TRIANGEL (24)

jenny Morgan_HIATUS0.jpg

 

2. Twee jongens en één meisje

Overloop ik de voorbije gebeurtenissen dan zeg ik zonder schaamte: Hannah, de hongerige.

Hannah bepaalde dat er op Elias werd gewacht. Hannah sleept de matrasjes aan. Hannah zegt: kom dichterbij, ik heb het een beetje kou. Hannah neemt Brams handen en wrijft ze warm. Hannah neemt het initiatief voor het wie-is-wie-spelletje. Hannah verspreekt zich als ze denkt Brams lippen te voelen. (de wens als vader van de gedachte!)


Hannah geeft teken tot gezamenlijk kussen, kust Bram, wijst Bram naar Michiels mond en loopt met haar handen over Brams zachte borst en buik.
 Hannah is blijkbaar een ondernemend meisje.

Ik spreek wel vaker in de derde persoon over mezelf. Die zelf – analyse leerde ik van mijn moeder. Jezelf onder ogen durven zien.


In de verzameling beelden die ik bij het samenstellen van deze geschriften probeer te ordenen is die avond me heel lief gebleven.


Al vertrouw ik erg op mijn intuïtie, ik heb nood aan rangschikkingen. 
Als ik mezelf tussen hen beiden zie zitten, de knieën hoog opgetrokken onder het te korte slaapzak – deken, wist ik al dat deze avond maar een beetje tekort aan redelijkheid nodig had om -wat mij betreft- charmant te ontsporen.

Er zijn jongens of mannen die door hun gedrag veel plaats innemen. Ze maken grote gebaren, kunnen nauwelijks met hun schouders door het gat van de deur en denken door die drukte het camouflagenet voor hun angst te hebben gevonden.


Zeldzame jongens nemen door hun uitstraling veel plaats in. Ze zijn aanwezig zonder het zelf te willen. Elias bijvoorbeeld. Hij had natuurlijk het voordeel van zijn jonge leeftijd en de daarmee verbonden schoonheid. Om het met een Frans auteur te zeggen: ‘Je krijgt slechts later de kop die je verdient.’ (Tournier)


Denk ik terug aan Bram, bekijk ik hem op mijn foto’s, ontleed ik zijn bewegingen in de film van mijn geheugen, dan was hij voor mij zo’n zeldzame jongen.


De manier waarop hij je aanraakt, de druk van zijn eerste kus. Hij kan niet anders. Hij is helemaal Bram.


Zo, we zijn terug op de zolder. 
Hij is ook niet de kluns, de sympathieke rommelige figuur die in show- en televisiemiddens zo’n succes hebben gekend.


Zijn impulsen beheerst hij zoals een volwassen kind van dertien.
Als we onder het grote laken liggen, wil ik hem bereiken. Medemeisjes weten wat ik bedoel. Ik weet dat ik hem binnen de vijf minuten zal kunnen kussen. Dat is geen strategie, dat is spelen. De meeste jongens zijn naar mijn aanvoelen armzalige spelers. Ze missen verbeelding. Ze zijn meestal zo overweldigd door de druk op de ketel dat elke vorm van subtiel genieten hen ontgaat.


Hebben ze ruzie gemaakt dan denken ze dat ze door hevig vrijen de draad weer kunnen oppakken. Te veel lul, te weinig atmosfeer.


Voor mij zijn jongens altijd ‘atmosfeer’ geweest. In te ademen, levensnoodzakelijke omgeving. Voor je echter atmosfeer kunt scheppen zijn jongens al met je adem weg. Ze kussen niet, ze zuigen de lucht uit je longen. Ze zijn al aan ’t pakken voor ze iets hebben gegeven.

Ik wist dus heel goed dat Michiel mij kuste. Toch noemde ik Brams naam. Uit speelplezier. 
Speelbedrog.


Als Bram in het midden lag, kon ik gemakkelijk mijn beurt opeisen. Maar ik doe teken aan Michiel. We zullen hem langs beide kanten op zijn wang kussen.


Ik zie Michiel me heel even aankijken. Met een radeloze blik. Maar ook Michiel is slim. Hij weet dat dit ook zijn kans zal zijn. Zijn lippen trillen eventjes als ze de mijne raken. Hij heeft weinig ervaring maar wil dat ook niet verbergen. Daardoor wordt zijn kus licht, voel je dat je kunt blijven ademen. 
Omdat ik weet dat ik via zijn lippen naar Brams mond kan, is mijn kus voor Michiel net zo lieftallig. 
Ik zie Bram zijn ogen openen. Voor hij iets kan zeggen ben ik bij zijn mond.


Andere jongens zouden misschien schrikken of hun kans nemen, maar Bram weet dat iedereen zal delen in deze innigheid. Zo beantwoordt hij ook mijn kus. Hij heeft inderdaad een vrouwenhart, deze kostbare.

We liggen bij elkaar en vinden elkanders huid. Omdat Bram op zijn rug ligt, streel ik over zijn borst en zijn buik.


Zijn vel voelt heel ontspannen. Een jongen al met man gemengd. Mijn streelruimte is beperkt. Bijna wil ik zijn hemd losknopen, maar op dat ogenblik begint hij over de drie zijden van de driehoek. Ik zie de figuur heel visueel voor mij en besef dat de scherpe hoeken ons kunnen pijn doen. Daarom ruil ik het beeld voor dat van de triangel in. De heldere toon.

Als Michiel ons uitnodigt om de hele nacht bij elkaar te blijven, weet ik dat we daar niet klaar voor zijn. De oma van dienst treedt op. (Wat ik vertelde had ik voor ik naar de zolder kwam al uitgevoerd. Zij haar dame blanche, ik mijn milkshake aardbeien.)

Of was ik te bang om nooit meer van zijn liefelijk lijf te genezen?

jennifer paige cohen0015.jpg

 3. Wolfgang en Michiel

Toen ik onder het grote laken lag, moest ik aan Wolfgang denken. Mozart. Hoe hij geblinddoekt voor de hoven van Europa speelde. Het kunstaapje met zijn zusje Nannerl. 
’Hoe schattig,’


Nu was ik geblinddoekt, moest ik raden wie er mij aanraakte.


’Bram,’ zei ik. De stevige hand, mijn cliché dat dergelijke hand bij een jongen hoort. Toen ik later Brams hand op mijn rug voelde, tekende hij krullen, streepjes en warrige lijnen op mijn vel. Veel vrouwelijker, maar met een soort beslistheid die je zelden bij jongens vindt. Bij hen wordt het bijna dadelijk brutaliteit of onbeholpen gestuntel.


Haar sterkte en zijn tederheid verbaasden met die avond het meest. Hannah regisseerde ons met een natuurlijkheid die ik voordien nog niet bij haar had ontdekt.


Daarom ook dat ik dadelijk meedeed met de dubbele kus voor Bram. Niet alleen daardoor, ook omdat ik bij Bram de kwetsbaarheid herkende die ik eerder in het zwembad had meegemaakt. Kwetsbaarheid wil niet dadelijk ‘zwakte’ zeggen. Ook dat is een wijd verspreid misverstand. 
Het kind Wolfgang heb ik tot ver in zijn latere muziek teruggevonden. Daarom koos ik voor mijn beschrijving van die avond het larghetto van het piano trio. 
Hij was dertig of eenendertig jaar toen hij het schreef. Toch vind ik er het heimwee naar lange avonden in terug. Je zou het gemakshalve het voorbije kunnen noemen.
Het voorbije, die lange sleep die we achter ons aanzeulen, telkens met meer dagen beladen.Die nacht riep de muziek eerder de herinnering aan de innigheid op, aan de nabijheid waarvan ik wist dat ze maar één keer de eerste keer kon zijn.

Toen ik Brams wang had gekust en ik haar mond vond, hoorde ik muziek. Geen bepaalde melodie of componist, maar klanken waarin hoge en lage tonen zich met windgeruis en verre treinen vermengden.


Ik volgde dus haar vinger om Brams lippen te kussen, een kus als vervolg op de hare.

Ik was geen kusser. Integendeel. Vaak zag ik in filmen vrouwen en mannen smekkende geluiden maken, of zuigen en happen waardoor ik het vermoeden kreeg dat het hier eerder om wederzijds verslinden dan om liefde zou gaan. Op die manier hoefde het dus niet.

Het passionele blijf ik tot in de muziek wantrouwen. Passie was mij niet vreemd, ook niet in mijn tienerjaren, maar juist omdat ik er mij zo gemakkelijk aan overgaf, groeide met de tijd dat wantrouwen. Wie te dikwijls in een hinderlaag valt, begint uit te kijken.

Het pianotrio draaide ik de volgende dag, als poging om de herinnering aan de voorbije nacht met het allermooiste te blijven associëren. 
De drie instrumenten. Hannah, de viool, ikzelf de piano, Bram de cello.
Het is moeilijk om met letters over muziek te schrijven. Wie het larghetto beluistert zal mij begrijpen. Het is de innigheid, het voortdurend verstrengelen van de drie instrumenten. Ze versmachten elkaar niet, maar hun combinaties vullen de afstanden, hollen op het thema vooruit of vervolmaken het.

Voor de eerste keer begon ik muziek met mijn eigen levenservaringen te verbinden. Tot nu diende muziek om te laten zien wat je kon, hoe ver je al technisch was gevorderd. De blinddoek en het jonge wonderkind. Zoet portret met juichende ouders op de achtergrond.

Ik ontken de noodzaak van dit technisch kunnen niet, maar als jongen had ik alleen maar die prestatie voor ogen, niet omdat het mij aan ervaringen ontbrak, maar wel omdat ik nog altijd met dat blinddoek voor mijn ogen liep, opgesloten in mijn eigen donkere kamer waarin de spiegel het vermeende venster naar buiten was.


Nu werd ik gedwongen die zekerheden te verlaten. Voor mijn nieuwe vrienden had ik immers geen verleden, net zo min als zij er voor mij een hadden.
We werden als onbekenden tegen elkaar gesmakt. 
Als ik mij de jonge Mozart probeer voor te stellen denk ik vaak aan Elias. Al zullen mensen hen beiden uitzonderlijk noemen, het is best mogelijk dat wij diezelfde gaven hebben laten afsterven of dat het soort onderwijs dat wij krijgen voor hun vroege dood heeft gezorgd.

Terwijl het larghetto draait, ontdek ik dat in het jaar van zijn ontstaan de verhalen en reizen van Baron von Münchausen zijn verschenen. In dat jaar begint Goethe aan zijn eerste Italiaanse reis en in Madrid krijgt de schilder Goya een aanstelling aan het Spaanse hof. 
Maar ik mag ook niet vergeten dat Mozarts derde zoontje Johann Thomas Leopold op 18 oktober wordt geboren en een maand later sterft.


Prima la musica e poi le parole. (Eerst de muziek en dan het woord) De titel van de kleine opera van Salieri die ook dat jaar in première gaat.

Michiel begon hierna aan zijn huistaak wiskunde. De blinddoek als handdoek in de ring.

scott reeder the pianist.jpg