11merrygoround.jpg

Het volgende deel, de zoektocht in de kerk, wordt als een ‘kleine fuga’ opgevat. Naar analogie met een muzikale fuga probeerde ik de drie stemmen van mijn hoofdpersonages in eenzelfde techniek weer te geven. De eerste stem (Bram) vertelt een fragment van het gebeuren, de tweede stem (Hannah) keert terug en vertelt het zoekende thema op haar manier. Er wordt geswitcht van ruimte en tijd in eenzelfde ruimte en binnen hetzlefde tijdbestek.  Ook de derde stem (Michiel) gebruikt die techniek.

De gebeurtenissen gaan dus telkens even terug in de tijd en komen dan, net zoals in een fuga, weer bij hetzelfde punt uit. De hoofdpersonages krijgen op die manier de kans om zelf het verhaal te leiden.  De verteller, de auteur verdwijnt helemaal achter zijn personages.  Hij wordt mee luisteraar en kijker.

De zoektocht brengt hen vreemd genoeg op de eerste plaats dichter bij elkaar.  Elk punt van de triangel verbindt zich met een ander punt, niet zo maar, maar in ‘hevige’ mate.  Het opbotsen is duidelijk nog aan de gang.

Eens ze bij het orgel staan hernemen de drie stemmen hun thema, belichten ze hun innerlijke emoties voor elkaar die ze niet durven uitspreken.  Omdat ze in feite lange tijd na dit gebeuren weer samen zijn gekomen om een gemeenschappelijk verhaal te maken van het voorbije kunnen ze in dit tweede thema nu naar de diepte van het gebeuren gaan:  het overweldigende van de liefde, een gebeuren dat zich toen eerder verward en inderdaad ongestructureerd afspeelde.

De tijd is dus een bondgenoot maar maakt hen kwetsbaar. Blikseminslag. En…ieder van het drietal dacht de enige gewonde te zijn!

 

kronschlaeger_bw_ex_3_sm.jpg

 

Een kleine fuga

1ste stem:

Michiel beneden in de deuropening van de torentrap. Ik op het doksaal. Hannah nog hogerop.


’Ik heb hem op zijn fiets zien wegrijden!’ roept Michiel beneden, roept op dat moment de stem van een toen voor mij onbekende jongen.
’

Zeker dat hij het was?’ hoor ik Hannah’ s stem.

Hoor ik de stem van een toen voor mij onbekend meisje.
 De twee onbekende stemmen komen naar mij toe.
 Hier, op het doksaal van de Sint Pieterskerk botsen we bijna een tweede keer tegen elkaar op.


Enkele treden onder mij, Michiel.


Enkele treden boven mij, Hannah.


Zenuwachtige lachjes. 
’Absurd, hé?’ zeg ik. ‘Kom, hier is er meer plaats.’ Alsof het orgel en de ruimte voor het koor mijn persoonlijk bezit is.


Ze volgen mij.
 Buiten horen we de kermis. Hoog getoeter en diepe bastonen. Sirenes.
 Maar in het duister van de koele kerk zie ik Michiels ogen, dat ogen-blik toen hij hijgend naar mij opkeek. Dat voor immer voorbije ogenblik dat nooit nog voorbij zal gaan.

‘Everytime you make a moveYou destroy my mind.’

Ogen als dynamiet. 
Ik draai me om.


Ik ben Bram, zeg ik.

2de stem:

Sprint bleek nogmaals mijn sterkste nummer. Trappen oplopen niet inbegrepen, fototoestel om de nek als hindernis. Ik voelde Bram me inhalen, zoals je dat voelt bij een wedstrijd als de eindstreep al in zicht is.


’Ik heb hem op zijn fiets zien wegrijden!’ hoor ik Michiels stem beneden.


‘Zeker dat hij het was?’

Droge galm in de trappenkoker. Sterker bedoeld, maar wegens te veel inspanning op korte tijd eerder schraal klinkend.


Ik wacht zijn antwoord niet af, blijf even met mijn rug naar Bram staan uithijgen, keer me dan om, wil terug en zie op hetzelfde moment Michiel aankomen.
We remmen gelijktijdig.


Eerst zie ik alleen zijn schouders, de haartjes in zijn nek, dan terwijl hij omkijkt en hij ‘absurd, hé’ zegt of zoiets, zijn glimlach.


‘Kom, hier is er meer plaats’ .


Michiel die me blijft aanstaren, of wacht hij uit beleefdheid om me voor te laten gaan. 
Ik steek mijn hand op. Waarom eigenlijk? 
Ik ga het doksaal op.
 Ik hoor zijn naam. Zijn gouden naam. Mijn aartsvader. Was mijn naam maar Sarah geweest!


’Ik ben Hannah,’ antwoord ik. Veel te stil, zoals gewoonlijk.

3de stem:

‘Ik heb hem op de fiets zien wegrijden!’ roep ik in de deuropening van de wenteltrap.


Haar antwoord dat ik later als bewijs voor haar eeuwige twijfel zou gebruiken.


’Zeker dat hij het was?’


Ik heb iets gezegd of gemompeld van ‘natuurlijk dat hij het was’, boos om de twijfel, boosheid die me kracht gaf de trap op te stormen, hen terug te halen naar de werkelijkheid. Mijn gelijk.


Bram tussen ons beiden gevangen, een tweede crash vermeden door onze vermoeidheid.


‘Beetje absurd, hé? Kom, hier is er meer plaats.’


Haar glimlach als antwoord, haar hand in de lucht zoals mensen die mijlen ver van elkaar zijn en wuiven, als teken dat de afstand er niet toe doet. Een schrale troost.
De beweging van haar heupen, de lange benen in de witte short, ze bevestigen wat ik sinds de droomtijd wist: ik ben tegen de muze zelf op gebotst. 
Al had onze engel nepvleugels, haar dunne warme handen zijn des te echter als ze zich na Bram bekend maakt, bijna onhoorbaar.


‘Noem mij maar Michiel,’ zeg ik onhandig al lijkt het eerder origineel.

Dat we daar met zijn drieën in de koelte en de stilte van een kerk op het doksaal stonden.

Dat we elkaar nooit eerder hebben gezien en een engel met nepvleugels ons had samengebracht.

Dat we ons aan elkaar bekend maakten en zoals later bleek meteen door de bliksem werden getroffen.

Getroffen en elkaar treffend. (Michiel) 


Slow motion in de herhaling. (Hannah)


Totaal absurd. (Bram)

Bram:


Gewoonlijk probeer ik in dergelijke omstandigheden te grappen:
 ‘Did I miss something?’ te zeggen. (Timo in the Lion King) Mij te verdedigen tegen de opkomende emotie.
 Dit had kunnen dienen:


-Ik ben d’ Artangan, en jullie?


-You are on candid camera, smile!


-Weinig volk in deze attractie, hé?


-Heftig! Zwaaraankomend. Kolère!


Maar nu stond ik daar nog na te hijgen, zogezegd van het rennen, maar in feite puur van mijn melk toen Michiel achter het orgel kroop en terwijl de blaasbalgen zich net zo hijgend vulden, ik hem naar mij zag glimlachen- niet beseffend dat Hannah achter mij stond- en zonder vermoeden dat ik de volgende dag uit de audiotheek het complete orgelwerk van Bach mee naar huis zou nemen. 
Ik draaide me om en knikte bewonderend naar Hannah. Haar blik. Ik dacht dat hij voor de orgelspeler was bedoeld.

Michiel:


Het is mijn manier om de aandacht te trekken. Ik spreek via klavieren. Ik ken de magie van het optreden. De blikken van de vriendinnen rond de piano. Het is dus een reflex geworden. Een vlucht. Mijn stek waar ik mijn mond kan houden en mijn vingers het werk overnemen.
’Alle Menschen müssen sterben’ uit Bachs Orgelbüchlein. Een voorloper van dit verhaal geopend op de lezenaar.


De trage melodie en de reflecties van mijn linkerhand op het bovenste klavier, alsof ik dit stukje muziek al jaren voor dit moment heb ingeoefend.

Onmiddellijk zag ik het beeld door het notenschrift heen: Hannah en ik op een vertraagde paardjesmolen, net voor het moment dat de houten dieren zich uit hun hengsels zullen losmaken en wij tussen deze escorte boven de drukte van de kermis uitstijgen.

Hannah:


Ik wachtte tot Bram zou omkijken. Of zal ik mijn hoofd tegen zijn rug leggen en via zijn ademhaling de orgelmuziek begrijpen? Maar zoals meestal deed ik niets en gaf ik mij een houding. Ik zag Michiels hoofd met de melodie mee wiegen. Waarom deed ik niets? Waarom bepaalde ik toen al mijn verdedigingsstrategie? Oefende ik de woorden die ik straks zal zeggen: of Michiel hier de dienst uitmaakt, of we samen iets gaan drinken, of onze fietsen de klap hebben overleefd en iemand zich over hen heeft ontfermd, want dat het al mijn derde fiets is, en…


Dan draaide Bram zich inderdaad om en vroegen zijn ogen of ik het orgelspel net zo mooi vond. 


Al wat jij mooi vind zal ik bewonderen, zegde ik in mijn binnenwereld. Al die woorden in één terug-blik samengevat.


Maar ik kende de regels en antwoordde met hetzelfde knikje. Ja, heel mooi is het.
Terwijl de allermooiste zich terugdraaide en ik de foto van zijn gezicht in mijn donkere kamer begon te ontwikkelen. Levenslang.

Slotvers:

Bij de laatste noten wisten we dat we geen woord over deze blikseminslag zouden zeggen. Ieder van ons dacht de enige gewonde te zijn. Kermen was dus uitgesloten.

 

jean_shin,_sound_wave,_2007.jpg