TRIANGEL (28)

rbkcalvo felicidad_3_24x18.jpg

 

33. Entr’acte

(pauze tussen twee bedrijven, in de pauze gespeeld tussenstukje, -ballet of muziekstuk)

Waarschijnlijk zal onze speelzolder er heel wat banaler hebben uitgezien dan de ruimte die ik in mijn herinneringen bezoek. De fysische ruimte boven de gewelven van een kerk is een mooi décor voor de bultenaar van de Nôtre Dame, een eiland tussen hemel en aarde. Voor het viertal echter dat wij toen waren, bleek het een uitstekende plaats om er een nest, een schuilplaats uit te bouwen, waar we onze reisplannen uittestten en van waaruit we pogingen tot uitvliegen ondernamen.


Natuurlijk beïnvloedde de ruimte ons zoals wij haar op onze beurt gestalte gaven. 
Het was verboden terrein wat de aantrekkelijkheid al in hoge mate bevorderde. De weg ernaar kostte de nodige inspanning. Het weinige licht , zelfs bij volle dag, verleende ze haar geheimzinnigheid.


Ze werd echter onze speelruimte omdat we door een gelukkig toeval vanaf het eerste moment, bij ons letterlijk en figuurlijk ‘treffen’, bij elkaar hoorden. Fraaie verhalen over vorige levens zouden hierin een aanleiding vinden om ons als geliefden in Verona te herkennen, om de profeet uit het Oude Testament in de huid van een hoogbegaafde jongen van dertien te reïncarneren, terwijl wat wij voorzienigheid noemen deze combinatie van gelijkgestemde zielen toevallig creëerde. Als toeval tenminste bestaat.

De nacht na ons scheppingsverhaal lag ik nog lang wakker. Hannah, de analytische probeerde de roes te rationaliseren. Uit zelfbehoud.


Begreep ik nog mijn drang naar Bram, (’t is de leeftijd, mevrouw) de doublure van Steffie met Elias, de creatie van het scheppingsverhaal bleef mij een compleet raadsel. 
De uitbarsting van zoveel vruchtbare energie zal zeker in onze wederzijdse verliefdheden te zoeken zijn.


Ik denk dat wij deze liefdes te vlug als puberaal of in congruentie met de stand van de sterren en werking der hormonen verklaren. Wellicht is het gewoon jaloezie van de volwassenen, jaloezie die ze in misprijzen en gegrinnik uiten als ze het over hun of onze jonge liefdesjaren hebben. Zonder deze eerste verliefdheid zou je nooit boven je eigen kleine ik uitstijgen.

Hierin ontdekte ik ook de kracht en tegelijkertijd het gevaar van deze triangel. Kracht, omdat de drie zijden pas klank kunnen voortbrengen als ze uit één stuk (in een driehoek gebogen) metaal bestaan. Maar de driehoek is niet dicht. Er is een opening. Of: zou de extase van de zo juist ervaren eenheid het fervente egoïsme van de drie afzonderlijke verliefden kunnen overleven?


Op het moment dat ik Bram zou opeisen, verliest de triangel zijn helderheid.

audrey anastasi woodland-gesture-60-x-4804.jpg

34. De tuin van Eden

Of ik met hem de tuin van Eden wou scheppen op de kerkzolder?


Daar kwam ongeveer de vraag op neer toen Elias mij die dinsdagavond opbelde.


’Bram, ik zou voor ons vervolg het aards paradijs willen maken. Kun je me helpen?’


‘Het aards paradijs? Euh…’


‘Ik heb vijftien grote kartonnen dozen, stiften, spuitbussen, cuttermessen, kortom, ik heb alles behalve hulp.’


‘Zou je niet beter met Hannah afspreken?’


‘Ik heb alles al ontworpen op plan. Maar om die kartonnen dozen naar boven te krijgen heb ik hulp nodig.’


‘Ik zal er zijn.’

Vijftien platgedrukte maar niettemin bijna manshoge kartonnen dozen (diepvriezers en koelkasten) ongezien naar boven dragen, vraagt niet alleen behendigheid maar vooral uithoudingsvermogen.


Na de derde beklimming hoorde ik hem hijgen, maar rusten kwam niet ter sprake.
’

Je bent net ziek geweest. Even uitblazen is geen schande.’


‘We hebben nog veel werk, Bram. Tekenen, uitsnijden en schilderen.’


‘Laat je ontwerp maar eens zien, dan kunnen we op adem komen.’


Halfweg, in het vage licht van een hoog raampje, schoof hij zijn plan door.


‘Ontwerp voor een aards paradijs,’ las ik.


‘Goud, zilver en blauw, dat zijn de kleuren voor de bomen.’


Bomen met ronde en lange kruinen had hij in groepjes over de ruimte verdeeld. Ze waren in hevige en directe stiftlijnen op papier gezet. Bijna bewegende bomen. Op elke boom stond er een letter (G, Z, B) die zijn kleur aanduidde.


’Ze staan in groepjes van drie zodat er nog heel wat speelplaats overblijft. Kom, ik ben helemaal uitgerust. Jij ook?’


We zeulden verder met het scheppingsmateriaal.


’Begin jij maar te tekenen, ik ga de verf wel halen.’


‘Ze staat in een doos achter die grote struik, links van de zij-ingang. Let op, ik heb er camouflagepapier op gelegd. Zeker is zeker.’


Achter de rododendron – struiken zag ik dadelijk de doos bedekt met zijn zelf ontworpen camouflagepapier. Groene bollen op een grijze achtergrond. Voor alle duidelijkheid had hij er een sticker met ‘Dangerous. Keep out.’ aan de zijkant op gekleefd.

‘Gouden en zilveren bomen dat ligt nog voor de hand, maar waarom ook blauwe?’ wilde ik weten terwijl we aan het spuitwerk begonnen.


’In de eerste tijden was er nog weinig groen. Groen werd nodig toen de planten zelf voor hun voortbestaan moesten zorgen. Maar in het begin was alles goud, zilver en blauw. Goud van de zon, zilver van de sterren en blauw van het water. Helemaal in het begin was er alleen maar water. Toen God het land van het water scheidde, kregen sommige bomen een blauwe kleur uit heimwee naar de grote zee. Anderen werden goud overdag en ’s nachts zilver.’


‘Hoe weet je dat allemaal?’


’Jij weet dat net zo goed, maar je hebt nog geen moeite gedaan om het je te herinneren.’


’Ik dacht eerder aan rood.’


‘Slechts één boom is er rood. Hij staat nog niet op het plan. Dat is de boom der kennis van goed en kwaad. Kijk, dat wordt deze lange hier.’


‘Maar hoe moeten die bomen rechtop blijven staan?’


Hij rommelde in de doos met de ‘keep out-dangerous’ sticker en toonde mij heel fier een bol touw en een schaar.


’We hangen ze op aan de zoldering. Op de lange kasten ginder ligt er een ladder voor dakwerken.’


Na enkele uren zwoegen stonden (hingen) de bomen er. Gouden, zilveren en blauwe vlekken in het schemerlicht. De touwen als luchtwortels.
We bekeken ons werk op afstand.


’Ik heb nog twee schaapjes uit de kerststal, en ook de os en de ezel kunnen we gebruiken.’


Het grote picknick – laken werd een meer waarop hij enkele bad-eendjes liet zwemmen.


’We zullen de tuin met kaarsen verlichten. Door de schaduwen lijkt hij dan een diep woud.’

Toen de kerststaldieren op hun plaatsen stonden was het buiten bijna donker.


’Moet je niet thuis zijn voor het avondeten?’


’Ik denk dat ik nog even hier blijf. Ik heb mijn boterhammen bij.’


‘Is het niet te koud om hier te blijven slapen?’


Hij schrok. We hadden hem nog niets over de ontdekking van zijn slaapkast verteld.


’Je hoort soms wel de balken kraken of de wind langs de gevel huilen.’


’Ben je dan bang?
’

Dan zet ik de heilige Antonius met zijn varkentje voor mijn deur. Met zijn gezicht naar mij gekeerd. Om niet alleen te zijn. ‘


’Weet je tante dat je hier slaapt?’


‘Ik heb wel drie logeervriendjes. Alain, Bruno en Chris. In feite gewoon A, B, C. Vannacht slaap ik bij Bruno. ‘


‘Zou Bram je ook aanstaan?’


‘Kun je griezelverhalen vertellen?’


‘Ik ben een griezelverhaal! Kom, opruimen en wegwezen. Of ik begin je hier al te verslinden.’

 

audrey anastasi Radiant-Forest-cropped-_-co.jpg

 

TRIANGEL (27)

renate1.jpg

 

32. De glazen mensen, een scheppingsverhaal over al-tijd

 

Elias zou beginnen. Als hij ophield, moest een van ons het verhaal verder vertellen.

Hij hield het voorste stuk van de rivier boven zijn hoofd. Met hem keerden we terug naar het begin van alles.

Elias:


In het begin der tijden was er…alles. Ja, alles.


Alles wat ooit zou geschapen worden, was al aanwezig in Gods gedachten.
Neem nu het woord heelal.


Hij moest er maar aan denken of het was er al. Heel en al. Alles nog helemaal in orde, wil dat woord zeggen. Of het woord altijd. Alle tijd, de verleden, de tegenwoordige en de toekomstige tijd, samengeperst in een erwt.


In een flits van één triljoenste seconde heeft God alles geschapen wat er ooit zou bestaan.

Ook de aarde was erbij.

Hij kijkt ons vragend aan. Hannah komt bij hem onder de rivier staan. Ze neemt het laken van hem over. Terwijl ze verder vertelt, rolt ze het op.

Hannah:


Vanaf het einde der tijden heeft hij toen alles opgerold -in omgekeerde volgorde dus- tot hij bij het eerste pluizige draadje was: het spinsel uit het niets.


Ook dit verhaal was erbij.


(en de negen levens van alle katten.)


De doden holden naar de buiken van hun moeders,
 tot alle voorvaderen en moederen in Eva’s buik konden schuilen


En Eva weer een ribstuk werd, en Adam slib in de oerzee waarboven Gods geest zou zweven.


Dat alles lag in de leegte op de schepping te wachten.


Zo is het gegaan.


In het begin was er alles.

Hannah heft het opgerolde ‘alles’ op en biedt het mij aan. Ik leg de loper op de grond, neem de uiteinden en rol hem naar de anderen weer open.

Michiel:


God dacht eraan de schepping open te rollen als een feestloper waarop de mensen arm in arm de tijd konden ingaan.


Maar Gods dubbel, zijn alter ego, Lucifer, hield ook van spektakel. Hij wilde God voor zijn.

Van dat eerste pluizige draadje maakte hij een lont.


Met een vonk van zijn naam zorgde hi j voor de big bang.


BANGGGGGGGGGGGGGGGGGGG!

Bij de gruwelijke ontploffing heb ik het laken tot een gekreukelde berg verfrommeld. Ik draag hem naar Bram. Hij wikkelt zich in het laken. Hij begint bij zijn voeten en pakt zichzelf tot aan zijn oren in.

Bram:


In feite was de aarde Gods oor. God naaide de schepping zijn oor aan.


Dat oor was de aarde.


Volgens brave nonnen waren de sterren Gods ogen, maar niets is minder waar. 
De sterren zijn Gods acne. Gods puisten.
De sterren stammen nog uit een tijd dat God een puber was. Het ritme van de sterren is duidelijk herkenbaar.
 Wie de pulsars beluistert, hoort Gods apenjaren.

Elias neemt het afhangende stuk laken en hangt het over zijn gezicht. Daarna wikkelt hij er zich zo ver mogelijk in tot ze beiden geen beweging meer kunnen maken.

Elias:


God kan zijn oren sluiten.


Zoals ik mijn ogen dicht kan doen, zo kan God zijn oren sluiten.


Duizend deuren slaat hij dicht tot hij niets meer hoort.


Bwang, bwang, bwang, bwang, bwang!


Hij is te oud geworden, hé. Hij kan het niet meer hebben.


Eerst die gruwelijke big bang en toen dat geroep op Hem: ‘Aanhoor mij Heer! Genees mij, God! Geef ons de overwinning, Heer. Gott sei mit uns.


Shut up, zegt God. Houd uw bakkes dicht.


Genoeg gezeverd, trek uw plan.


Ja, ik heb jullie geschapen naar mijn beeld en gelijkenis. Jullie zouden dus moeten weten dat jullie een en al oor zijn.

Als een grote mummie wachten zij op hulp. Hannah maakt Brams hoofd vrij en kust hem. Beetje bij beetje ontwikkelt zij Bram, daarna Elias. Eerst zacht, dan brutaal.

Hannah:


Ik heb jullie een mond gegeven om te ademen en te kussen, niet om te jammeren. Of horen jullie niet goed?


Hou op met jezelf pijn te doen. Wees vruchtbaar.


Leg je oor op het lijf van je geliefde.


Zo kon God nog uren doorgaan. Hij was werkelijk boos.


Die gebeden en gezangen, ok. dat was goed bedoeld. Maar dat gekerm, dat gereutel! Dat onophoudelijk imiteren van de big bang.


Dat kinderlijke pang – pang – pang en boem – boem – boem tot in de ontploffingsmotoren van de miljoenen auto’s.


Tot in de harde woorden van wacht ik zal u wel eens hebben en wie denkt ge wel dat ge zijt, gij smeerlap, homo, hoer en vuile jood!


Jullie hebben van mijn oor een riool gemaakt.


Ik heb u mijn oor geleend, wel geef het nu maar terug.


Het oor van God is gesloten.

Ze houdt het laken met open gespreide armen als een scherm voor zich uit. Bram komt er voor staan. Hij is een diskjockey.

Bram:


Voor de big bang, toen God nog een jongen was, dreunde het ongeschapene in zijn oren. 
Pure rock of house van de ergste soort.


Dit wordt wat, dacht God. Dit wordt wat!


Hij kon nauwelijks wachten. Hij begon te scheppen en te scheppen en te scheppen…
Neen, niet zo’n donker en duister heelal zoals nu, maar een berg van licht, wat zeg ik, een fontein, een orgasme van kleuren en smaken.


Puur ritme en klank. 
De muziek der sferen, dames en heren.

Hannah en ik, ieder aan één kant van het laken, dansen een hevig heen en weer getrokken cha cha cha. Tot ik plotseling loslaat en mijn partner door Elias en Bram wordt opgevangen. Ik spreid het laken uit en ga erop zitten. Mijn zandvlakte.

Michiel:


Tenslotte is de mens uit zand gemaakt en niet uit klei -dat is een latere versie die we zelf verzonnen hebben- uit zand dus, wit zand, en wat wordt er uit wit zand gemaakt na hevige verhitting?


Inderdaad. Glas. Glas. Glassssss.


Adam was een glazen mens.


Zo doorzichtig kon zand zijn.


Ik geef toe, het was een jongensdroom.


God schudde zijn tijdloze kop. Hij schreef in het zand: mannekens, schreef hij, jullie zijn van glas. Althans dat was de bedoeling. Ik maak mijn goddelijke vingers nat en probeer mijn melodietje uit jullie hoorbaar te maken.


Ik ben nog maar aan de eerste noot, de kindertijd dus, en daar gaan we weer.

Ik ben in het laken gaan liggen. Het is mijn grote luier geworden. Mijn kleine kindertijd. Ik spartel met armen en benen. Ik voel mij verlaten. Hannah buigt zich over mij.

Hannah:


En wat zeggen jullie dan?


Hoe is’ t in godsnaam mogelijk, dat zeggen jullie dan.


Hoe is’ t in godsnaam m
ogelijk dat God zoiets kan toelaten?


Maar wat willen jullie?


Dat ik jullie handjes blijf vasthouden?


Dat ik mijn bliksems door jullie schietgrage lijven jaag?


Dat ik na elke oorlog de tijd weer terugdraai, het zand met al dat jongensvlees weer tot glaspasta smelt, en voor de honderd miljoenste keer opnieuw een glazen mens begin te blazen?


Niks van.


Ik ben aan mijn zevende dag?


En wat deed God de zevende dag? Inderdaad, de zevende dag rustte God. Meer nog. Hij staakte. . Salu!

Hannah heeft bij het glasblazen voorzichtig het laken van me weggenomen. Ik lig in foetushouding. Daarna komt ze bij mij liggen. We slaan het laken om ons heen. We slapen in elkanders armen.


Elias buigt zich hoofdschuddend over ons. Hij gaat op ons zitten.
 
Elias:


Is het jullie nog niet opgevallen dat God een bedrieger is? Een tricheur.


’t Zal eens niet zijn zeker.


Wat gebeurde er bij de big bang met al die toekomstige glazen mensen?


Nogal wiedes. Allemaal versplinterd, gebarsten. Alleen hun ogen waren gespaard. En sommige keikoppen ook.

Hij staat op, en als hij ons vrijmaakt, zijn we de eerste mensen.
 
Ook Adam en Eva waren gespaard. Ja, anders was ’t de tuin van Eden niet. Geen barstje. Alsof er niets was gebeurd.


Begrijpen jullie zijn probleem?


Zo doorzichtig als zij waren, zo versplinterd en gebarsten zouden hun nakomelingen zijn.
En hoe hij dat ging oplossen? Daar moest hij eens straf over nadenken. En wij ook.

Het werd stil.


We keken elkaar verbaasd aan.


Beetje bij beetje keerden we terug uit de droomtijd. 


We probeerden dadelijk het verhaal te reconstrueren.


We herspeelden het, we vulden het aan.


We riepen elkaar nieuwe wendingen toe.


Sjamanen waren we.
De woorden verlieten hun verhaal, namen bezit van ons.


We hielden ze niet bij maar gaven ze door. Sommige woorden pelden we af en als er alleen nog een knikker was overgebleven rolden we die van de helling. De helling waarvoor we bang zijn. We houden liever onze ideeën vast. We durven ze niet weg gooien.

Nu echter gooiden we ze als sneeuwballen op de helling, waar ze tot reusachtige lawines uitgroeiden die de veilige huizen waarin we ons verborgen, platwalsten.


Woorden werden lijf en leden, openden geheime deuren, brachten ons thuis.

Wij speelden.

renate3.jpg

de kunstwerken zijn van de in Kroatie geboren Renate Cebular, verbonden aan de Jain Gallery New York

TRIANGEL (26)

audrey anastasi birch-path-36x48-bourne02.jpg

 

31. Onder water


Het laken dat ons toedekte, het picknicklaken is nu de rivier geworden.


Wij zitten aan de oever.


Toen we binnenkwamen, was hij er al. Ook de rivier had hij klaar gelegd.


We vertellen hem dat we vorige week een nacht lang hebben gewacht. Hij mompelde iets van griep, koorts en een week in bed.

‘Ik ken een mooi verhaal om deze avond samen te spelen. Dit is de rivier.’
’

Zullen we naar jou zwemmen?’ stelt Hannah voor.


‘Pas maar op, ik ben de Diëdoeska Vodianoi. De watergrootvader. ‘


Hij kruipt onder de rivier, draait enkele keren rond en komt dan met zijn hoofd boven water.


’Zoals jullie dus zien leef ik onder water.

‘
’Zullen wij je kleinkinderen zijn?’ vraagt Michiel.


‘Het is nu middernacht. Een mooi meisje uit het dorp gaat zwemmen.’


‘Duidelijk een rol voor mij.’ 


Hannah laat zich zachtjes over het water glijden.


‘Mooie meisjes zwemmen het liefst in de maneschijn,’ zegt ze terwijl ze in ruglig de hemel afzoekt.


‘Ik trek je onder water, mooi kind.’


Hij rolt haar in de rivier. Ze gaat hevig te keer, maar hij houdt haar stevig vast tot ze geen kik meer geeft.


’Met die verdronken meisjes trouwt de watergrootvader.’


Hij helpt Hannah recht. De rivier is nu hun beider trouwkleed.


Wij applaudisseren.


Bruid en bruidegom ontdoen zich van hun gewaad en gaan op de rivier liggen. Hij legt zich op haar. Overdadig kussen ze elkaar. Ze rollen in en onder water.


Hij propt een stuk van de rivier onder haar pull. Een snelle zwangerschap. Hijzelf begint boven haar een wilde dans.


‘Bij volle maan zie je de watergrootvader dansen. Als een vrouw op het punt staat een kind van hem te baren, zoekt hij in het dorp een vroedvrouw.

‘
’Nu ben ik aan de beurt,’ zeg ik.

‘Maar hoe kan ik nu weten dat jij daar werkelijk de watergrootvader bent?’


’Zie je het water uit de zomen van mijn kleed druppelen?’


’Inderdaad. ’t Is dus weer zo ver.’


Ik verlos Hannah van haar waterbaby. 


‘Pas op, ik kan allerlei gedaantes aannemen: een dikke vent, kaal, tonrond, met groene kleren en muts van rietstengels.’


Hij blaast zijn kaken vol lucht, duidt met zijn armen zijn tonronde buik aan en waggelt naar de oever.


’Maar ik kan er ook uitzien als een knappe jongen.’


’Ben je gevaarlijk?’ vraagt Michiel.


Ik wil de knappe jongen nafluiten maar hou me in.


’Ik hou me overdag verborgen als een oude forel of een zalm. Maar ’s nachts kom ik spattend en spartelend naar boven om mijn onderwater -koeien het land op te drijven.’


’Maar ben je nu gevaarlijk of niet?’

‘
Soms ben ik heel gevaarlijk. Maar als ik goed gemutst ben, drijf ik de vissen in de netten van de visser en ik vertel de mensen wanneer er overstromingen gaan komen.’


Michiel en ik worden twee zeebonken. We scheppen netten vol uit de rivier en we horen hem fluisteren wanneer het water het land zal verwoesten. 


‘Ik heb ook twee dochters.


De vissers veranderen ogenblikkelijk in twee schitterende meiden.


’Hallo, pa,’ zeg ik.


‘Die dochters hebben doorschijnende groene kleren aan, en ze plagen en martelen degenen die verdronken zijn.’


We storten ons kirrend op de jonge moeder Hannah.


‘Zo jij dacht dus onze schoonmama te kunnen worden!’ roep ik met mijn hoogste stemmetje.


’Genade mooie vrouwen, genade.’


We blijven haar martelen. We rollen met zijn drieën lachend op de oever.


’Stop, stop, niet doen!’


We blijven haar kriebelen tot onze water-opa komt meespelen en wij hem met zijn drieën onder handen nemen. 
Daarna leggen we de gehavende rivier weer languit en drijven er ruggelings op onder de denkbeeldige volle maan.


‘Dat was mijn lievelingsverhaal. Mijn opa heeft het me honderd maal verteld.’


‘Het is een heel mooi verhaal. Wel een beetje wreed,’ zegt Michiel.


‘Mooie verhalen zijn altijd een beetje wreed. Gewoon al omdat ze eindigen. Ik kan echt boos zijn als een prachtig boek ophoudt.’


’Als ze bleven duren zouden ze niet meer mooi zijn, denk ik.’


Hannah’s woorden blijven in de stilte hangen.


‘Zullen we nu zelf een verhaal maken? Een verhaal over altijd? Ik heb jullie zo gemist.’

Anton-van-Dalenpic1.jpg

TRIANGEL (25)

TR

andrew abott corpulence.jpg

 

30. De droom

Hij bleef de hele week onvindbaar.


De straten rond de kerk observeerden we op alle mogelijke tijdstippen van de dag. We stelden een beurtrol op, patrouilleerden langs alle mogelijke scholen, herkenden hem in een aantal passanten tot ze zich omdraaiden of we hen inhaalden. 
Ik droomde dat ik hem op een winderig pleintje in Venetië zag, tussen de opvliegende duiven helemaal in het zwart gekleed.

Ik wist dat hij het was. Ik herkende de twee kleuren in zijn ogen. Ik wilde naar hem lopen maar ik kwam geen stap vooruit.


’Elias!’ riep ik. ‘Elias! Ik ben het, Hannah.’ 


Hij maakte een sprongetje in de lucht, bleef tussen hemel en aarde hangen en kantelde tot hij als een zwemmer in de lucht hing en met trage gebaren van mij wegzwom.


Ik schrok wakker, tranen liepen over mijn wangen.


Het was een zonnige vrijdag. 
We zouden die avond op de kerkzolder samenkomen in de hoop dat hij ons daar zou treffen.

Ik haastte me naar school. In de stad was er een omleiding zodat ik in een voor mij onbekend stadsgedeelte mijn weg moest zoeken.


Of nu de droom eerst was of ik later de droom met dit pleintje heb ingevuld weet ik niet. Na een korte draai kwam ik langs een zijstraat die op een pleintje, dichtbij het Begijnhof, uitgaf. Het was niet meer dan een voorbijflitsend beeld. Ik remde. Ik vloog bijna over mijn stuur. Ik keerde terug, reed de zijstraat in en kwam op het pleintje uit. Duiven fladderden voor me op.Van op het pleintje liep er een steegje naar de zij-ingang van het Begijnhof. Ik had er al wel eens foto’s gemaakt. Beelden van de zeventiende eeuwse huisjes onder de hoge bomen die het binnenplein omringden.


Ik reed langs een grot. De grot van de boetende Magdalena. Tot ik een medaillon tegen de rotsmuur zag waarop de goede herder het verloren schaapje op zijn schouder draagt. Ik stopte. Ik zette mijn fiets weg en ging op een van de bankjes voor de grot zitten.


Je hoorde hier nauwelijks auto’s.


Ik bekeek het beeld van de liggende Magdalena, de vrouw die Jezus had liefgehad. Daarboven het medaillon.


Of je voor liefhebben altijd moest boeten, vroeg ik me af.
‘Je hebt me dus toch gevonden,’ hoor ik zijn stem achter mij. Elias. Donkerbruine jas en pull. Zijn gezicht bleker dan vroeger. Fiets aan de hand klaar om naar school te rijden.

Ik kan geen woord uitbrengen.


’Ik woon daar bij mijn tante als mijn ouders op reis zijn.’ Met zijn kin wijst hij het huis links van mij aan.


’We hebben je overal gezocht. Wat is er gebeurd?’


‘Komen jullie deze avond? Ik ben al te laat. Tot straks!’


Ik zie hem door de poort verdwijnen.


Ik bekijk zijn huis. Het is een mooi gerestaureerd pand. 
De les latijn zal ik missen. Lekke band.


Het wonderlijke verstomt je, daarna werkt het op mijn lachspieren. Ik ben niet voor wonderen gemaakt. Ik moet erom giechelen zoals pubermeisjes als ze het over de jongens hebben.

Magdalena ligt roerloos achter glas, met dodelijke bleekheid gestraft. Ze zal vast ook wel gegiecheld hebben als ze voeten van Jezus waste. Zij, de hoer, uitgerekend zij.


Wat verder ligt de kruisberg. Daar staat ze ook. Met zijn moeder. Onder het kruis. De afstand tussen het wonderlijke en de pijn.


Ik blijf lachen.


Ik herhaal het verhaal terwijl ik naar school wandel, fiets met ‘lekke’ band aan de hand. Ik zie de beelden telkens weer opnieuw. Ik moet mezelf immers overtuigen dat dit echt is gebeurd.

De directeur schrijft een briefje voor de klas.


’Heel erg schijn je er niet onder te lijden,’ zegt hij als hij mij het briefje geeft.


Stel je voor dat ik zou zeggen:

‘Directeur, ik had een droom. Een droom waarin ik mijn verloren schaapje terugvond. Wel, op weg naar school, vond ik inderdaad mijn schaapje terug, is dat niet wonderlijk?’


Ik zie hem met open mond naar mij kijken. Maar dat is dan de reactie op mijn werkelijk antwoord:


‘Als ik u met een beetje lijden kan dienen zal ik volgende keer een smartelijk gezicht opzetten. Dag directeur.’


Op de lege speelplaats zit een witte duif op een lege bank.


’U mag nu weer terugschakelen naar het ordinaire bestaan,’ zeg ik tegen de denkbeeldige regisseur in de blauwe lucht.

marcio dekker 41.jpg

TRIANGEL (24)

jenny Morgan_HIATUS0.jpg

 

2. Twee jongens en één meisje

Overloop ik de voorbije gebeurtenissen dan zeg ik zonder schaamte: Hannah, de hongerige.

Hannah bepaalde dat er op Elias werd gewacht. Hannah sleept de matrasjes aan. Hannah zegt: kom dichterbij, ik heb het een beetje kou. Hannah neemt Brams handen en wrijft ze warm. Hannah neemt het initiatief voor het wie-is-wie-spelletje. Hannah verspreekt zich als ze denkt Brams lippen te voelen. (de wens als vader van de gedachte!)


Hannah geeft teken tot gezamenlijk kussen, kust Bram, wijst Bram naar Michiels mond en loopt met haar handen over Brams zachte borst en buik.
 Hannah is blijkbaar een ondernemend meisje.

Ik spreek wel vaker in de derde persoon over mezelf. Die zelf – analyse leerde ik van mijn moeder. Jezelf onder ogen durven zien.


In de verzameling beelden die ik bij het samenstellen van deze geschriften probeer te ordenen is die avond me heel lief gebleven.


Al vertrouw ik erg op mijn intuïtie, ik heb nood aan rangschikkingen. 
Als ik mezelf tussen hen beiden zie zitten, de knieën hoog opgetrokken onder het te korte slaapzak – deken, wist ik al dat deze avond maar een beetje tekort aan redelijkheid nodig had om -wat mij betreft- charmant te ontsporen.

Er zijn jongens of mannen die door hun gedrag veel plaats innemen. Ze maken grote gebaren, kunnen nauwelijks met hun schouders door het gat van de deur en denken door die drukte het camouflagenet voor hun angst te hebben gevonden.


Zeldzame jongens nemen door hun uitstraling veel plaats in. Ze zijn aanwezig zonder het zelf te willen. Elias bijvoorbeeld. Hij had natuurlijk het voordeel van zijn jonge leeftijd en de daarmee verbonden schoonheid. Om het met een Frans auteur te zeggen: ‘Je krijgt slechts later de kop die je verdient.’ (Tournier)


Denk ik terug aan Bram, bekijk ik hem op mijn foto’s, ontleed ik zijn bewegingen in de film van mijn geheugen, dan was hij voor mij zo’n zeldzame jongen.


De manier waarop hij je aanraakt, de druk van zijn eerste kus. Hij kan niet anders. Hij is helemaal Bram.


Zo, we zijn terug op de zolder. 
Hij is ook niet de kluns, de sympathieke rommelige figuur die in show- en televisiemiddens zo’n succes hebben gekend.


Zijn impulsen beheerst hij zoals een volwassen kind van dertien.
Als we onder het grote laken liggen, wil ik hem bereiken. Medemeisjes weten wat ik bedoel. Ik weet dat ik hem binnen de vijf minuten zal kunnen kussen. Dat is geen strategie, dat is spelen. De meeste jongens zijn naar mijn aanvoelen armzalige spelers. Ze missen verbeelding. Ze zijn meestal zo overweldigd door de druk op de ketel dat elke vorm van subtiel genieten hen ontgaat.


Hebben ze ruzie gemaakt dan denken ze dat ze door hevig vrijen de draad weer kunnen oppakken. Te veel lul, te weinig atmosfeer.


Voor mij zijn jongens altijd ‘atmosfeer’ geweest. In te ademen, levensnoodzakelijke omgeving. Voor je echter atmosfeer kunt scheppen zijn jongens al met je adem weg. Ze kussen niet, ze zuigen de lucht uit je longen. Ze zijn al aan ’t pakken voor ze iets hebben gegeven.

Ik wist dus heel goed dat Michiel mij kuste. Toch noemde ik Brams naam. Uit speelplezier. 
Speelbedrog.


Als Bram in het midden lag, kon ik gemakkelijk mijn beurt opeisen. Maar ik doe teken aan Michiel. We zullen hem langs beide kanten op zijn wang kussen.


Ik zie Michiel me heel even aankijken. Met een radeloze blik. Maar ook Michiel is slim. Hij weet dat dit ook zijn kans zal zijn. Zijn lippen trillen eventjes als ze de mijne raken. Hij heeft weinig ervaring maar wil dat ook niet verbergen. Daardoor wordt zijn kus licht, voel je dat je kunt blijven ademen. 
Omdat ik weet dat ik via zijn lippen naar Brams mond kan, is mijn kus voor Michiel net zo lieftallig. 
Ik zie Bram zijn ogen openen. Voor hij iets kan zeggen ben ik bij zijn mond.


Andere jongens zouden misschien schrikken of hun kans nemen, maar Bram weet dat iedereen zal delen in deze innigheid. Zo beantwoordt hij ook mijn kus. Hij heeft inderdaad een vrouwenhart, deze kostbare.

We liggen bij elkaar en vinden elkanders huid. Omdat Bram op zijn rug ligt, streel ik over zijn borst en zijn buik.


Zijn vel voelt heel ontspannen. Een jongen al met man gemengd. Mijn streelruimte is beperkt. Bijna wil ik zijn hemd losknopen, maar op dat ogenblik begint hij over de drie zijden van de driehoek. Ik zie de figuur heel visueel voor mij en besef dat de scherpe hoeken ons kunnen pijn doen. Daarom ruil ik het beeld voor dat van de triangel in. De heldere toon.

Als Michiel ons uitnodigt om de hele nacht bij elkaar te blijven, weet ik dat we daar niet klaar voor zijn. De oma van dienst treedt op. (Wat ik vertelde had ik voor ik naar de zolder kwam al uitgevoerd. Zij haar dame blanche, ik mijn milkshake aardbeien.)

Of was ik te bang om nooit meer van zijn liefelijk lijf te genezen?

jennifer paige cohen0015.jpg

 3. Wolfgang en Michiel

Toen ik onder het grote laken lag, moest ik aan Wolfgang denken. Mozart. Hoe hij geblinddoekt voor de hoven van Europa speelde. Het kunstaapje met zijn zusje Nannerl. 
’Hoe schattig,’


Nu was ik geblinddoekt, moest ik raden wie er mij aanraakte.


’Bram,’ zei ik. De stevige hand, mijn cliché dat dergelijke hand bij een jongen hoort. Toen ik later Brams hand op mijn rug voelde, tekende hij krullen, streepjes en warrige lijnen op mijn vel. Veel vrouwelijker, maar met een soort beslistheid die je zelden bij jongens vindt. Bij hen wordt het bijna dadelijk brutaliteit of onbeholpen gestuntel.


Haar sterkte en zijn tederheid verbaasden met die avond het meest. Hannah regisseerde ons met een natuurlijkheid die ik voordien nog niet bij haar had ontdekt.


Daarom ook dat ik dadelijk meedeed met de dubbele kus voor Bram. Niet alleen daardoor, ook omdat ik bij Bram de kwetsbaarheid herkende die ik eerder in het zwembad had meegemaakt. Kwetsbaarheid wil niet dadelijk ‘zwakte’ zeggen. Ook dat is een wijd verspreid misverstand. 
Het kind Wolfgang heb ik tot ver in zijn latere muziek teruggevonden. Daarom koos ik voor mijn beschrijving van die avond het larghetto van het piano trio. 
Hij was dertig of eenendertig jaar toen hij het schreef. Toch vind ik er het heimwee naar lange avonden in terug. Je zou het gemakshalve het voorbije kunnen noemen.
Het voorbije, die lange sleep die we achter ons aanzeulen, telkens met meer dagen beladen.Die nacht riep de muziek eerder de herinnering aan de innigheid op, aan de nabijheid waarvan ik wist dat ze maar één keer de eerste keer kon zijn.

Toen ik Brams wang had gekust en ik haar mond vond, hoorde ik muziek. Geen bepaalde melodie of componist, maar klanken waarin hoge en lage tonen zich met windgeruis en verre treinen vermengden.


Ik volgde dus haar vinger om Brams lippen te kussen, een kus als vervolg op de hare.

Ik was geen kusser. Integendeel. Vaak zag ik in filmen vrouwen en mannen smekkende geluiden maken, of zuigen en happen waardoor ik het vermoeden kreeg dat het hier eerder om wederzijds verslinden dan om liefde zou gaan. Op die manier hoefde het dus niet.

Het passionele blijf ik tot in de muziek wantrouwen. Passie was mij niet vreemd, ook niet in mijn tienerjaren, maar juist omdat ik er mij zo gemakkelijk aan overgaf, groeide met de tijd dat wantrouwen. Wie te dikwijls in een hinderlaag valt, begint uit te kijken.

Het pianotrio draaide ik de volgende dag, als poging om de herinnering aan de voorbije nacht met het allermooiste te blijven associëren. 
De drie instrumenten. Hannah, de viool, ikzelf de piano, Bram de cello.
Het is moeilijk om met letters over muziek te schrijven. Wie het larghetto beluistert zal mij begrijpen. Het is de innigheid, het voortdurend verstrengelen van de drie instrumenten. Ze versmachten elkaar niet, maar hun combinaties vullen de afstanden, hollen op het thema vooruit of vervolmaken het.

Voor de eerste keer begon ik muziek met mijn eigen levenservaringen te verbinden. Tot nu diende muziek om te laten zien wat je kon, hoe ver je al technisch was gevorderd. De blinddoek en het jonge wonderkind. Zoet portret met juichende ouders op de achtergrond.

Ik ontken de noodzaak van dit technisch kunnen niet, maar als jongen had ik alleen maar die prestatie voor ogen, niet omdat het mij aan ervaringen ontbrak, maar wel omdat ik nog altijd met dat blinddoek voor mijn ogen liep, opgesloten in mijn eigen donkere kamer waarin de spiegel het vermeende venster naar buiten was.


Nu werd ik gedwongen die zekerheden te verlaten. Voor mijn nieuwe vrienden had ik immers geen verleden, net zo min als zij er voor mij een hadden.
We werden als onbekenden tegen elkaar gesmakt. 
Als ik mij de jonge Mozart probeer voor te stellen denk ik vaak aan Elias. Al zullen mensen hen beiden uitzonderlijk noemen, het is best mogelijk dat wij diezelfde gaven hebben laten afsterven of dat het soort onderwijs dat wij krijgen voor hun vroege dood heeft gezorgd.

Terwijl het larghetto draait, ontdek ik dat in het jaar van zijn ontstaan de verhalen en reizen van Baron von Münchausen zijn verschenen. In dat jaar begint Goethe aan zijn eerste Italiaanse reis en in Madrid krijgt de schilder Goya een aanstelling aan het Spaanse hof. 
Maar ik mag ook niet vergeten dat Mozarts derde zoontje Johann Thomas Leopold op 18 oktober wordt geboren en een maand later sterft.


Prima la musica e poi le parole. (Eerst de muziek en dan het woord) De titel van de kleine opera van Salieri die ook dat jaar in première gaat.

Michiel begon hierna aan zijn huistaak wiskunde. De blinddoek als handdoek in de ring.

scott reeder the pianist.jpg

 

TRIANGEL (23)

lucy kim1.jpg

 

29. Drie benaderingen van de nabijheid


1. Het middenstuk

Toen hij mij en Hannah in zijn armen nam en over onze ruggen wreef. 


Mijn hoofd naar rechts draaien en in het schemerige zie ik zijn profiel. (nog altijd, dus is de tegenwoordige tijd hier geen toeval!)


Ik was een camera. De film onbrandbaar in mijn geheugen.


In gedachten herhaalde ik de beweging honderd keer. Het duister van de zolder en dan kan ik in een zachte overvloeier zijn profiel in close – up zichtbaar maken. De lijn van zijn voorhoofd, de welving van zijn neus, zijn lippen, de kin.


Mijn oom Michiel terwijl Hannah mijn handen verwarmt.


De geur van zijn haar, de geur van zijn huid. Naar de buitenlucht rook hij, naar een jongetje dat te lang heeft buiten gespeeld en voor het slapengaan nog naar een verhaaltje wil luisteren. In zijn haar zit nog de voorbije dag. Weilanden en bossen.

Voilà, ik heb me lang genoeg ingehouden.


Hij moet mijn hart toch gehoord hebben!


Mijn rechterkant voelde hij toch smelten, mijn huid onder zijn hand gloeide, werd pure elektriciteit. Slagwerk.


En ik zat daar.
Zoals ik op het voetbalveld zit in afwachting van de tweede helft.


Zoals ik in de tuin zit, een zomeravond terwijl mijn vader met de barbecue in de weer is.

Is er iets gaande?


Gaande?


Lopende, ijlende, stormende, de snelheid van het licht eindelijk achterhaald dus keer ik terug in de tijd, vergeet ik de leestekens de hoofdletters 
de afspraken de gebeurtenissen de afstanden de verwachtingen de teleurstellingen de ijdele hoop de ontroeringen 


de eetmalen en het rennen naar het toilet


fietsen naar school en terug en naar duizend andere plaatsen


neen niet de schaarse nachten met Rikkie 


de stapels lessen en huiswerken 


de meters krantenpapier

de seizoenen de logica

de goede voornemens 


mijn kinderfoto’s

de inhoud van mijn kleerkast 


de volle manen en sterrenloze nachten


de vuilzakken die ik moest buitenzetten 


de generaties poezen hamsters en konijnen 


de desserten de liters zweet en urine 


de miljoenen televisieprogramma’s de duizenden cd’s 


versleten schoenen de liters frisdrank mijn verwarde dromen sperma der wanhoop in tetrapakken van 1 liter 


de brieven telefoons en e – mails 


de keren dat mijn moeder roept maar wees nu toch eens een beetje kalm en zet die muziek wat stiller

het verzamelde hoofdschudden van mijn vader 
de puberale huilbuien de niet puberale maar net zo gemeende verdrietjes en verdrieten de slappe lachen in alle mogelijke omstandigheden de euforieën met de diepe dalen die erop volgden


mijn persoonlijke records op de piste en bij nintendo


mijn schrale fantasieën 
ze liggen achter mij.

Ik leg me naast Hannah onder het I.H.S. – laken (Ikke en Hij, de Schone, sorry Hannah.) Op haar schouder. Ik besnuffel haar. Ik reikhals naar haar andere schouder waarop de Schone rust. Toch laat ook Hannah mij niet onberoerd zoals dat heet. Ik denk: nog even en ik schrijf bi- of trisexueel op mijn virtueel naamkaartje.


Als zij Michiel door zijn haren streelt, zegt hij mijn naam. Faket hij met opzet om haar de kans te geven te winnen of komt hier de heer Freud met verborgen aandriften op de proppen? Als ik dan als middenstuk op hun ‘touches’ (Eng.) wacht en mijn ‘aanschijn’ een hamburger wordt tussen hun lippen en ik boven mijn gezicht Romeo en Julia elkaar zie kussen maar dadelijk daarna Julia en daarna Romeo mijn kant zie uitkomen, en doen wat ze met elkaar hebben gedaan: meisjeslippen en jongenslippen net zo lang om niet het bewustzijn te verliezen of hun beider kleren van het lijf te rukken en me aan het beest in mij over te geven, neen, net zo lang om het diepste heimwee uit het Aards-Paradijs weer wakker te maken: man en vrouw schiep hij hem.(geen drukfout) Het beest loopt met de staart tussen de benen de boom in waar de slang hangt te niksen terwijl mijn lijf in alle staten van genade komt, en dat allemaal op minder dan tien of twintig seconden of stond de tijd toen stil, meneer Einstein en relativeer ik hiermee wat jij in je krachtige formule hebt uitgedrukt?


My God! (uitroep waarmee het goddelijke van dat moment wordt geëerd.)


Hier zou Queen kunnen helpen, maar zelfs mijn Mercury die bij leven en werken toch heel wat gewoon was, kijkt met open mond toe. Probeer zo maar eens te zingen! No music dus.

Ik blijf het middenstuk. Voor de eerste keer voel ik Michiels naakte huid. Panterzacht en stevig. Via Hannah’s rug komt zijn antwoord met haar hand op mijn borst en buik. Gesloten circuit. Driehoek. Triangel met eeuwige nagalm.


Zoveel zaligheid kan slechts voor enkele minuten zijn. Het diepe depressiedal of de cynische afgrond lagen onpeilbaar diep voor mijn voeten. Ik gooi een touw naar de overkant en meet mij het pak van de koorddanser aan.

 

dittrich slechtriem2.jpg


TRIANGEL (22)

dittrich tin-angel.jpg

 

28. Een afwezige engel


Meestal verwelkomde hij ons als eerste op de kerkzolder. Die regenachtige vrijdagavond wachtten wij op hem tot het bijna helemaal donker was buiten.


Omdat we geen adres noch andere referentiepunten hadden tenzij dat hij in de omgeving van de kerk woonde, wisten we niet waar we moesten gaan zoeken.


Niemand van ons had hem in de loop van de voorbije week gezien of gehoord. Ziekte lag voor de hand, of een onverwachte familiale verplichting, of gewoon kamerarrest wegens vermeende onbeleefdheid. Omdat hij ook nooit naar ons adres had gevraagd was het hem waarschijnlijk onmogelijk geweest iemand van ons van zijn afwezigheid te verwittigen.


Zonder hem was de kerkzolder een gewone bergplaats, leken de voorbije gebeurtenissen onwezenlijk ver en irreëel.
’

Zijn ruimteschip is teruggekomen,’ zei Bram. 


Het was beginnen waaien. Boven ons kraakten de dakbalken..
Onder ons begon de stad aan het weekend. We keken door de raampjes naar de lichtvlekken van de straatlantaarns, de rijen daken, de dreigende luchten waarin de verste uitlopers van de stad verdwenen.


‘Zullen we een briefje achterlaten en naar het Putje gaan?’


We waren het dadelijk met Hannah eens. We zochten in de ingemaakte kasten naar een beschrijfbaar stuk papier.


Ik trok een van de verste deuren open en zag tot mijn verbazing een aantal matrasjes met daarop een slaapzak liggen. De blauwe salopette aan een haakje herkende ik dadelijk.

‘Hij bleef hier dus vaak slapen!’


De kast was met zilveren sterren versierd. In de deuren had hij bovenaan een aantal gaatjes geboord zodat het duidelijk werd dat deze kast als slaapplek diende.


’Zou hij wel ergens wonen? ‘


‘Natuurlijk Bram. Ben je tien minuten te laat thuis dan hangt het land vol affiches. Weglopen is vrijwel onmogelijk geworden, zeker voor een dertienjarige. Zijn kleren zien er daarbij heel netjes uit.’


‘En het zijn geen goedkope spulletjes die hij aanheeft, Michiel,’ zei Hannah.


’Hij houdt gewoon van avontuur. Als ik dertien was, bouwde ik ook kampen en had ik een boel geheime schuilplaatsen.’


‘En kon je een nacht wegblijven zonder dat je ouders wisten waar je was, Bram?’


We gaven toe dat zoiets uitgesloten was.


’Hij kan natuurlijk zeggen dat hij bij een vriendje blijft logeren en dan naar hier komen.’


We besloten de zaak in het Putje verder te bespreken.

dittrich tuer.jpg

Larghetto voor een herfstnacht
(met de hulp van het piano trio in B flat major van Wolfgang Amadeus Mozart, 2de deel KV 502)


Voorbij middernacht was het toen Bram het licht door de kleine raampjes van onze speelzolder zag. Een glimp. Beverige streepjes. Slechts zichtbaar voor degenen die zo hoog zouden kijken op een vrijdagnacht en wisten dat er zich onder het dak van de kerk een schuilplaats bevond. Voor de rest van de wereld: de weerkaatsing van de maan, of een reflectie van de stadsverlichting.

‘Hij is er!’


Hij, degene die het onderwerp van al onze gesprekken was geweest, door iedere waarnemer anders ingekleurd. Een hoge hoed vol veronderstellingen hadden we hem opgezet, waardoor zijn ware gezicht steeds onzichtbaarder werd. 


‘Er brandt licht!’


We renden de trappen op. Onze lampen bliksemden ons vooruit. Was hij een jaar of langer weg geweest? Beseften we door zijn afwezigheid hoe hij het centrum van de driehoek was? ‘Hij zal zich natuurlijk verborgen hebben toen hij ons hoorde!’


We stonden hijgend voor het deurtje.


Kwam hij ons weldra als nachtelijke engel tegemoet?


Hoorde dit bij zijn spelletjes?
Had hij een spannend ontsnappingsverhaal te vertellen?

Er was niemand te zien op de zolder.


Ook zijn slaapkast was leeg.


‘Misschien in één van de andere kasten?’ fluisterde Bram.
We zwierden de deuren open, lichtten in elk hoekje, keken onder of achter elk kleed of mantel, zochten tussen de engelenvleugels. Hij was er niet.


’We hebben het licht laten branden!’


’Hannah, ik heb daarstraks zelf het licht uitgedraaid.’


‘Misschien is hij ons gaan zoeken, of komt hij zo dadelijk naar hier?’


’Goed. We wachten.’


Hannah sleepte de matrasjes uit de slaapkast en legde ze naast elkaar. Ze ritste de slaapzak open zodat hij als deken kon dienstdoen.


’Kom, als we heel dicht bij elkaar gaan zitten, kunnen we er met zijn drieën onder.
Zij in het midden, wij heel dicht bij haar. Hoe dan ook, het deken was te klein.


’Wacht!’ Bram zocht ons picknicklaken. Hij plooide het dubbel. Toevallig lagen de letters I.H.S. aan de bovenkant. Nu was er nog ruim plaats voor een aantal reserve-engelen. 
’Kom toch maar dichterbij. Ik heb het een beetje kou,’ zei Hannah. 
Ik zat naast haar nu, Bram links van mij. Ik nam ze beiden in mijn armen.
‘Oom Michiel zal goed voor jullie zorgen.’ Ik wreef stevig over hun ruggen. Hannah nam Brams handen.


‘Doorkoud, Bram.’


’Koude handen, dat wijst op een warm hart.’


’En met de deugd in het midden kan jullie niets gebeuren.’


’Stil, ik hoor iets…’ We luisterden.


‘Neen, het zal de wind zijn geweest.’


We probeerden te achterhalen waarom we Elias hadden gemist, wat de reden van zijn afwezigheid kon zijn. Al onze herinneringen aan hem vertelden we. 
Zonder hem bleef het hoge nest boven de stad onvolledig. 
Na een tijdje kregen we het behoorlijk warm. We spraken af nog een half uur te wachten. Niet dat we nog in zijn komst geloofden, eerder om elkanders nabijheid te bewaren. 
We trokken onze jassen en schoenen uit en gingen onder het grote I.H.S. laken liggen. Ik lag op mijn rug, Hannah en Bram lagen op hun zij naar mij gedraaid. Hannah’ s hoofd op mijn schouder.


’Michiel doe je ogen dicht. Je moet raden wie van ons beiden je aanraakt. Ogen toe, dan nemen wij onze posities in!’


Ik volgde onmiddellijk Hannah’s bevelen op en kneep mijn ogen overdadig dicht. Geritsel van het laken, gefluister. Stilte. Een hand ging traag over mijn hoofd en dan door mijn haar.


‘Bram!’


’Mis. Dat was mijn hand! Voel maar. ‘


‘Mijn handen zijn kouder, maar inderdaad net zo zacht. Hannah, jouw beurt.’


Ze nam mijn plaats in, en sloot haar ogen.
Bram wees naar mijn lippen en dan naar haar wang. We wisselden enkele keren van plaats om de blinde passagier in verwarring te brengen.


Ik boog me over haar gezicht heen om haar aan Brams kant, met mijn hoofd vrijwel ondersteboven, heel zacht op haar wang te kussen.


‘Hmmm. Vakwerk. Dat waren…Brams lippen!’


‘Juffrouw u proefde Michiels onverbiddelijke en onovertroffen lippen. Bram, jij als meest genoemde, mag nu raden wie van ons beiden “iets” zal doen bij jou.’


‘Hou het gezellig hé makkers!’


Hij legde zich tussen Hannah en mij en wachtte af.


We begonnen aan onze verwarringsstrategie. Hannah gaf mij teken dat we hem beiden tegelijkertijd en tamelijk langdurig (-ze telde tot vijf met haar vingers-) zouden kussen. We legden ons naast hem neer, keken elkaar aan en naderden heel voorzichtig zijn gezicht. We kusten hem. Eerst dacht ik er een grapje van te maken, hem een klapzoen te geven, maar toen ik zijn wang aanraakte, voelde ik tegelijkertijd zijn arm om me heen. We kusten hem zacht en lang. Onze monden kwamen daarna boven zijn gezicht samen. Dus kuste ik Hannah’s lippen terwijl Michiel onder ons zijn ogen opende.
Nog voor hij iets kon zeggen boog Hannah zich naar hem en kuste hem ook op zijn mond. Dan wees haar strenge vinger naar mij en proefde ik Brams lippen.

Geen bange of schuchtere kussen waren het, zeker geen dwingende, eerder alsof je elkanders naam woordeloos uitsprak. 
Ik ben gewend aan mama’s kussen, en ik weet ook nog hoe stuntelig mijn eerste meisjeskussen waren. Deze kussen waren het familiale ontgroeid maar vroegen ook niet naar meer. Ze waren een logisch vervolg op onze gesprekken en ontmoetingen. Voorzichtig waren ze omdat je elkaar begon lief te hebben, maar ook heel verrassend omdat ze niet alleen de persoon van je verliefdheid bereikten, maar ook degene die in zijn of haar nabijheid was. Het innige, zou Bram later zeggen.


We legden ons heel dicht bij elkaar, Bram nog steeds in het midden.


Onze hoofden op zijn schouders. 
Terwijl hij ons omarmde, omarmde ik Hannah en zij mij.


’Zo zou ik de hele nacht willen blijven liggen,’ zei Hannah. Ik knikte.


Bram trok het grote laken over ons heen zodat we in een donkere tent lagen.


Daarna voelde ik zijn hand weer op mijn rug onder mijn hemd, en wat ik van hem kreeg gaf ik aan Hannah door die het op haar beurt weer terug naar Bram bracht.’


’Zal ik een verhaaltje vertellen?’ 


‘Je bent volop bezig, Bram.’


’Er waren eens drie zijden van een driehoek. ‘


‘Driehoeksmeetkunde bij nacht, ‘ vulde ik aan.


‘Kennen jullie een triangel? Wel dat is het eenvoudigste instrumentje dat er bestaat. Het is ook een driehoek. Op welke zijde je ’t ook bespeelt, het geeft dezelfde heldere toon,’ zei Hannah.


‘En wat gebeurde er nu met die drie zijden van die driehoek?’


’Ze vormden een triangel.’


’En wie zou hem bespelen?’


We dachten aan de engel met de nepvleugels. We hoorden zijn verhaaltjes, zagen zijn donkere ogen naar ons kijken.


‘Zal je moeder nog wakker zijn als je thuiskomt, Bram?’


’Wie zegt dat we moeten thuiskomen?’ vroeg ik.


’Ik.’

Hannah tilde het laken boven onze hoofden en ging naast ons op haar knieën zitten.

‘Ik heb beloofd om bij oma te gaan schoonmaken. Daarna neem ik haar mee naar het park voor onze wandeling aux trois dames.’


‘Ga je straks naar de Ardennen?’


‘Neen, Brammie. De wandeling aux trois dames is een wandeling voor een echte dame, mijn oma, een jonge dame, ikzelf en een dame blanche als we langs het ijssalon komen.’


We ruimden op en stonden bij de drie kleine raampjes. 
We kusten elkaar en wuifden in stilte toen we de nacht in fietsten. Geen sterren noch maan, wel wolken of was het toch het asfalt waarop we reden?

(De schilderijen zijn van Bernhard Brungs, dit werk is van Nicky Broekhuyzen. Beiden verbonden aan de Dittrich Slechtriem-gallerij in Berlijn.)dittrich schlechtriem1.jpg

TRIANGEL (21)

STEVE carver3_1.jpg

 

3. In het stedelijk arboreticum

Hannah druk bezig met het schetsen van een oude boom. Bram komt toevallig met de fiets voorbij gereden. Hij remt nogal duidelijk.

Hannah:


Is dat even toevallig? Dag Bram!. ( Hij komt inderdaad langs hier naar huis. Proficiat Hannah.)

Bram:


Hannah! Druk bezig? (Neen, ze zit gewoon te niksen achter haar tekenblad. Kom nu.)

Hannah:


Schetsoefeningen naar de natuur. Die boom daar. (Zou je je even willen uitkleden, Bram. Vermoeide Apollo leunt tegen boomstronk.)

Bram:


Ik ben niet zo goed in bomen. Een eik? (Waar ben je eigenlijk wel goed in?)

Hannah:


Inderdaad. Een Amerikaanse eik. Proficiat. (Zou het inderdaad een eik zijn? Eiken horen gewoon bij zijn sportief type.)

Bram:


’t Was een gok. Mag ik eens kijken? (Ik ga te laat komen om Michiel toevallig tegen te komen. Verzin iets!)

Hannah:


Ik ben nog maar pas begonnen. Kijk. (Ik zit hier al twee uur. Eindeloos heb ik mijn schetsen bijgewerkt in de hoop ze hem te kunnen tonen.)

Bram:


Prachtig! Het spel van licht en schaduw vind ik mooi. (Het clair-obscur ruikt nog iets te veel naar de esthetica – les.)

Hannah:


Kijk, hier is de schaduw nog te licht, denk je niet? (Nu moet hij zich over mijn blad buigen, zijn hoofd heel dichtbij.)

Bram:


…dat hangt een beetje van het tijdstip af. Misschien was dat de schaduw toen je aan dit gedeelte bent begonnen? (Hannah ik hou van je schaduw, maar ik wil het licht van Michiel zien, aldus…)

Hannah:


Voor een jongen heb je buitengewoon veel zin voor details. (nog even en hij komt erachter dat ik hier al zo’n twee uur zit, bedriegster!)

Bram:


Te veel zin voor details zodat ik de hoofdzaak wel eens vergeet. (Heel goed, je geeft haar de kans om een naar een voorbeeld te vragen. Proficiat.)

Hannah:


Hoe bedoel je? (Zoals hij daar zo rustig over het stuur van zijn fiets hangt, de linkervoet nog op de trappers. Zijn er Griekse goden bekend die zo poseren?)

Bram:


Niks speciaal, gewoon te weinig oog voor de structuur omdat ik nogal vlug door details wordt afgeleid. (Je krijgt waar je om gevraagd hebt, sufferd!)

Hannah:


De som van de details geven toch ook een totaalbeeld. (Vraag hem liever iets over zijn vrouwenhart en zijn mannendromen!)

Bram:


Als je ’t zo bekijkt! Ik moet nog enkele boodschappen doen voor de winkels sluiten! (Daar heb je dus nog een vol uur voor, detaillist!)

Hannah:


Ik was vergeten dat jij ook nog het huishouden bereddert. (Zou hij vragen om van zijn kookkunst te komen proeven?)

Bram:


Vandaag doe ik de boodschappen en mama kookt. Meestal is het net omgekeerd. Ik zie je vrijdagavond. (Van een slordige afwerking gesproken! Onder zijn vriendelijk uiterlijk woekeren zijn driften, juffrouw.)

Hannah:


Tot dan, Bram. (Voor je weggaat nog even enkele vurige kussen onder de boom van goed en kwaad? Deze jongen zit met zijn moeder in zijn hoofd, niet met een opeisend meisje!)

 

STEVE CARVER.jpeg

TRIANGEL (20)

steve carver 7.jpeg

 

2. In de stedelijke bibliotheek


Aan één van de leestafels zit Hannah met voor zich aantal naslagwerken over de nieuwe schilderkunst, inzonderheid het constructivisme en de Stijl. Ze bereidt een spreekbeurt voor. Michiel zit naast haar, en helpt haar bij haar opzoekingen.


Hannah:


Victor Tatlin. Ja, hij gaf zijn naam aan het constructivisme. Zoek jij hem in deze encyclopedie dan zoek ik naar Malevitsj, Kasimir Malevitsj. (Tiens Lincoln heette ook Abraham met zijn voornaam. Bijnaam: The railsplitter, the great emancipator. Yes. My emancipator. Lipton, Listzt, Livingstone, Machiavelli -lijkt op mijn leraar latijn-Maeterlinck, Magritte, Mahler -beetje Michiel- aha, Malevich, met ch.)


Michiel:


Ik heb hier een schilderij van jouw Malevitsj. Zwart vierkant op witte ondergrond. Bon, zo kan ik het ook. (Onze kleinkinderen zoeken dan bij V.D. Michiel, echtgenoot van de bekende architecte Hannah L. Componeerde o.a.een heel eigen Romeo en Julia – suite, geïnspireerd op hun eigen liefdesstory. Als zeventienjarigen immers…)

Hannah:


Ik vind dat een prachtig schilderij, Michiel. Zij waren de eerste schilders die verbanden legden met de architectuur. Kunstenaars en ingenieurs, een mooie combinatie. (Geloof ik dit nu zelf ? Bram als het witte waarop mijn zwart vierkant is gedrukt. Of zoek ik hem bij Chagall? Schilderij voor Colombe. Kleur, kleur en nog eens kleur!)

Michiel:


Nu ik dit langer bekijk begin ik te begrijpen wat je bedoelt. De rust van het witte, en dan het strenge van het zwarte vierkant. Ik denk dan aan Igor Stravinsky. Dat is een tijdgenoot van jouw constructivisten. (Petrushska, het cirkusmeisje hier betrapt in de stedelijke bibliotheek. Igor heeft noten te kort om nog maar de rondingen van haar borstjes in haar strakke t-shirt te beschrijven.)

Hannah:


Architectuur, schilderkunst en muziek uit die tijd, een mooi idee. Je bent een goede muze, Michiel. (Brams ogen zijn warmer dan die van Michiel. Michiels blik is hongeriger. Zoals ik hongerig ben.)

Michiel:


Ik heb een mooie uitvoering van Petrushka op cd. We rijden langs mij thuis dan kunnen we ze samen beluisteren. (Dit is wellicht iets te duidelijk. Zullen we nog iets drinken op mijn kamer? )

Hannah:


Ik heb om vijf uur een afspraak bij de tandarts. Wil je ze meebrengen als we elkaar vrijdagavond op de kerkzolder zien? (Afspraak om zeven uur bij de tandarts, Hannah. Hij wil je gewoon helpen. Zal ik het corrigeren?)

Michiel:


In orde. Ik maak een kopie voor jou, dan heb je je eigen cd. (Spijtig. Ik heb er zelf om gevraagd. Altijd te vlug en te duidelijk.)

Hannah:


Dat is heel lief van jou, Michiel. Zullen we vrijdag plannen waar en wanneer we samen die muziek bespreken? (Schuldgevoelens? Een te goed karakter zoals mama? Hem uitnodigen met Bram erbij? Schrap onmiddellijk dat te goede karakter!)

Michiel:


Ik ben volgende woensdag vrij na de conservatoriumlessen. Kunnen we samen iets eten in het Putje. Een uur of zes? (Krijg ik een vinger, pak ik een arm. Deze jongen wil klappen krijgen. Weinen, klagen…)

Hannah:


Kom je toch gewoon bij ons mee avondeten. Samen met Bram. Zien ze jullie in levende lijve. (Heel zwak, Hannah. Je hebt nog met geen woord over hen gerept. En of woensdag iedereen thuis is?) Maar ’t mag ook in ’t Putje natuurlijk. (Hannah, de troosteres der bedrukten heeft weer toegeslagen.)

Michiel:


Dat spreken we dan vrijdagavond af. Zal ik meerijden tot aan de tandarts? Als buffer tegen de pijn? Ikzelf vind tandartsen een ramp. Ik beef drie dagen op voorhand. (Mag het ietsje minder zijn? En waar komt dat beven vandaan? Arme mede – lijder!)

Hannah:


Lief van jou, maar mijn tandarts is een schat. Voor je ’t weet zijn de gaatjes gevuld. Bedankt alvast voor je hulp! (Een schat? Een vrouw van bijna tweehonderd pond met de ziekte van Parkinson, of ben ik het die op de stoel zit te trillen? Wees maar gerust dat het zal pijn doen deze avond. Straf van God.)

steve carver1.jpeg

TRIANGEL (19)

steve carver4.jpeg

 


27. Drie dialogen


(de tekst tussen haakjes geeft het gedachtegoed weer van de spreker ook al blijkt ook zijn woorden een heel andere inhoud.)


1. In het stedelijk zwembad

Michiel en Bram na tweemaal de lengte van het bad te hebben gezwommen, nipt door Bram gewonnen.

Michiel:


Ik moest die mevrouw ontwijken, anders… (te veel piano, te weinig beweging!)

Bram:


Leg het maar uit, makker. Ik ben gewoon beter. (ik had hem moeten laten winnen, sufferd die ik ben!)

Michiel:


Van de hoogste wipplank? (hopelijk zegt hij neen, dank u, ik ben niet zo goed in duiken.)

Bram:


Met plezier. Jij eerst. Ik kijk en geef punten. (tien, tien, tien, en nog eens tien, alleen al voor dat moordbroekje van hem!)

Michiel:


Dubbele salto en tweemaal halve schroef? (ik zal al blij zijn als ik niet plat op mijn buik in ’t water kom!)

Bram:


In slow motion indien mogelijk. (en met mij in je armen, mond op mond, vanop de hoogste verdieping van de Eifeltoren! Een duik die drie dagen en drie nachten duurt terwijl Queen Tie your mother down zingt.)

Michiel:


Kijk me niet zo medelijdend aan. See you in heaven. (Hij heeft ogen buiten concurrentie, en met zo’n prachtlijf zal ik het moeilijk hebben als hij ook op Hannah valt.)

Bram:


Ik verwittig alvast de reddingsbrigade! (please, voorzichtig, voorzichtig, kom terug!)

Met een sierlijke salto komt hij net op tijd nog met gestrekte armen in het water. Hij blijft met opzet veel te lang onder en komt dan als drenkeling boven. Help, help, roept hij overdreven. Bram duikt het water in en neemt het slachtoffer in een professionele drenkeling – greep mee naar de kant.

Michiel:


( met half verstikte stem) Was het dat wat jij verlangde, geliefde broer van mij? (Zalig! Stel dat hij Hannah was. Dimmen, Michiel of uiterlijke kentekenen ter hoogte van de onderbuik zullen hem de wenkbrauwen doen fronsen!)

Bram:


Je gaf je totaal, lieverd. Laat mij je naar de kant brengen waar de juichende massa je zal huldigen. (Get your heart beatin’ baby, got my timin’ right, got my act all tight, it’s gotta be tonight my little schoolbabe.–Queen, zelfde song als hierboven.)

Michiel:


Thank you. Ik kan nu weer op eigen kracht mij op de oever hijsen om het volgende uur handtekeningen uit te delen. (Al zou ik nog wel een tijdje door hem willen gered worden. Hij sterk en zacht tegelijkertijd. Hannah, ik ben kansloos!)


Ze zitten bij elkaar. Bram geeft hem inderdaad drie maal tien punten en verklaart zich verloren zodat hij geen poging meer moet wagen.

Bram:


Niet te veel volk vandaag. (Nog veel te veel om met jou alleen te kunnen zijn. Alleen de onderwater – verlichting aan, en wij dolphins by night, huid tegen huid, jongensvissen van dezelfde soort in het stadsaquarium.)

Michiel:


Ik zie je wel kijken naar dat meisje links van de badmeester. Nu springt ze in ’t water en komt ze onze kant uit. (Altijd je eigen gegluur in de ogen van iemand anders duwen, fraai! )

Bram:


O, ik dacht dat het een jongen was. (Stomme hetero’s!)

Michiel:


Is er iets met jouw ogen of zit het wat lager fout? (Inderdaad, ze lijkt op een jongen.)

Bram:


Wil je eens kijken of er iets mis mee is? (Gedurfd maar met niveau. Stel je voor dat hij ja zei!)

Michiel: 


Naar je ogen of…? (Hoor mij zeg, de halve homo. Ik moet toegeven dat ik hem best in zijn blootje zou willen zien. Die vreemde mengeling van vrouwelijk – mannelijk.) Dankuwel, meneer. Ik geloof u op uw woord. Kom, we gaan achter dat zeemeerminnetje aan!

(springt in het water)

Bram:


Maar het is een jongen! (Land of hope and glory, er is nog leven voor de dood!)(springt ook in het water)

Enkele lengtes verder ontdekt ook Michiel dat zijn zeemeerminnetje meer mannetje dan minnetje is. Hij draait zich proestend naar Bram.

Michiel:


’t Zal aan MIJN ogen liggen vrees ik. (Als hij dit aan Hannah gaat vertellen!)

Bram:
Of is er misschien iets lager fouts? (Fielen van alle gezindheden verenigt u, ’t is één pot nat!)

Michiel:


Ik beken. Ik wil mij nu dadelijk outen. (Stel je voor! Ik heb er trouwens nog nooit over nagedacht.) Kom hier lekker dier! De grote zwembadverkrachter heeft u in zijn klauwen.

De twee jongens beginnen een hevige stoeipartij. Het zeemeermannetje draait zich om en speelt mee. 
De badmeester kijkt toe, denkt aan zijn jongensjaren, zucht (heimwee, melancholie, ingelepelde aversie) en ziet tot zijn opluchting een groep meisjes het bad binnenstormen.

 

steve carver 5.jpeg

TRIANGEL (18)

steve carver 3.jpeg

 

26. Kreten en gefluister


1.


Er begon nu een tijd van wonderlijke ontmoetingen, al dan niet gepland of enigszins geforceerd om de natuur een handje te helpen.


Of ik ook wel eens ging zwemmen? Ja, toevallig op Brams vrije avond. Hannah? Helaas, bezet door tekenacademie. 


Met Bram over haar spreken kon best leuk zijn. De wederzijdse gevoelens aftasten, diplomatisch uitvissen of we niet dezelfde aspiraties hadden. Indien niet hem als bondgenoot inwijden, en indien wel? Een eerlijke strijd zodat zij kon beslissen. Duelleren zonder degens, gewoon met de juiste blik op het juiste moment. Leer je mij foto’s ontwikkelen? Of beter nog: zal ik je model zijn? Naakt? Moet kunnen. Op een schaars verlicht kamertje door de camera en haar prachtige groene ogen bespied…De fotografe houdt haar adem in. Zoals jij daar ligt, zo…
’Michiel, jouw beurt. Lees verder.’


‘Euh…’


2.


Wiskundig gezien heb ik heel weinig kans in de liefdesloterij. Te veel zogenaamde hetero’s. Zeggen we één op twintig (pessimistisch) of in ’t beste geval één op tien. (hoop doet leven) ‘Weet je het zeker, jongen? En al die vriendinnetjes dan?’


‘Pogingen om me te vermommen als de meerderheid maar anderzijds de zusterzielen, de meiden die een vriendinnetje met aanhangsel tegenkomen.’


‘De puberteit is een onzekere passage de vie. Het kunnen experimenten zijn.’


‘Lieve ma, de adolescentie, de jonge volwassenheid, de tijd van paarvorming, de jonge gezinnetjestijd, de tijd van het opgroeiend grut, de vereenzaming als iedereen het huis uit is, de overgangsjaren, het gevecht tegen de ouderdom, de angst voor de dood, zie jij één levensfase waarin je zeker kunt zijn tenzij de tijd van de volslagen apathie net voor je honderd en tiende verjaardag?


’Het zal wel mijn schuld zijn. Te weinig vaderfiguren in je leven, te veel moederlijke genegenheid.’


’Ah ja? En wie is er dan voor jouw meeslepend hetero – gedoe verantwoordelijk? Er zijn er nu eenmaal in soorten, ma. En pas op, wellicht ontdekken we dat we met zijn allen een beetje van alles zijn, niet gehinderd door politieke en zedelijke correctheid noch menselijk opzicht. Herinner je die warme liefde voor je Spaanse vriendin, hetero – moeder van mij.’


Deuren.(open)


’Dag Brammie van mij. Kunnen we deze avond eens lekker samen televisiekijken. Ik heb die vergadering gecanceld, en…(…)O. Wat naar. Ga je net deze avond zwemmen?(…) Met een vriend? Met een ‘vriend’ of een ‘vriend’?(…) Sorry, sorry, gewoon menselijke interesse voor mijn nakomeling. Veel plezier dan maar, ik kijk wel alleen televisie. Ik zal eraan moeten wennen, nietwaar?


Deuren.(dicht)


’Heb ik iets verkeerds gezegd?’

3.


Waarom zit Bram hier niet als model? Waarom zijn academie – modellen zo vreselijk lelijk en banaal? Zozo, dat heet expressiviteit. Natuurlijk. Een afhangende bierbuik, een verschrompeld geslacht, billen als bergen (mijn god waarom schreeuwt niemand het uit?) een onverzorgd gebit met daaronder een dubbele kin. Haar, haar en nog eens haar. (ik ben al uitgekleed, dokter.)


Ik overdrijf. Deze man verdient hier zijn bete brood zoals dat heet. Jonge mannen poseren liever op hun brommers.


’Juffrouw u als esthete beseft toch dat de Franse revolutie al een tijdje gepasseerd is? In een democratie, juffrouw, hebben wij aandacht voor de gewone sterveling.’


’Lieve aftandse naar look ruikende leraar van mij, mijn geliefde jongen Bram is ook maar een sterveling zoals u en ik. Maar hoe hij thuis is in dat lijf van hem! Hij is een danser, meneer. We zouden onze houtskool in onze mond steken als hij zich voor ons zou uitkleden. Zie je ons al zitten? (houtskool is een uitstekend middel tegen diaree!) Ook een vuurtje? Al die smeulende houtskoolstaafjes als wierookstokjes voor zijn schoonheid!’


‘Meer schaduw in de liesstreek, juffrouw.’


‘Jawel, meneer.’


Niet spaarzaam zijn met struikgewas, Hannah. Een ruwe bast verraadt vaak een tedere ziel.

ste e carver 6.jpeg

de kunstwerken, ook die van de volgende aflevering, zijn van Steve Carver.

TRIANGEL (17)

anton van dalen 2006_4_WB.jpg

‚Het gevecht met de engel’ is een bekend thema. Het lijkt het onderwerp te zijn van het nieuwe spel dat de vier op de kerkzolder willen opvoeren. Het loslaten van een geliefd iemand als hoogste vorm van diezelfde liefde wordt de ondertoon.  Een bekend thema.
Het volmaakte inwisselen voor de tijdelijkheid, ontsnappen aan het onveranderlijke om het morgen en avond te zien worden.

 

24. Tussen hemel en aarde.


Beide spelers gingen tegenover elkaar staan. 
Elias herinnerde Bram eraan dat ze twee engelen waren. Bram knikte.
We richtten de zaklampen op de twee. De stilte werd hoorbaar.


Elias:


Zou je durven vechten met mij?

Bram:

Als je erom vraagt.

Elias:


Op leven en dood?

Bram:


Gek!

Elias:


Neen, ik meen het.

Bram:


Denk jij dat je zo sterk bent?

Elias:


Neen.

Bram:


Waarom wil je dan vechten?

Elias:


Omdat het spannend is.

Bram:


Om te verliezen zul je bedoelen?

Elias:
I

k doe alleen maar mee als het op leven en dood is.

Bram:


Wanneer ben je dood?

Elias:


Als je uit de hemel valt.

Bram:


Waarom heb je mij daarvoor nodig?

Elias:


Als ik zelf spring, telt het niet. Iemand moet je verstoten.

Bram:


Je wilt dus te pletter vallen?

Elias:


Verstoten engelen moeten een mensenleven leiden.

Bram:


Maar het is hier toch prachtig.

Elias:


Volmaakt is het hier, dat wel.

Bram:


Ik ben je vriend. Ik wil alles voor je doen.

Elias:


Vecht dan met mij. Op leven en dood.

Bram:


Maar dat zal God nooit toestaan.

Elias:


Je kunt zeggen dat ik een staatsgreep voorbereidde. Zoals Lucifer.

Bram:


Ik wil alles voor je doen, maar dat niet.

Elias:


Je bent dus een lafaard.

Bram:
I

k probeer je tegen jezelf te beschermen.

Elias:


Als je me echt lief hebt, duw me dan naar beneden.


Ik zal doen alsof ik mij verdedig.

Bram:


Ik heb je echt heel lief.

Elias:


Je kunt niet zonder mij?

Bram:


Zo is het.

Elias:


Mooie liefde voor een engel eerste klas.

Bram:


We zijn voor elkaar geschapen.

Elias:


Als je me werkelijk lief hebt, laat me dan van je weggaan.

Bram:


Wil je dat echt?

Elias:


Mijn eigen vlucht vliegen wil ik.

Bram:


Dat is niet volgens Gods plan.

Elias:


Ben jij zo hoogmoedig dat je weet wat God met mij van plan is?

Bram:


Beschuldig mij niet van hoogverraad.

Elias:


Ik wil op de aarde vallen en daar een leven beginnen.

Bram:


Je weet niet wat je zegt. Je zult er pijn hebben en moeten sterven.

Elias:


Maar het wordt er morgen en avond. Niets is er eeuwig.

Bram:


Uit heimwee zul je nepvleugeltjes willen dragen.

Elias:


Kom, vecht nu maar met mij. Ik zal me verdedigen.


Als je werkelijk van me houdt, doe het dan. En vlug of ik begin te vloeken!


ENGEL BRAM GAAT ENGEL ELIAS TE LIJF. HIJ TILT HEM OP, HOUDT HEM EVEN IN ZIJN ARMEN EN LAAT HEM DAN LOS.
MET EEN GEWELDIGE GIL BEGINT ELIAS ZIJN REIS NAAR DE AARDE.

anton van dalen 5_WB.jpg


25. Niet boos maar droevig


Of hij echt terug naar de aarde zou willen terwijl hij hier ter plekke gek op engelenvleugels was?


‘Ik denk dat ik een soort half – engel ben, Bram.’


‘Het was niet makkelijk voor mij om je te laten gaan.’


‘Ik dacht dat je niet zo vlug zou toegeven.’


‘Als ik je vader was, lagen de zaken anders.’


‘Waarom? Elk kind gaat tenslotte weg,’ zei Hannah.


‘Maar je hebt alles aan je ouders te danken.’


’Ik heb er niet om gevraagd,’ zei Michiel. ‘Het klinkt barser dan het bedoeld is, maar tenslotte kwam het plezier van twee kanten.

‘
Ik dacht aan mama. Hoe ze als enig kind zelf veel kinderen om zich heen had gewenst. 
’Dus al die kinderen moesten hoofdzakelijk dienen om je moeders eenzaamheid op te lossen?’ 


Na Michiels vraag werd het stil.


’Ik heb het er vaak met papa over gehad, over die drang dat je kinderen het beter moeten hebben, dat ze tenslotte jouw dromen moeten waarmaken.’


’Ik kan best mijn eigen weg gaan,’ zei ik. ‘Maar ik moet toegeven dat ik een bezorgde moeder heb, dat ze wacht tot ik thuis ben, dat ze me wel eens met ontbijt aan bed verrast, ja.’


’De oogappel dus. ‘


’Dat is bij ons heel anders,’ zei Michiel. ‘Naarmate je ouder bent, stellen ze minder vragen, word je gerust gelaten.’


’Er waren heel duidelijke grenzen in mijn kindertijd. Hannah wist heel goed wat kon en niet kon, maar dat was ook nooit een probleem. Weet je, wat er ook gebeurt, we eten zoveel mogelijk samen. Aan tafel kan je vrijuit praten, de dag overlopen, de vakantie plannen. Die gezelligheid, kaarsen, mooie servetten, bloemen, ik ben er als iets heel vanzelfsprekend mee opgegroeid.’


Elias luisterde. Als we hem vroegen hoe het bij hem was, haalde hij zijn schouders op en mompelde iets als ‘gewoon’, of ‘valt best mee’.


’Dus als jij straks thuiskomt, wil je moeder weten waar je geweest bent en met wie?’ wilde Michiel weten.


’Ze wil dat niet per sé weten, maar als ik nooit iets zou vertellen dan denkt ze dat er iets gaande is, dat ik problemen heb.’


‘Heb je over ons verteld?’


‘Neen, en al zegt ze er niets van, ik weet dat ze op mijn verhaal zit te wachten.’


‘En jij begint je schuldig te voelen?’ vroeg Hannah.


Ik knikte.
’Schuldig is een groot woord, eerder verveeld.’


’Ik denk dat je eens met haar moet vechten,’ zei Elias. 


‘Ja, om uit haar hemel te vallen,’ vulde Michiel aan.


‘Of zij uit jouw hemel,’ zei Hannah.


We begonnen grapjes te maken over overbezorgde ouders, onhandelbare pubers en opvoeden volgens de boekjes.
Tot onze verbazing hoorden we het tien uur slaan.


‘Ik moest al uren thuis zijn,’ zei Elias. ‘Ruimen jullie hier de boel op, en zullen we de andere spelen voor volgende week houden?’


‘Hier neem nog een stuk taart en een paar koffiekoeken mee voor deze nacht, mocht je weer eens over je dinosaurus-vader dromen,’ zei Hannah. 
Wij hielpen de nep – engel weer tot jongen transformeren. Op mijn vraag of ik moest meegaan, zei hij:


’Bram, je bent al net zo bezorgd als je moeder! Ik vind mijn weg wel naar huis.’


‘Gaan ze vragen stellen, moet je nog iets verzinnen?’


‘Kunnen de muren vragen stellen? Tot vlug!’


’Je pakje! Tot weldra, Elias!’


Het dansend lichtje van zijn zaklamp verdween in de lange gang naar de wenteltrap.


In stilte ruimden we alles op. Ieder van ons wilde de voorbije uren overdenken. 
En al zou mama nog lang moeten opblijven, ik besloot met Hannah en Michiel het Putje te bezoeken om in meer wereldse sferen het begonnen gesprek te kunnen verder zetten. 
Ik kon hen moeilijk over David vertellen, mijn leraar en mijn vriend die mij leerde te zijn wie ik ben. Hoe hij als een vriend des huizes werd ontvangen door mijn moeder, tot ze zich afvroeg of een jongen van mijn leeftijd op die manier met een volwassene moest omgaan. Een vraag die pas bij haar opkwam toen ze bemerkte dat hij niet zo zeer in haar persoon dan wel in mij geïnteresseerd was.


’Mams, jij bent toch ook een volwassene, en kijk hoe intiem wij met elkaar omgaan.’


‘Ze was niet boos, maar wel droevig.


‘Later zou ik het wel begrijpen,’ zei ze. Later.

anton van dalen 2006_12_WB.jpg

de kunstwerken zijn van anton van dalen.

TRIANGEL (16)

SLewitt_PaperCitizen4326_space_SL1009_10_63x49_in.jpg

22. Mannendromen


Neem nu een nocturne van Chopin. (Opus 27 nr 2) Ze begint heel zacht, dromerig. Je kunt nauwelijks je vingers op de toetsen zetten of de klank barst uit zijn ingehouden melancholie. Het tweede gedeelte echter is vuurwerk, het resultaat van al dat wachten en uitstellen. Begin met die wijsheid dan weer terug aan het derde gedeelte, vrijwel identiek aan het begin.


Mijn leven is een verzameling eerste en laatste gedeeltes. De tussenstukken ontbreken.
Op de piano of cello is enige acrobatie niet uitgesloten, maar in het werkelijke leven? Vrienden heb ik niet nodig of vind ik te dom. Hun muziek laat me koud. Meisjes ter verkenning of om er lange gesprekken mee te voeren. De afstandelijke muze. Ik kan ze op notenpapier uitkleden en er vrij esthetisch mee vrijen, maar in werkelijkheid blijft dit beperkt tot kussen op de terugweg, een wat krakkemikkig geprobeer op een klasweekend, en als de gelegenheid zich voordeed, de teleurstelling dat we niet verder dan de al duizend keer gestamelde woorden en zinnen komen, met dito handelingen. Waar zouden we ’t ook anders geleerd hebben?

De moeilijk bereikbare meisjes wegens te mooi, te ver of te grillig vinden je een sufferd als je niet op hun avances ingaat. De meisjes in handbereik, arm rond je schouder terwijl je hun lievelingsmuziekjes speelt, houden het geen twee weken met mij uit omdat ze naast de kussen en het vrijen ook nog een mening moeten hebben en ik als jachtbuit of statussymbool weinig voorstel.


Ik heb dan ook de naam een moeilijke te zijn, een artiest. 
Ik zeg niet veel, luister liever, probeer met goed gekozen one – liners een discussie ten gronde te ontlopen en gebruik mijn ironie of cynisme als laatste vluchtweg.

Nu we een week of twee tegen elkaar zijn opgebotst, is niets nog hetzelfde gebleven. ‘Dat is het einde van de puberteit,’ beweren mijn ouders.


Ze kijken me dan begripvol aan, wachten tot ik mijn hart zal uitstorten en gaan net zo liefdevol weg als ik blijf zwijgen. ‘De leeftijd,’ meneer.’ En: ‘Hij heeft gelukkig zijn piano of zijn cello.’ Aandoenlijk zijn ze. Echte schatten.


Nu heb ik zelf mijn arm om iemands schouders gelegd. De vorige pogingen hebben clownskleren aan als ik aan dit moment terugdenk.


Hannah.


Ik heb gelukkig mijn piano. Nocturne opus 27 nr. 2. 


De muze wacht. Is het spot of een vleugje melancholie op haar lippen?

SLewitt_Monograms1_2008.jpg

23. Het begin van de herfst.


Een beeld van de heilige Antonius verwelkomde ons op de speelzolder. Aan zijn voeten zat er een varkentje, of was het omdat hij als patroon van de verloren voorwerpen werd vereerd? (onderschrift op de sokkel)


We hadden met doeken, processievlaggen en zaklampen de ruimte tot een soort Oosterse grot van Alibaba omgetoverd.


Bij het binnenkomen werd je verzocht je tot engel om te kleden. We stalden onze broodjes en toespijzen uit op een groot laken waarop de letters IHS stonden afgedrukt.


Iedereen had een picknick voor de anderen bij, met een massaal teveel aan broodjes, koffiekoeken en taartjes tot gevolg. 
Als drank fungeerde cola in blik, flessen sinaasappelsap en botermelk met aardbeiensmaak. Gelukkig had ik aan bekertjes gedacht.


Zie je ons als engelen bij elkaar zitten, broodje in de ene en blikje frisdrank in de andere hand? Elias, dit keer in een donker rood manteltje met de bekende nepvleugeltjes, bediende ons. 


Van hemelse onderwerpen kwamen we al vlug via onze schoolbekommernissen bij het dagelijkse leven uit.


Ik beweerde dat onze leraar Latijn het onmogelijke deed om zich gehaat te maken. 
’Nachtmerries heb ik van die man!’
’

Ik heb ook nachtmerries,’ zei Elias. ‘Ik droom dan dat mijn papa een reusachtige dinosaurus is, een tyrannosaurus rex. Hij komt door de muren mijn kamer binnen gestormd. Vijf meter lang, en tanden van vijftien centimeter. Ik schrik dan gillend wakker. Mijn vader probeert me daarna te troosten. Die beesten zijn al vijfenzestig miljoen jaar geleden uitgestorven, Elias.’


’Bang voor je eigen papa?’

‘Niet van die dinosaurus, maar van het geweld waarmee hij door de muren stormt. Ik zei hem dat ik eerder medelijden met hem had, geen schrik.’


’Medelijden?’


’Ja, omdat hij in mijn droom de laatste overlevende dinosaurus is. Ikzelf zat nog altijd in dat ei. En de schalen van dat ei waren zo hard dat we ze niet meer konden breken.’


Ik herkende onmiddellijk de angst waarover hij me enkele weken terug in de bus had verteld.


’Jij wilt echt niet geboren worden. Het ruimteschip weet je nog, en nu nog eens die eieren met veel te dikke schalen.’


‘Ik ben wel duizend keer geboren, Hannah. Daarom hou ik zoveel van verhaaltjes en spelletjes. Je bent er telkens iemand anders.’


’Maar wie ben je dan echt?’ wilde Michiel weten.


’Je hebt een papa en een mama, en die hebben op hun beurt een mama en een papa die ook weer op hun beurt vaders en moeders hadden, en ga zo maar door. 
Van al die duizenden voorouders heb je herinneringen en verlangens, en dat noemen wij verhaaltjes.’


’We hebben dus nog herinneringen van de dieren ook, want dat zijn tenslotte ook voorouders?’


’Natuurlijk hebben we die. Het zijn onze bijna oudste herinneringen, Bram. Nog ouder en je komt in de grote droomtijd uit. Bij de engelen bijvoorbeeld.’
’

En toch wil jij blijkbaar niet verder geboren worden?’


‘Als niemand nog in verhaaltjes gelooft, dan denk ik dat het einde der tijden dichtbij is.’


‘Maar kijk naar de televisie. Duizenden verhaaltjes per dag,’ zei Michiel.


‘Dat zijn geen verhaaltjes want ze komen uit geen enkele herinnering. Het zijn niemands dromen. Het zijn nep – dromen.’


‘Maar de mensen zijn er gek op.’


’ Met die verhaaltjes moet je nooit in de spiegel zien. Je trekt wel andere kleren aan, maar je er probeert je echte huid mee te verbergen. Daarom trekken dieren nooit kleren aan. Ze hebben niets te verbergen.’


‘En wij dan in onze engelenkleren?’


’Ze helpen ons herinneren denk ik. Het mooist zouden we zonder zijn, zoals in het oudste verhaal. Het verhaal van Adam en Eva. Maar dan heb je wellicht eerst die prachtige tuin nodig, het Aards Paradijs.’


‘Elias, waar heb je dit allemaal gelezen?’


’Je moet het je gewoon herinneren, Bram. Ik maak heel veel tijd om te herinneren. Noem het dromen. Tot de leraar roept: Elias, waar zit je met je gedachten? Je bent hier niet in ’t Oude Testament! En de anderen maar lachen. Maar ik heb hem geantwoord: ‘Ik ben er wel, maar u niet, en dat is het probleem. Dus moet ik volgende week naar de strafstudie.’


‘Als wij nu al met zijn drieën weer in verhaaltjes geloven, zouden we dan het einde der tijden niet even kunnen uitstellen?’


‘Afgesproken, tot na de winter dan. Bram, ik wil met jou een verschrikkelijk wreed verhaaltje spelen. Durf je?’


‘Het kan niet wreed genoeg zijn, droomprofeetje van mijn voeten!’

 

Slewittandy-warhol.jpg

Dit is het laatste van de drie portretten, hun evolutie sinds het moment dat ze letterlijk tegen elkaar zijn opgebotst.
Daarna leidt Elias het volgende spel in. Eens ze als engel verkleed zijn vertelt hij over zijn nachtmerries. Angst en medelijden met het beeld van de laatste dinosaurus, de harde eierschalen die het jong beletten geboren te worden.
Toch heeft hij al meer dan duizend levens gekend, zegt hij.  Onze collectieve geheugens gaan terug tot bij de dieren en de droomtijd.
We hebben ons in het hersenonderzoek beperkt tot chemische verklaringen van het geheugen tot we ook daar begonnen te ervaren dat geheugeninhouden (wat we bijvoorbeeld aangeleerd kregen) overgeërfd kunnen worden.
In het tijdelijke komen elementen uit de voorouderlijke geheugens bovendrijven, een ervaring die je niet altijd kunt duiden.
Wij zijn in de beperkte tijd van ons bestaan ook een verlenging van duizenden voor ons, een huiveringwekkend idee, inderdaad.
Is dit een troost voor de sterfelijken of bestaan er andere pleisters op de wonde van het verdwijnen?

 

Slewitt_Capturingimages-Patience.jpg

 

 de kunstwerken zijn van Sam Lewitt verbonden aan de Miguel Abreu Gallery NY

TRIANGEL (15)

aberation_orig.jpg

21. Vrouwenharten


Bijna tegelijkertijd zegden we ‘Iets drinken?’ 


Ze was een tijdje aan haar fiets blijven prutsen tot Michiel en Elias waren weggereden en ik wilde vragen of ik kon helpen. We keken elkaar aan en zegden samen: ‘Iets drinken?’
Het Putje achter de Grote Markt was the place to be toen ik met Rikkie en later met Karen en nog later met Rikkie en Karen, lange besprekingen voerde over het leven en de liefde.


Zij een witte wijn, ik een donkere trappist terwijl de klassieke openingszinnen ‘…al vroeg donker, hé?’ en ‘ook al zoveel huiswerk?’ de weg effenden naar het meer diepgravende. 
Daarna wisselden we onze e-mail adressen uit, babbelden we over de respectievelijke uurroosters en na ‘gezondheid’ en ‘tjing-tjing’ en de eerste slok, viel er een diepe stilte.


Belachelijk maar waar, we begonnen weer tegelijkertijd met het gesprek zodat onze zinnen op elkaar botsten en we elkaar de eer gunden om te beginnen.


‘Zeg jij maar, Hannah.’


’Neen, jij.’


’Bon. Wat denk jij van Elias?’


‘Hij is tegelijkertijd een prins maar ook een bedeljongen, om bij het bekende verhaal te blijven.’

.’
We probeerden onze ontmoetingen met hem te omschrijven, zochten naar signalen maar kwamen tot de slotsom dat hij het meest wonderlijke kind was dat we ooit hadden ontmoet.

‘Soms wil ik zijn moeder zijn en dan weer zijn zusje, maar een andere keer is hij het die mij in bescherming neemt.

‘
Hij lijkt soms een en al verdriet en eenzaamheid maar tegelijkertijd beheerst hij de situatie, doorziet hij ons, maakt hij dingen los die hij waarschijnlijk zelf niet beseft.’ 


Hannah zweeg.


’Dat van dat losmaken, dat is zo.

‘
Ikzelf dacht terug aan de rit op de paardjesmolen. De kleine Bram, huilend in de armen van zijn moeder. Het spelletje in de kast. De wenende Hannah.


‘Ik kan er nog niet over praten, Bram. Meestal heb ik mijn emoties goed onder controle, zeker in gezelschap. Toch voel ik me ook enorm opgelucht.’


‘Zoals Michiel zei: opnieuw geboren worden. En niemand vindt het erg dat een baby huilt als hij geboren wordt. Integendeel!’


’Vele van mijn vrienden en vriendinnen koketteren met hun emoties. Ze gebruiken hun zogezegd leed om aandacht te trekken, om interessant te zijn, in plaats van er zelf iets aan te doen. Dat vind ik afschuwelijk.’


‘Ik vind jou heel moedig, Hannah. Sterk en moedig.’


‘En ik vind jou…Verdomme, die stomme blos op mijn wangen.’
’

Vervelend voor jou maar best mooi om te zien.’


’Jij bent zo anders dan de jongens die ik ken.’


‘Dat zou ik zelfs statistisch kunnen bewijzen, vermoed ik.’
’

Huh?’
’

Niet op letten. Mama werkt met statistieken voor een sociale instelling. Wat ze niet met statistieken kan uitdrukken, bestaat niet.’


’Mijn papa is architect. Met nog enkele collega’s hebben ze samen een bureau. Mama doet de boekhouding. We hebben wel heel zakelijke moeders.’


‘In het huishouden heeft ze geen last van statistieken. Integendeel. Improvisatie à la carte en omdat mijn vader in ’t zuiden van Frankrijk woont, beredder ik eten en drinken en zorgt zij voor de animatie.’
’

Vandaar dat volwassene in jou.’


‘Pure pose. Ik ben een kind. Een groot kind. Met overtuiging.’


Ze nam mijn hand, streelde ze en legde ze voorzichtig terug op het tafeltje.’


‘Michiel is weer heel anders dan jij.’


‘Gelukkig maar.’


We bestelden nog een keer hetzelfde.


’Jij hebt zeker veel vriendinnen?’
’

Waarom?’


‘Bij jou voelen meisjes zich thuis, denk ik.’


‘We zouden dus zusjes kunnen zijn?’
’

Maar heb je ook een vrouwenhart?’


’Een vrouwenhart, ja. Maar ook nog mannendromen. Aha!’


We lachten en begonnen over leraars en leraressen te kletsen.
Onze schaakstukken stonden opgesteld. De eerste openingen waren gemaakt. We hadden duidelijk besloten nog geen stukken op te offeren.

penone.jpg

de kunstwerken zijn van William Holton verbonden aan de Janet Kurnatowski Gallery NY