TRIANGEL (5)

merrygoround2378.jpg

Een ander belangrijk hoorspel was ‚Het einde der tijden’, in feite de oerversie van de roman ‚Triangel’. Je zou net zo goed kunnen verwijzen naar ‚Water’ of naar ‚Tot het donker wordt’, hoorspel en roman waarin de dood een belangrijke aanwezigheid vormt.

Natuurlijk lijden wij aan de tijd. Tussen oorsprong en einde, de gouden kindertijd en de blikken seniorentijd zijn we voortdurend aanwezig in de oude mythen en bijbelverhalen. De Oude Grieken dachten de oorsprong te kunnen ontspringen. De goden hadden de mens niet geschapen, ze kwamen uit de aarde. Ze leefden tussen de goden. In drie grote golven beleefden ze hun gouden, zilveren en menselijke tijd tot het de goden te veel wordt en er alleen nog ‚de hoop’ overblijft in de doos van Pandora om aan het lot te ontsnappen (of het te beminnen).

In het bijbelverhaal is het God zelf die de mens maakt en hem in een paradijs plaatst waarin de boom van goed en kwaad en de boom des levens staat met het bekende verbod.
Rüdiger Saffranski schrijft in zijn opstel ‚Het Kwaad’ dat net het verbod de kennis schept die het verbiedt en daardoor wordt zijn schepping zich bewust van ontstaan en eindigheid.
‚Aan de macht van de oorsprong ontkom je door de genade van het vergeten.’

Dat is de richting die ik terugvind in dat ‚einde der tijden’, een bewustzijn waarin je ook kunt vergeten, waarin dus het spel als een edele vorm van dat vergeten kan optreden.(daarom dat dictaturen nooit iets vergeten, alles willen bijhouden en een volstrekt tekort aan humor hebben…)

Het beeld van de paardjesmolen zul je met de cirkel kunnen verbinden, een andere oplossing al lijkt het immer terugkeren ook niet dadelijk aantrekkelijk.
De drie hoofdrol-spelers worden bij het zien van de jongen op de paardjesmolen met een goed gecamoufleerd pijnpunt van zichzelf geconfronteerd, een noodzakelijk gebeuren als je de trend van de initiatie volgt: een regressie maakt een inwijding in de volgende fase mogelijk. Je moet jezelf onder ogen durven zien voor je een nieuw leven (een volgende fase) kunt beginnen.
Woorden achteraf, laten we het maar houden bij het verhaal.

GoldenGate11_HS1914.jpg

BENADERINGEN VAN EEN JONGEN OP EEN HOUTEN KERMISPAARD

1.
Een jongen van dertien, wellicht zag hij er jonger uit, maar toch, een jongen van die leeftijd op een paardjesmolen. 
Natuurlijk, ook volwassenen willen nog wel eens een ritje op zo’n pseudo – ouderwetse molen met statig op en neer gaande paarden, veel spiegelwerk en draaiorgel-muziek, maar dan zijn het meestal verliefde koppeltjes of grootouders met hun kleinkinderen. Een jongen van die leeftijd, helemaal alleen, geef toe dat het ongewoon is. 
Ook de manier hoe hij op dat paard zat, is mij bijgebleven. Alsof het paard niet echt vastzat, maar door een geweldig grote vlakte reed. Zo keek hij. Ver weg.
Door een defect aan de geluidsinstallatie, of gewoon omdat niemand erop lette, viel de muziek uit, en in de stilte die erop volgde, zat hij daar kaarsrecht, keek hij ons aan als hij voorbijkwam. Glimlachte hij of wilde hij eerder zijn tong uitsteken, wenkte hij ons of was er iemand anders tussen de omstanders die hij kende?

In mijn herinneringen draait de molen veel te snel, zit ik op zijn plaats, nauwelijks zeven jaar, zoek ik in paniek naar mijn moeder en vind ik haar niet. Roep ik zonder geluid. Zie ik door mijn tranen alleen nog de lange kleurige strepen van de lampjes. Sneller draait de paardjesmolen, ik klem me vast. Ik weet dat we na deze helse rit in een ander land zullen zijn, op een andere planeet wellicht. Ik voel me losscheuren. Zeven jaar na mijn geboorte, besef ik op dat houten paard dat we twee vreemde wezens zijn. Ik roep haar naam. Mama, roep ik. Maar het is niet langer haar naam. De andere jonge vrouwen rond de molen heten zo. Zij niet meer. Zij heet Josefien. Met die naam dring ik het vader-land binnen, voel ik het mes in mijn hand waarmee ik hem moet verdrijven.

Als de molen stilstaat, ben ik ontroostbaar. Ik sla mijn armpjes om haar heen en probeer toch nog ‘mama’ te zeggen, maar zelfs haar parfum verraadt het vrouwelijke. De geur van talkpoeder en olie is ze kwijt. Over haar schouder zie ik mijn vader glimlachen. ‘Brammetje’ zegt hij. Hij neemt ons beiden vast. ‘Zo’n grote jongen moet toch niet meer bang zijn op een paardjesmolen!’
‘Ik heet Elias,’ hoor ik zijn stem als hij van zijn paard stapt en hij me terugduwt in de jongen van zeventien.

TWEEËNTWINTIG DUIVEN

Ik heb eens tweeëntwintig duiven getekend. Grote, kleintjes, hele grote en hele kleintjes. Sommige heb ik paars geschilderd, andere geel en roze. Eén duif heb ik wit gelaten. Ik noemde haar Colombine. 


Het was nog heel vroeg toen ze uit mijn schrift vertrokken. Colombine bleef. Heel zachtjes blies ik op het blad. Ben je zot, vroeg Colombine. Nu heb je een witte duif en je blaast ze weg!


Colombientje, zei ik. De hemel zal als een hoedje op je kop staan. Ik kom je achterna, duivenkop. Maar je moet nog een beetje wachten. Op een dag tekent iemand mij met een scherpe pen, en dan blaast hij mij naar jou.

(Elias, bijna dertien, engel-met-nepvleugels)

2.
Toen de muziek wegviel, dacht ik Michiels orgelspel te horen, ging de paardjesmolen heel traag draaien, op het ritme van Bachs muziek. 
Was het wel die jongen die ons had samengebracht? Had hij daarstraks geen salopette gedragen? Was zijn verschijning niet eerder een soort collectieve verdwazing die we elkaar hadden aangepraat?


Hannah, de twijfelkont. Hannah die het verdriet niet vreest, die zich aanpast aan elke kromme situatie maar ongewapend is tegen het geluk, het wondere. 
In mijn herinnering is hij een tengere gestalte, veel jonger nog dan de jaren die hij hier verbleef.


Toen hij ons de eerste keer voorbijkwam, wist ik dat hij mij zocht, maar verdrong ik dadelijk het idee dat hij Stefaans ogen had, die donkere verslinders van alles wat bewoog. Mijn Steffie. Zijn rug als het paard aan de volgende ronde begon. De typische kromming van zijn schoudertjes. Kabouter-schoudertjes, de schoudertjes van een te wijs kind, een te vroeg opengebarsten blauwe regen, gewillig offer voor de late vrieskou.

Ik sloot dus mijn ogen als zijn paard in de kromming van zijn eeuwige baan weer zichtbaar werd. Ik telde de afstand en zou ze pas openen als ik zijn rug kon zien. Ik vergiste me. We keken elkaar aan. Niet langer dan één of twee seconden zal het geweest zijn, maar de bliksemschichten hadden het hooi van de gedroogde herinneringen in de fik gezet. Stefaantje, zo lang verborgen op de zolder van de moedige Hannah. De traanloze. De grote troosteres van alle bedrukten en bedroefden.Waar de auto op hem was ingereden, pikten later de mussen het brood dat door de schok over de berm was verspreid. Dit goed opgeborgen beeld van mijn dode broertje vulde de stilte waarin de kleine ruiter op zijn houten paard mij telkens weer voorbijreed.

Toch volgde er geen donderslag, de droge knal onmiddellijk na de bliksem die op het huis is ingeslagen. Het gevoel van een malse regen na een veel te warme broeiërige dag, dat was het wat ik voelde toen ik al die flitsende verschijningen begon op te tellen tot een eerste beeld van de engel met de nepvleugels.

‘Ik heet Elias,’ hoorde ik zijn stem als hij op ons toestapte en hij het dode broertje zachtjes als een slapende pop in mijn armen heeft gelegd.

EEN BABY’ TJE

`Het water was heel koud.
 Aan de oever zat mijn vader te vissen.
Hij ving mij in zijn net.


Een baby’ tje, riep hij.


Ze hebben toen gedaan alsof ik uit de buik van mijn moeder was gekomen.


In feite ben ik dus niet geboren.

(Elias, bijna dertien, engel-met-nepvleugels)

3.
Mijn onmacht met woorden doet me naar de muziek grijpen. Het adagio en de fuga uit de sonate nr. 3 voor vioolsolo van Bach.(BWV 1005) Een stuwend ritme dat zich hoekig bijna telkens in allerlei andere akkoorden naar de oppervlakte wringt. Nijdige draaien die uitlopen in de kracht voor de volgende draai.


Als ik mijn ogen sluit, zie ik hem op dit ritme bijna roerloos in een draai die nooit verdwijnt. De fuga die erop volgt, fuga die in zijn eigen staart bijt, afbreekt wat hij weer heeft opgebouwd. Als je ’t einde verwacht keert alles weer in omgekeerde volgorde terug.


Nooit is hij aangekomen, nooit is hij weggeweest. 
Maar ook toen begon ik te begrijpen dat deze draaiende bewegingen de schroefdraad naar mijn goed gecamoufleerde ziel volgden. Als je de stalen vijzen bijna met de hand kunt losdraaien, haast ik mij om ze met de omgekeerde beweging van mijn muziek weer muurvast te schroeven, mij met muziek en theorieën te beveiligen zodat ik de emoties de baas blijf waar ik ze in feite niet eens onder ogen durf te zien.

De manier waarop hij op zijn rijdier zat, zijn dijen tegen de flanken van het paard duwend met een bevalligheid die je aan het hout deed twijfelen. De nerven veranderden in kloppende aders. Ik hoorde het briesen, zag hem bemoedigend op de manen kloppen, me spottend aankijken als zijn blik de mijne kruiste. Ruiter en paard, de eenheid in zijn helderste eenvoud.

Hoe ik als jongetje al besefte dat de trukkendoos feilloos werkte. De kunstenaar die zich met vingervlugheid en uren training insmeert om zich tegen de banaliteit van het leven te camoufleren. Onzichtbaar door de sprong zonder net, de grand écart waarvoor we allen de adem inhouden, de hoogste noot, lachwekkend lang aangehouden. De ogen vol zuchtjes naar applaus. See me, touch me.
Bij elke terugkeer, pelt hij die stevige huid van mijn bang lijf. In de stilte van de rit, voel ik me bijna naakt.
Toch ben ik niet bang, begrijp ik dat de ballast het luchtschip aan de grond houdt.

‘Ik heet Elias,’ hoorde ik zijn stem als hij naar ons komt en hij al die nutteloze camouflage met de helderheid van zijn kinderstem in bijna doorschijnend vliegerpapier verandert.

GoldenGate-Crop.jpg

TRIANGEL (4)

merry-go-round.jpg

De hoofdpersonages maken zich kenbaar aan elkaar. Getuige daarvan zijn foto’ s, open dus voor interpretatie. De eerste foto laten ze door een voorbijganger maken, de auteur houdt zich aanbevolen. Toch interpreteert Bram het ‘document’ en denkt hij er al aanwijzingen te vinden voor het later verloop van hun verhoudingen. De triangel begint zijn driehoek te tonen.

Hannah bespreekt de polaroid-foto, gemaakt door een schot in de roos. Ze heeft duidelijk zin voor details. Op deze foto wordt ook de vierde speler zichtbaar. Niet alleen op de foto maar als ze zich omdraaien zien ze hem op een van de buitenste paarden op de antieke paardjesmolen zitten.

Het verhaal moet even zijn adem inhouden. De eerste woorden van Elias, de engel met de nep-vleugels komen uit een later geschrift van zijn hand.  Nu de hemel als een hoedje op je hoofd staat.  Het was een kleine suite die ik voor het hoorspel ‘Spelletjes’ schreef en waaruit verder in het verhaal nog andere delen zullen dienen.

Dat waren mijn documenten.

X-Ray-1991-C.jpg

TWEE KERMISFOTO’ S

1. Drie musketiers op een terrasje (foto door welwillende onbekende man met snor genomen)

We zitten nog op een veilige afstand van elkaar. Hannah heft haar glas jus d’orange op, Michiel zijn ijsthee, ikzelf een glas witbier. De onbekende fotograaf met Hannah’s fototoestel duwde iets te vlug op de ontspanner. We gaan net samen ‘cheese’ zeggen, dus zitten we met getuite mond en opgeheven glas naar de lens te staren. Op de achtergrond zie je onze gehavende fietsen tegen de cafémuur staan. 
Een belachelijke foto. Toch lees je uit dit beeld onze gevoelens voor elkaar. Stiekem kijk ik immers naar Michiel die op zijn beurt zijn ijsthee naar Hannah’s glas brengt. Hannah is de enige die naar de camera probeert te kijken, maar toevallig of niet, met haar glas wil ze het mijne aantikken.


Op het moment van de foto kennen we elkanders naam, weten we dat we in september het laatste jaar van de humaniora beginnen, dat we onze ontmoeting aan een engel met nepvleugels hebben te danken, en vragen we ons af of we niet dadelijk zullen ontwaken en de voorbije gebeurtenissen onder een schoolopstel met titel ‘was maar een droom’ zullen klasseren.


We glimlachen geforceerd. Liefst zouden we onze arm over een bepaalde schouder willen leggen, maar op dat moment beseffen we niet dat het een hoogst eigenaardige combinatie zou opleveren, een gesloten kring, drie beminden die elk iemand omarmen die op zijn beurt iemand anders in de arm neemt.


De vierde musketier ontbreekt hier nog.

2. Polaroid-foto gemaakt door Bram na een welgemikt schot in de roos.

Vroeger zag je ze wel meer: schietkramen met een foto als resultaat van een welgemikt schot. Op deze polaroidfoto kijk je dus naar de schietende Bram. Michiel en ikzelf staan een beetje schaapachtig bij de scherpschutter. Ikzelf, één hand in mijn heup, de andere wijzend omdat ik het gelukte schot voorspelde.


‘Dit is het!’ zei ik na de derde en laatste keer. En jawel, een flauwe bliksemschicht, en daarna de man die ons de toen nog donkere foto gaf.

Wij voorover gebogen wachtend op de held van dit schot. Zenuwachtig lachje toen ik mijn wijzende vinger zag verschijnen, en Brams toegeknepen oog, zijn tongpuntje ook nog zichtbaar als teken van opperste concentratie. Michiel aan de andere kant van de schutter, de ogen dicht.
 We lachen, geven commentaar, tot Michiel de foto nog eens aandachtig bekijkt.


‘Maar, kijk hier. Dat is toch…’


Naast mijn hoofd heeft er nog iemand meegekeken.


‘Dat is de engel!’


Automatisch draaien we ons om. Dachten we dat hij op dezelfde plaats was gebleven?


’Ik ben er zeker van. Ik heb hem daarstraks op zijn fiets zien wegrijden! Hij is het.’


’Het kan eender wie zijn,’ zegt Bram.

We kijken rond. Bram en ikzelf weten niet eens hoe hij er van dichtbij uitziet.’

Waarom zou hij teruggekomen zijn?’ vraag ik.
 Michiel antwoordt niet. Hij wijst naar de grote ouderwetse paardjesmolen achter ons.


‘Daar is hij! Op een van de buitenste paarden.’

 

Nu de hemel als een hoedje op je hoofd staat

‘Toen ik klein was, dacht ik dat de hemel een reusachtige hoed zou zijn. 


Een hoed op het hoofd van de aarde.


Yes sir.


Of op het hoofd van God bijvoorbeeld. 


Of op je eigen hoofd, als je dood bent.’

(Elias, bijna dertien, engel-met-nepvleugels)

nature-landscapes_hdwallpaper_merry-go-round-in-sheffield-engl-hdr_24163.jpg

 

TRIANGEL (3)

11merrygoround.jpg

Het volgende deel, de zoektocht in de kerk, wordt als een ‘kleine fuga’ opgevat. Naar analogie met een muzikale fuga probeerde ik de drie stemmen van mijn hoofdpersonages in eenzelfde techniek weer te geven. De eerste stem (Bram) vertelt een fragment van het gebeuren, de tweede stem (Hannah) keert terug en vertelt het zoekende thema op haar manier. Er wordt geswitcht van ruimte en tijd in eenzelfde ruimte en binnen hetzlefde tijdbestek.  Ook de derde stem (Michiel) gebruikt die techniek.

De gebeurtenissen gaan dus telkens even terug in de tijd en komen dan, net zoals in een fuga, weer bij hetzelfde punt uit. De hoofdpersonages krijgen op die manier de kans om zelf het verhaal te leiden.  De verteller, de auteur verdwijnt helemaal achter zijn personages.  Hij wordt mee luisteraar en kijker.

De zoektocht brengt hen vreemd genoeg op de eerste plaats dichter bij elkaar.  Elk punt van de triangel verbindt zich met een ander punt, niet zo maar, maar in ‘hevige’ mate.  Het opbotsen is duidelijk nog aan de gang.

Eens ze bij het orgel staan hernemen de drie stemmen hun thema, belichten ze hun innerlijke emoties voor elkaar die ze niet durven uitspreken.  Omdat ze in feite lange tijd na dit gebeuren weer samen zijn gekomen om een gemeenschappelijk verhaal te maken van het voorbije kunnen ze in dit tweede thema nu naar de diepte van het gebeuren gaan:  het overweldigende van de liefde, een gebeuren dat zich toen eerder verward en inderdaad ongestructureerd afspeelde.

De tijd is dus een bondgenoot maar maakt hen kwetsbaar. Blikseminslag. En…ieder van het drietal dacht de enige gewonde te zijn!

 

kronschlaeger_bw_ex_3_sm.jpg

 

Een kleine fuga

1ste stem:

Michiel beneden in de deuropening van de torentrap. Ik op het doksaal. Hannah nog hogerop.


’Ik heb hem op zijn fiets zien wegrijden!’ roept Michiel beneden, roept op dat moment de stem van een toen voor mij onbekende jongen.
’

Zeker dat hij het was?’ hoor ik Hannah’ s stem.

Hoor ik de stem van een toen voor mij onbekend meisje.
 De twee onbekende stemmen komen naar mij toe.
 Hier, op het doksaal van de Sint Pieterskerk botsen we bijna een tweede keer tegen elkaar op.


Enkele treden onder mij, Michiel.


Enkele treden boven mij, Hannah.


Zenuwachtige lachjes. 
’Absurd, hé?’ zeg ik. ‘Kom, hier is er meer plaats.’ Alsof het orgel en de ruimte voor het koor mijn persoonlijk bezit is.


Ze volgen mij.
 Buiten horen we de kermis. Hoog getoeter en diepe bastonen. Sirenes.
 Maar in het duister van de koele kerk zie ik Michiels ogen, dat ogen-blik toen hij hijgend naar mij opkeek. Dat voor immer voorbije ogenblik dat nooit nog voorbij zal gaan.

‘Everytime you make a moveYou destroy my mind.’

Ogen als dynamiet. 
Ik draai me om.


Ik ben Bram, zeg ik.

2de stem:

Sprint bleek nogmaals mijn sterkste nummer. Trappen oplopen niet inbegrepen, fototoestel om de nek als hindernis. Ik voelde Bram me inhalen, zoals je dat voelt bij een wedstrijd als de eindstreep al in zicht is.


’Ik heb hem op zijn fiets zien wegrijden!’ hoor ik Michiels stem beneden.


‘Zeker dat hij het was?’

Droge galm in de trappenkoker. Sterker bedoeld, maar wegens te veel inspanning op korte tijd eerder schraal klinkend.


Ik wacht zijn antwoord niet af, blijf even met mijn rug naar Bram staan uithijgen, keer me dan om, wil terug en zie op hetzelfde moment Michiel aankomen.
We remmen gelijktijdig.


Eerst zie ik alleen zijn schouders, de haartjes in zijn nek, dan terwijl hij omkijkt en hij ‘absurd, hé’ zegt of zoiets, zijn glimlach.


‘Kom, hier is er meer plaats’ .


Michiel die me blijft aanstaren, of wacht hij uit beleefdheid om me voor te laten gaan. 
Ik steek mijn hand op. Waarom eigenlijk? 
Ik ga het doksaal op.
 Ik hoor zijn naam. Zijn gouden naam. Mijn aartsvader. Was mijn naam maar Sarah geweest!


’Ik ben Hannah,’ antwoord ik. Veel te stil, zoals gewoonlijk.

3de stem:

‘Ik heb hem op de fiets zien wegrijden!’ roep ik in de deuropening van de wenteltrap.


Haar antwoord dat ik later als bewijs voor haar eeuwige twijfel zou gebruiken.


’Zeker dat hij het was?’


Ik heb iets gezegd of gemompeld van ‘natuurlijk dat hij het was’, boos om de twijfel, boosheid die me kracht gaf de trap op te stormen, hen terug te halen naar de werkelijkheid. Mijn gelijk.


Bram tussen ons beiden gevangen, een tweede crash vermeden door onze vermoeidheid.


‘Beetje absurd, hé? Kom, hier is er meer plaats.’


Haar glimlach als antwoord, haar hand in de lucht zoals mensen die mijlen ver van elkaar zijn en wuiven, als teken dat de afstand er niet toe doet. Een schrale troost.
De beweging van haar heupen, de lange benen in de witte short, ze bevestigen wat ik sinds de droomtijd wist: ik ben tegen de muze zelf op gebotst. 
Al had onze engel nepvleugels, haar dunne warme handen zijn des te echter als ze zich na Bram bekend maakt, bijna onhoorbaar.


‘Noem mij maar Michiel,’ zeg ik onhandig al lijkt het eerder origineel.

Dat we daar met zijn drieën in de koelte en de stilte van een kerk op het doksaal stonden.

Dat we elkaar nooit eerder hebben gezien en een engel met nepvleugels ons had samengebracht.

Dat we ons aan elkaar bekend maakten en zoals later bleek meteen door de bliksem werden getroffen.

Getroffen en elkaar treffend. (Michiel) 


Slow motion in de herhaling. (Hannah)


Totaal absurd. (Bram)

Bram:


Gewoonlijk probeer ik in dergelijke omstandigheden te grappen:
 ‘Did I miss something?’ te zeggen. (Timo in the Lion King) Mij te verdedigen tegen de opkomende emotie.
 Dit had kunnen dienen:


-Ik ben d’ Artangan, en jullie?


-You are on candid camera, smile!


-Weinig volk in deze attractie, hé?


-Heftig! Zwaaraankomend. Kolère!


Maar nu stond ik daar nog na te hijgen, zogezegd van het rennen, maar in feite puur van mijn melk toen Michiel achter het orgel kroop en terwijl de blaasbalgen zich net zo hijgend vulden, ik hem naar mij zag glimlachen- niet beseffend dat Hannah achter mij stond- en zonder vermoeden dat ik de volgende dag uit de audiotheek het complete orgelwerk van Bach mee naar huis zou nemen. 
Ik draaide me om en knikte bewonderend naar Hannah. Haar blik. Ik dacht dat hij voor de orgelspeler was bedoeld.

Michiel:


Het is mijn manier om de aandacht te trekken. Ik spreek via klavieren. Ik ken de magie van het optreden. De blikken van de vriendinnen rond de piano. Het is dus een reflex geworden. Een vlucht. Mijn stek waar ik mijn mond kan houden en mijn vingers het werk overnemen.
’Alle Menschen müssen sterben’ uit Bachs Orgelbüchlein. Een voorloper van dit verhaal geopend op de lezenaar.


De trage melodie en de reflecties van mijn linkerhand op het bovenste klavier, alsof ik dit stukje muziek al jaren voor dit moment heb ingeoefend.

Onmiddellijk zag ik het beeld door het notenschrift heen: Hannah en ik op een vertraagde paardjesmolen, net voor het moment dat de houten dieren zich uit hun hengsels zullen losmaken en wij tussen deze escorte boven de drukte van de kermis uitstijgen.

Hannah:


Ik wachtte tot Bram zou omkijken. Of zal ik mijn hoofd tegen zijn rug leggen en via zijn ademhaling de orgelmuziek begrijpen? Maar zoals meestal deed ik niets en gaf ik mij een houding. Ik zag Michiels hoofd met de melodie mee wiegen. Waarom deed ik niets? Waarom bepaalde ik toen al mijn verdedigingsstrategie? Oefende ik de woorden die ik straks zal zeggen: of Michiel hier de dienst uitmaakt, of we samen iets gaan drinken, of onze fietsen de klap hebben overleefd en iemand zich over hen heeft ontfermd, want dat het al mijn derde fiets is, en…


Dan draaide Bram zich inderdaad om en vroegen zijn ogen of ik het orgelspel net zo mooi vond. 


Al wat jij mooi vind zal ik bewonderen, zegde ik in mijn binnenwereld. Al die woorden in één terug-blik samengevat.


Maar ik kende de regels en antwoordde met hetzelfde knikje. Ja, heel mooi is het.
Terwijl de allermooiste zich terugdraaide en ik de foto van zijn gezicht in mijn donkere kamer begon te ontwikkelen. Levenslang.

Slotvers:

Bij de laatste noten wisten we dat we geen woord over deze blikseminslag zouden zeggen. Ieder van ons dacht de enige gewonde te zijn. Kermen was dus uitgesloten.

 

jean_shin,_sound_wave,_2007.jpg

 

TRIANGEL (2)

jean_shin,_textile,_2006_(detail).jpg

 

De straten, de kermis, de kerk, het zijn bekende beelden uit de kleine provinciestad waarin ik ben opgegroeid. Hoe concreter de decors zijn, hoe meer geloofwaardige ruimte je aan de personages kunt bieden.  De Gasthuisstraat, Otterstaat en Herentalsstraat geven inderdaad uit op de Grote Markt en omdat een dergelijke botsing van de drie visueel mogelijk is, kan ik ze ook beschrijven.

De zeventienjarigen zijn ook niet toevallig zeventien.  We maakten in 2000 een documentaire ‘Ik ben achttien in 2000’ terwijl verschillende vrienden tussen de zestien en vijfentwintig voldoende inkijk gaven in hun leefwereld. Ze hebben de puberteit achter zich, ze zitten in het laatste jaar middelbaar, ze leven op de rand van wat ‘volwassenheid’ wordt genoemd zodat hevige mengvormen van kinder- puber- en adolescententijd een heel aparte kijk op de wereld mogelijk maakt.  

Het is duidelijk een initiatie-roman. Onze cultuur kent slechts flauwe afschijnselen van initiatie-riten via vormsel, lentefeest en dergelijke. De verbindingen tussen jongeren en volwassenen zijn sinds de tijd van het ontstaan van dit boek in hoge mate gecastreerd alsof zij in een soort verheven schrijn van de donkere wereld worden weggehouden terwijl de werkelijkheid van hun dagelijks bestaan niet zoveel verschilt van het onze.

Ze botsen letterlijk en figuurlijk tegen elkaar op.  Aanleiding: een engel met nepvleugels die op de nok van het kerkschip wandelt. 

vintage-merry-go-round.jpg

TUSSENSCHRIFT:

De brieven zijn korte tijd na zijn verdwijnen geschreven. Daarna werd het stil. We gaven elkaar tijd. Tot we, bijna gelijktijdig onze persoonlijke herinneringen wilden samenbrengen.

We hebben de stilte doorbroken.
We verlieten ons eiland waarop we ons hadden teruggetrokken.
We besloten bij elkaar op bedevaart te gaan en samen de ‘heilige’ plaatsen te bezoeken.

Er is een hele tijd voorbijgegaan sinds hij bij ons was.
 Om zijn aanwezigheid niet te verliezen besloten we dit boek te schrijven. 
Toch is dit geen dagboek.
We zijn immers geen drie aparte stemmen meer.
 De maanden waarin we samenleefden hebben we elkanders kleuren leren appreciëren.
In dit schrijven vervloeien we tot de oppervlakte van de driehoek, waarvan we eerst de hoeken, dan de zijden en tenslotte de vulling werden.
 Het water als bindmiddel voor deze aquarel.

Zijn we in onze brieven duidelijk ver van elkaar geweest, toen we de documenten samen legden keerde onmiddellijk het gevoel van die langzaam verworven eenheid terug.
Het wordt dus geen historische reconstructie, maar een gezamenlijk beeld met puzzelstukjes zonder eigenaar.
 Schrijven alsof er nog niets was gebeurd, zou een leugen zijn.
 Soms proberen we onze eenheid te ontbinden zodat er drie verschillende stemmen klinken, maar we zijn te dicht bij elkaar geweest om de warmte van de anderen te ontkennen.

De aparte verhalen vormen tenslotte de ene heldere toon van de triangel. Zijn trillingen zijn echter uit onze persoonlijke belevenissen samengesteld. 
We draaien de film terug. Zeventien waren we.
Augustus van dat jaar.

 

De botsing, een kettingverhaal

Bram:


Kijk hoe de drie zijden van de driehoek samenkwamen. 
Ik zeg kijk, want als ik mijn ogen sluit zie ik het gebeuren alsof ik boven de stad hang- en ik mezelf uit de Herentalsstraat zie komen op weg naar de kermis op de grote markt, een donderdag in augustus. 
Ik dus in de straat die loodrecht op de grote markt uitgeeft terwijl de toen voor mij nog onbekende Hannah uit de Otterstraat komt gefietst, straat die vanuit mijn standpunt aan de rechterkant op de markt uitgeeft. De derde, (behandel ik hem uit voorzichtigheid als derde terwijl ik in feite met hem moest beginnen?) de derde speler, Michiel fietst vanuit de Gasthuisstraat naar de markt, straat aan de linkerkant van de kermisdrukte.

Hannah:


Geachte onbekende toeschouwer, u ziet dat het lot ons zal samenbrengen op een manier die inderdaad voorspelbaar is omdat u het voorrecht heeft de combinatie te kennen van ons drievoudig levenslot. (een zin aan Michiel opgedragen) Wij echter waren die augustusdag totaal onwetend van de nogal brutale confrontatie die ons verder leven zou bepalen. Wij wilden naar de kermis.
 Ikzelf omdat ik foto’s wilde maken van historische gebouwen met op de voorgrond de schreeuwerige kermisattracties. Michiel omdat hij honger had en de smoutebollen van de alom geprezen familie Renders daaraan konden verhelpen. Bram omdat hij zich thuis grondig verveelde.


Michiel:


Een meisje en twee jongens van zeventien naderen elkaar vanuit drie verschillende richtingen. Omdat het autoverkeer met de kermisdrukte werd omgeleid hadden zij als fietsers de ruimte voor zich, in acht genomen de plotseling overlopende kinderen, de ietwat aangeschoten eenzaten voor wie de kermis een zalige bewusteloosheid van tien dagen was, de brommers van de grietenjagers en de neven-en nichtengroeperingen (families dus) die na het middageten op het getoeter en getetter werden losgelaten.
 Voor geoefende fietsers zijn dat geen obstakels meer na tien jaar stadservaring. 
Waarom dan, uitgerekend deze drie naar hetzelfde punt keken en daardoor elk besef van de werkelijkheid verloren, blijft een onopgeloste vraag. Feit was: zij deden het. Zij keken naar een figuur in ’t blauw die op de nok van het kerkschip balanceerde, voorzien van nepvleugels maar ondanks deze instrumenten ook nog hevig met gespreide armen moest wieken om zijn evenwicht te bewaren.
 Vreemder nog, zij waren de enigen die de ‘engel’ met toneelvleugels in salopette opmerkten en door deze observatie totaal stijlloos tegen elkaar opbotsten en als een cliché uit de slechtste ronderit tussen hun in elkaar gehaakte fietsen belandden.

Bram:


Gewoonlijk begin ik in zo’n situatie te schelden. Zo vlug mogelijk de schuld op iemand anders schouders schuiven. Beetje primitief, maar zo zit ik nu eenmaal in elkaar. Ik ga niet graag af. Over mijn geschaafde linkerknie wrijvend wil ik aan mijn tirade beginnen als het absurde van de situatie mij in één flits duidelijk wordt en ik Hannah ‘shit’ hoor zeggen en Michiel in de ogen kijk.

Hannah:


‘Shit’ zeg ik terwijl ik opsta en ik hoor Bram beginnen lachen. Alsof dit iets om te lachen is, denk ik nog. Met mijn fototoestel is er niets gebeurd. Als ik de twee jongens zie zitten, de een lachend, de andere zuchtend, begin ik mee te lachen. Bram en ik helpen Michiel recht. Steeds luider lachend.

Michiel:


Gek hé, maar dat lachen van de twee drong niet tot me door. Niet dat ik nog versuft van de val zou zijn. We reden niet snel en niemand van ons drieën was met zijn hoofd tegen het wegdek gebotst. Maar het beeld van dat figuurtje met zijn nepvleugels op de nok van de kerk was nog zo nabij en tegelijkertijd zo irreëel dat ik niet besefte wat er rond mij gebeurde. Ik liet me rechttrekken en begon mee te lachen.

Bram:


Met onze fietsen aan de hand staan we hier bij elkaar. Tegelijkertijd kijken we naar boven. Naar de nok van de kerk. ‘Miljaar, hij is gevallen!’ heb ik geroepen, denk ik.

Hannah:


`We smijten onze fietsen waar ze willen liggen en rennen naar de kerk. De grote poort is potdicht. Niemand blijkt de verschijning gezien te hebben. Wij zijn de enigen die in paniek naar de achterkant van de kerk hollen. Bram en ik voorop. Achter ons hoor ik Michiel hijgen.

Michiel:


Stop, roep ik. Maar stop dan toch! Maar ze horen me niet en verdwijnen in de zij-ingang.
 Achter mij rijdt er een jongen in blauwe salopette (zonder nepvleugels) op de fiets van de kermis weg.

 

merry-go-round_horse_in_the_window.jpg

 

TRIANGEL (1)

horse-and-merry-go-round-philip-sweeck.jpg

 

Verzwijgen. Ver en zwijgen Het zwijgen uitstrooien, beter nog dan strooien is : uitgieten zodat het (te) veel oppervlakte inneemt en begint te stollen tot een ondoordringbare plaat.
Het instrument waarmee ik door dat stugge heen wil is een triangel, die ene zilveren toon.

‘A single stroke on the triangle clearly penetrates the full force of an orchestra, and it is perhaps most effective when used sparingly.’
(Britannica)

Toen ik bijna vijftien jaar geleden aan het boek ‘Triangel’ begon, wist ik dat het ook voor mij pijn en helderheid zou mengen al besefte ik nog niet dat het stollende mengsel zich over zoveel jaren zou uitstrekken.

Het plan om triangel te schrijven was al veel ouder, maar de personages bleven nog in het donker. Ze maakten zich niet vlug kenbaar.
Al waren ze aanwezig in mijn andere geschriften, in foto’s, theater en film.
Ze bleven zich verschuilen.
Het werd een verzameling:
Documenten, prenten en foto’s.
Tot ik besefte dat het bij die documenten, prenten en foto’s moest blijven.  Er mocht geen alwetende verteller zijn die uit deze collectie een verhaal zou distilleren.
Ik voelde hun aanwezigheid en die was intens genoeg om hen beetje bij beetje aan het woord te laten.
De hoofdpersonages vertellen zelf hun verhaal, hun ervaring rond dezelfde gebeurtenissen die ongeveer een jaar in beslag namen.
Documenten bij een afscheid.
Er  zou dus veel plaats overblijven voor stilte, voor onuitgesproken of niet uit te spreken werkelijkheid. Plaats voor de lezer.

Het verhaal begint als het voorbij is.
Dat lijkt een contradictie maar vrijwel elk verhaal is aan dat proces onderhevig. Voor mij als schrijver bleef het grotendeels een raadsel.
Ik zou door hun documenten -ook al was ik daar tenslotte de auteur van- onwetend genoeg moeten blijven om het te zien ontstaan vanuit mijn personages.
Bram, Hannah, Michiel, Elias en ikzelf, de onzichtbare ‘samenbrenger’ van hun ervaringen.
Drie zeventienjarigen, een jongen van dertien en de onzichtbare.

Omdat het boek niet meer in de handel is, zelfs verbannen uit de tweedehands-handel van sommige verkopers, wil ik het in deze versie brengen, traagzaam, met de notities van de schrijver omdat het ook voor mij zo’n belangrijk werk is gebleven. 
Er is ook een doorlopende versie die in pdf makkelijk in een e-reader past.

Het boek opent met drie brieffragmenten. De muziek speelt een heel belangrijke rol in dit boek. Beluisteren bij lectuur is zeker een goede combinatie.

clear-sy-sea-224214.jpg

VOORZICHTIGE HEROPENING

DRIE BRIEFFRAGMENTEN

1. Fragment uit Michiels brief aan Hannah en Bram

Chopin. Uit de preludes opus achtentwintig nummer tien.
Geen dertig seconden duurt ze.
Vier maal een aanloop naar de terugkeer. De rechterhand onderuit gehaald door het terugtrekkende water.
Opnieuw ontsnappen, terugwillen, enkele druppeltjes verder -je wordt in een dun vliesje even zichtbaar- maar wat voorbij is, is voorbij. 
Zachtjes verlies ik je in mijn linkerhand. Tot aan het vraagteken. Stilte. Een zucht nog, net voor je glimlachend verdwijnt. Allegro molto.

Bijna elk uur speel ik deze prelude. 
Zoals de trompetten de muren rond Jericho lieten instorten, zo hoop ik dat mijn spelen de loden stilte van je afwezigheid laat smelten.

Druppeltje voor druppeltje. 
Maar…
Zet ik de punt van mijn pen op het papier, dan begint ze te vloeken.

xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx

Omdat de inhoud van hun klanken totaal onbelangrijk is, heb ik er een inkten-jas over gegooid. Daaronder blijven ze roepen. Hun kelen kan ik niet dichtstoppen. Elke vraag om stilte, slikken ze door. En ze roepen nog luider.
Nu hij vertrokken is, wordt de vraag naar het waarom overbodig.


Hij is weg.


Hij is weg.


Hij is weg.


Dat zie ik in grote zwarte letters boven de kerk geschilderd staan.


Hij is weg.


De engel in salopette is opgelost.
 Wat ik ook doe om die zwarte letters uit te vegen, het helpt niets. Erger nog, ze schieten in brand.
Zelfs na een hevige regenbui staan ze als holle gaten in de avondlucht.
Ik trek de inkten-jas weg en laat de vloeken vrij.

2. Fragment uit Hannah’s brief aan Bram en Michiel

Kom ik van de bakker dan blijf ik steevast bij de prentenwinkel staan. Kaders, beeldjes, schilderijen en gravures. Kitsch en ook wel eens kunst. Toch blijf ik kijken. Bijna zeker dat er op een dag een prent achter ontspiegeld glas zal hangen die ik wil hebben, waar ik mijn laatste spaargeld zal aan uitgeven, die ik een heel leven kan koesteren. De ultieme prent.

lighthouse-at-dusk-105210.jpg
Vandaag zag ik een langwerpige lijst met daarin drie foto’s van dezelfde vuurtoren. Onstuimige zee aan zijn voet in drie gedaanten. Hij geeft geen kramp. Ook geen licht. Als een stenen vinger staat hij tegen de sombere zeelucht . De storm deert hem niet.
 Sinds zijn verdwijnen woon ik in mijn vuurtoren. De storm raakt me niet maar evenmin geef ik licht.

Ik wacht.
De foto’s heb ik opgeborgen. De krantenartikels verbrand.
 Ik probeer boven het verleden te zweven zonder het te moeten aanraken. De voorbije gebeurtenissen als luchtkussen. 
Ik koester mij onder zijn zon. De ogen gesloten want het licht is nog te hevig om het landschap van mijn dagelijks bestaan voor mezelf zichtbaar te maken. 
Ik probeer de maan te zijn. Een levenloze planeet die zijn licht weerkaatst. Eigen licht voorlopig overbodig.

Uren kan ik naar de bewegende schaduwen van de platanen op de muur kijken.
 Naarmate de zomerbries opsteekt bewegen ze zachtjes of gaan ze ook wel heftig op en neer, al zijn ze roerloos nog mooier.
 De details van zijn lichaam, de twee kleuren van zijn ogen bijvoorbeeld, kan ik me soms moeilijk herinneren. Als er beneden een deur dichtslaat, hoor ik zijn voetstappen op de trap.

3. Fragment uit Brams brief aan Hannah en Michiel

Keiluid heb ik ‘You take my breath away’ opgezet.
 Queen. Freddy Mercury.
 Alleen thuis.
 Weg van mijn kamer.
 De deur van ’t toilet ver open.
Daar zit ik. Sigaret. Diep inhalen.
‘You’ ve captured my love
 Stolen my heart
. Changed my life. (stilte) 
Everytime you make a move
 You destroy my mind 
And the way you touch 
I lose control and shiver deep inside.
You take my breath away
 
Little one, zeg ik over de piano heen. Maar dan zing ik mee met Mercury.
You can reduce me to tears
 With a single sigh.
 
Waarna de groep:
Please don ’t cry!
 
Wees gerust. ’t Is van de rook die in mijn ogen prikt. En na mijn hoestbui waarachter
‘I could give up all my live for just one kiss..’
 
en nog iets dat ik zal doodgaan als je mij buitensluit (nogal goedkope chantage, enfin!) zing ik ik luidop mee:
‘So please don’t go 
Don’t leave me here all by myself’
 
Hoort ge ‘t? 
Ik meen het, hé ventje!

‘I will find you 
Anywhere you go, I’ ll be right behind you.
 Right until the ends of the earth.’
 
En waar zou dat dan zijn, die uiteinden van de wereld? Of kende Queen ook al jouw einde der tijden? Come one, little Freddie. Kom uit je schuilplaats. Zet de remraketten in werking en keer terug, sneller dan het geluid zodat we elkaar straks terugvinden, back in time. Yesterday.
En als ik je gevonden heb, 
-je hebt het mij geleerd te zeggen-
dan zal ik niet meer slapen voor ik je gezegd heb:

‘To tell when I find you.
I love you.’

Peuk in de pot. Doortrekken.
 Ik hoor je lachen, onnozelaarke!
Ga je snel verbergen want ik zal je in je nek kriebelkussen. Tot je het uitgilt.

alois-kronschlaeger-habitat-14-copy.jpg

EEN HUIS IN HET HOOFD

mechanical portrait-abott.jpg

 

Ik heb een huis

in mijn hoofd gekocht.

De Schepper

schrijft er mene-tekels op de muren.

Zijn moeder breit er

warme truien tegen tocht,

en engelen derde klas

zijn mijn lawaaiërige buren.

 

En ik maar denken

dat hier alles mocht,

terwijl ik het nauwelijks

aan oude woorden

kan verhuren.

 

 

eve_sussman_and_simon_lee,_seitenflugel,_2012_(image_3).jpg

 

Mene-Tekel: een teken aan de wand is een aankondiging van onheil.  In het bijbelboek Daniël voorspelt bovennatuurlijk schrift de ondergang van het Babylonisch Rijk na een drinkgelag met gestolen serviesgoed, gestolen uit de tempel van Salomo.

Mene, Mene, Tekel u-Farsin, vrij vertaald: Geteld, Geteld, Gewogen en Verdeeld מנא ,מנא, תקל, ופרסין