Ik keer nog even terug naar Ruïne-Robert.
Ik vond een merkwaardige afbeelding van een van zijn werken: de schommel.
Tussen de ruïnes schommelen twee mensen, maken ze plezier.

Aan de andere kant, wat er van Berlijn overbleef, 1945-46.
Een man met een hondje voor de ruïnes van de prachtige stad.
Er is al veel puin geruimd.
Je kunt er alweer wandelen.
De hond uitlaten.

Schommelen en de hond uitlaten.

In 1977 was ik met oudejaar-nieuwjaar voor een reportage in Berlijn.
Groetjes vanuit de Europese grote steden overbrengen via de radio.
Enkele interviews van de voorbije dag, een groetje, en de nachtelijke hemel.

In de verlaten radiostudio stonden we na de uitzending naar buiten te kijken.
Terwijl het vuurwerk de hemel verlichtte.

Ik wist toen dat ik altijd al een Berlijner ben geweest.
Het bengaalse vuur spatte open.

Noch de technicus, noch ikzelf spraken.
We dachten beiden hetzelfde.

Aan het tekort aan geheugen.
Het jaar nul.

Zoals de openingsceremonie van een bijeenkomst voor radio- en televisiemakers in het radiogebouw van Berlijn.
Met veel knallen vanop de balcons, huiselijk vuurwerk.
En mijn hart bloedde.

Want in datzelfde gebouw was de heer Goebbels thuis, en zag ik alleen de lange rood-witte hakenkruisenvlaggen aan de balcons hangen?

Ich bin ein Berliner, zonder applaus of gejuich.
En ik ben bang voor de volgende ruïnes.

Een peperkoekenhart meneer.