkommen, heisst die Installation doch “Get out of my room”. Wie oft bei seinen lebensgrossen Figuren, die perfekt ausgeführt sind und deshalb den Betrachter für den ersten Augenblick im Unklaren lassen, ob es sich um einen lebenden Menschen oder um eine Puppe handelt, fehlt aber auch hier das wichtigste Element zur Vervollständigung der Täuschung: an Stelle der Augen stehen zwei weisse runde Flächen, die rosa und lila übermalt sind. Ob diese Übermalung als Schminke oder als Ausmerzung gedacht ist, bleibt offen. In jedem Fall ist das Gesicht unkenntlich gemacht gleichsam einer damnatio memoriae, als gelte es, die Erinnerung an den Jungen zu tilgen. So bleibt es uns vorderhand verwehrt, mehr über ihn zu erfahren, so wie es ihm verunmöglicht wird, die Aussenwelt wahrzunehmen und mit ihr zu kommunizieren. Dass der Junge dennoch etwas sieht, tritt in den Siebdrucken und der Radierung an den mit türkisblauem Stoff bespannten Wänden zutage.’

Jij had het in je stuk ‘HET TOUW’ over de stilte, het niet meer spreken, je helemaal terugtrekken uit de wereld.
In het werk van Andro Wekua voelde ik die zelfde tendens: ogen en handen, de mogelijkheden om kontakt te maken, zijn dode voorwerpen geworden.

Zijn beelden en andere werken vormen inderdaad ‘kernen’ waarrond andere werken dan letterlijk en figuurlijk aanwezig zijn.

Zo worden ze van iets vaak iemand, hoe geïsoleerd ook.
Ze hebben immers een ruimte toegemeten gekregen, ze zijn met ideeën, vragen en accesoires omringd, en je beseft dat je tenslotte -willen of niet- de kern der dingen bent, het centrum van je wereld-ervaring (ik vind Empfindung nog mooier, maar soit)

Je kunt dat verleden loochenen of het vullen met gaten en builen waardoor je nu uit de isolatie denkt te kunnen komen.
Maar in feite sluit je je nog meer op, je vernedert je tot willoos voorwerp, tot speelbal, alsof je als jongen of meisje geen verlangens of ideeën had, maar slechts door anderen was in te vullen of uiteen te scheuren.

Hoe pijnlijk de dialoog ook kan zijn, of hoe moeilijk ook, het is de enige mogelijkheid om aansluitingen te maken in plaats van jezelf en
alles wat rond jou beweegt of bewogen heeft te vernietigen.

Daarom kijken de twee jongens uit het eerste werk elkaar aan, denk ik.
Je kunt alleen maar te rade gaan bij jezelf, en met jezelf proberen te verklaren wat je denkt, voelt, hoopt, bemint.

Get out of my room,
I’m sorry I’m not funny tonight.

Waarom je iemand buitengooit, en waarom je je niet zo funny voelt, moet je dus op de eerste plaats bij jezelf gaan zoeken, hoe verwend je ook was, hoe laag je frustratiedrempel ook mag zijn, hoe onwetend je omgeving je ook heeft gehouden.

Jezelf aankijken is een moedige daad.


De titel van het werk: The Twins.
De foto’ s zijn van The art foundry kunstgiesserei, St. Gallen, Zwitserland.