969025902

42.

Mocht ze kleuren kiezen om haar kindertijd op te roepen dan twijfelde ze tussen de heldere tonen waarmee ze die dag over de gouden vleugels en de wolken sprak en de afgebleekte, verweerde vlakken op de muren van puinen die ooit een huis waren maar door weer en wind eenvoud en alledag tot een te ontcijferen kaart van een nog niet ontdekt land hadden vervormd.

Vreemd genoeg waren het de heldere tonen die volwassenen van hun eigen kindertijd vervreemdden.  De aanwezigheid waarin we het ogenblik vervulden, het alles-en-niets onder dezelfde noemer van het vervulde, bleek later een afgesloten land omdat de voorbedachtheid en de nagalm de plaats van deze heldere aanwezigheid hadden ingenomen. Daardoor dichtten wij het kinderlijke eigenschappen toe die meer uit heimwee en gemis dan uit een werkelijk beschrijving en objectief onderzoek waren ontstaan.

3b87a-1-51
Natuurlijk kwam je  voor schijnbare onineembare en afgesloten gebieden en kreeg de voorbije tijd juist daardoor een valse aantrekkelijkheid waarin woorden als onschuld en fantasie meer tot troost van de uitgegroeiden dienden dan wel als een heuse weg naar de kern van de kindertijd leidden. Met de vermenging van de natuurlijke onwetendheid en de ogenblikkelijke interpretatie van de gebeurtenissen ontstond de mythe van een gouden geïsoleerde tijd terwijl de honger naar deelname aan het gemeenschappelijk bestaan nooit zo groot en intens was.

Hadden de voorbije jaren de handelsmuren gesloopt, de grenzen geopend, het uiterlijk van het nieuwe huis inspireerde zich op de Vlaamse rennaissance waarin gilden en corporaties de levensstijl bepaalden, net nu kapitaal en goederen zich op nieuwe ritmes gingen bewegen waarin de goedkoopste aankoopmarkt zou samengaan met de duurste verkoopmogelijkheid, een droom die vorig jaar ruw werd verstoord door de ongemene daling van de aandelenkoersen, begonnen op de Weense beurs maar weldra in gans Europa voelbaar.

6105c-2-14
De geur van kalk en verf, de open ruimtes waarin het kind kraaiend rondliep, de oneigenheid waarmee het lentelicht zich verspreidde, de basstemmen van de mannen die zich met cijfers, maten en vergelijkingen een weg door kamers en trappenzaal baanden, waren voor Emilie nog onsamenhangende strofes van een melodie zonder bekende toonaard. Ze luisterde, keek en knikte.  Ze keerde op haar stappen terug, hief de kleine Léon in de lucht en verbaasde zich over de talrijke in- en uitgangen, sommigen nog zonder deur, bleef alleen achter omdat ze de tekeningen op de brandglazen ramen wilde bestuderen, zocht daarna de gonzende groep weer op en kwam terug in de tussenruimte waar ze vertrokken was.

‘De architect wilde geen kopij van al die neoklassieke gevels uit jouw Haussmann-Parijs,’ zei Emiel. ‘Je moet straks op enige afstand de buitengevel gaan bekijken.  Heel gedurfd hoor, die assymetrie, het gebruik van kleur en diepte. Heel gedurfd.’
Haar Haussmann-Parijs. Ze glimlachte met zijn plezierig verwijt, zijn poging om verloren terrein in te palmen, om eindelijk heer des huizes te kunnen zijn.
‘We moeten het over personeel hebben, Emilie. Ik weet niet of we Jeanne kunnen houden. Al die trappen en..’
‘Jeanne is nog goed te been. We kunnen niet zonder haar, Emiel.’
Het klonk harder dan bedoeld, maar ze nam dadelijk zijn hand vast.
‘En ik niet zonder jou, al was het maar om hier mijn weg te vinden.’