SPIRITUS (8)

woman-with-dove-by-tamara-de-lempicka.jpg

8.

Het was die laatste zin van zijn schoondochter Emilie, de avond die over de dag kruipt, die Jean Philippe verhinderde te slapen. Niet zozeer de inhoud, maar vooral de toonaard, die duidelijke bekentenis van een emotionele ziel die natuurverschijnselen personifieert. Het kruipen had bij hem eerder een schampere klank waarin mannen het bij te veel drank over vrouwen hadden, of je kon het begrijpen als een fase op weg naar het rechtop lopen. Het stuntelig, bijna dierlijk voortbewegen van een klein kind, of de onderdanige houding van een minus habens tegenover zijn meerdere, daar was het werkwoord kruipen op zijn plaats, terwijl het in het langzaam vorderen van de duisternis, het zich afwenden van de zon door de draaiende aarde, best schilderachtig was maar een inkijk in een wereld bood die hem vreemd was en onrustig maakte.

Hij herinnerde zich dat Victor Hugo tijdens zijn bezoek aan België het Leuvense bier ‘zoeterig’ noemde, ‘het smaakte naar dode muis.’ Maar de wervelwind van woorden waarmee hij daarna zijn eerste treinreis tussen Brussel en Antwerpen beschreef, ‘het koren is één grote gele haardos, steden en kerktorens dansen en vermengen zich’, was hem als jongeman bijgebleven als een vrij kinderlijke kijk op een wereld die hij alleen met technische tekeningen en cijfers kon benaderen. Meer nog dan Emilie’s uitdrukking wantrouwde hij bij mannen de aanwezigheid van vrouwelijkheid, de terugkeer naar het levensstadium waarin de dingen leven, de emoties nodig maar niet altijd nuttig zijn als eerste stap naar een zakelijke benadering van het bestaan. Zonder rups geen vlinder, het sprookje als voorafbeelding van het einddoel, de metafoor, het kledingstuk waarin de werkelijkheid zich verschuilt.

Hij begreep de keuze van Emile. Voorbestemdheid in de naam, het frele dat elk mannenpanster overbodig maakt, haar welbespraakte maar bescheiden aanwezigheid. Ook haar…-hij glimlachte bij zijn vondst- haar ‘marktwaarde’. Een man kiest graag wat hem kan ontnomen worden. Een blonde meertalige schoonheid, thuis in de hedendaagse kunst, bewonderd en niet te veel bekeken, de onzichtbare op het doksaal.

Vader Louis was een stille man maar vertrouwd met de geluiden van de wereld, een veel gekoesterde ziel, de lange haren artistiek los en lang, een voortreffelijke luisteraar die peilt zonder ophef en net daardoor gegeerd door wie zichzelf meer dan gemiddelde diepten aanmeet.    

Een mooie combinatie, Emile’s vlotte omgang met personeel en boeren uit de streek, zijn ongewongen stijl te eisen wat een hautain bevel nooit zou verkijgen, bijna op gelijke voet met lieden van labeur, een oud kunstje dat hij hem moeiteloos had meegegeven. En Emilie’ s nabijheid. Haar daadkracht zonder commentaren, haar werkzaamheid en dromerige bespieglingen die perspectief bieden bij elke belangrijke beslissing, gedekt door de zekerheid dat allure ook intellect en begrip kan herbergen.

Waarom dan haar beschrijving van de naderende avond hem zo onrustig had gemaakt, kon hij alleen thuisbrengen in de angst dat zij de wereld die hij en Emile kende en beheerste zou aansteken. Anders dan de vage begrippen van literatuur en beeldende kunsten als sociale decoratie paste zij niet in de biografie die hij voor zijn enige zoon en troonopvolger had gepland.  Ze zou zijn camouflage doorgronden hoe liefelijk ze ook ‘papa’ zei toen ze naar een ouderwetse donkerte zei te verlangen. Juist door haar bijzondere aantrekkingskracht was ze als een vertraagd projectiel dat met veel geduld en durf door hun verdediging zou breken om binnen de vertrouwde vesting onherstelbare verwoestingen aan te richten, in de naam van de vader, de zoon en de al dan niet heilige geest.

‘Amen,’ zei hij in de vroege uren van de septembernacht.