TRIANGEL (14)

7f909c884a9642f7b396f7d2b8cfdc30.jpg

18. Vanuit de donkerte


‘Dit spelletje gaat over de tijd,’ zei hij die avond toen we elkander na de eerste schoolweek weer terugvonden op de kerkzolder.


Ik dacht dadelijk aan het gesprek van gisteren in de bus..


‘Hannah?’


Hij had één van de grote ingemaakte kasten leeg gemaakt en die ruimte zou onze speelplaats zijn.


Michiel en Bram gingen voor de kast zitten

.
’Ben je bang in het donker?’


’Integendeel. Ik hou van het donker.’


’De deuren gaan dicht. We zullen luid genoeg moeten spreken.’


We kropen in de kast. Bram schoof de deuren achter ons dicht, doofde de kaarsen zodat het voor de kast net zo donker was als er binnenin.


We luisterden naar elkanders adem.

‘Je durft niet,’ zei hij. Het klonk akelig echt.


Ik verdedigde mij tot we aan het zinnetje: ‘je valt uit de tijd,’ kwamen.


Uit de tijd.


In mij schrok Steffie wakker.

 

Ik heb geen tijd, Steffie, ik moet studeren. Ga jij maar naar de bakker!

 

‘Zotteke,’ kon ik nog zeggen. Een schrale poging om het onafwendbare toch nog van mij af te duwen.


En: ”Waar zou ik dan terechtkomen?’ werd een overbodige vraag waarop ik het antwoord al jaren kende.

 

Voorzichtig met mijn fiets, hij is pas hersteld!

 

‘Als je buiten bent geweest, kun je niet meer terug,’ zei Elias of was hij nu Hannah en antwoordde Stefaan met mijn stem:


‘Dan ben je mij kwijt.’


Kijk Hannah, kijk, ik heb mijn molentje op jouw fiets gezet. Prachtig, he?

 

‘Ja,’ hoorde ik mezelf in Elias’ stem. Kwijt voor altijd.


‘Vind je dat dan niet erg?’


’Toch wel.”

Waarom hou je mij dan niet tegen?’

 

Zullen we samen rijden? Dan mag het molentje op jouw fiets blijven en ik bij jou achterop.

 

‘Als iemand buiten wil, kun je hem of haar niet tegenhouden.’


‘Ga je mee?’

 

Rij maar alleen, ik heb echt geen tijd. Morgen rijden we samen naar oma.

 

‘Ik denk dat ik weg moet,’ zegde ik Steffies’ woorden, terwijl ik hem zingend op mijn fiets zie verdwijnen, het windmolentje hevig draaiend.


‘Ja, dat denk ik ook,’ antwoordde Elias-Hannah.


’Dag’
’

Dus je wilt de deur opendoen?’
’

Ze zullen denken dat ik dood ben.’

 

Dag Hannah! Tot straks!

 

‘Ja, dat zullen ze denken.’

Ik schuif de deur open, laat me naar buiten vallen, terwijl de knal van de fiets tegen de auto mij een laatste keer met zijn volle verschrikking verlamt. 
Ik kan eindelijk huilen.

b5d313c9a8804cb98b63dc35d9eede20.jpg

19. Tussen licht en donker


‘Ik denk dat het donkerte was,’ zei ze, toen ze uitgehuild was. ‘Het overviel me. Sorry.’


‘Claustrofobie, daar heb ik ook wel eens last van,’ probeerde ik haar tegemoet te komen. 
Elias droogde haar tranen met de mouw van zijn sweater waarop in rode letters ‘boys revolution’ was gedrukt.
’

Ik was toch bij jou,’ probeerde hij haar te troosten.


’Natuurlijk. Hoe kon ik dat vergeten.’


‘Dacht je dat ik iemand anders was?’
’

Misschien wel.’
’

We moeten maar eens ophouden met die spelletjes,’ zei Bram.


’Neen. Integendeel. Ik vond het een heel mooi spel. Het heeft me geholpen.’


’Zoals je uit de kast viel leek het of je geboren werd, Hannah.’


Ze keek me knikkend aan.


‘Ja, als je geboren wordt moet je ook wenen.’


‘Ik dacht dat ik nooit geboren werd toen ik klein was. Ik was uit een ruimteschip gevallen. In het koude water van een rivier.’


Elias’ woorden braken de spanning, het onbehagelijke als je zonder het te willen bij iemands verdriet wordt betrokken. Het was niet het gênante zoals bij een overspannen reactie, eerder de onmacht haar niet te kunnen bereiken. 


Beelden van de mensen die je lief hebt, blijven je levenslang bij. Niet de grote momenten, de eerste kus, het innige van een nacht samen slapen. Eerder details, de manier waarop ze zich omdraait en ‘hoi’ zegt, of hoe ze haar handen heel mannelijk in haar heupen zet als ze wil nadenken. 


Haar gezicht nu met sporen nog van haar verdriet gemengd met een glimlach als ze Elias over zijn niet-geboorte hoort vertellen. Hoe ze hem door zijn haar wrijft, de ongeborene en hij daarvan gebruik maakt om zijn armen rond haar te slaan.


’Voor een ruimtewezen heeft hij wel heel aardse reacties,’ was Brams commentaar.


’Jaloers hé?’ zei het ventje.


‘En of,’ antwoordde ik bijna hardop.


’Zullen we volgende week terugkomen en hier picknicken?’


’Jij bent de gastheer, Elias.’


‘Iedereen brengt iets lekkers mee en een verhaaltje om te vertellen of te spelen.’


Ik weet niet of ik een week kan wachten om haar terug te zien. Bijna zei ik: die picknick mag morgen ook, maar ik zweeg.


‘Voor we weggaan vertel ik nog een heel klein verhaaltje. Ook over een kast.’


Hij ging voor een hoge deur van een kleerkast staan, keek ons aan en begon.


Voorzichtig legde ik mijn arm over Hannah’s schouder.

ca598981eab142c38a63bae7daaf6099.jpg

20. In de kast


In de kast dansen de jassen met de broeken. 


Tot ik de deur opendoe, dan hangen ze stil. 


Jaja, ik heb jullie wel gezien, hé sukkelaars! roep ik dan. Jullie moeten daar nu niet zo stilletjes hangen.

Toen ik heel droevig was, ben ik in de kast gekropen. 
De jassen zongen mij in slaap, en de broeken humden maar een beetje mee.
’

s Morgens vond niemand mij.


Ik hing tussen de jassen en de broeken en ik schommelde zachtjes heen en weer als ze hun liedjes zongen.


Is er iemand die mij aantrekt?

(Elias, bijna dertien, engel-met-nepvleugels)

 

bf82257f836b47deb1069199b8196db0.jpg

de kunstwerken zijn van de Braziliaanse kunstenares Wilma Darienzo. Ze zijn ondergebracht bij de A JAin Gallery NY

 

TRIANGEL (13)

wafaa Bilal__THE_ASHES_SERIES_CHAIR2.jpg


Kasten, inzonderheid grote kasten zoals kleerkasten, hebben in menig verhaal een bijzondere rol gespeeld. Ook mij intrigeerden ze als kind: de kapstokken met kleren net zoals de geheimzinnige dozen waarin mysterieuze papieren en herinneringen de tijd voorbij je eigen ouders aanduidde.  De kleren zelf konden net zo goed wezens zijn die een eigen leven leidden.
Je kon je er ook in verbergen. De geuren van mottenballen, stoffen en hout verraadden een onbekende wereld.  Eens je de deur zou openen kwam je in een andere tijd terecht, of zoals in mijn verhaal: je viel uit de tijd.
De tijd, ik citeer even opnieuw Safranski in zijn filosofische bloemlezing over het kwaad: ‚Waarom vindt de mens geen zielenrust, waarom bestaat er voor hem geen hoogste goed waarmee hij tevreden zou kunnen zijn?  Hij is een wezen dat niet alleen in het heden staat, maar dat een ongewisse toekomst voor zich ziet en zijn verleden achter zich aansleept.’ (Rudiger Safranski, Het Kwaad, p.95)
Dat verleden zit Hannah danig in de weg. Door het spel ‚uit de tijd vallen’ wordt ze gedwongen dat verleden onder ogen te zien om er zich niet van te bevrijden, maar het een plaats te geven.

varda Yatom WEDDINGFIGUREsinglehighres0.jpg

 

17. Buiten de tijd


Twee spelers, Elias en Hannah, zitten in een grote ingemaakte kast. We horen alleen hun stemmen.


Elias:


Hannah, je durft niet.

Hannah:


Hoe, ‘ik durf niet’?

Elias:


Gewoon, je durft niet.

Hannah:


Bij mij pakt dat niet.

Elias:


Zie je wel dat je niet durft.

Hannah:


Ik moest dus de deur opendoen?

Elias:


Ja.

Hannah:


Dat is dan simpel hé. Ik doe de deur open.

Elias:


Je weet wat er dan gebeurt…

Hannah:


Dat zeg jij, ja.

Elias:


Je valt uit de tijd.

Hannah:


Zotteke.

Elias:


Je valt uit de tijd zeg ik.

Hannah:


En waar zou ik dan terechtkomen?

Elias:


Buiten.

Hannah:


Buiten de tijd?

Elias:


Ja.

Hannah:


En jij dan?

Elias:


Ik blijf binnen.

Hannah:


Jij durft dus ook niet?

Elias:


Ik durf wel, maar ik wil niet.

Hannah:


Ik doe het, hé!

Elias:


Waar wacht je op?

Hannah:


Ik kan dan niet meer terug?

Elias:


Als je buiten bent geweest, kun je niet meer terug.

Hannah:


Dan ben je mij kwijt?

Elias:


Ja.

Hannah:


Vind je dat dan niet erg?

Elias:


Toch wel.

Hannah:


Waarom hou je mij dan niet tegen?

Elias:


Als iemand buiten wil, kun je hem of haar niet tegenhouden.

Hannah:


Ga je mee?

Elias:


Neen.

Hannah:


Waarom niet?

Elias:


Ik hou van gisteren en van morgen.

Hannah:


Ik denk dat ik weg moet.

Elias:


Ja, dat denk ik ook.

Hannah:


Dag.

Elias:


Dus je wilt de deur opendoen?

Hannah:


Ze zullen denken dat ik dood ben.

Elias:


Ja, dat zullen ze denken.


DE DEUR SCHUIFT OPEN: HANNAH LAAT ZICH NAAR BUITEN VALLEN.

jenny Morgan_OBLIVION0.jpg

(Kunstwerken zijn van Waafa Bilal, Varda Yatom en Jenny Morgan uit de Driscoll Babcock collectie NY)

TRIANGEL (12)

when_pigs_fly_v_ordey161413.jpg

 

15. Lef en liefde


Rikkie vertrouw ik voor honderd procent. We hebben samen ontdekt dat het leuk was een jongen te zijn. Hij had het daarna meer voor de meisjes. Ik duidelijk voor de jongens. Dat is nooit een probleem geweest. Als ik Karen zie, begrijp ik heel goed dat ze Rikkie een schat vindt. Soms ga ik met Karen winkelen. Zeker als ze iets leuks voor Rikkie zoekt. Of als ze nieuwe schoenen wil.


Deze vakantie zijn ze samen weg geweest. Van zijn ouders mocht het, van de hare niet. Dus ging zij met een zogezegde vriendin op stap en vonden ze elkaar toch wel toevallig bij die vriendin zeker.


Rikkie wilde me vandaag alles vertellen. Karen ook. En of ik iets had meegemaakt? 


Over het sportkamp, de knappe basketbal – instructeur, de nieuwe cd’s, de veertien dagen in Frankrijk met pa, het weekje aan zee met ma, ik heb het allemaal verteld. Over mijn drie nieuwe vrienden zweeg ik. Zeker over Michiel.


’Ik denk dat je verliefd bent,’ zei Karen toen we bij onze fietsen stonden.


‘Waarom denk je dat?’


‘Je bent veranderd. Minder lef, meer liefde.’


‘Meer liefde?’


‘Als je spreekt, spreek je “liever”.’


’Ik word zeventien eind september, vandaar.’
’

Jij wordt nooit ouder, Bram. Jij zult altijd een jongetje van dertien, veertien zijn.’


Even had ik zin om alles te vertellen, maar ik besloot te wachten.
’

Ik vind trouwens dat jij er jongensachtiger uitziet.’


‘Dat moet wel als je met zo’n vrouwelijk ventje als Rikkie op stap bent geweest.’


‘Rikka en Karel, schoon stel.’


’Juist. Maar hij mocht iets meer van jouw lef hebben.’


‘We zullen eraan werken!’


Ze sprong op haar fiets, wuifde en verdween tussen de drukte van de naar huis gaande schoolbevolking.

Had ik haar verteld dat ik naar orgelmuziek van Bach luisterde, dat ik voor de eerste keer in mijn leven Radio-3 heb opgezet, dat ik dag en nacht nog maar één jongensnaam kan uitspreken, dat ik omkijk naar alle jongens met krullen, dat ik een engel met een stralenkrans heb gespeeld en de overtocht door de Rode Zee bespoedigde, dat ik op een paardjesmolen heb gezeten terwijl ik ‘I’m flying’ riep, dan had ze dadelijk begrepen dat lef en liefde nog nooit zo harmonieus met elkaar verzoend zijn geweest.

Heartland-mini.jpg

16. Engelen en dinosaurussen


We wisten dat Elias niet ver van de markt woonde.


We kwamen te weten dat zijn ouders iets met biologie deden en veel op reis waren.


Verder wisten we niets over hem.


Onze vragen beantwoordde hij niet of hij begon gewoon over iets anders te praten.


Ook over zijn school repte hij met geen woord.


Weldra kregen we van hem een dubbel van de loper waarmee we, wanneer we maar wilden, naar de kerkzolder konden gaan.


Op mijn beurt zweeg ik .
Thuis vroegen ze nooit waar ik naar toe was geweest of wat ik van plan was. Ze wisten dat ik dat wel zou vertellen als het nodig was.


Ook tegen Emma, mijn hartsvriendin, mijn absolute vertrouwelinge, vertelde ik niets over de wonderlijke ontmoeting en de dagen daarna. Niet omdat ik haar niet vertrouwde, ik had gewoon geen nood om iets te vertellen wat ik zelf nog niet begreep. Ook over Bram en mijn gevoelens voor hem praatte ik alleen met mezelf.

De laatste dag van de eerste schoolweek op weg naar huis, ontmoette ik Elias in de bus. Of hij ook deze kant op moest.


‘Nu wel, ja.’


‘Je woont toch aan de andere kant van de stad?’


‘Zie je die meneer daar op zijn fiets? Dat is ook een engel.’
’

Hoe weet je dat?’


‘Het heeft niets met weten te maken. Ik zie het.’


’Hoe zie je dat dan?’


‘Kijk, die twee kinderen die net in de auto stappen. Dat zijn er ook twee.’


‘In je verhaaltjes of echt?’


‘Soms zie ik dat ze hun trompetten bij hebben. Om te oefenen. Voor het einde der tijden. Ze wachten tot iedereen thuis is, verkleden zich in een fanfare en oefenen dan op de kiosk in het park. Ik heb ze al eens gehoord. Maar toen ik ging kijken was er niemand meer. Op een bank zat een oud mevrouwtje. Ze was blind. Ze had zo’n dunne lange witte stok bij. Ze wist dat ik dicht bij haar stond. 
’

Ze speelden iets heel moois,’ zei ze. ‘Nog nooit heb ik z o’ n mooie muziek gehoord.’


Ik zei ze dat het engelen waren, maar ze dacht dat ik ‘Engelsen’ zei. 


‘Je hoort aan hun muziek dat ze van ver komen, jongeman.’
’

Ik zou ze ook wel eens willen horen.’
Hij knikte en keek me aan.

‘Ben je al eens dronken geweest, Hannah?’


’Dronken niet. Wel licht in mijn hoofd. Na een fuif.’


‘Ik ben al eens dronken geweest. Maar niet van bier of wijn. Gewoon dronken omdat ik ineens alles wist wat er zou gebeuren.’


’In de toekomst kijken dus?’


‘In de volgende seconde.’


’Dat is wel heel ver vooruit!’


‘En weer in de volgende seconde. En dat altijd maar sneller, tot morgen overmorgen is, en overmorgen volgende maand, en volgende maand volgend jaar, en ga zo maar verder.’


‘En kun je ook achteruit kijken, terug in de tijd?’


‘Geen probleem. Zo ver terug als je maar wilt.’


‘Tien miljoen jaar?’
’Veel verder.’
’Vijfenzestig miljoen jaar?’ 


Ik zei gewoon vijfenzestig omdat papa’s oudste broer net zo oud was geworden. Verbaasd keek Elias me aan.


‘Zie je wel dat jij het weet!’


‘Wat zou ik moeten weten?’


‘Vijfenzestig miljoen jaar geleden stierven de dinosaurussen uit.’


‘Daar wist ik niets van. Ik zei zo maar iets.’


‘Je wist het goed genoeg. Anders zou je geen engel zijn.’


Ik vond het best aardig een poosje een engel te zijn, zeker in Elias’ aanwezigheid dus vroeg ik gewoon naar de reden van hun verdwijnen. 


‘Ze zeggen de er een geweldige meteoriet op de aarde viel. Een meteoriet van wel honderd zeventig kilometer doorsnede.’


‘En daar zaten al die dinosaurussen onder?’


‘Maar neen, Hannah! Wat is nu honderd zeventig kilometer in vergelijking met de hele aarde?’


‘Ik heb er wel eens iets over gelezen, maar…’


’Het was een ontploffing. Een ontploffing zo sterk als één miljoen atoombommen.’


‘Je zou van minder uitsterven.’


’Duizenden jaren hing er dus stof van die klap in de atmosfeer. De temperatuur daalde, de planten stierven. En omdat planten het voornaamste eten van de dinosaurussen was, stierven ze uit.’


‘Je bent goed op de hoogte. Heb je er veel over gelezen?’


Hij zuchtte, keek langs me heen alsof er nog iemand bij ons zat.


‘Sommigen dachten dat ze een ziekte kregen en dat ze door die ziekte eieren legden met zo’n dikke schalen dat hun jongen er niet meer uitkonden.’


Nu draaide hij zijn hoofd naar mij.


‘Stel je voor. Een kind dat nooit meer uit zijn moeder kan. O, hier moet ik uitstappen.’

The-Think-Tank-mini.jpg

(de kunstwerken zijn van Robert Deyber USA (Martin Lawrence Galeries)

TRIANGEL (11)

BuhlerShakespeare8.jpg

 

Nu volgen er drie fragmenten waarin iedere zeventienjarige hoofdpersoon zijn begin van het nieuwe schooljaar weergeeft.
Eerst komt Michiel aan de beurt.  Het laatste jaar humaniora is voor hem niets om bang voor te zijn. Integendeel. Het is de optelsom van al de vorige jaren ‚schoolstrijd’.
Maar het jongetje van dertien dat hem tegen Hannah en Bram aansmeet ontneemt hem de rol van regisseur van zijn eigen leven..  Het kind ontmaskerde in het jachtspelletje zijn poging tot chantage. Hij heeft de donkere Michiel zichtbaar gemaakt, de jongen met de trukendoos.

IMG_6829.jpg


14. Rede en romantiek


Natuurlijk kon ik die avond niet slapen.


Ja, er was het nieuwe schooljaar. Maar als kersverse laatstejaars moest ik me daar geen zorgen over maken. Dit was het jaar van de triomf. De optelsom van al de vorige jaren. Al de inspanningen om gezien te worden, je plaats te verwerven, je brede rug tegen roddel en jaloezie eindelijk genoeg gehard om er de laatste aanvallen op te laten stuklopen. (Schooltijd en schoolstrijd als synoniemen!) Mijn optredens voor de schare trouwe vrienden en vriendinnen. De toetsenman op het podium van elk schoolfeest. De beste opsteller. De vertrouwensman van leraars en leraressen. De organisator, ideeënman en voorzitter van de cultuurcommissie. 


Geloof me, ik snakte naar het nieuwe schooljaar. Het was mijn publiek. Mijn ware biotoop.

Maar toen was er die dag in augustus waarop een kereltje van dertien mij tegen Hannah aansmijt, mij Bram leert kennen en mij ook nog zijn eigen mythologische wereld aansmeert.

Was ik tot vorige maand de regisseur van mijn eigen leven, en dat van enkele anderen in mijn omgeving, zonder veel woorden probeerde deze nep – engel het roer over te nemen. Verbazing alom. Het schattige snuitje, de veel te wijze woorden, de spelletjes in zijn schuilplaats boven de kerk. Met gemak rolde hij voor zichzelf de rode loper uit.


Koos hij mij vandaag bewust uit voor zijn jachtspelletje? Zag hij de kans schoon om te scoren, of ben ik gewoon boos om Hannah’s reactie en schuif ik mijn wrevel ten onrechte op zijn vreemde verbeelding?


Mijn poging tot chantage zonder al te veel poespas ontmaskerd door degene die dag en nacht in de liefelijkste gestalten door mijn hoofd spookt!

Hoe meer ik er over nadenk, hoe beter ik haar redenering begin te begrijpen. Spelregels zijn er om te ontlopen. Ze zijn er voor de massa, niet voor mij. Ik sta daarboven. Ik heb mijn kunst. 
Als je mij dan kwetst dan blijf ik voor dood liggen. O, o, o, ik ben goed in zelfmedelijden! Zo goed dat ik het omzet in zielenpijn. Wie mij niet ter wille is, zal mijn lijden moeten torsen, zal weten dat hij of zij er mede de oorzaak van is. 
Een ontstellende gedachte.

Voor de spiegel wordt de donkere Michiel zichtbaar. De jongen met de trukendoos. Wie niet voor hem is, is tegen hem. De keizer schrijft zijn gedichten op. In zijn dronkenschap zal hij de maan kussen en…verdrinken!

Zoveel kilte in mezelf deed me dus wakker liggen onder het te warme dekbed

Notes from the Edge of the World 66 copy.JPG

kunstwerken zijn van Ken Buhler gallerie Lesley Heller workspace NY

TRIANGEL (10)

kristin calabrese pluim.jpeg

In de beslotenheid van de kerkzolder wordt van de spelers ‚durf’ gevraagd. Wat improvisatie lijkt, verraadt onderliggende goed gecamoufleerde lagen.
Elias heeft het speelplezier in hen wakker gemaakt, maar het plezier duidt ook op het spel van hun onderlinge verhoudingen. Zullen die duidelijk worden?
Wolf en schapen is een ogenschijnlijk onschuldig kinderspel. Probeer te ontsnappen.
De eerste ontwerpen van de tekst schreef ik voor het hoorspel ‚Spelletjes’, dat met ‚Het einde der tijden’, aan de basis van het boek lag.
We improviseerden het spel met enkele jonge mensen in de studio en hielden de beste dialogen over.  Ook hier moest het spelplezier hoorbaar (zichtbaar dus) worden.
Als wolf Elias schaap Michiel heeft doodgebeten bekent hij dat hij bang is van de levenden, dat hij Michiels vriend wil zijn en hem graag vasthoudt. Een kus als betaalmiddel om het verhaal van Li Po verder te vertellen, het verhaal waarin de dichter de weerspiegeling van de maan in het water kust en verdrinkt.
Ook dat verhaaltje is niet toevallig gebruikt: de eerste projecties worden hiermee in vraag gesteld. De waarschuwing: niets is wat het lijkt, mag duidelijk zijn

 

talia chetrit.JPG

12. Spelletjes

Eens we de kleren en de vleugels weer in de kasten hadden opgeborgen, wisten we dat we terug zouden komen. Hier. Om te spelen.


De engel met de nepvleugeltjes had ongeweten het speelplezier bij ons wakker gemaakt. ‘Zullen we hier komen wonen?’ stelde hij ons voor.


Hij vertelde ons dat er tot net voor de oorlog een man in de toren had gewoond. De torenwachter. Van tien uur ’s avonds tot vier uur ’s morgens blies de man een deuntje op zijn tuba om iedereen te verzekeren dat alles rustig en veilig was.


Hij liet ons een foto van de laatste torenwachter zien.
We vonden wonen een beetje veel gevraagd.


‘Blijf jij hier soms overnachten?’ wilde Hannah weten.


‘Als je heel droevig bent, moet je’ t door dit venstertje licht zien worden. Dat gaat heel traag. Alsof er iemand met een vloeipapier de donkerte weghaalt.’


1.


Ik keek naar Michiel.
We zouden het samen licht zien worden.
 Zoals nu een zweetdruppeltje van zijn oor een spoor naar zijn nek trok, zo zou ik dat druppeltje zachtjes wegkussen.


2.


Ik voelde Hannah’s warmte heel dichtbij. Ja, het wordt licht, zou ik zeggen. Het licht op haar huid. Schaduwvlekjes nog op haar borsten. 
Als ze één stapje naar het raampje zou doen, werd wat ik die nacht met mijn huid had gezien ook voor mijn ogen zichtbaar.


3.


Dat eerste licht heet Bram. De jongen met de stralenkrans. Nooit meer bang zijn in het donker. Ik neem hem in mijn armen en zie op de rondingen van zijn schouders de dag beginnen.

‘Ik ken een hele boel spelletjes. Voor sommige moet je heel wat durven. Geloof je dat?’
We willen dat best in de botsautootjes gaan uitproberen.


Wolf en schapen, een jachtspel bij het begin van het schoolseizoen.

Elias:


Wolf en schapen is een jachtspelletje voor twee spelers.
(hij kijkt rond en kiest Michiel die eerst weigert maar tenslotte toegeeft.)

Michiel:


Eén speler is de wolf, de andere de schapen.

Elias:


Het doel van de spelers is verschillend.De schapen kunnen winnen als ze de wolf zodanig kunnen insluiten dat hij niet meer kan bewegen.

Michiel:


En de wolf wint wanneer hij voldoende schapen doodt en zijn vrijheid herwint.

Elias:


Ik ben de wolf.

Michiel:


Neen, ikke.

Elias:


Ik heb altijd al wolf willen zijn.

Michiel:


Juist, jij hebt altijd al wolf willen zijn.

Elias:


Dus ben jij het schaap en ik de wolf. Ik tel tot drie.

Michiel:


En dan?

Elias:


Dan moet jij gaan lopen.

Michiel:


Ja. En dan?

Elias:


Moet ik je vangen.

Michiel:


Ok. En dan?

Elias: 


Zal ik je opeten.

Michiel:


En hoe kan ik dan winnen?

Elias:


Weet ik veel. Verzin maar wat. Misschien als je een mooi verhaal kunt vertellen zodat de honger van de wolf overgaat.

Michiel:


Jamaar…

Elias:


Eén…

Michiel:


Ik… Wel, luister. Heel lang geleden…

Elias:


Twee…

Michiel:


Ken je de Chinese dichter Li Po?

Elias:


Drie!

Michiel:


Wel, de Chinese dichter Li Po, die stierf in 762, was een verschrikkelijke dronkelap.

Elias:


Ik kom!

Michiel:


Hij was zo dronken dat hij zijn gedichten zelf niet kon opschrijven.

Elias:


Ik ben er!

Michiel:


Dus als hij dronken was, schreef de keizer, jawel de keizer zelf, zijn gedichten op.

Elias:


Ik heb je vast.

Michiel:


Op een dag was het weer zo ver. De keizer en Li Po zaten samen in een bootje…

Elias:


Je bent eraan.

(Michiel gekleed in een gouden engelenkleed valt op de grond.)

Elias:


Jaja, val maar neer. Ik heb je de keel doorgebeten. Bloed stroomt als dikke ketchup uit je nek.

(Michiel blijft nog steeds voor dood liggen.)

Elias:


Zeg iets. Dit is een spelletje. Je bent geen schaap meer. Doe niet onnozel. Ik ben geen wolf. Ik ben je vriend. Ik hou je graag vast. Daarom wilde ik je dood. Ik ben bang van de levenden. Kom, wat gebeurde er met Li Po? Vertel het. Als ik je kus, word je dan weer levend?

(Hij kust Michiel)

Michiel: 
(Hij spreekt zacht, nog altijd een beetje dood.)

Het was nacht.

Elias:


En toen?

Michiel:


De keizer en Li Po zaten in een bootje.

Elias:


Dat heb je al gezegd!

Michiel:


Ik denk dat ik weer doodga.

Elias:


Ok, ok, je hebt het nog niet gezegd.

Michiel:


De dichter zag de weerspiegeling van de maan in het water van het meer.

Elias:


Ja, en toen?

Michiel:
 Hij wilde de maan kussen. En hij verdronk.

(Het blijft even stil.)

Elias:
 

Schaapje? Als jij de maan wilt kussen, dan haal ik ze voor jou uit de hemel.

Michiel:


Pas maar op, dat is een ander spelletje.

Elias:


Ken je het? Hoe heet het dan?

Michiel: 


Icarus.

Elias:


O ja, dat verhaal ken ik ook.

De wolf met nep – engelenvleugeltjes probeert op te stijgen, maar het lukt niet. Hij stort neer naast de wolf. 
De kijkers applaudisseren.

sara gree,nberger rafferty46_the-understudy-i.jpg

 13. De gevolgen van een jachtspelletje

Niemand van ons vermoedde dat dit eerder gekke spelletje de discussie hoog zou doen oplaaien.

‘Ik vond het een mooi verhaal,’ zei Bram. ‘Maar het kon blijkbaar de wolf niet overtuigen.’

‘Ik moest het ter plekke uitkramen. Ik heb het vorig jaar in een spreekbeurt gebruikt. Ik kreeg de tijd niet om het te ordenen.’


De wolf stak zijn vinger op.


‘Het was heel mooi maar het schaap gaf het te vlug op!’


‘Sorry, maar ik was dood. Je had me de keel doorgebeten.’
’

…het duurde te lang eer je verhaal begon. En ik had honger. Ik moest dus wel bijten. Maar terwijl je stierf had je ’t nog kunnen vertellen.’.’


‘Met doorgebeten keel?’


‘Terwijl je je laatste woorden zei bijvoorbeeld.’


‘Maar dan was ik toch ook dood geweest!’


‘Juist, maar dan had je gewonnen. Waarschijnlijk had de wolf je dan weer levend gemaakt.”

Nu heb ik toch ook gewonnen!’


’Ja, op een laffe manier,’ zei ik. Iets te hard. Ik zag Michiel schrikken.


‘Op een laffe manier?’


‘Je hebt het spel doorbroken. Je hebt je verhaal verlaten en je probeerde je tegenspeler bang te maken.’


‘Maar dat was net zo goed een spelletje, Hannah!’


’Noem het maar chantage.’


‘Je overdrijft!’


Bram kwam Michiel te hulp. Elias zweeg en bekeek ons alsof de discussie mijlenver van hem plaatsvond.


‘Als jij mij niet laat winnen, dan speel ik niet meer mee, dat bekende spelletje heb je gespeeld. Tot twee keer toe.’


‘Maar de wolf verliet met evenveel gemak zijn rol.’


‘Hij moest wel. Jij bleef voor dood liggen. Je liet hem geen andere keuze.’
’

Maar hij zei dat hij me graag dood wilde, dat hij bang was voor de levenden.’


‘Dat zei hij, maar het tegendeel bleek waar toen hij je smeekte om weer levend te worden. 
Nu moest hij je kussen om je weer in het spel te krijgen.’


‘Dat was niet mijn gedacht!’


‘Ik had hem ook kunnen kriebelen, maar ik dacht dat kussen beter zouden werken,’ verbrak Elias de spanning. ‘Zoals bij Sneeuwwitje of Doornroosje.’


We lachten opgelucht.


De manier waarop Michiel me had aangekeken toen ik hem aanviel, verraadde meer dan hij vermoedde.


De volgende dag begon het nieuwe schooljaar.

avner sher-jonah-ck.jpg

TRIANGEL (9)

prepared to meet.jpg

De speel-plaats. Ze is historisch gekaderd in de bestaande Sint Pieterskerk in T. maar ze bestaat niet echt. Ik heb er wel jaren lang verbleven. Ik bedoel, ik ken ze, tot en met de geuren.
Het is de plaats voor hun spelen en spelletjes.
Boven een kerk omdat de rituelen die er beneden plaats vinden hen niet (meer) aanspreken, en ze blijkbaar op zoek zijn naar hun eigen rituelen en allegorieën. De verwijzing naar de historische beeldenstorm in 1566 is gewild.  Zij zullen op hun manier de oude beelden bestormen en ze vervangen door hun verhalen. ‚Deze beeldenstorm maakte alvast korte metten met hun zelfbeeld. Geblinddoekt leidt Elias hen naar de nieuwe speelplaats. De rol van de jongetjes in de Toverfluit mag best vermeld worden.
De speelzolder ligt dichtbij de klokkentoren.  Ook dat is niet toevallig.  Het is duidelijk dat hun uur is geslagen.
Maar de grote lege zolder is op de eerste plaats een confrontatie met de drie zijden van de triangel-driehoek. Weg van de wereld zal de wereld van hun verleden alle plaats krijgen.
Ze verkleden zich in engelen en spelen een eerste gek spel tussen gisteren en morgen.

2013 drawing 1.jpg


11. Rondleiding

Dames en heren, u gelieve nu jullie blinddoek voor te doen. Neen, Michiel, je kijkt eronder door. Hannah zorg ervoor dat hij stekeblind is. Bram, omdraaien anders wandel je terug de kerk in.

Hannah eerst, dan houdt Michiel haar schouder vast en Bram legt zijn hand op Michiels schouder. Zo moeilijk is dat niet.


Is het ver, ja het is ver. Hoog? Ja, het is hoog.

Of we ook nepvleugeltjes nodig hebben?


Zie je ons op één rij over de nok van het kerkschip lopen?


Hoe ver wil je gaan, hoe hoog kun je vliegen?


De kerk en de kermis heel diep onder ons.


Waarom loopt Bram niet achter mij?

Hannah, volg mijn stem. Je droomt. Wat doe je, Michiel? Trappen tellen? O. Om de weg terug te vinden. Bram niet kijken. Ja, dat ken ik, dat neuskriebelen!


Zijn we al ver? Neen, we zijn nog nergens. Zijn we al hoog? Michiel? Voilà. Nog maar de vijfenveertigste trede.

Maar hoe wist hij van onze afspraak? Eenenvijftig.


Trager, Hannah, dit mag heel lang duren. Vijfenvijftig.


Voel je wat mijn vingers zeggen? 


Ze zeggen: Hannah. Hannah, zeggen ze. Zestig. Leidt mij, Hannah. Ik zou je willen strelen maar telkens als ik begin ben je al verder en moet ik je bijbenen. Euh… Zesenzestig zeker? Hannah, ben je doof voor …Au.

Bram, pas op, je laat Michiel struikelen. Gaan we te snel? Mij niet gelaten. Ik wilde net het tempo opvoeren. Juist, we zijn voorbij het doksaal. Iets zingen? Neen, anders zou je verdwalen. Verdwalen op een wenteltrap. Tuurlijk kan dat. Tempo, tempo! Goed vasthouden!

Verdwalen op een wenteltrap? 


Zou hij de tekeningen van Escher kennen? 


Gek dat ik nu pas Michiels schouders leer bekijken. Veel steviger dan ik vermoedde. 


Hoor ik hem glimlachen als hij mijn aanmoedigende klopjes voelt? 


Zal ik ‘Komaan, makkertje zeggen, komaan, neem mij naar overal en nergens.’


Zal ik hem opvangen als hij nog eens struikelt?
Hem door zijn krulhaar strelen als ik hem optil? Hem in mijn armen..

Bram niet loslaten!
Neen, niet de vierduizendste en tiende trede. Als je goed luistert, hoor je hoe ver de kermis al weg is. Nog even volhouden. Volslagen radiostilte. Niet schrikken, het is bijna drie uur, en ..

——-EEN——–TWEE——DRIE—–

-Shit, we zitten in de grote torenklok.

-Reisje retour naar Rome, doof maar gelukkig.
-Een klok in re kruis, of …

——————g———————a————————–l——————mmmmmmm

——————g———————a————————–l——————-mmmmmmm

——————g———————a————————–l——————–mmmmmmm


.Nu langs deze overloop. Niet bang zijn. We zijn nu boven de kruisbeuken van het schip. Je hoort geen applaus van beneden, Hannah. Het zijn gewoon de vleugels van een nest kerkarenden. Ze pikken naar de ogen, daarom die blinddoeken. Mij kennen ze. Nu door dit deurtje. Bukken dus. Nog een beetje verder tot we allemaal binnenzijn. Deur dicht. Blinddoeken weg. Voilà.

 

1 .Architectonische beschrijving

Boven de gewelven van de middenbeuk en onder het zadeldak van de kerk is er een houten vloer gelegd zodat er een grote rechthoekige ruimte is ontstaan. 


Langs de lange zijden van deze rechthoek heeft men een hele reeks ingemaakte kasten vervaardigd, aan de linkerkant onderbroken door een deurtje dat naar een smal trapje leidt, trapje dat je naar de kapittelkamer en het archief voert boven de sacristie.


Achteraan zijn er drie kleine raampjes die spaarzaam daglicht doorlaten. In het dak zelf enkele kleine vierkante raampjes of luikjes specifiek voor het onderhoud van de dakbedekking ontworpen.


Deze verborgen kerkzolder bereik je via de wenteltrap in de klokkentoren. Voorbij het doksaal is er een deurtje dat je via een lange loopbrug over de voorste gewelven naar de ingang brengt. Ook via de sacristie zou je deze ruimte kunnen bereiken, maar het deurtje naar de kleine trap is achter een reusachtige zware kast ontoegankelijk gemaakt.
In een van de grote pilaren bij het hoofdaltaar is er ook nog een deurtje dat op een trap uitgeeft. Deze trap bracht je vroeger naar het tweede doksaal vooraan in de kerk. In het begin van de eeuw is dit doksaal afgebroken. Het trapje in de pilaar bestaat nog altijd.

 

2. Historische vermoedens:

Hadden ze elkaar gekend tijdens de zestiende eeuw dan verborgen ze hier de kerkschatten toen in 1566 de beeldenstorm door het land raasde. Gek genoeg vonden de verwoestingen hier plaats op vrijdag de 23ste augustus van dat jaar, terwijl het toen dezelfde dag was.

Deze beeldenstorm maakte korte metten met hun zelfbeeld. Beeldenstormer van dienst is de dertienjarige Elias die hen geblinddoekt naar zijn schuilplaats bracht.


Goed geconserveerde beelden van eigenwaan hebben nog maar enkele duwtjes nodig.

De jonge pianist en cellist Michiel zal door de wereld van deze jonge stadsprofeet stevig door elkaar worden geschud. 
Wat moet hij met zoveel kunstzinnigheid gaan beginnen als een huppelpasje of een zin uit Abrahams leven hem dieper raakt dan wat hij na jaren studie en oefening uit zijn instrumenten weet te halen?


Wat moet de toekomstige architect Hannah met haar ‘keep-it-cool’ en ‘let-it-be’ gehalte als de eerste ontmoeting haar in een virtuele ruimte heeft binnengeslingerd waarin haar dode broertje nog hoorbaar ademt?


En zullen we maar zwijgen wat de hemelbestormer en levensgenieter Bram te wachten staat nu hij zijn eigen kleine jongetjes – verdriet leert begrijpen, tien jaar na een hartstochtelijke huilbui op dezelfde kermis?

En alsof dat nog niet genoeg is, zorgde de verwoester voor een heftige bestorming der gemoederen, doorboorde op hetzelfde moment één pijl hun harten in de eenvoudige maar pijnlijke driehoeksvorm van een triangel, die met zijn kristallen ping-geluid kristalhelder en net zo scherp het puntje op de i van elk ikje zette, of waren het de drie puntjes (ting-ting-ting) op het vreemde woordje ‘jij’. (waarmee de betekenis van de drie klokslagen bij hun aankomst een muzikale voorspelling mag heten!)

Was ik vandaag in staat om terug te keren naar dat ogenblik , ik had geen seconde gewacht om jullie allen in mijn beverige armen te nemen.


’Hannah, wat doe je?’ hoor ik jullie zeggen.


Hoe zou ik de komende maanden van intense beeldenstorm en de tijd daarna in één gebaar moeten duidelijk maken?


En wat betekent dat beetje tijd als mijn kleine profeet vijfenzestig miljoen jaar is teruggereisd? Remmen, Hannah. Elias heeft net ‘voilà’ gezegd. Onze ogen moeten nog aan het licht wennen.

 

3. Feitelijkheden

Stilte.

Bram: ‘Waw! Shit.’


Hannah: ‘Wablief!’


Ikzelf: ‘Enfin.’

Er overviel mij het gevoel dat ik als elfjarige had toen ik met mijn vriendjes (2) en vriendinnetjes (6) kampen bouwde en schatten (drie zilveren knikkers, een doosje lucifers en een half pakje sigaretten) naar geheime schuilplaatsen bracht. 
Een gevoel van opwinding gemengd met verwachting. Avontuur. Gecodeerde boodschappen en doktertje spelen. Een eigen leven leiden, ver weg van de volwassenen.


’Hoe heb je dit ontdekt?’


‘Beneden in de kerk hangt er een medaillon met daarop Abraham, en er staat ook een beeld van de profeet Elias, Bram.’


Hij antwoordde nooit op onze vragen.


De geur.


Het rook er naar gedroogde bloemen. Vanille ook. Puddingpoeder. In de ingemaakte kasten echter hingen processiekleren, lagen attributen voor de eredienst, plakkaten van lang voorbije vieringen, heiligenbeelden, herdertjes zonder kerststal, foto’s van kanunniken en pastoor – dekens. Muziekpartituren.
’

En hier…’ Hij zwaaide een grote deur open. ‘De engelenvleugels!’


Vleugels van alle maten en in diverse kleuren in een eindeloze rij rekken en laden.


’Dit zijn aartsengelen – vleugels!

‘
Hij tilde een paar dat ongeveer net zo groot was als hijzelf.


’Aartsvader of aartsengel, geef hier.’

Bram gordde de reuzenvleugels om.


’Geef mij dat lichtblauwe paar.’


‘Hannah in ’t blauw, dan kies ik deze lila -vleugeltjes.’


Elias trok zijn nepvleugeltjes van echte pluimen aan.


Er bestaat spijtig genoeg geen foto van de vier engelen op een kerkzolder, een warme maandag in augustus.


‘Als je maar niet verwacht dat we nu nog op de nok van het dak gaan lopen.’ 


Hij schudde zijn hoofd.


’Ik heb dat maar één keer gedaan. Ik wilde weten hoe het voelde. Heel hoog zijn, zonder muren.’


We begonnen een gevleugelde tocht door de zolder.


We fladderden langs de kleine engel, we sprongen hoog op, kwamen in elkanders vleugellengten terecht, doken dan diep weg, walsten samen of begonnen aan een tango.

We probeerden allerlei vleugels uit, ontdekten een kast met lange gewaden, verkleedden ons snel en stonden lachend en zwetend bij elkaar, een bonte mengeling van kleuren en maten.


Hannah’s kleed tot net onder haar knieën, Bram met meterbrede mouwen, Elias met nog meters engelengewaad op de grond en ikzelf in een bebloemde jurk met pofmouwen.

‘Engelen tweede klas,’ zei ik.


’Laat ons zoeken tot we iets passend vinden,’ stelde Hannah voor.


Na een kwartiertje passen, kregen we iets meer hemelse kwaliteiten. Bram vond een liefelijke stralenkrans die je met een steeltje achter in je kraag moest steken.


’Alleen de lichtjes ontbreken nog.’


Hannah zwaaide met een herdersstaf.


Elias droeg een Grieks aandoend rokje tot net onder de knie, en ikzelf showde een gebarsten kroon bij een zilveren smal kleed tot op de grond.

‘Zie je mij hier voor de Rode zee staan als Mozes?’


We zagen inderdaad Hannah voor de woeste golven staan terwijl de Egyptische soldaten snel naderden.


‘Hou je staf hoog in de lucht!’ riep Elias. Dan wijkt het water en komt er een pad door de zee.’ Hannah – Mozes gehoorzaamde.


’Volg mij maar. Bram zal jullie pad verlichten.’


‘Volhouden hé papa. Je staf hoog in de lucht!’


Ik besloot de zilveren farao te spelen.


’Aha, daar hebben we ze te pakken.’


‘Dat denk je maar, farao. We zijn al bijna aan de andere kant!’ riep Elias.


Ik waagde mij op het pad, goed wetend wat mij te wachten stond.


’Je staf naar beneden, papa.’


We zagen het water de kruim van het Egyptische leger overspoelen.


Ik stierf duizend waterdoden en bleef languit op de zoldervloer liggen.


‘Dan neem ik nu een gondel en wrik ik me naar de overkant,’ zei Hannah-Mozes terwijl ze in haar Venetiaans vaartuig stapte en haar staf tot vaarstok omtoverde.


Ikzelf kwam weer tot leven en zwom terug naar de Egyptische kant.
’

We zullen jullie wel krijgen, hufters!’ riep ik hen nog na.


Mozes wuifde en gooide een kushandje naar de bijna verzopen farao.

light blasts above hairridge.jpg

(de kunstwerken zijn van Adam Hayes 2011. Hij stelt ten toon in de Rucker Gallery New York)

TRIANGEL (8)

57.jpg

De statische foto, het bevroren beeld van een onderdeel van een seconde, als fragment van de innerlijke legpuzzel.
Niets is zo mysterieus als een foto al wordt het tegendeel beweerd.  Een foto is de doorsnede in de diepte van de tijd. Hij is niet alleen de herinnering maar ook een spoor, niet naar het voorbije zoals je op het eerste ogenblik zou denken, maar een spoor naar je eigen manier van waarnemen, naar je interpretatie van het voorbije beeld naar het leven van de kijker nu.  Hij onthult niet alleen door zijn invalshoek naar de manier van kijken van de fotograaf maar hij probeert een plaats te vinden achter je eigen ogen.
De foto van Elias is geen spoor naar Hannah’ s dode broertje zoals ze eerst dacht, maar eerder een eerste spoor om de emoties omtrent het broertje te ordenen, te begrijpen, te verwerken.
Daarom legt ze dadelijk de foto van Bram naast deze foto en kust ze hem via het beeld dat ze van hem maakte. De liefde voor Bram en de verhalen van Elias beginnen een donker weggetje naar haar ziel duidelijk te maken.

Voor Michiel is de polaroid foto, genomen net voor de ‚verschijning’ van Elias een aanleiding om zijn goed gecamoufleerde jaloezie te verduidelijken. Bram houdt het bij de foto’s die hij in zijn geheugen heeft opgeslagen.  Hij versterkt hun aanwezigheid met de muziek van Queen. Nog een stapje verder maakt hij al enkele foto’ s uit de verre onbekende toekomst.
Het wondere laat zich niet vangen in beelden, waarschijnlijk zijn verhalen betere geleiders van de blikseminslagen uit de voorbije dag.

93.jpg

 

10. De nacht na de kermisdag

1. Historische gebouwen met kermisattracties op de voorgrond

Ik ontwikkelde diezelfde nacht de foto’s. Geen historische gebouwen, noch kermisattracties. Portretten: mensen op een terrasje, foto’s van Bram (lachend), Bram en Michiel, Ikzelf en Bram (vrij goed door Elias in beeld gebracht), Ikzelf en Michiel. (bewogen), Elias alleen. Wij met zijn drieën. (waarom kijkt Bram zo ernstig op deze foto?)

Elias dus. Net voor hij zich een dringende familiebijeenkomst herinnerde. Hij poseert duidelijk.


Drie poses.


1. Ik ben Elias en je zult mij gezien hebben: handen in de heupen, linkerbeen lichtjes vooruit, recht in de lens.


2. Borstshot: kijkt naar Bram denk ik. Een volwassen kind, tot in de puntjes in zijn lichaam aanwezig. Zijn kleine oortjes vond ik heel schattig.


3. Close-up, recht in de lens kijkend. Heel gewoon. Ik denk dat hij terwijl zijn voornaam zei. Traag. Elias. Vandaar dat zijn lippen lichtjes geopend zijn. Zijn ogen kijken door mij heen.

In de verstilling van deze foto’s lijkt hij nergens op Stefaan. Vreemd dus dat zijn ogen mijn goed opgeborgen verdriet naar boven haalden. De kromming van zijn rug was het, zijn beweging, en zijn blik. Deze combinatie.


Steffie was jonger, tengerder ook. 
Ik legde de derde foto, close-up van een verhalenverteller, voor mij. De ogen. Ook nog op de foto bleven ze naar mij kijken, zochten ze naar mijn kwetsbare plekken. 
Ik wist niet of ze mij geruststelden of eerder verontrustten. Zijn schoonheid kon net zo goed verwoestend als troostend werken. 


Daarom legde ik er een portretje van Bram naast. Hij lacht. Lacht met een grapje dat me nu ontging. Ook op deze foto kon ik hem horen praten, hoorde ik zijn typische aa -klank, iets te palataal, schooljongensachtig (ik doe mijn best, juffrouw!)
Ik kuste zijn foto.


’Zullen we elkaar morgen terugzien?’
(Een vraag nadat de engel verdwenen was.)


Morgen?


Gelukkig was het al vandaag. Alleen maar om de uren vooruit te duwen zou ik proberen te slapen, Elias’ foto op het nachtkastje en die van Bram naast mij.


2. Machteloze pianist met polaroid – foto

Op deze polaroidfoto zie je de verkeerde cupido. Bram heel manhaftig, zeker van de overwinning. Hannah en ik vullen de overwinnaar aan, de twee vazen die links en rechts het schitterend middenstuk nog meer glans verlenen. Ik durf zelfs niet naar Hannah kijken. Ik doe overdadig gewoon.


De foto prikte ik die nacht op mijn prikbord. De foto waarop we nog met zijn drieën zijn. Net na deze foto zal ik de jonge god aanwijzen. Hij wordt het centrum van de dag.

Jaloers op een jongen van dertien? Zeker weten. De naturel waarmee hij op het toneel verscheen liet mijn orgelprestatie meteen verbleken.


Vrouwen herkennen die naturel want hun ziel is ermee dooraderd, zoals de adertjes van de marmer deze steen zijn kostbaarheid verlenen. 
Ik lever met deze constructie onmiddellijk het bewijs van mijn streven. Imponeren. Net zoals wij allemaal. We zetten de haren recht, lopen op onze tenen, de schouders breed uit elkaar. Pas maar op, ik ben er, je kunt er niet naast kijken.


Zoals hij haar op zijn houten paard uitnodigde en zich zonder gêne tegen haar aanvleide. Zij de handen rond zijn middel, haar altijd vochtige lippen bijna in zijn nek.

En waarom? Beste Michiel, je kunt nog iets van hem leren. Lef. Lef in zijn meest verdraagbare vorm. Lef en vermeende onschuld. Tel daarbij zijn verhaaltjes, zijn citaten uit de bijbel en je hebt het voorbeeld van een schitterende verschijning.


Tegelijkertijd betrapte ik me op mijn tekort aan overgave. Kon ik me maar zachtjes tegen haar schouders laten glijden, had ik maar eens eventjes langs haar hoofd gestreeld, de moed gehad om ietsje van mijn extase te laten blijken voor ik in mijn muziek of in mijn woorden een veilige schuilplaats zocht.
En als zijn vleugeltjes net zo nep als zijn onschuld zouden zijn, is het dan niet mijn taak hem te ontmaskeren of gedraag ik mij als de gekwetste minnaar die nog voor hij zelf één woord heeft gezegd de mededinger de mond wil snoeren.
De piano kijkt me zwijgend aan. Haar toetsen zijn te zacht voor mijn kinderachtige wrevel.

 

3. Bram met kaarslicht omgeven

‘Music is playing in the darkness


And a lantern goes swinging by


Shadows flickering
Just you and I’

Telkens als ik helemaal van de kaart ben, schuif ik de hedendaagse brol weg en zoek ik naar mijn Queen cd’s. Freddie haalt mij uit deze verpletterende dag.


Keiluid dus, ook al is het nacht (ik ben alleen thuis, de geburen feesten in Benidorm of cruisen langs de Griekse eilanden!)
Ik steek vier, vijf, zes kaarsen aan.

‘Not tonight


Come tomorrow
When everything’s sunny and bright


No no no
Come tomorrow


Cos then we ‘ll be waiting for the moonlight.’


Twee keer, drie keer na elkaar, tot het zweet me langs mijn wangen loopt (gutst, zou Michiel zeggen!) T-shirt uit, leeg rolletje van net ter ziele gegane rol toiletpapier als microfoon.

‘You know I never could foresee the future years


You know I never could see where life was leading me


But will we be together for ever,


What will be my love, can ’t you see that I just don ’t know.’

Ok, er is liefde en liefde, en tot hiertoe heb ik geen klagen, broeders en zusters. Verbaasd? De juichende minderheid? We waren met zijn allen jongens en meisjes naargelang het moment en de ontdekkingen gaven je ruimschoots de kans om lijf en leden te laven. (Dat schreef ik werkelijk die nacht, Mercury in de rug, virtuele Michiel in mijn armen.)


Ik denk graag terug aan mijn vriendjes van één nacht, de vriendinnen van de maand. Schud niet met je hoofd, of ben je vergeten waarmee de verschrikkelijke pubers zich troosten?

‘No more questions now, let’s enjoy tonight’

Ik was toen meer dan ooit de hemel dankbaar dat ik David heb gekend, een leraar met dezelfde gevoelens maar met open handjes en bevrijdende zelfspot.
Want door hem besefte ik dat deze dag de poort naar Michiel zou zijn, mijn eerste werkelijke gezel.

Just you and I.’

Thuiskomen bij Michiel, dat was het eerste waar ik aan dacht na hem op het doksaal in mijn gedachten te hebben uitgekleed, en hem achter het orgel te hebben neergekust. 
Thuiskomen bij mijn tweelingsziel. 
’Heb je goed kunnen componeren?’ zou ik hem vragen terwijl ik mijn dokterstas op de vleugel zet en…’
Stop.

‘Wait and see
If tomorrow
We ‘ll be as happy as we ‘re feeling tonight.’

En in die zin hoor ik Elias’s vleugeltjes wapperen. Een kind voor wonderen. Wonderkind. Ik ga nog niet slapen uit schrik wakker te worden.

1115.jpg

(kunstwerken van André Feliciano USA 2011)

TRIANGEL (7)

Voor de eerste keer praten de vier hoofdpersonages met elkaar. Ze doen dat, al smoutebollen etend, met de mond vol, een activiteit die tegelijkertijd in schril contrast staat met de inhoud.  De combinatie ‚het einde der tijden’, ‚engelen’ met het verorberen van de warme smoutebollen relativeert de ernst van de inhoud en laat de raadselachtigheid alleen maar toenemen.
Omdat ik de verschillende scènes ook voortdurend voor mij zie, zoals je een film herinnert, probeerde ik de gebeurtenissen in hun omgeving te kaderen. 
Ik herinner mij met hen het verhaal.  Ik ben wel de aanzet, maar zij moeten zichtbaar worden terwijl de rol van de auteur zo onzichtbaar mogelijk moet blijven.

De foto’s van deze ontmoeting kunnen dan ook het voorwerp van het volgende stukje zijn. Ik moet ze alleen maar beschrijven.

engel burne_jones.jpg

 

9. De mond vol

Of dat dan een gewoonte was van hem, dat over kerkdaken lopen en of hij dacht dat die nepvleugels of die stoere salopette hem zouden redden?

Deze inhoud moet men horen via verschillende sprekers die druk bezig zijn veel te warme smoutebollen te verorberen. De zinnen worden dus door geblaas of stiltes onderbroken, commentaren over de nooit overtroffen Renders smoutebollenkunst zitten op dezelfde lijn als de opmerkingen hierboven. Een onoverzichtelijk nooit reconstrueerbare dialoog.

En hoe hij ons herkende, en wat hij met ons dacht te bereiken, of was gewoon zijn zakgeld op en haalde hij kunstjes uit om daarna de mensen wat centen af te troggelen.

‘Ik speel saxofoon,’ was zijn antwoord.

De drie kijken elkaar aan. Hannah heeft net een halve smoutebol tussen haar vingers, Bram probeert zijn oliebol te koelen met hevig blazen en ikzelf heb de mond vol.


Het beeld bevriest dus bij dit antwoord. Drie paar ogen kijken hem aan. Hij zoekt in de grote puntzak naar nieuwe voorraad en als het stil blijft, kijkt hij op.

‘Ik speel saxofoon. En jij?’


Hij kijkt daarbij (is dit toeval en zo ja bestaat toeval dan wel?) naar mij.

‘Piano en cello.

‘
’Cd’s,’ zegt Bram.


Blokfluit, maar dat is lang geleden.’ vult Hannah aan.


‘Ik dacht dat jullie trompet of bazuin zouden spelen.

‘
’Zien we eruit als je vriendjes uit de fanfare?’


’Fanfare? Ik speel helemaal alleen.’


’Waarom zouden wij dan trompet of bazuin moeten spelen?’


Het blijft stil tot hij zijn mond leeg heeft. Hij neemt alle tijd, likt zijn vingers af en bekijkt ons een voor een.


’Het einde der tijden. Dat gaat met trompetten en bazuinen heb ik gelezen.’


‘Het einde der tijden?’


Gulzig steekt hij de volgende oliebol in zijn mond. Hij wijst naar een man die tegen een cafémuur leunt. Dan, terwijl hij hoorbaar kauwt, naar twee mannen die op een terrasje een biertje drinken.


‘Dat zijn er ook. Ze oefenen voor het einde der tijden.’


Ik vraag hem wat ‘zij’ dan wel mogen zijn.


‘Engelen. Ik herken ze dadelijk.’


‘Ik dacht al dat die smoutebollen verdacht veel naar hasj smaakten, wat jullie?’


’Bram, jouw naam komt van de aartsvader Abraham.’


’Ja, en dat wil zeggen: de heer der volken. Dus…’


‘Wel toen Abraham heel oud was, kwam er een engel op bezoek.’

We lachen. Niet voluit, eerder zenuwachtig. De toon waarop hij spreekt, klinkt helemaal niet belerend of een beetje wazig. De woorden horen bij hem zoals andere kinderen over huisdieren spreken, of het nu over pokemon-prentjes hebben.

Als ik mijn tekst herlees ben ik mij bewust dat ik vaak in de onvoltooid tegenwoordige tijd schrijf alhoewel de gebeurtenissen toch al maanden achter ons liggen. Is het al moeilijk om een gewone situatie te reconstrueren, dan wordt het vrijwel onbegonnen werk om de natuurlijkheid van de toen gevoerde gesprekken en situaties op papier te zetten.

Of wij dan ook engelen zouden zijn?


Hij kijkt of er nog een oliebol in de puntzak zit en schudt dan het hoofd.. 


‘In mijn verhalen wel ja.’


Hij maakt een prop van de lege zak en mikt hem keurig in een vuilnisbak.


’Ik verzamel verhalen. De verhalen van de Grieken, sprookjes van ver en dichtbij. De verhalen uit de bijbel. Ik vertel ook graag verhalen. Ken je het verhaal van de engel die bij de oude Abraham komt?’


Dat verhaal kenden we niet.


’Abraham was al heel oud toen hij bezoek van een engel kreeg. En Abraham herkende hem en hij zei: Ben jij werkelijk diegene die de dood wordt genoemd? Als het waar is, toon ons dan uw wreedheid.
Zal ik een foto van jullie maken?’

Gabriel_byzantine.jpg

TRIANGEL (6)

Helemaal in tegenstelling met de traditionele verschrikkingen die in de literatuur aan ‚de ruiters van de Apocalyps’ worden toegeschreven, is deze rit op de kermismolen voor  de drie zeventienjarigen een eerste terugkeer naar de directheid van de kindertijd.  De associatie met de Titanic-film ligt in dezelfde lijn: de golven van de tijd zullen hen nooit verslinden.
Zelfs de houten paarden kunnen van hun molen loskomen, verbreken de eeuwige ronde waarin de ruiters zichzelf achterna zitten.
De engel met de nep-vleugels leert hen werkelijk vliegen. De verbindingen van de triangel kunnen zichtbaar worden gemaakt.

 

round_2328477b.jpg

8. De ruiters van de Apocalyps


1.

Toen hij zijn naam had gezegd en wij de onze, sprong hij weer op de paardjesmolen.


‘Kom!’


Met een breed gebaar wees hij ons de lege paarden naast het zijne aan. Hij zag Hannah aarzelen: er waren slechts twee paarden naast het zijne, maar vlug schoof hij naar voren zodat ze achter hem kwam zitten. De bel ging.


Bram naast het duo, en ik het verste paard. De ruiters van de Apocalyps. We wuifden naar elkaar, naar de omstanders. 
Er kwam niemand naar een kaartje of om geld vragen. Ik dacht dat hij het zoontje van de eigenaar was, maar dat bleek niet het geval.
Het leek of we in zijn gezelschap even onzichtbaar waren. En wie zou nu het kaartje van de ruiters van de Apocalyps vragen?


Soms keek hij om, wilde hij iets tegen Hannah zeggen, maar dan ging hij rechtop staan en schreeuwde hij het uit alsof hun beider paard net door de finish was gegaan.


Enkele uren geleden waren we nog onbekenden voor elkaar, nu reden we op onze houten paarden onszelf achterna, aangevuurd door een kind dat de sprekende naam Elias droeg.Hannah lachte, kon hem nog net vastgrijpen of hij was van het paard gedonderd. Bram hield zijn armen open en ging ook rechtop staan.


’Komaan, Michiel!’ nodigde hij me uit. ‘Komaan!’ 


Nu stonden we met zijn allen recht op de ijzeren opstapstangen. De armen ver open. Wij, Di Caprio’s met Hannah als Winslet op de voorsteven van de Titanic.


De kinderen die ons bezig zagen gingen ook rechtop staan, en terwijl de muziek over ons heen walste, cirkelden we rechtopstaand achter elkander aan. 
Gejuich steeg op toen de molen stopte en we door de rij wachtenden onze weg zochten naar de smoutebollenkraam.

2.

Zijn lenigheid, of zou ik onrust zeggen? Zijn bijna donkere huid alsof hij een lang strandverblijf of een hoogtekuur achter de rug heeft. Vooral zijn ogen. Ze kijken je werkelijk aan. Ze zoeken tot ze contact vinden. Koffiebruin zijn ze. Als hij tegen mij wil aanleunen, hangt mijn fototoestel in de weg. Ik draai het naar mijn rechterheup, en zonder schroom voel ik de ronding van zijn schoudertjes, zou ik bijna hem kriebelkusjes geven in zijn nek, gaat gelukkig de tijd te snel om de congruentie met Stefaan ten volle te beseffen. Overmoedig door deze veiligheid wil hij op het paard gaan staan en kan ik hem nog net vastgrijpen en iets roepen van ‘pas op, voorzichtig!’ Hij kijkt glimlachend achterom, knikt me geruststellend toe en gaat rechtop staan.

Wilde hij iets zeggen? Hij roept nu hij ons paard als eerste over de eindstreep heeft gebracht. 
Ik ga mee rechtop staan. Bram roept op Michiel. Iedereen op de molen staat nu recht, de armen breed open.
Nooit zullen de golven ons verslinden!

3.

Zonder enige moeite verbind ik de afstand tussen de zevenjarige en de zeventienjarige Bram. 


Onze paarden gaan op en neer. Als Michiel de hoogte ingaat, zinkt mijn paard en omgekeerd. Hannah en Elias volgen mijn ritme.


Ik zie de jongen zijn paard aanvuren en doe hetzelfde. Ik wil hen beiden achter mij laten. We zullen met zijn allen de paardjesmolen verlaten en langs de Herentalsstraat naar het stadspark rennen. Twee witbieren kunnen voor deze roes niet verantwoordelijk zijn. Dit is puur plezier. Dit overvalt mij zoals kinderen door het geluk overspoeld worden, onvoorbereid geluk. Niet afgebedeld noch georganiseerd. Dit is gedachteloos genieten.
Elias en Hannah, rechtop, de armen gespreid.

‘I’ m flying!’ hoor ik Rose roepen net voor ze haar minnaar zal kussen. Maar hier dachten we dat er geen ijsbergen zouden zijn, geen save our souls, geen tekort aan reddingssloepen.


’Komaan, Michiel!’ roep ik terwijl ik ook rechtveer. ‘Komaan!’


Hij volgt. Ook de andere kinderen op de molen gaan rechtop staan, de armen gespreid. Een kolonie vogels die boven de kermis zal opstijgen en nooit meer is teruggevonden. 
’I’ m flying!’

‘I’m flying!’
…Jack tips his face forward into her blowing hair, letting the scent of her wash over him, until his cheeck is against her ear.’
(Uit het scenario van James Cameron’s Titanic
)

755px-Unicornio_alado_(Le_Manége_d'Andrea)_Segovia.JPG