57.jpg

De statische foto, het bevroren beeld van een onderdeel van een seconde, als fragment van de innerlijke legpuzzel.
Niets is zo mysterieus als een foto al wordt het tegendeel beweerd.  Een foto is de doorsnede in de diepte van de tijd. Hij is niet alleen de herinnering maar ook een spoor, niet naar het voorbije zoals je op het eerste ogenblik zou denken, maar een spoor naar je eigen manier van waarnemen, naar je interpretatie van het voorbije beeld naar het leven van de kijker nu.  Hij onthult niet alleen door zijn invalshoek naar de manier van kijken van de fotograaf maar hij probeert een plaats te vinden achter je eigen ogen.
De foto van Elias is geen spoor naar Hannah’ s dode broertje zoals ze eerst dacht, maar eerder een eerste spoor om de emoties omtrent het broertje te ordenen, te begrijpen, te verwerken.
Daarom legt ze dadelijk de foto van Bram naast deze foto en kust ze hem via het beeld dat ze van hem maakte. De liefde voor Bram en de verhalen van Elias beginnen een donker weggetje naar haar ziel duidelijk te maken.

Voor Michiel is de polaroid foto, genomen net voor de ‚verschijning’ van Elias een aanleiding om zijn goed gecamoufleerde jaloezie te verduidelijken. Bram houdt het bij de foto’s die hij in zijn geheugen heeft opgeslagen.  Hij versterkt hun aanwezigheid met de muziek van Queen. Nog een stapje verder maakt hij al enkele foto’ s uit de verre onbekende toekomst.
Het wondere laat zich niet vangen in beelden, waarschijnlijk zijn verhalen betere geleiders van de blikseminslagen uit de voorbije dag.

93.jpg

 

10. De nacht na de kermisdag

1. Historische gebouwen met kermisattracties op de voorgrond

Ik ontwikkelde diezelfde nacht de foto’s. Geen historische gebouwen, noch kermisattracties. Portretten: mensen op een terrasje, foto’s van Bram (lachend), Bram en Michiel, Ikzelf en Bram (vrij goed door Elias in beeld gebracht), Ikzelf en Michiel. (bewogen), Elias alleen. Wij met zijn drieën. (waarom kijkt Bram zo ernstig op deze foto?)

Elias dus. Net voor hij zich een dringende familiebijeenkomst herinnerde. Hij poseert duidelijk.


Drie poses.


1. Ik ben Elias en je zult mij gezien hebben: handen in de heupen, linkerbeen lichtjes vooruit, recht in de lens.


2. Borstshot: kijkt naar Bram denk ik. Een volwassen kind, tot in de puntjes in zijn lichaam aanwezig. Zijn kleine oortjes vond ik heel schattig.


3. Close-up, recht in de lens kijkend. Heel gewoon. Ik denk dat hij terwijl zijn voornaam zei. Traag. Elias. Vandaar dat zijn lippen lichtjes geopend zijn. Zijn ogen kijken door mij heen.

In de verstilling van deze foto’s lijkt hij nergens op Stefaan. Vreemd dus dat zijn ogen mijn goed opgeborgen verdriet naar boven haalden. De kromming van zijn rug was het, zijn beweging, en zijn blik. Deze combinatie.


Steffie was jonger, tengerder ook. 
Ik legde de derde foto, close-up van een verhalenverteller, voor mij. De ogen. Ook nog op de foto bleven ze naar mij kijken, zochten ze naar mijn kwetsbare plekken. 
Ik wist niet of ze mij geruststelden of eerder verontrustten. Zijn schoonheid kon net zo goed verwoestend als troostend werken. 


Daarom legde ik er een portretje van Bram naast. Hij lacht. Lacht met een grapje dat me nu ontging. Ook op deze foto kon ik hem horen praten, hoorde ik zijn typische aa -klank, iets te palataal, schooljongensachtig (ik doe mijn best, juffrouw!)
Ik kuste zijn foto.


’Zullen we elkaar morgen terugzien?’
(Een vraag nadat de engel verdwenen was.)


Morgen?


Gelukkig was het al vandaag. Alleen maar om de uren vooruit te duwen zou ik proberen te slapen, Elias’ foto op het nachtkastje en die van Bram naast mij.


2. Machteloze pianist met polaroid – foto

Op deze polaroidfoto zie je de verkeerde cupido. Bram heel manhaftig, zeker van de overwinning. Hannah en ik vullen de overwinnaar aan, de twee vazen die links en rechts het schitterend middenstuk nog meer glans verlenen. Ik durf zelfs niet naar Hannah kijken. Ik doe overdadig gewoon.


De foto prikte ik die nacht op mijn prikbord. De foto waarop we nog met zijn drieën zijn. Net na deze foto zal ik de jonge god aanwijzen. Hij wordt het centrum van de dag.

Jaloers op een jongen van dertien? Zeker weten. De naturel waarmee hij op het toneel verscheen liet mijn orgelprestatie meteen verbleken.


Vrouwen herkennen die naturel want hun ziel is ermee dooraderd, zoals de adertjes van de marmer deze steen zijn kostbaarheid verlenen. 
Ik lever met deze constructie onmiddellijk het bewijs van mijn streven. Imponeren. Net zoals wij allemaal. We zetten de haren recht, lopen op onze tenen, de schouders breed uit elkaar. Pas maar op, ik ben er, je kunt er niet naast kijken.


Zoals hij haar op zijn houten paard uitnodigde en zich zonder gêne tegen haar aanvleide. Zij de handen rond zijn middel, haar altijd vochtige lippen bijna in zijn nek.

En waarom? Beste Michiel, je kunt nog iets van hem leren. Lef. Lef in zijn meest verdraagbare vorm. Lef en vermeende onschuld. Tel daarbij zijn verhaaltjes, zijn citaten uit de bijbel en je hebt het voorbeeld van een schitterende verschijning.


Tegelijkertijd betrapte ik me op mijn tekort aan overgave. Kon ik me maar zachtjes tegen haar schouders laten glijden, had ik maar eens eventjes langs haar hoofd gestreeld, de moed gehad om ietsje van mijn extase te laten blijken voor ik in mijn muziek of in mijn woorden een veilige schuilplaats zocht.
En als zijn vleugeltjes net zo nep als zijn onschuld zouden zijn, is het dan niet mijn taak hem te ontmaskeren of gedraag ik mij als de gekwetste minnaar die nog voor hij zelf één woord heeft gezegd de mededinger de mond wil snoeren.
De piano kijkt me zwijgend aan. Haar toetsen zijn te zacht voor mijn kinderachtige wrevel.

 

3. Bram met kaarslicht omgeven

‘Music is playing in the darkness


And a lantern goes swinging by


Shadows flickering
Just you and I’

Telkens als ik helemaal van de kaart ben, schuif ik de hedendaagse brol weg en zoek ik naar mijn Queen cd’s. Freddie haalt mij uit deze verpletterende dag.


Keiluid dus, ook al is het nacht (ik ben alleen thuis, de geburen feesten in Benidorm of cruisen langs de Griekse eilanden!)
Ik steek vier, vijf, zes kaarsen aan.

‘Not tonight


Come tomorrow
When everything’s sunny and bright


No no no
Come tomorrow


Cos then we ‘ll be waiting for the moonlight.’


Twee keer, drie keer na elkaar, tot het zweet me langs mijn wangen loopt (gutst, zou Michiel zeggen!) T-shirt uit, leeg rolletje van net ter ziele gegane rol toiletpapier als microfoon.

‘You know I never could foresee the future years


You know I never could see where life was leading me


But will we be together for ever,


What will be my love, can ’t you see that I just don ’t know.’

Ok, er is liefde en liefde, en tot hiertoe heb ik geen klagen, broeders en zusters. Verbaasd? De juichende minderheid? We waren met zijn allen jongens en meisjes naargelang het moment en de ontdekkingen gaven je ruimschoots de kans om lijf en leden te laven. (Dat schreef ik werkelijk die nacht, Mercury in de rug, virtuele Michiel in mijn armen.)


Ik denk graag terug aan mijn vriendjes van één nacht, de vriendinnen van de maand. Schud niet met je hoofd, of ben je vergeten waarmee de verschrikkelijke pubers zich troosten?

‘No more questions now, let’s enjoy tonight’

Ik was toen meer dan ooit de hemel dankbaar dat ik David heb gekend, een leraar met dezelfde gevoelens maar met open handjes en bevrijdende zelfspot.
Want door hem besefte ik dat deze dag de poort naar Michiel zou zijn, mijn eerste werkelijke gezel.

Just you and I.’

Thuiskomen bij Michiel, dat was het eerste waar ik aan dacht na hem op het doksaal in mijn gedachten te hebben uitgekleed, en hem achter het orgel te hebben neergekust. 
Thuiskomen bij mijn tweelingsziel. 
’Heb je goed kunnen componeren?’ zou ik hem vragen terwijl ik mijn dokterstas op de vleugel zet en…’
Stop.

‘Wait and see
If tomorrow
We ‘ll be as happy as we ‘re feeling tonight.’

En in die zin hoor ik Elias’s vleugeltjes wapperen. Een kind voor wonderen. Wonderkind. Ik ga nog niet slapen uit schrik wakker te worden.

1115.jpg

(kunstwerken van André Feliciano USA 2011)