3dbff-impressionisme-monet

56.

Al besefte ze dat de tijd deze dagen met een zekere nonchalante wreedheid zou uitstrooien tussen het alledaagse en gaten van vergetelheid, de geuren van verbrand aardappelloof zouden Jean-Emile’ s aanwezigheid blijven oproepen.  Vuurtjes op de velden waarvan de rook zich mengde met eerste avondmist.
Misschien was de goede geur al met haar eigen kindertijd verbonden, een verzonken herinnering aan de lange wandelingen met haar vader waar hij haar de eerste begrippen van de griekse en latijnse cultuur had bijgebracht.

Natuurlijk was het een schitterende zomerdag toen hij met het dubbelspan aankwam.  Groter geworden, de jongen in Brussel achtergelaten, had hij al dezelfde lengte als Antoine, de meesterknecht, die de volgende morgen met de lege wagen zou terugreizen.

932715564
In het vroegere vrouwenhuis van de priorij had ze zijn kamer laten klaarmaken, verblijf dat in de drukke dagen, nog de persoonlijke bediende van de Engelse ambassadeur had gehuisvest.
Hij schrok toen ze de deur openduwde en hij de bloemen op het tafeltje bij het geopende raam zag, het fris gesteven linnen op het bed, de mooie combinatie van waterkruik en bijhorende toiletspullen uit fijn gedecoreerd aardewerk.
‘Na zo’n lange reis zul je je misschien graag een beetje verfrissen.  Neem je tijd, daarna kun je Antoine helpen lossen en zullen we dan samen buiten onder de bomen avondmalen.’
De kleine Léon liep naar Jean-Emile.  Hij stak zijn armpjes uit om opgetild te worden.
‘Als dat geen welkom is,’ zei Emilie.
Hij nam het kind in zijn armen en tilde het hoog in de lucht.
‘Jij woont in een paleis!’ riep hij. ‘En ik kom met je spelen.’
Het kind kraaide van de pret.
‘Dit is Jean,’ zei Emilie.  ‘Hij komt voor mama een prachtig orgel maken.’
Ze wilde hem van de jongen overnemen maar hij sloeg zijn armpjes rond zijn nek.
‘Zean,’ zei hij. ‘Zean.’

dyn002_original_1024_1016_pjpeg_23226_bb96eb637788612665a35a6c9c33da33.2

Onder de bomen van het zuiderterras bleven ze lang napraten. Antoine, geboren verteller, had het in zijn streekdialect over de avonturen van een voerman. Hij was zelfs een keer overvallen, net buiten Dendermonde.  Hij had een lading oude orgelpijpen bij van een klooster in de buurt. ‘Buizen met springstof,’ had hij gezegd. ‘Wie ze laat vallen, heeft het zitten.  Pak maar mee maar laat me eerst in de paarden uitspannen want het zou spijtig zijn dat de arme dieren mee in stukken werden gereten. Maar de boeven waren nergens nog te bekennen.’
Hij dronk zijn glas leeg, wenste het gezelschap goede nacht en verdween naar zijn knechtenkamertje boven de stallingen.
Het bleef lang stil.
Of hij niet moe was?
‘Straks word ik wakker,’ antwoordde hij, ‘en dan was het maar een droom.  Het is hier zo mooi.  Zo anders dan in de stad.’
In het licht van de olielampen waren zijn ogen nog donkerder.
‘Het zal hard werken zijn, dromer.’
‘Ik ben eens met mama op reis geweest.  Ik denk dat ik zeven, acht jaar was. Ik herinner me haar stem nog toen ze zei: jongen, dat is nu de zee. Gek, maar ik weet niets meer van de zee.  Ik hoor alleen nog haar stem. Dankjewel mevrouw voor de ontvangst, de mooie kamer, het lekkere eten.  Goede nacht.’
Hij stond op, maakte een onhandige buiging en verdween in het achterliggende donker.