Beste Theodore,

Je brieven met je psychiater herlees ik wel eens.
De onzichtbaarheid immers is mij ook lief, want ‘s mensen gedoe waarin jij je dagelijks beweegt, ligt mij niet zo.

Maar ook vanuit de stilte van de verslenste dag is het mogelijk reizen te maken.
Ik was immers nieuwsgierig gemaakt door je vreemde schilderij van Henri-Joseph Harpignies, en gezien mijn contact met de onzichtbaren vrij goed is, besloot ik me dus tot hem te wenden zodat hij iets meer van zijn voorbije leven kon prijs geven.

Zevennegentig jaar worden is ook niet niets.
De brave man leefde van 1819 tot en met 1916, en al was hij vrijwel blind in zijn laatste levensjaren, zijn blik leek mij net zoals bij jou vertrouwder dan de kijkwijze van vele andere meer beroemde en vaak ook beruchte tijdgenoten.

Wist jij dat Henri-Joseph van een Belgische gegoede familie afkomstig was?
En financieel van goeden huize, of zoals dat in een biografie heet: solidly bourgeois background.

De pa zat in allerlei zaken en kwam rond 1825 in Famars, vlakbij Valenciennes wonen waar hij een suikerfabriek begon, blijkbaar één van zijn vele financiële exploten.

En nu terug naar dat schilderij van hem dat morgen verkocht wordt (schatting was zo’n 800-1200 euro las ik).
Daar lees je: Famars, près de Valenciennes.
In 1844, dat is toch zo’n twintig jaar na de suikerfabriek, bezoekt de schilder opnieuw de plaats van zijn kindertijd (hij was zes toen ze naar Famars trokken) en vindt nog de poort, of wat dan ook terug als enige getuige van die tijd.
De gesloten poort van de voorbije kinderjaren, le temps perdu.

Het onzichtbare proberen we vaak te verbeelden door resten die achterbleven, door getuigen van een vergane tijd te koesteren, en we zouden dat meer moeten doen, denk ik.
Niet als escapisme, als verdromen van de banaliteit die we nu denken te beleven, maar wel als verbinding, als andere oever, en wie de andere oever vergeet, verloochent een groot deel van zijn eigen werkelijkheid.

Daarom vind ik mijn werk tussen de voorbije dingen zo mooi.
Je beseft dat het onmogelijk is de tijd terug te halen, maar je krijgt lijntjes toegeworpen, je passerelle, ook al bestaat ze maar uit wankele planken, is gelegd.

Poging om het onzichtbare op te heffen?
Ik denk het niet, het is eerder een vervolledigen van het onzichtbare door het nu en de toekomst in die diepte te betrekken.

Als het nu wel duidelijk wordt dat onze genen ook de toestanden waarin dingen gebeurden kunnen onthouden dan is het vanzelfsprekend dat ons denken niet solitair is, dat ons voelen niet zo individueel is als we geloven.
Het is met de voorouders verbonden.
Wij zijn elkaar ook in het verleden rekenschap verschuldigd en we zullen in het leven van nu al moeten uitkijken willen we de nazaten niet met alle mogelijke tekorten opzadelen.
De stroeve tanden van de voorouders die zure wijn hebben gedronken zouden best eens door de kinderen kunnen overgeërfd worden.

In dat lange leven van Henri-Joseph Harpignies werd hij vooral bekend om zijn landschappen.
Hierboven vind je een mooi voorbeeld van zo’n landschap waarin de mens (in dit geval twee jongens die een kar vol brandhout naar huis trekken) bijna verdrinkt.

Je merkt dat hij Corot bewonderde, dat hij bijna Italiaanse sferen naar hier overbrengt.
Hij schreef trouwens over zijn verblijf in Rome:

‘Het was Rome dat me maakte, dat me in stand hield en nu nog inspireert.
Het is in Rome en in Rome alleen dat ik mijn nobelste emoties ervaarde, en mijn diepste inspiratie vond ik er.
Wie wil leren kan er van aangezicht tot aangezicht met de schoonheid verblijven, en haar betovering ondergaan.’

Zo kun je de ziel van het licht transplanteren, de sfeer losmaken van haar localiteit en ze hier laten uitdeinen.

Of hoe het zichtbare steeds minder met de werkelijkheid heeft te maken.