TRIANGEL (44)

 

 

Night_Writing_Hero_and_Leander_hr3.jpg

53. Woorden bij de verandering van aanwezigheid


1.

Ontdaan van alle apparatuur, in de ontspanning van nooit meer pijn te moeten voelen, lig je daar.


Je ogen gesloten.


Je mond een beetje open.


Alles is gezegd, hoor ik je in deze stilte denken.


Of beginnen we eindelijk te spreken?


We leven in twee tijdperken. Is de muur ertussen te hoog of te dik? Of vind ik het poortje waardoor we bij elkaar in en uit kunnen lopen?


Tot op dit bed heb je mij geleerd het onafwendbare onder ogen te durven zien.


Onder betonnen schuldgevoelens verpletterd, heb je mij uit de donkere kast geduwd. Mijn eindeloos verlies viel in scherven. Het bevroren broertje in mijn hart mocht als een kind van vlees en bloed zijn weg gaan. 
Toen Stefaan daar lag, ben ik weggevlucht. Nu, terwijl ik bij jou op bed zit, neem ik jullie beiden in mijn armen.


Net zoals vroeger geef je geen antwoord op mijn vragen.


Waarom ook?


Jouw korte leventje was het antwoord.


Met de onschuld waarmee je ons samenbracht, zag je engelen die het einde der tijden voorbereidden. Verweer was echter mogelijk. 
In verhalen en spelen hield je ons een spiegel voor, nam je ons mee naar het begin de tijden en bracht je ons tot aan een open dialoog met de dood.


Dit alles zonder voorbedachte rade.
Vanuit de intensiteit waarmee je leefde.


Met een scherp oog voor onze goed gecamoufleerde ikjes.

Ik weet bijna zeker dat ik je terug zal vinden.


Tussen de zilveren, gouden en blauwe bomen zie ik jullie spelen, jij en Steffie.


De koekoek roept in de verte.


In de meander van de rivier drijven jullie.


’Om ter eerst bij Hannah!’ roep je met je hese stem.


‘Om ter eerst!’ Het hoge geluid van Steffie.

De man naast mij zal jullie in mijn buik voelen bewegen.


2.

Zoals je daar ligt, maak je woordeloos mijn achterstand duidelijk.


Waar jij al bent, moet ik nog komen..


Zie je, zelfs hier kan ik jaloers zijn op jou.

Ben ik de eerste van de klas, een vrij goed leerling aan de muziekacademie, een graag geziene organisator in het schoolmilieu, tegenover de dagelijkse emoties ben ik een achterblijvertje, betweterij als schild tegenover zoveel sociale onkunde.


Predik ik de gematigdheid in doen en denken, ik ga me te buiten aan dagdromerij, sloof me uit om gezien te worden, terwijl ik de moeilijkste stukken repeteer om met deze acrobatiek de aandacht van mijn emotionele leegheid af te leiden.


Zelfs nu betrap ik mij er op dat ik meer met mezelf dan met jou bezig ben.
Toch was jij de eerste die mijn artistieke verkleedpartijen doorzag. 
Jouw leven en jouw spelen duldden geen compromis.


Je was een listig kereltje. 
Je liet je niet omkopen.


De manier waarop je met Hannah en Bram omging, schudde mij wakker. 
Ik ben een bang kind. Altijd geweest.


Bang om te zijn wie ik soms maar was.


Jouw leven verdreef die angst, maakte speelplaatsen vrij, waarin mijn slimmigheidjes door jou als pretentie werden ontmaskerd. 
Jouw spel herschiep hemel en aarde, nodigde steeds tot meespelen uit. 
Op jouw ziekenkamer probeerde ik de eerste keer niet uit eigenwaan te musiceren. Ik leerde mijn beperkte wereld verlaten. Mijn technisch kunnen zou vanaf dat moment de muziek en niet meer mijn glorie dienen.

Toen ik je mijn laatste verhaal vertelde, zag ik je soms knikken.


Je glimlachjes overstegen elk applaus.

Van op de piano kijken Bach en Mozart mij aan. Achter hun plaasteren hoofden begin jij te bewegen, mijn ‘speel-kameraad’.


Ga maar te keer in mij als ik mezelf weer oppomp tot artistieke kikker van dienst. 


En vergeef me dat ik zo woedend ben om jouw verlies.


Had ik het lot lief omdat het ons allen samenbracht, nu vervloek ik het omdat het jou zo ver heeft weggevoerd.
In elke noot probeer ik je terug te vinden.


3.

Ik kijk je aan.


Zo dadelijk proest hij het uit, denk ik. Gefopt, roept hij dan.


’Ik kan ook ernstig zijn, Brammie. De dood is een ernstige zaak.’


Je zou het spottend zeggen.


We hebben hem niet kunnen bepraten, makkertje.


Hij had er geen oor naar om je te laten gaan.


Zoals je ’s morgens, toen ik je kwam wakker maken, eerst één oog opende en dan je armen om mijn nek sloeg, zo zou ik alle jaren die mij resten in de grijparmen van het lot willen gooien, om je hier levend buiten te dragen.


Waarom ben je zo vlug opgebrand, engel met de onzichtbare vleugels?


Ik weet het, ik weet het, je leefde hevig, elke seconde was er wel iets dat je aandacht trok, broeide er een gek plan in je binnenste, wilde je de wereld te lijf gaan met je verhalen, droomde je luidop, barstte je in lachen uit, stelde je de meest vervelende maar noodzakelijke vragen en wou je nog op drie plaatsen tegelijk zijn.


Maar deze zuivere energie moet toch kunnen opwegen tegen ons veel drukker gejaag op geld en goederen, tegen onze miezerige pogingen elkaar te strikken voor het leven, tegen de belachelijke inspanningen om onze onzekerheden in carrière en aanzien te vertalen?


Twijfelde ik nog aan mijn beroepskeuze, ik ben nu vast besloten als arts dit verloren gevecht te wreken.

Toen we ‘tussen hemel en aarde’ speelden, begon ik te begrijpen dat ik uit mijn hemel moest vallen om aardse voeten te ontwikkelen. Mij losscheuren uit de overbezorgdheid, het huis verlaten, haar innigheid koesteren zonder eraan verslaafd te worden.


Dat ik nu ook nog mijn speelmakkertje verlies, vind ik wel een beetje te veel van het goede, jochie.


Verbaas je dus maar niet dat ik naast jou zit te snotteren, dat ik je tussen mijn tranen maar wazig zie liggen en ik je koude handjes vasthoud uit schrik in de diepste afgrond van mijn verdriet te vallen.

Als geen ander ken je mijn vulkanisch gemoed. De lava van woede en verdriet wordt de voedingsbodem om jouw dapper leven voort te zetten.


Het duurt een tijd voor hij gestold is.


Je zult me nog horen roepen, ik zal wild om me heen slaan.


Maar als ik jou dan in mijn pyjamajasje zie staan, of met je nepvleugeltjes om, of in je zwarte vertellers-tunica, geloof dan maar dat je aanwezigheid het op mijn kortstondige wanhoop zal halen.
Jouw ‘ontwerp voor een aards paradijs’ zal ook het mijne worden.

edgardo aragon 002.jpgde kunstwerken zijn van Teresita Fernandez en Klara Kristalova–Lehmann Maupin Gallery NY

TRIANGEL (43)

08_untitled (desert 247), 2009.jpg

52. Drie nagelaten teksten.


1.


Ik ben onzichtbaar.


Hoezo, dat kan niet?


Wie weggaat, wordt onzichtbaar.


Ik zal alleen nog zichtbaar zijn in je hoofd.


Als je je ogen sluit, kun je met mij komen spelen.


2.


Laat de deur een beetje openstaan,
dan hoor ik wanneer je komt.


Je hebt heel zachte voeten en je lacht al voor je binnenkomt.


Eerst komt je bolhoed binnen, en dan jij.


Je danst zonder muziek.


Je kust zonder lippen.


Zonder adem, adem je.


Zonder me op te tillen neem je mij mee.


3.


Ik loop met mama in de tuin.


Zozo, zegt ze, eindelijk ben je thuis.


We gaan kersen plukken en paaseieren rapen.


Elke dag komt sinterklaas.


Elke nacht zal het kerstnacht zijn.


Ik loop met mama in de tuin.

Zozo, zegt ze, eindelijk ben je thuis.

(Elias, engel op doorreis)

 

06_untitled (desert 61), 2008.jpg

 

TRIANGEL (42)

02_untitled (desert 17), 2008.jpg

 

3.


Met grote radiotelescopen beluisteren we de sterren en planeten. Geruis, geknetter, ver gesis. Op zoek naar een boodschap.


Als je niet te snel reist, kom je als Alexander of Mercator in onze geschiedenisboeken terecht. Met ietsje meer gas, vinden we je terug in het dal der koningen. Piramiden proberen je kortstondig verblijf te bevriezen. Nog sneller, en je bent een jongetje uit de grote Afrikaanse vlakten.


Natuurlijk wil je nog verder.


Net na de eerste tuin van Eden land je in de uitgebrande tuin. De engel met het vlammende zwaard stak de boel in de fik.


Er is een overvloed aan houtskool zo te zien. 


Onder een apenbroodboom zit God. 
Als je je capsule wilt verlaten, waarschuwt hij je voor de glassplinters. 
’Heeft u tijd voor mij?’ vraag je eerbiedig.
God kijkt niet op. Voor hem ligt een palmblad dat hij tot papier heeft gerecycleerd. Daarop tekent hij een plan voor de tweede tuin.


’Of U tijd voor mij heeft?’


God legt zijn staafje houtskool neer, opent zijn armen zodat je beseft dat aankomst en vertrek door zijn oneindige zachtheid worden uitgewist . Bij Hem is er plaats, want God is leegte zodat Hij van alles en iedereen die tot Hem komt, vervuld kan zijn.


‘Heb je nog tijd nodig? Ik dacht dat je genoeg tijd hebt gehad.’


Pas op, neem dat niet te letterlijk. God houdt van humor. Hij vindt zichzelf niet zo geweldig. Hij heeft er alles aan gedaan om een barmhartige en zachte God te zijn, en kijk maar eens aan wat zijn schepsels van Hem hebben gemaakt. 
De koning. De heerser. De krijgsheer. De Wreker. Superman. Gott sei mit uns. Dieu le veut.


Gewoon nog maar het feit dat vrijwel niemand (zelfs ik niet) Hem ooit als vrouw heeft voorgesteld zegt al genoeg van zijn creaties.


Geef toe, als dat het resultaat is van een Goddelijke carrière, dan is een beetje zelfspot wel op zijn plaats.


‘Omdat het mijn tijd was, vraag ik nu een beetje van uw tijd.’

Kijk, dat is nu een van Gods geheimen. Hij heeft zijn tijd en de schepsels kregen hun tijd. Ze mochten met die tijd doen wat ze wilden. Al wist hij dat ze hun tijd zouden verprutsen, dat ze altijd tijd te kort hadden, dat ze er geld mee zouden verdienen (time is money!) er theorieën mee zouden uitvinden over het verband tussen tijd en ruimte, het kon allemaal, want God houdt van vrijheid. Dat is een hoge vorm van liefde.


’Ik heb alle tijd voor jou,’ zegt God. Zullen we samen de nieuwe tuin bekijken?

‘
Je zit op zijn schommelschoot (God is het enige schepsel met een schommelschoot) en je voelt je helemaal thuis.


Hij laat je de prachtige wouden zien, grote waterpartijen, warmwaterbronnen, met sneeuw bedekte bergen en liefelijke dalen. Voor alle schepsels, groot en klein, zal er plaats zijn. Voor de vlinders en de dinosaurussen, voor de fruitvliegjes en de koningsarenden.


Wie op Gods schoot zit, is letterlijk en figuurlijk Gods pupil. De lieveling en het mooiste deel van het oog.


Iemands pupil zijn, is een groot voorrecht . Je bent iemand zo lief dat je langs zijn ogen mag kijken.


Het is een prachtig panorama waarin je tegelijkertijd heel ver en diep kunt waarnemen.


‘Waarom die tuin ontwerpen, als je weet dat de mensen hem zullen verwoesten? De meteoriet kan ik nog tegenhouden, maar zelfs dan vrees ik dat ze de dinosaurussen zullen onderwerpen, dat ze hen als wapen zullen inzetten, hun vlees zullen verhandelen..

De diepe wouden zullen ze kappen. Bij de kampvuren hoor je hen roddelen op zoek naar zondebokken.’


‘Ik respecteer de vrijheid van mijn schepsels. Ik ben tenslotte geen dictator van het goede.’


’Maar waarom dan die nieuwe tuin?’


‘Het is een beetje een cliché, maar ik geloof dat hij er ooit zal komen. Ze hebben groene vingers, maar hun ziel is nog te wit van de schrik. Schrik omdat ze denken dat ze maar tijdelijk zijn terwijl ze in feite in de tijd leven, in de eeuwen der eeuwen.’


‘Maar ik kan misschien de tijd verdrijven, de tijd doden?’


‘Wie verhalen vertelt, verdrijft de tijd, dat is juist. Je maakt de droomtijd weer wakker. Nu weten de mensen met hun tijd geen raad. Maar als de vertellers terugkomen, kun je de dwingende tijd verdrijven. Vertellers echter leven ook in de tijd. Ze delen het lot van de tijdelijken. Zou je toch niet beter hier blijven? God heeft immers de tijd aan zichzelf.’


‘Als ik de meteoriet kan uitschakelen, wat gebeurt er dan?’


‘Dan is het al het voorbije slechts een droom geweest en ben ik bereid aan een tweede droomtijd te beginnen.’


‘Maar ik heb Hannah, Michiel en Bram gekend. Worden ze dan een droom? ‘
’

Je zou ook terug naar hun tijd kunnen. Je boordraketten vervangen door vuurpijlen die de nieuwjaarsnachten verlichten, een lichtende troost voor de tijd die steeds maar verder gaat. Ze zullen jou niet dadelijk herkennen, maar je verhalen mengen zich met hun verhalen, en als je lang genoeg blijft vertellen, wordt de tuin zichtbaar. De tuin van de toekomst. Maar je mag ook hier blijven, als engel met echte vleugels in mijn tijdloze licht.’

Wat je ook zult doen, wij zullen over jou vertellen. Telkens weer zal je leven oplichten als een staartster boven de donkere hemel.


We zullen blijven spelen. 
Of je voor het zalige licht kiest, of je in de tweede tuin zult leven of terugkeert voor een nieuw leven als aardse verteller, wij verlaten je niet.


Misschien word je een van onze kinderen. We zullen je herkennen.


Intussen probeer ik met mijn piano en cello je portret te tekenen.

12_untitled (desert 54), 2011.jpg

(de kunstwerken zijn van David Zimmerman)

TRIANGEL (41)

donald elder 22de.jpg

2.

Sterren.


Sommige zijn nog met boterhammenpapier ingepakt. 


De reizigers nemen ze mee om er de donkerste nachten mee te verlichten. 


Reis je van het ene naar het andere heelal, wees dan niet bang als je door pikdonkere streken komt.
In het oudste heelal hebben engelen derde klas de sterren met hun katapulten uit de hemel geschoten.


Glimlach maar, het is echt waar.


Gewoon uit verveling omdat ze nog maar de derde stem mochten zingen, de backing – vocals bij de engelenkoren die naar de herders zijn gestuurd om er het ‘gloria in excelsis deo’ uit te voeren.


Die derde stem, of backing – vocals bestaat alleen uit ‘a-a-a’ na gloria en ‘o-o-o’ na deo, en dat tot die halfdronken herders begrepen hebben dat er een kind is geboren, en de engelen geen troep wulpse herderinnen zijn die bij hen in het veld komen liggen.


Uit pure balorigheid hebben de engelen derde klas in de donkerste plekken van het heelal, waar Gabriël of Michaël (aartsengelen) maar zeldzaam voorbijkomen, laat staan de Schitterende-in-hoogst-eigen-Persoon, de weinige sterren die er waren uit het zwerk geschoten.


Kom je daar voorbij, haal dan je lunchpakket boven en wikkel de meegenomen reserve-sterren uit het boterhammenpapier. Werp ze met een stevig draaiende beweging naar buiten, en enkele seconden later plakken ze met hun boterkant tegen het heelal terwijl ze eerst zacht, en daarna -als je ze vanuit een sterke pols hebt geworpen- in alle hevigheid schitteren.


Het is mogelijk dat er achter een nevel of gaswolk een bende derdeklassertjes hun katapult bovenhaalt om de nieuweling de volle laag te geven. Aarzel dan niet en duw op je remraketten. Klim op je ruimteschip en roep ze met strenge stem bij jou. Als je je mooie witte vleugels aanhebt, denken ze vast dat je een aartsengel bent.


‘Wat moet dat betekenen?’ vraag je dan streng.


Schud maar niet met je hoofd, je kunt best heel streng klinken, zeker als het maar fake is! 
Zie je ze daar rond jouw capsule fladderen, de katapult achter hun ruggetjes, met tomaatrode koppen?


Jij staat op blote voeten -vergeet dat niet, aartsengelen haten schoeisel- met je grote engelenvleugels om op je ruimteschip, en je vraagt nog eens wat ze aan ’t doen waren.

Ze zullen zeker allerlei uitvluchten verzinnen, let op!


Dat ze maar aan ’t oefenen waren voor de jaarlijkse kleiduif-competitie, een hemels festival waarin geoefende engelen op zwarte kleiduiven mikken, zinnebeeld van de anti-geest. 
Dat ze de katapulten gevonden hebben op een eilandje in de melkweg, waarschijnlijk door een bende ruimtepiraten daar verborgen om ze later weer op te halen en er voorbijtrekkende schepen mee te bedreigen.


Dat ze probeerden sterren voor de hemelse kerstboom (driehonderd meter hoog) te verzamelen en ze in hun ijver wel eens te hard van stapel liepen.
Je zet je handen in je heupen, en je zegt:


’Ik geloof er niets van! Jullie zijn gewoon vervelend omdat je slechts de backing vocals bij het Gloria in excelsis Deo mag doen en niet de gitaarsolo’s of de prachtige drumpartij (na het excelsis!)of het rockende Deo-Deo-de-Deo! ‘


Ze fladderen verlegen rond jouw capsule, loeren nu en dan eens stiekem naar binnen want dat de aartsengelen in zo’n blitse ruimte-bolide reisden was hen totaal onbekend.


‘We snappen eigenlijk niet goed wat die gloria in excelsis deo betekent, waarde A.E. (beetje vertrouwelijke aanspreektitel voor aartsengel.) We zingen het al duizend zeshonderd kerstmissen en dan betekenen zelfs de mooiste woorden niets meer.’


‘Kom maar eens mee,’ zeg jij dan. Er is trouwens plaats zat in je capsule, zeker als je weet dat zuivere, of bijna zuivere geesten zich in alle bochten kunnen wringen.


‘Waaaaw!!’ roepen ze, als je ze meeneemt. ‘Keitof, mag de radio op?’


En je duwt je Queen – cd in de speler. Je weet wel, ik heb ze voor jou gekopieerd, dezelfde waarop “the show must go on” staat. Maar nu draai je keihard: “Ride the wild wind!” terwijl je capsule door de oneindigheid scheurt!

‘Get your head down baby –

we’ re gonna ride tonight

Your angel eyes are shining bright

I wanna take your hand

-lead you from this place

Gonna leave it all behind.

Ride the wild wind!’


En in gedurfde pirouetten scheer je rakelings langs de naden waar drie heelallen aan elkaar zijn vastgestikt zodat ze een oneindig vergezicht te zien krijgen waar tijd en ruimte in steeds wisselende verhoudingen zichtbaar worden. Is het morgen dan komt eergisteren eraan, zag ik je verleden jaar als ouderling dan loop ik overmorgen met jou als jongetje van zeven aan mijn hand vliegers op te laten langs het melkwegstrand terwijl je grootouders nog moeten geboren worden.


Dat laat je ze dan zien zodat ze voor eeuwig het begrip ‘in excelsis (in den hoge) tot in de diepte van hun engelenogen hebben meegemaakt.


Geef ze dan vuurpijlen van alle kleuren: helderrood, sprankelend blauw, Orion-wazig-wit, eilandgroen, zonnebloemgeel, en laat ze die pijlen met hun katapulten in de ruimte schieten ter ere van de Schitterende, de Doorzichtige, degene met de naam van alle kinderen-op-reis. Van alfa tot omega.


Stuur ze dan terug naar hun thuisbasis terwijl je de nieuwe sterren laat meetrillen met Ride the wild wind.

‘Let me take your hand

Let me be your guide

Ride the wild wind!’

donald elder3de.jpg

TRIANGEL (40)

donald elder 11de.jpg

 

51. Ze hielden vol trouwe de wachte 
(naar een bekend kerstlied)


1.


’Ik heb dorst,’ zei je.


’Ik heb dorst,’ zei je, al kon je nauwelijks drinken.


Voorzichtig tilden wij je op, het glas aan je lippen.


Je proefde nauwelijks iets van het water, maar toen we je teruglegden zei je kreunend:

‘Goed water.’


Het goede water waaruit je gekomen was, dertien jaar geleden.


Het water waarin je watergrootvader leefde.


Het water van de rivier die de tuin van Eden bevloeide.


Het water van het meer waarin de mens zich een gezel spiegelde.


Het water waarboven Gods geest hing, 


Het goede water dat je lichaam voedde (hoe gulzig kon je drinken.) 


Het goede water dat net zo goed de kankercellen liet woekeren tot ze de zenuwbanen zouden bereiken en daar alles stillegden wat dertien jaar had bewogen.


Stop, zegden de armen. 


Stop met zwaaien (tot straks, Hannah, tot straks!) stop met balanceren, (tussen hemel en hemel, de eerste keer dat wij je zagen) stop met handenklappen, (de jury kent Hannah de prijs toe)

stop met omarmen. (blijf in mijn armen wonen, donkere verteller.)


Stop, zegden de ogen. 
Stop met zoeken (waar zijn jullie?), engelen herkennen, (zie je die twee kinderen daar?) kleuren zien. (zilveren, gouden en blauwe bomen).


Stop zegden de benen. 
Stop met lopen, (om ter eerst op de speelzolder?) hollen, springen, slenteren, klimmen. (de verteller in het aards paradijs)


Stop, zegden de lippen. 


Stop met vertellen (je moet je gewoon herinneren, Bram!), stop met proeven, heel lang drinken, kussen.

Stop.


Stop met ruiken, (de lucht van uitgeblazen kaarsen) stop met luisteren. (muziek voor het einde der tijden)


Stop.

‘Ik heb dorst,’ zei je, al kon je nauwelijks drinken.


Voor het goede water dat langs je mondhoeken terug op de lakens loopt, is het bijna te laat.


Spreken is moeilijk.


Eerder lijkt het versterkt hijgen, lucht in bepaalde klanken drukken.


Luisteren nog. Minieme tekens geven aan dat je alles begrijpt. Een kleine beweging van je pink, het nauwelijks bewegen van je lippen.


Telkens wij antwoord verwachten, weten we het te vangen.


Bijna helemaal verlamd zoek je naar een andere taal. Woordeloos. Ontdaan van elk gebaar.Toch spreken we nog met elkaar.


De stilte suist in onze oren. De ziekenhuisgeluiden echoën ver van ons. 
We drijven af.


Nauwelijks samen, verlaten wij elkaar.


We dialogeren in trillingen, zoals het water dat door de wind vingerlicht wordt aangeraakt en grillige rimpels trekt.


We bereiden ons voor om, eens we weg zijn van elkaar, in een onzegbare taal met elkaar in contact te blijven.


Eindelijk leren we spreken.


Je luistert naar Robinson Crusoë. Als we ophouden met voorlezen, voelen we of je nog vraagt, of je rusten wil.


Je vernietigt ons zelfmedelijden met je moed, je inspanningen tot het uiterste.

Ik heb dorst, zei je, al kon je nauwelijks drinken.


Hannah heeft haar vinger in het glas gedoopt en tussen je lippen gestoken, je tong, en je gehemelte ingestreken met water.


Goed water, zei je, onhoorbaar bijna.

donald elder 14de.jpg

(de kunstwerken zijn van Donald Elder USA)

TRIANGEL (39)

marc harrold 11.jpg

50. De capsule


Zachter sprak hij, maar duidelijk en heel bewust.


‘Ik schakel langzaam over op afstandsbediening,’ zei hij terwijl hij naar de slangetjes en draadjes wees. 


Wij wisten niet wat we moesten antwoorden.


Waar hij bereikbaar was, streelden we hem.


’Ik denk dat ik terugreis,’ zei hij. ‘Terug naar de tweede tuin.’


Wij knikten.
’

Wij zullen voor jou de capsule bouwen,’ zei Bram.


’Vergeet de raketten niet. Ik wil de meteoor in stukken schieten voor hij op aarde komt.’


’Eén druk op de knop zal volstaan.’


We bleven bij hem zitten, tot hij in slaap gleed.


Hannah tekende naar gegevens van Bram en Michiel de capsule. Ouders en vrienden werkten mee om ze uit te voeren.


We mochten een lege kamer, met zicht op de grote tuin inrichten.


Ontelbare kleine kerstlampjes verwerkten we in een donkere gekromde hemel van zwart gespoten piepschuim en karton. Boven het bed monteerden we een tweede koepel met doorzichtige strak gespannen plastic , het dak van de capsule. 


Door het grote raam kon je naar buiten kijken. Voor de avond en de nacht ontwierpen we een onrechtstreekse verlichting die door kleine gaatjes van de rolgordijnen een dieptebeeld van een volgend heelal creëerde. 


Aan zijn linkerkant een reeks gemakkelijk bereikbare oplichtende drukknoppen waarmee hij zijn capsule zou besturen, en raketten kon afvuren. Een traag draaiende lamp projecteerde nevels en gaswolken op de muren.


Je kon met één schakelaar de capsule zichtbaar maken, of ze weer tot ziekenkamer omvormen. Alle nodige apparatuur voor aardse hulp bleef uiterst makkelijk in te stellen en te bedienen. Plaats voor monitoren, zuurstoftoediening, en andere medische machinerie werd als onderdeel van de capsule gereserveerd.

We hadden niet veel tijd. In minder dan enkele uren was zijn capsule gereed. 
Hij hield zijn handen voor zijn ogen toen we zijn bed binnenreden. Eens de werkelijke- en de droomapparaten met zijn lichaam en de capsule verbonden waren, doofden we de lichten.

Duizenden sterrenpuntjes gloeiden plotseling boven zijn hoofd. Traag trokken nevels en vreemde planeten voorbij. In de capsule hing een zachtblauwe schijn.


‘Laat me nu maar even alleen. Tijd voor koersbepaling.’ Terwijl tikte hij met zijn wijsvinger tegen zijn voorhoofd. ‘Prachtig werk, crew.

‘
Nog voor we buiten waren, sliep hij. Of was hij de enige die wakker was terwijl wij in een nare droom verder moesten leven?

 

 

marc harrold 60.jpg

de kunstwerken zijn van de fotograaf Marc Harrold NY

TRIANGEL (38)

alberto di fabio 41aaaabb10dc.jpg

48. Hannah’s droom


Voorzichtig, zei de nachtzuster. Het slaapt erg onrustig. Ze duwde de glazen deur open, keek even binnen voor ze me erin liet, en wenkte dan alsof ik een oude bekende was.


Daar, wees ze met haar wijsvinger naar de plaats boven het raam. Daar hangt het.


Werkelijk. Boven het venster, bijna tegen de zoldering hing het jongetje. Het had zijn blauwe ziekenhuispyjama nog aan. Zijn peervormig hoofdje hing ietsje naar rechts, als wilde het los van zijn lijfje, terwijl de armpjes ontspannen bungelden.


We houden de kamer zo koel mogelijk, zei de nachtzuster, maar het mag niet baten. Elke nacht hangt ongeveer op dezelfde plaats te slapen.


Klaagt het nooit over drukkende hoofdpijn, vroeg ik. Glijdt het soms niet in een diep coma?

De inwendige druk in de hersenpan is heel normaal, antwoordde ze, met een tikkeltje verwijt in haar fluisterende stem.


‘Ja, zo zo…’


‘De gasconcentratie in zijn hoofd schijnt geen enkele bijwerking te hebben op zijn gestel, noch is er een enig teken dat zijn functies verstoord zouden zijn. Het heeft een gashoofd, en als het dat kan koel houden, gebeurt er niets. Alleen ’s nachts, het zweven, zoals een ballon.

De kamer lag vol matrassen, kussens en dekens. Ik begreep dadelijk waarom. 
Rond vijf uur in de morgen begint het zachtjes te dalen, zei de nachtzuster. Heel zachtjes en het is meestal half zes vooraleer het op de grond is. Eén keer lag het op zijn bed, maar dat was louter toeval. Meestal slaapt het gewoon verder op een matrasje of een dekentje.

Droom het wel eens, vroeg ik haar. 


Neen. Tenminste, het herinnert zich geen dromen. ’s Morgens wordt het als een gewoon kind wakker, en dan uit het geen enkele klacht tenzij over de toestand van zijn morgeneitje dat te zacht of te hard gekookt is.


Hoogst, hoogst merkwaardig, zei ik.


‘Kom, want als we het nu plotseling zouden wakker maken, stort het misschien in één keer naar beneden.’


Ik aarzelde.


’Zuster, zei ik. Als we het nu langzaam konden koelen, heel geleidelijk zodat er geen plotse temperatuurverschillen kunnen ontstaan? Misschien zijn het wolken waterdamp in zijn hoofdje?’


Dat klinkt eerder idioot en hoogst onwetenschappelijk, zei de nachtzuster. Maar het is mogelijk. We proberen trouwens alles.

De volgende nacht brachten we het jongetje naar de koelkamer. Achter het glas keken we nauwkeurig toe terwijl de temperatuur zachtjes daalde.


Het zweeft niet meer, zei de nachtzuster, die vrij van dienst was maar toch aanwezig wilde zijn.

Het jongetje, in zijn blauwe ziekenhuispyjama, lag heel rustig in een lichte sluimerslaap. 
IJsbloemen verhinderde ons het verder te observeren.


Ik bekeek de temperatuurschaal.


Nu sneeuwt het in zijn hoofd, zei ik.


De nachtzuster knikte. Ze stond heel dicht bij mij.


Vervolgens zal het ineenschrompelen, zei ze, als een -ze zocht naar het juiste woord-

…
Als een embryo, vulde ik haar aan.


Juist, juist, antwoordde ze dankbaar.


Daarna verhogen we de temperatuur zodat het ijs in de kamer water wordt en als een vlies rond zijn ineengehurkt lijfje komt.


De verpakking dus, zei ik. 


Ze sloot de ogen.

De bloemen op het glas werden lange strepen waterdruppels zoals in een kamer waar op een vochtige dag veel mensen hebben samen gezeten.


Wie aandachtig luisterde, hoorde het water stromen.


Eerst leek het een ver gezoem, dan een trage rivier en tenslotte een klaterende beek, heel dichtbij.


Papa nam beneden de telefoon op. Ik hoorde hem verschillende keren ‘Ja, ja, ja..’ antwoorden. Toen kwam hij naar boven, klopte zachtjes op mijn deur.


Ik wist wat hij zou zeggen.


‘Elias?’


Hij knikte.
’

Zijn moeder belde vanuit het hospitaal. Hij is enkele uren geleden opgenomen. Het is heel ernstig. Hij vraagt naar jou.’

alberto di fabio 0aed997bb80c17.jpg

(de kunstwerken zijn van Alberto di Fabio, NY)

TRIANGEL (37)

lev019.jpg

47. Tien documenten uit de wintermaanden

Stel je voor dat je over vijfhonderd of duizend jaar deze fragmentjes zou terugvinden. Digitale beelden, (zo ouderwets als nu de wiegedrukken, maar wie weet net zo kostbaar.) muziekfragmenten, dagboek – uitreksels, enkele pagina’s van een fotoboek, kortom getuigenissen die je zelf moet plaatsen.


Elk boek, iedere film, hoe gedetailleerd ook, is zo’n fragment.
Deze documenten zijn accenten, schetsen, bewegende prentjes omdat de totaliteit niet meer reconstrueerbaar is zonder ze in hoge mate te vervalsen.


We hebben dus puzzelstukjes samen gelegd met daarin heel intense belevenissen, herinneringen, gesprekken, met de beperking dat ze maar vlammetjes zijn, zoals de kaarsen die onze spelletjes op de kerkzolder belichtten.


Uit die schemerzone kwamen ze naar boven drijven, bleven ze op ons netvlies branden.

Een andere reden is de onzegbaarheid. Michiel heeft zijn muziek, Bram het spel, ikzelf het beeld. Hier moeten we het woord loslaten bij gebrek aan beter.


Vaak zijn we blijven schrappen tot er maar enkele lijnen overbleven. We vertellen over onszelf in de derde persoon.

1. Emma en Hannah poseren samen in pasfoto – automaat . 
Drie fotootjes. Nummer één: Emma kijkt ernstig, Hannah probeert haar lach in te houden. 
Nummer twee: Twee Frankensteingezichten. Nummer drie: Hoofden dicht bij elkaar, overdadig met de ogen knipperend zodat Hannah’s ogen gesloten zijn in fel kontrast met Emma’s opengesperde ogen.


Na deze sessie gaan ze naar het Putje. Een lang gesprek waarin Hannah over haar liefde voor Bram vertelt, maar het net zo goed over Michiel en Elias heeft. Over de schuilplaats zwijgt ze.


Uit haar verhaal denkt ze dat Michiel veel voor Hannah voelt. Bram wellicht ook, maar op een heel andere manier. Zij vertelt over haar vriend Jan. Al jaren in dezelfde klas en pas nu ontdekt ze dat hij de grote liefde is.
 Ze besluiten samen non te worden. In een jongemannenklooster.


2. Bierkaartje met op de achterkant een driehoek getekend. Bovenaan de letter H. Rechts de M. en links de B. Middenin staat een E.


‘Vermoed Michiel iets van jouw verliefdheid?’ wil Karen weten.


‘Nada. Te verblind door Hannah,’ zegt Bram.


’Is dat wederzijds? Dat zie je toch dadelijk!’


‘Het duurde toch ook wel een maand of vijf eer jij het door had, Rikkie!’


‘Dat dacht je maar. Maar je kent mij: keep it cool.’


’Cool, jij?’ Bram schudt zijn hoofd. Ik zal maar zwijgen.’


‘En als we nu eens een pijl trekken van B. naar M., en van M. naar H., en van H. naar B.?’ vraagt Karen.
’

‘Uit wanhoop wachten ze dan met zijn allen tot Elias zestien, zeventien is en worden ze op hem verliefd.’


‘Elias zal altijd alleen blijven. Hij is een regisseur.’


‘En jij, Hannah?’


’Ik ook, ik ben de filmcriticus!’


3. Kopie van notenblad: praeludium uit suite nr 1 voor cello van J.S. Bach.


Ter beluistering, en nu en dan in erg vertraagd tempo mag hij zelf ook al eens proberen. Er staat wel moderato bij, pianissimo als begin, met al dadelijk een crescendo, en vandaar golvend naar mezzo forte om terug naar pianissimo ter keren, en klaar voor de volgende golf, de sprongen tussen de toppen en de diepte. 
Het is met schoonheid vooruit hollen tot de hoge uitloopnoot (re) (er net naast gegrepen!) waarop de speler heel zachtjes aan zijn tweede ronde begint. Wacht op mij! Net voor het einde met een goed voorbereide sprong, de hoogste noot identiek maar met steeds andere intervallen is hij er, en zweven ze in het eindakkoord (sol-si-sol), -orgelpunt dubbele forte-, naar de vlakte der gelukzaligheden.


In een film is dit een overdaad aan slow motions, een strand, inserts van gezichten, rennende blote voeten, net niet bij elkaar kunnen komen tot zij struikelt, hij over haar heen valt, samen van de duinen rollen, en uithijgen in elkanders armen waarop de grote vrijscène volgt. Michiel zucht bij zoveel clichés. Maar wat zou het heerlijk zijn er met Hannah de hoofdrol in te spelen.


Maar zoals het notenblad om geduld en tijd vraagt, zal zijn tocht naar haar in het beste geval een weg van lange adem zijn.


Ook in dit praeludium hoor je de spiegelingen, waarmee zowel het beeld als de verbeelding hem parten speelt. 
Na de stilte van het slotakkoord is er een kans dat je van een fata morgana moet genezen.


4. Met zijn vieren zijn ze hier in het klokkenmuseum.


’Als je je sneller dan het licht zou kunnen verplaatsen, kon je dan terug in de tijd?’ vraagt Elias. ‘Theoretisch is dat mogelijk. Je kunt zelfs jezelf tegenkomen in anti – materie,’ zegt Michiel. ‘Maar geef jezelf dan geen handdruk want een hevige lichtflits zou het enige zijn wat er van jou en je andere ik overblijft.’


Ze staan bij een grote staande klok waarop de stand van de maan boven de wijzerplaat is aangeduid.


’Een klok tikt niet, zegt altijd: “nu”, en “nu” en “nu” en “nu”. Als ze nog maar “nu” gezegd heeft, is die “nu” al verleden. In feite hebben we zelf de tijd uitgevonden.’


‘Ja, de tijd is dat korte moment tussen herinnering en verlangen,’ zegt Hannah.


‘En dat moment gebruiken we om ons iets te herinneren of om te verlangen,’ vult Bram aan.


’Hoe snel moet je vliegen om vijfenzestig miljoen jaar terug te keren in de tijd?’wil Elias weten.


’Ja, als je naar de binnenste horizon van een zwart gat valt, dan zou je in één flits de hele geschiedenis en de toekomst van de kosmos aan jou zien voorbijtrekken,’ antwoordt Michiel .’Maar waar kom je dan terecht?’


‘In een ander heelal.’


‘Zou je onderweg kunnen uitstappen als je aan de tijd van dinosaurussen komt?’


5.De eerste sneeuw: een foto vanuit Hannah’s slaapkamerraam genomen.


In een sneeuwlandschap klinken de geluiden anders. Ze zijn scherper. Helderder.
Ook het weerkaatsende licht zorgt voor een aparte atmosfeer. Al zijn de bewegingen gestold, verstild, de overbelichting tot in de kamers toe, veegt de banale details weg. Bij de dooi van de volgende dag wordt de rommel in de tuinen weer zichtbaar, het drassig geluid van auto’s vervangt de helderheid van spelende kinderstemmen.


Ze vraagt zich af of haar verlangen naar Bram niet in diezelfde overbelichting baadt? Of ze niet beter de dooi zou inzetten, hem recht op de man af vragen of er voor deze liefde kansen zijn. En of hun wederzijdse banale details de lente halen of struikelblokken voor het mooie wintersprookje zullen zijn.


Op deze foto valt het strijklicht over de witte tuinen. Of je ook de afdrukken van vogelpootjes of poezenvoeten zou zien?


Hoe ze in het witte licht op haar bed ging liggen en zijn naam zei. In het clair-ob’scur van het raam zou hij zich naar haar omdraaien. De naakte lente die de sneeuwkoningin kon ontdooien.


6. Kladpapiertje met Franse woordjes, door Elias bij Bram achtergelaten na zijn logeernacht.


Bovenaan staat “chercher, zoeken”. Daarachter “le futur”, de toekomst. Toevallig, twee woordjes bij elkaar waarna een opsomming van dieren op de boerderij volgt.



‘Je was veel aanweziger toen die jongen -hoe heet hij ook weer- hier was,’ zei zijn moeder.’

‘Bedoel je mijn “vaderlijke” blik?’ had hij gegrapt. 
’Ja, je zorgde voor hem als voor een eigen kind.’


De stilte daarna omdat ze beiden beseften dat er in zijn leven niet veel vaderlijke toestanden mogelijk zouden zijn.


’Ik zou net als jij veel te bezorgd zijn mocht ik een kind hebben.

‘
Of hij nog klachten of bezwaren had?


’Mijn minieme wrevels zouden nooit tegen de jouwe kunnen opwegen, ma.’


Ze beloonde zijn diplomatie met een kus.


‘Ik zal lang genoeg kind blijven, kun je en mijn moeder en mijn oma zijn.

‘
Toen hij weer op zijn kamer was, legde hij het papiertje onder een dik woordenboek. Zoals je bladeren droogt.


7. Kaartje van Kevin, vijftien: berglandschap met sneeuwtoppen.


Hield hij zich vroeger afzijdig als er iemand gepest werd, nu gaat hij erop af. Of Kevin hen iets misdaan had?


’Zie je dan niet dat hij jannet is!’


Petra, Manu en natuurlijk Adriaan.


’Al eens jezelf in de spiegel bekeken?

‘
’Hij komt op voor zijn soortgenootjes! Michiel, ook een echte naam voor een jannet. Kevin en Michiel, nu komt het uit.’


Tot zijn eigen grootste verbazing krijgt Adriaan een dreun onder zijn kinnebak van hem. ‘Tok’, zegt zijn kaaksbeen. Zijn plompe kop draait naar links. 
’Godver..!’
Hij wil uithalen, maar Michiels voet is net iets vlugger en ploft tussen zijn benen. Hij plooit dubbel. Manu zet automatisch twee stappen achteruit en Petra gaat gillen.


‘Weet de ene zak tenminste waar de andere hangt!’


Kevin staart hem met open mond aan.


‘Kom, Kevin.’


Applaus van de omstanders.


’ ’t Wordt tijd dat hij zelf eens op zijn donder krijgt.

‘
Als hij in de klas op zijn bank zit, trilt zijn lijf. Van schrik en de zenuwen. 
De volgende dag krijgt hij een kaartje van Kevin. Berglandschap met besneeuwde toppen.


’Dit kaartje om je te bedanken, Michiel. Het stond altijd voor mij op mijn bureel. Als ik het moeilijk had, dan keek ik naar de bergen waar ik vroeger met papa ging klimmen. Nu is het voor jou. Ik zal niet meer op mijn kop laten zitten! Kevin.

‘
Zonder de drie van de kerkzolder had hij dit nooit gedurfd. Hij houdt zich niet meer op de vlakte. Daar herinneren hem de bergen op Kevins kaartje aan.


8. Treinbiljet naar zone Brussel : uitstap met de vier naar het natuurhistorisch museum.


Een verrassing van Hannah. Bezoek aan de dinosaurussen. Bij aankomst neemt Elias ons mee naar de elf iguanodons wiens skeletten rechtop staan. Een twintigtal andere exemplaren liggen zoals ze gevonden zijn in de mijn van Bernissart.. Hij heeft het museum al eens met zijn ouders bezocht. Lang geleden.


Voor de nagebouwde modellen, bewegende maquettes op ware grootte, heeft hij weinig aandacht. Hij vindt ze eerder kinderachtig.


‘Ze zijn met opzet afschrikwekkend voorgesteld. Alsof je mensen in een museum zou zetten die elkaar vermoorden om aan wezens van een andere planeet iets over mensen te vertellen.’


‘Een eigenschap die mensen niet vreemd is,’ zegt Hannah. ‘ Ze denkt aan de velden vol kruisjes in de westhoek.


’In de tweede tuin heb je geen gevechtskledij van doen, daar vertrouwen ze nog op hun eigen vel.’

 

9. Bij Elias thuis, een bezoek nadien:

John:


Dit is zijn kamer. Daar hangt de wereldkaart. De doodskoppen op die kaart zijn de wereldrampen: Hiroshima, Tjernobil, Ethiopië, de zure regens, het gat in de ozonlaag boven Antartica.

Irene:


Wij zegden, jongen, je moet je je dat allemaal niet zo aantrekken. Wat kun je eraan veranderen, dat zegden wij.

John:


Ze overladen de kinderen te veel met miserie. Disney, die begreep tenminste wat kinderen nodig hebben.

Irene:


Hij was nog heel klein toen hij hier met dekens en kussens een soort walvis heeft gebouwd.

John:


Als we hem niet konden vinden, zat hij in zijn walvis.

Irene:


…omdat hij bang was, zei hij. Om de stemmen niet te horen.

John:


Toen werden we wel een beetje ongerust en zijn we met hem naar de psychiater geweest.

Irene:


Dat kind dat moet aan sport doen, zei de dokter. Hij komt te weinig buiten.

John:


Ik vond dat dus ook. Kinderen van tegenwoordig hebben geen karakter meer.

Irene:


Ik heb hem toen naar de jeugdbeweging gestuurd, maar daar voelde hij zich niet thuis.

John:


Ze lachten hem uit met zijn verhalen en zijn stemmen, dat lag voor de hand.

Irene:


Niet dat hij wereldvreemd was. Neen, hijzelf nam altijd eerst contact met de mensen. Maar hij doorzag de mensen vlug.

John:


Gewoon sporten, voetballen bijvoorbeeld, dat was niets voor hem, zei hij. Toen hij klein was, zat hij boven in een boom en keek hij naar zijn leeftijdsgenootjes die spelletjes deden.

Irene:


Hij is altijd zo geweest. Hij is oud geboren, zei mijn moeder altijd.

John:


Ik had natuurlijk wel op een zoon gehoopt met wie ik kon gaan vissen of kamperen.

Irene:


…kamperen deed hij toch graag, hé John?

John:


Ja, als hij ’s avonds maar bij ’t vuur kon zitten lezen. Boeken over Griekse helden of indianenverhalen om maar eens iets te noemen.

Irene:


John is een heel ander type.

John:


Ik ben een doener. Ik wil actie. Dat is pas leven, vind ik.

Irene:


Zwemmen deed hij graag. Hij was verzot op water.

John:


Als je dat zwemmen kunt noemen! Hij liet zich dan drijven en lag naar de wolken te kijken, of hij speelde het verhaal van de watergrootvader.

Irene:


Mijn vader. Toen die nog leefde, vertelde hij hem altijd hetzelfde verhaal. Het verhaal van de watergrootvader.

John:


Je zou van minder nachtmerries krijgen. Dan dacht hij dat ik een dinosaurus was die door de muren van het huis zijn kamer binnenstormde. Jongen toch, zei ik. Die dieren zijn al miljoenen jaren uitgestorven.

Irene:


Och, hij had een levendige verbeelding.

John:


Vroeger bestonden er duidelijk riten. Men verliet het kinderleven, en via een inwijding werd je van de moeder los gescheurd en kwam je in de mannenwereld terecht. Dat was vaak een pijnlijke zaak, maar door die pijn konden de kinderen niet meer terugvallen in hun kindertijd. Je hoorde bij de jagers, de krijgers.

Irene:


In plaats van een jager kon hij een verteller worden.

John:


Miljoenen jaren waren wij jagers. Diegenen die niet meekonden die zijn verhaaltjes gaan vertellen. Maar ik moet niemand iets verwijten. Ik heb er waarschijnlijk zelf te weinig tijd voor vrij gemaakt. Tenslotte moest het huis nog afbetaald worden, en er waren de opdrachten voor de universiteit. Ik moet nog een aantal telefoontjes doen. Als jullie mij willen excuseren.
(hij gaat de kamer uit)

Irene:


Het is zijn manier om zijn verdriet te verwerken. Waar zouden mannen ook geleerd hebben met gevoelens om te gaan?


Kijk, hier staat zijn verzameling cassettes. Op al die banden nam hij muziek voor blazers op, trompetten, saxofoons; trombones, tuba’s… Muziek voor het einde der tijden, noemde hij ze. Waar haalt zo’n kind zoiets?


Gaan jullie maar, ik zal het licht wel uitdoen.


10. Schets in houtskool: Elias in diverse houdingen.


‘Teken je ook wel eens mensen?’ vroeg hij haar toen ze vanuit de woonkamer de doorzichtigheid van de winterse tuin in beeld wilde brengen.


Hij was zo maar komen binnen gelopen. Of ze niet mee naar de bibliotheek ging? Of ze wist wat een Tylosaurus was? Neen, geen “stylosaurus”, maar een dinosaurusachtige van twaalf meter lang die alleen vlees at. Half in de zetel liggend, begon hij zijn verhaal over de verschillende soorten ontdekte reuzehagedissen.

Bovenaan het blad zie je dus nog de eerste omtrekken van de boomkruinen, maar onderaan ligt er een jongetje op de zetel terwijl zijn linkerarm een grote boog beschrijft (de sprong van de wegvluchtende prooi?) Daarnaast een zittende jongen, ellebogen op zijn knieën en onderaan iemand die naar de verte (de tuin in dit geval) kijkt, zijn ene hand in de heup, dat typische gebaar van hem.


Toen hij de schetsen zag, was hij verbaasd.


’Tiens, je hebt er mijn gedachten ook bij getekend. ‘

lev012.jpg

(de kunstwerken zijn van Dana Levin Eleanor Ettinger Gallery NY)

TRIANGEL (36)

X001-16.jpg

 

44. Op leven en dood, eerste versie

 

Hannah, de dood:


Aha, een jonge bloem.

Bram:


U zegt?

Hannah, de dood:


De dood houdt van jonge bloemen. Hoe oud ben je?

Bram:


Bijna zeventien.

Hannah, de dood:


Dat is een mooie leeftijd.

Bram:


Ik vind dertien ook mooi.

Hannah, de dood:


Zeventien is beter. Neem maar afscheid.

Bram:


Mag ik mijn dood kiezen?

Hannah, de dood:


Ik ben de enige dood die dienst heeft vandaag.

Bram:


Hoe doe je het? Ik bedoel: gebruik je een hartaanval, een ongeval, een ziekte?

Hannah, de dood:


Veel ouderwetser. Ik zorg ervoor dat je verliefd wordt.

Bram:


Op wie?

Hannah, de dood:


Op mij.

Bram:


Een verschrikkelijke dood is dat.

Hannah, de dood:


Verschrikking en liefde zijn wel eens meer neef en nicht.

Bram:


Mooi gezegd, maar wat betekent het?

Hannah, de dood:


Je probeert tijd te winnen.

Bram:


Dood, liefelijke dood.

Hannah, de dood:


Dat klinkt al beter. Zal ik je kussen?

Bram:


Wat zou er gebeuren als jij verliefd werd op mij?

Hannah, de dood:


(stilte)

Bram:


Wel? Bleke heer met de zeis?

Hannah, de dood:


De dood trekt aan maar wordt nooit aangetrokken.

Bram:


Kijk in mijn ogen, dood. Beter nog, kom eens in mijn armen.
(de dood doet het)

Hannah, de dood:


Na zovele eeuwen kilte is dit een merkwaardige ervaring.


Maar voel jij dan niets voor mij?

Bram:


Zou je bang kunnen zijn?

Hannah, de dood:


De dood heeft nooit schrik maar schrikt wel af!

Bram:


Zonder zeis en witte mantel, met de angst in je ogen je geliefde te verliezen, wil ik erover nadenken.

Hannah, de dood:


Dan is de dood de dood niet meer!

Bram:


Inderdaad. Kies. 
Als je mijn liefde niet ziet zitten zal ik je koude stappen volgen. Enkel uit noodzaak.

Hannah, de dood:


Als ik jouw liefde volg, word ik zelf sterfelijk.

Bram:


Dat is de prijs. Wel?

DE DOOD AARZELT, TREKT WITTE KLEED UIT, KOM IN BRAMS ARMEN EN KUST HEM.


Natuurlijk had de jury niet veel tijd nodig om Bram tot overwinnaar uit te roepen.


‘Ik vind dat de dood zich gemakkelijk gewonnen heeft gegeven,’ zei Elias.


‘Ik had te kiezen tussen de kille eeuwigheid en de kortstondige warmte van zijn armen. Die warmte had ik nog nooit gevoeld.’


‘Weet je, misschien is de dood juist de dood omdat ze jaloers is op al die verliefde mensen. 
Ze durft niet verliefd worden en daarom doodt ze.’


’Dat is een mooie stelling, Michiel. Mijn vraag: was hier de dood aan het woord of Hannah?’ vroeg Elias.


‘Wie ik ook speel, tenslotte blijf ik Hannah.’


‘Nu moet ik het dus opnemen tegen Michiel?’


’Jij mag nu de dood zijn, Bram. Denk eraan, ik ben erg aan het leven gehecht. Ik trek mijn goddelijk rode mantel weer aan. En jij?’


‘Ik ben een klassieke dood. Helemaal in het zwart.’

De spelers kleedden zich om.


De jury hulde zich in stilzwijgen en in het grote laken.


45. Op leven en dood, tweede versie

 

Michiel
:

Een mooie avond, nietwaar?

Bram, de dood:


Geniet ervan het zal uw laatste zijn.

Michiel:


U maakt een grapje.

Bram, de dood:


Zie ik er zo grappig uit?

Michiel:


Eerlijk gezegd, van de dood had ik meer stijl verwacht.

Bram, de dood:


Stijl is in dit geval uw probleem.

Michiel
:

Ik heb altijd wel van enig niveau gehouden, dat is waar.

Bram, de dood:


Mooi zo, een stijlvolle dood maakt het mij makkelijk. De grote meerderheid begint te roepen of te gillen, anderen bekeren zich of eten zich nog één keer te pletter.

Michiel:


Wat moet ik mij bij een stijlvolle dood voorstellen?

Bram, de dood:


U legt zich letterlijk en figuurlijk neer bij het onvermijdelijke.

Michiel:


Ik sta te kijken van zoveel ernst en plichtsbesef.

Bram, de dood:


Ik ben een ernstige dood. Sommige collega’s gooien er met hun zeis naar. Ze strooien virussen uit of moeten het van hongersnood hebben. Ik benader mijn cliënten met respect.

Michiel:


U geeft zich wel veel moeite voor zoiets lachwekkend als de dood.

Bram, de dood:


Stank voor dank, het hoort nu eenmaal bij mijn vak.

Michiel:


Ik zou er feestelijk voor bedanken. U blijft altijd met de brokken zitten.

Bram, de dood:


Weinig mensen hebben mij zo goed als u begrepen.

Michiel:


Laat de mensen er toch zelf om vragen, dat spaart u een hoop moeite.

Bram, de dood:


Ze zullen zich haasten.

Michiel:


U gaat gewoon in staking.

Bram, de dood:


De mensen onsterfelijk maken?

Michiel:


Als u het zo wil noemen. De plaats is echter beperkt, dus duurt het niet lang of ze zullen elkaar uitmoorden of gekweld door kwalen U om verlossing vragen. In plaats van zelf op stap te gaan kunt U op afspraak werken.

Bram, de dood:


Nog niet zo mis bekeken.

Michiel:


Ik zou best uw secretaris kunnen worden zodat U ook eens van verdiende rust kunt genieten.

Bram, de dood:


En wat moet dat kosten, vindingrijke vriend?

Michiel:


We worden vrienden voor het eeuwig leven.

Bram, de dood:

Kom in mijn knokige armen. Haal uw muziekdoos boven, smeer uw strijkstok, laat drank aanrukken, vanaf dit moment zijn wij een stel.

ZE VALLEN ELKAARS ARMEN.

De jury was het dadelijk eens met mijn overwinning.


’Ook hier bood de dood weinig weerwerk,’ vond Elias.


’Ik kreeg een mooi aanbod. Werken op afspraak en een secretaris. Je zou voor minder.’


‘Maar die secretaris wordt een soort handlanger. Hij zal dus zijn medemensen doden in ruil voor zijn eigen leven?’


‘Hij zal ze niet doden. Ze zullen om hun dood smeken. Hij zal ze helpen, Hannah.’


’Maar hij heeft dus geen last van ouderdom?’


’Dat ik daar niet aan gedacht heb,’ zei Bram.

‘Ik had hem het werk laten doen tot hij zelf om verlossing zou komen smeken.’


’En wie zegt dat ik het werk was blijven doen? Het kon net zo goed een list zijn. Doel was: de dood te slim af te zijn. Dat voor eeuwig doet er verder niets toe.’


‘Als jij je belofte brak, was ik ook niet aan de mijne gehouden, Michiel?’


‘Maar dan zijn we wellicht toch al een honderd jaar verder.’


‘Honderd jaar met jou? Haal dat contract maar boven.’
’

Michiel heeft nog niet voor dood gespeeld,’ zei Elias.. ‘Wat denken jullie van de combinatie Michiel die Hannah komt halen?’

Hij, de jongste van het viertal, de engel met de nep – vleugels, stond inderdaad midden de triangel. Lang voor wij het van elkaar beseften, doorzag hij onze wanhopige pogingen elkaar te bereiken.

Ik wilde een gevleugelde dood zijn. De grootste witte vleugels zocht ik uit. Hannah besloot als Hannah gekleed te blijven.

 

46. Op leven en dood, derde versie

 

Michiel, de dood:


Nog zo laat op pad, juffrouw?

Hannah:


Gelukkig dat ik niet Maria heet want als dit Gabriël zou zijn mag ik het over een paar maanden thuis gaan uitleggen.

Michiel, de dood:


Helaas, ik kom U geen nieuw leven maar de dood aankondigen.

Hannah:


Mag ik kiezen wie de gelukkige is? Mijn leraar Latijn die…

Michiel, de dood:


De keuze is gemaakt. U bent het voorwerp van mijn keuze.

Hannah:


U vleit mij, waarde engel des doods.

Michiel, de dood:


Ik doe mijn best, juffrouw.

Hannah:


U ziet er prachtig uit. Ik had me de dood heel anders voorgesteld.

Michiel, de dood:


Dat gedoe met een zeis en zwarte kapmantel is al een tijdje uit de mode.

Hannah:


Het had wel sfeer.

Michiel, de dood:


Nu kus ik mijn uitverkorenen, daardoor krijgen ze ook vleugels en vliegen hun zielen achter mij aan.

Hannah:


Ik kan U aanklagen wegens ongewenste intimiteiten, heer.

Michiel, de dood:


Een kushandje van mijn kant is ook geldig mocht U bezwaren hebben tegen inniger contact.

Hannah:


Kust u ook wel eens uit liefde?

Michiel, de dood:


Altijd, al moet ik toegeven dat ik mij in Uw geval heel aardse dingen bij dat woord kan voorstellen.

Hannah:


Als het nu eens niet alleen bij voorstellen bleef?

Michiel, de dood:


Voor dit soort omkoperij ben ik ongevoelig geworden.

Hannah:


Ik bedoel niet alleen het potje vrijen, maar veel meer.

Michiel, de dood:


U wilt mij voor het altaar in Uw gezelschap, juffrouw?

Hannah:


In mijn dagelijks leven zie ik U wel zitten.

Michiel, de dood:


Ik zou mijn vleugels verliezen.

Hannah:


Er zijn met ons tweeën wel andere manieren te bedenken om van de grond te komen.

Michiel, de dood:


Juffrouw!

Hannah:


Het klinkt wat ordinair, ik geef het toe. Maar met Uw verstand van pluimen kunnen we samen een matrassenfabriekje beginnen. Bedden waarop de mensen elkaar in hemelse sferen kunnen brengen.

Michiel, de dood:


(moet zijn lachen bedwingen) U weet van wanten, juffrouw.

Hannah:


Dat zult U aan de lijve ondervinden mocht U op mijn voorstel ingaan.

Michiel, de dood:


Ik ben natuurlijk aan mijn vleugels gehecht.
(Hannah komt tegen hem staan, begint vleugels los te maken.)

Hannah:


Ik kan die hechtingen losmaken. U zult ze niet eens missen want ik zal U pas vleugels geven! Vleugels die U niet eens hoeft mee te zeulen. Wel?

MICHIELS VLEUGELS VALLEN OP DE GROND. INNIGE OMSTRENGELING ALS GEVOLG.

De jury kon de eerste minuten geen woord uitbrengen wegens een gemeenschappelijke lachbui. Ik kon me ook eindelijk laten gaan. We stonden nog altijd heel dicht bij elkaar. Lachend.


‘Een matrassenfabriekje, hoe kom je erbij?’


’Geen idee. Hemelse invallen die je alleen op deze plaats kunt krijgen, vermoed ik.’


’De jury kent eensgezind de prijs aan Hannah toe,’ zei Elias.


’Met zo’n voorstel had de dood werkelijk geen kans!’


Hannah en ik gingen mee onder het grote laken zitten.


‘De enige die we nu nog niet gehoord hebben, is Elias. Wat zou jij doen om de dood te ontlopen?’ vroeg Hannah hem.


’Ik zou hem vertellen over mijn tuinen. Je weet wel, de tweede tuin van Eden waar de dinosaurussen in diepe wouden rondlopen, waar bij kampvuren mensen elkaar verhalen vertellen. Ik zou blijven vertellen tot hij heimwee kreeg naar die tuin.


Hou hier maar op met je werk, dood, zou ik zeggen. Overal bereiden de engelen zich voor op het einde der tijden.


We zouden samen in de tijd terugkeren naar de tweede tuin. Daar zou hij in duizend verschillende verhaaltjes mogen optreden zodat de mensen niet meer bang van hem waren.’

In de vlammetjes van de kaarsresten, zaten we bij elkaar.


We wisten dat door deze spelen de driehoek zichtbaar was geworden. 
We keken naar elkaar.


Het besef van de onmogelijke vervulling begon tot ons door te dringen.

‘Zullen we elkaar vleugels geven, vleugels die we niet hoeven mee te zeulen?’


De jonge profeet kreeg drie kussen als antwoord.


We legden onze armen over elkanders schouder zodat de driehoek even de zachtheid van een cirkel kreeg.

X001-1.jpg(de kunstwerken zijn van Yang Jianxiong, Silk Road Art Gallery New Haven)

 

TRIANGEL (35)

seymour Boardman_Untitled_1965.jpg

42. Superman

Komaan, pak me dan! Je kunt me toch niet krijgen, je kunt met toch niet krijgen!
Ik ben Zorro, of Superman.
I kill you in the morning, I kill you in the night.
Komaan pak me dan!
Als je me pakt, vlieg ik ineens weg. Tot boven de stad. En ik neem je mee.


Je zult natuurlijk bang zijn.


Laat me niet los, laat me niet los, zul je zeggen.
Als het donker is kun je mee naar de nieuwe tuin van Eden.


Mijn tweeëntwintig duiven zullen je thuis brengen.

Elias, engel zonder nepvleugels, back in town.


43. Aanloop op de wintertijd

In een film hoor je op de klankband de dreiging naderen. Een of twee tonen blijven in de hoogte hangen, een diepe basklank duidt het doemmoment aan. Donderslagen. Een gil. Fait accompli. 


Of net niet. De schurk blijkt de melkventer te zijn die een flesje bij de deur van de oude dame neerzet. Opgelucht gezucht. Gekuch, gegrinnik.


Met dat gevoel van ontspanning, zagen wij Elias de volgende week verschijnen. 

Vermagerd, nog wat bleekjes weggetrokken maar voor de rest bruisend van energie.


’Wat meer ijzer, koper en zink en het komt dik in orde. ‘


Het feit dat zijn ouders de hele maand thuisbleven, was een gelukkig toeval of een besluit veroorzaakt door zijn malaise. In de reeks ‘eind goed, al goed’, een geslaagde aflevering.

Grote evenementen werden naar de kerstvakantie verschoven, de zorg voor de eerste semesteriele examens overschaduwde onze voorbije theatrale gebeurtenissen.


De gemeenschappelijke vijand, Elias’ ziekte, was verdreven. Daardoor kreeg de wedijver onder elkaar nieuwe kansen, kon de strijd om de droompartner losbreken.
Toch wisten we dat er onomkeerbare dingen waren gebeurd, dat we op een hechte manier samen hoorden, versterkt door onze spelen en acties.


In zijn midden waren we nu bekenden geworden, de toffe typen van de toneelgroep, ook al hadden we zijn ouders nog niet gesproken. Zijn verhalen hadden voor de nodige publiciteit gezorgd. We werden gemakkelijker tot elkaar toegelaten. 
Zo nodigde hij ons uit op de wintersluiting van de kerkzolder. De naderende winter zou het ons onmogelijk maken onze speelplaats te gebruiken tot het weer lente werd.

Een heldere novemberavond vonden we elkaar terug in het nest boven de stad.

‘Ik heb een heel mooi verhaal over een hondje dat helderziende was. Het heette Chris, een bastaardhondje uit Greenwich.’


’Het kon waarschijnlijk nog vlot Engels spreken ook?’ vroeg Hannah.


‘Eén tik met zijn poot was “a”, twee tikken een “b”, enz.’


‘Met het woordje “volkswagen” was hij wel een tijdje aan ’t tikken,’ lachte Bram.


’Op een dag voorspelde hij de naam van het winnende paard. Helemaal correct.’


’Kon hij ook cijfers voorspellen? Dat zou handig zijn bij de volgende grote lottotrekking.’


‘Bij het voorspellen van zijn eigen dood, zat hij er slechts één dag naast, Michiel.’


‘Ook een idee om dat hondje naar zijn eigen dood te vragen.’


‘Wel, dat is het onderwerp van dit spel.


‘Beetje luguber, vind je niet?’


’Het is maar een spel, Hannah. Als jij de dood wilt zijn, dan speelt Bram degene die door hem wordt gehaald. Opdracht is: probeer de dood of het slachtoffer te bepraten.’ Maar de tijd is tot twee minuten beperkt.

Hannah had een fel wit kleed gevonden waarop priesters hun kazuifel dragen.


‘De dood in ’t wit?’ vroeg Michiel.


’In Japan staat wit voor de dood,’ wist Hannah.


‘Dan trek ik mijn gouden Adam – kleed aan.’


’Michiel en ik kijken en geven punten.’


‘Punten waarop?’


‘In feite is het een boksmatch. Jullie proberen elkaar te verslaan. Kan het niet met knock – ‘out dan kun je met punten winnen,’ legde Elias ons uit.


’Het gaat dus vooral om argumenten. Hoe overtuig je je tegenstander.’


’De winnaar speelt tegen jou, Michiel.’
Hannah kreeg haar zin.


Het water uit het aards paradijs diende nu als mantel voor de jury. De spelers moesten warmte vinden in hun spel.

Elias richtte zich tot de donkerte achter hem.

‘Dames en heren, dit spel brengt de dood voor het voetlicht. (Ik stak drie kaarsen aan, de resten van de paradijsverlichting.) Ik hoor jullie al denken: dit is een ongelijke strijd. De dood wint altijd. Neen, beste mensen. Ook de dood is te bepraten of vatbaar voor listen. Zal in dit geval Bram de dood voor schut kunnen zetten, of moet hij wijken voor haar uitnodiging, u ziet het in dit spel: “op leven en dood”.’

Het publiek werd muisstil.
De jury zat klaar.


De dood wapperde met de brede mouwen van haar kerkgewaad terwijl gouden Bram nog een rondje schaduwboksen uitvoerde.

Seymour Boardman_Triptic_1969.jpg

(de kunstwerken zijn van Seymour Boardman)

TRIANGEL (34)

FRANK mayor.rimg0019.jpg

41. Eenmalig optreden voor ruimtereiziger


‘Dit wordt improvisatie van tafel tot bed,’ zei Bram toen we samen aan het middagmaal begonnen. 
Moeder Bram wilde ons assisteren, maar we zegden dat het zowel voor haar als voor ons een complete verrassing moest blijven, en dat zij op deze zondag was voorbestemd om minstens koninklijk bediend te worden, en in het beste geval ook nog smakelijk met ons te tafelen.


De plannen voor ons ziekenhuisoptreden ontstonden dus werkelijk tussen de soep en de aardappelen. (al moet ik Michiel prijzen voor zijn uitstekend dessert: ijs met warme krieken, prestatie die er vooral in bestond de krieken niet te laten aanbranden.)


Bram wilde zijn mooi geïllustreerde uitgave van Robinson Crusoë schenken na het voorlezen van het eerste hoofdstuk, verkleed als iets of iemand die het midden zou houden tussen een rijke koopmanszoon en een geïmproviseerde uitgave van een Duinkerkse zeerover.


Michiel wilde een stukje op zijn cello spelen, een improvisatie voor een uit de lucht gevallen kind, en ikzelf had de keuze om ofwel zelf een verhaal te verzinnen ofwel een tekening te maken van een tuin van Eden. 
Ik koos voor het verhaal gezien het tekort aan tijd maar piekerde mij suf over het onderwerp en verloop van mijn vertelling.


Om onze schuilplaats niet te verraden, zochten we kledij ter plekke, daarbij uiterst behulpzaam geassisteerd door Brams moeder die nog een mooie verzameling breedgerande hoeden scheen te bezitten. 
Het was dan ook een vrij opzichtig trio dat door diezelfde moeder welwillend naar het hospitaal werd gebracht, met tussenstop voor het ophalen van Michiels cello.


Bram in wit hemd met brede mouwen, stoere riem over zijn schouder, in rode kousenbroek en crèmekleurige short, bekroond met paarse fluwelen hoed waarvan de randen ook als zonneklep konden dienst doen. Michiel verscheen totaal in ’t blauw op zijn schoenen na. Blauwe hoed waarvan de rand tot een vierkant was opgeslagen, blauw zijden hemd met donkerblauwe strik, blauw gillet en een blauwe lange corduroy -broek waaronder blauwe sokken. Ikzelf had mezelf in een witzwarte combinatie gezet. Witte (trouw)hoed, zwart avondkleed met witte roos, een witte stola en zwarte panty’s.

Omdat hij door kaarten, pakjes, pakken en knuffels omgeven was, wisten we dat zijn ouders net op bezoek waren geweest.


’Hoogheid, uw gezelschap om U te dienen,’ kondigde Bram onze entrée aan.


’O, neen!’
’O, ja!’ riepen wij met zijn drieën.


Hij schudde zijn hoofd van verbazing en genoegen en ging rechtop in zijn bed zitten.

Michiel stemde zijn cello. Bram zette zich bij Elias op bed en ikzelf koos de enige zetel die de kamer rijk was.


‘Zeer edele in bed zittende maar in Uw gedachten op wolken drijvende hemelse boodschapper, wij kennen uw lust de onbekende werelden te ontdekken. Welaan, Uw dienaar heeft voor U een boek gevonden waarin een uwer voorgangers zijn ware avonturen beschrijft en waaruit ik U het eerste hoofdstuk met vertellende stemverheffingen zal voorlezen. Aldus…’


‘Goede dienaar, U ziet er prachtig uit. Leg evenveel pracht in uw stem en ik zal, ondanks mijn verplichte bed-houding, U gaarne beluisteren.’


’Mijn eerste ervaringen op zee,’ begon Bram, ondersteund door diepe naar zout en pek ruikende tonen uit Michiels cello.


‘Ik ben geboren in het jaar 1632, in de Engelse stad York, als zoon van welgestelde ouders. Mijn vader was een rijke koopman uit Bremen. Hij verhuisde vandaar naar Hull en later naar York. Daar trouwde hij met mijn moeder, die behoorde tot één van de meest geziene families van de stad, de Robinsons.’

Ik weet dat ik niet objectief over Bram kan denken of schrijven. Maar telkens weer ontdekte ik nieuwe aspecten, andere kleuren in zijn wezen. Hoe hij Elias had opgevangen, hem geassisteerd bij de opbouw van de tuin van Eden. Hoe hij de eerste was geweest om Elias ook ons kind te durven noemen. Nu hij met veel verve en allerlei toegevoegde zinnen Daniel Defoe’s roman vertolkte, begreep ik dat hij het diepste van ons drieën in de geheimzinnige wereld van Elias was doorgedrongen. Niet door allerlei theorieën over hem te ontwikkelen, maar door mee te spelen zonder voorbedachte rade, deze kostbare gave die ik hem het allermeest benijdde.

‘De eerste september 1659 lag het schip klaar voor vertrek. Ik ging aan boord op de dag, precies acht jaar nadat ik van mijn ouders, uit Hull, was weggelopen.’


Hij klapte het boek dicht en gaf het aan Elias terwijl de cello nog een variatie op ‘Al die willen ter Ka’pre varen’ ten beste gaf.


‘Vanaf nu, jonge zeebonk, hoort dit boek in jouw bagage te zitten.’


‘Mag ik het echt bijhouden?’


‘Als het u zou verliezen, moeten wij u kielhaaien, maatje van mijn voeten en verdomme ook nog van mijn hart!’

Ze omarmden elkaar.


‘Een beetje voorzichtig, scheepsbeschuitje, of ik trek je ankerketting los!’ zei Bram, terwijl hij zich uit de baxterverbinding losmaakte.

Michiel wilde een kort verhaaltje vertellen met zijn cello, muziek voor een uit de lucht gevallen jongen.


In enkele streken schiep hij een lucht vol schapenwolkjes. Het was zomer. Nu hoorde je de koekoek, en het beekje dat uit het bos naar de rivier liep.


Er was natuurlijk het jongetje. Zijn thema draaide in sierlijke krullen zodat je hem in de wolken zag buitelen, of hem op de diepste tonen voelde zweven, hoog in de avondlucht.


Midden in zijn vlucht bleef hij steken, hij klapperde nog met zijn nepvleugeltjes, maar het mocht niet baten. Zijn naam was Icarus. Hij tolde naar de aarde, smakte op de grond en bleef voor dood liggen. Heel langzaam hoorde je hem recht kruipen, opnieuw zijn vleugels proberen, maar opstijgen kon hij niet.


’Toen besloot de jonge verhalenverteller te worden,’ zei Michiel. ‘En jawel hoor, ze werden vleugels die niemand je nog kon afpakken.’


Nu steeg hij naar de hoogste luchten, boven de aarde, voorbij de maan tot aan de eerste sterren achter de zon. Een lang harmonieus slotakkoord. Michiel stond op, boog en kreeg ons aller applaus.


’Spijtig dat ik mijn saxofoon niet bijheb om te kunnen antwoorden hoe mooi ik het vond.’


’Sire, uw persoonlijke verhalen-vertelster Hannah wil dit optreden afsluiten,’ kondigde Bram mij aan.


Wat kon ik nu nog toevoegen aan wat mijn voorgangers hadden gebracht. Al wat ik had voorbereid was gesmolten, waardeloos geworden.


Hulpeloos keek ik hem aan. Tot ik door zijn vragende ogen in de toegeknepen oogjes van mijn oma keek. Haar verhaal over de verhalenverteller. Dus zonder nadenken, liet ik haar door mijn stem aan het woord.

‘Iedere keer als het Joodse volk in gevaar verkeerde, ging de wijze Baal Sjem-Tov naar een bepaalde plek in het woud en ontstak daar een vuur en sprak een gebed uit. En ja, zijn volk bleef gespaard.


Een generatie later ging zijn leerling en opvolger rebbe Dov-Ber van Mezzeritsj, naar dezelfde plek in het woud omdat er weer een ramp dreigde voor de joodse bevolking.


’Heer van het heelal,’ zei hij, ‘ik weet niet hoe ik vuur moet maken, maar ik heb de plek gevonden en ik ken het gebed. Misschien is dat voldoende? En het was voldoende en het volk bleef gespaard.


Weer een generatie later ging rebbe Mosje-Leib Sassov naar het woud met hetzelfde doel en hij zei:


‘Ik weet niet hoe ik vuur moet maken, ik ken het gebed niet, maar de juiste plek heb ik gevonden.’ En het volk werd gespaard.


Toen rebbe Israel van Rizjin aan de beurt was, zei hij:


’Heer, ik kan geen vuur maken, ik ben het gebed vergeten, en ik weet zelfs niet waar de juiste plek is. Het enige wat ik kan, is hier gaan staan en het verhaal vertellen.’
Zoals dus nu gebeurd is.’


‘Wees maar zeker dat hij gered werd,’ antwoordde Elias.


’Nu moet je rusten, verteller,’ zei ik, ‘zodat je weer vlug bij ons kunt zijn.’

FRANK mayor.rimg0004.jpg

(de kunstwerken zijn van Frank Mayor Bamboo Lane Galery L.A.)

TRIANGEL (33)

murray_snakesAndLadders.png

 

40. Goochelen, loochenen en begoochelingen

Een bleek jongetje, verbonden aan een baxter, zat rechtop in zijn bed, hoge hoed op zijn hoofd, witte sjaal rond zijn nek, goochelstokje in de rechterhand, linkerarm met vuist naar twee verpleegsters gestrekt.


‘Denk je dat je vijftig frank nog in mijn hand zit. Voilà.’ 


Hij opende zijn handpalm, niets meer te zien.


’O, hier, achter je oor. Asjeblief.’


De twee verpleegsters klapten in hun handen. Wij keken toe met open mond.
Mijn ‘Innuendo’ – poster tot leven gewekt.


‘Of we wisten dat het hoegenaamd geen bezoekuur was? (neen) Hoe we waren binnengeraakt?(de deur was open) Dat we best voor de ronde van de dokters zouden verdwijnen, of…

‘
’Mijn zus en twee broertjes. Ik goochel ze straks wel weg,’ redde hij ons.


’Tien minuutjes, en als jullie betrapt worden, wij weten nergens van!’

We kusten hem voorzichtig.


‘Wie heeft er geklikt?’ wilde hij weten.


Hannah vertelde dat ze naar tante Fannie had gebeld om te horen hoe hij het stelde.


’Haar antwoord moest zijn: “dat valt best mee. De dokter heeft rust voorgeschreven. Hij is enkele dagen met zijn ouders naar een rustige plek. Midden volgende week is hij weer hier. Hij laat jullie van harte groeten.” Ik had het voor haar opgeschreven.

‘
’Tot aan ‘de dokter heeft rust voorgeschreven’ hield ze zich aan jouw tekst. Maar ik hoorde aan haar stem dat ze iets achterhield, dus heb ik haar gevraagd of er iets was gebeurd.’


‘Ze willen me hier gewoon een paar dagen binnenste buiten keren. Elias, het proefkonijn. Ik denk dat ik er geld voor ga vragen.’


‘Fannie zei dat er iets met je bloed niet in orde was.’


’Ze dachten dat het blauw zou zijn, maar helaas ik heb gewoon heel rood bloed. Geen koningskind dus. Ik heb van iets te weinig of te veel in mijn bloed, denken ze. Woensdag mag ik weg. . Ik verveel me hier dood.’


Hij zette zijn hoge goochelhoed af en liet zich in de kussens vallen. Bleek en toch met een koortsige blos op zijn wangen.


’Is de tuin van Eden afgebroken?’


We vertelden hem dat de bomen veilig waren.


’Weet je, in gedachten loop ik wel tien keer per dag de trappen op naar onze zolder. Ik sluit dan mijn ogen, volg de loopbrug tot aan de deur, en dan ben ik er. Ik hoor de balken kraken, ik wacht tot jullie er zijn. Ik heb al zeker tien verhaaltjes bedacht die we samen kunnen spelen.’

Hij trok het schuifje van zijn nachtkastje open en toonde ons een schrift met blauwe kartonnen kaft.


’Hierin staan ze. De woorden nog dicht bij elkaar. Soms maar één woord dat je nog moet oppompen. Tot het een dikke buik krijgt en er later honderd woordjes uit komen gelopen. Dat worden dan onze verhaaltjes.’


Er werd op de deur geklopt en een stem zei: ‘Dokters zijn op weg.’


’Als je niet te moe bent, komen we straks terug.’


’Bram, je moet me nog een verhaaltje vertellen.’


‘Rust nu maar. Wij zorgen voor de rest. Trouwens die goochelhoed stond je heel goed. ‘

‘Ik maak jullie heel kleintjes dan kunnen jullie in mijn hoed wonen en wordt hij onze nieuwe speelzolder tot ik genezen ben.’


We waren nog maar net de deur uit toen we de witte brigade de gang zagen inkomen.

‘Als jullie mij assisteren in de keuken, kunnen we samen eten en plannen maken om hem deze namiddag te verrassen.’


‘Met enkele telefoontjes zal deze programmawijziging geen problemen opleveren,’ zei Michiel. 


Ook Hannah kon zich vrij maken. 
Nu de mist was opgetrokken kleurde scherp koud zonlicht de stad.


We hoorden elkaar zwijgen.


’Zo ziek zal hij niet zijn als hij goochelsessies houdt voor het verplegend personeel,’ probeerde ik Hannah en Michiel te troosten.


’Hij speelt dat hij niet ziek is, gewoon omdat hij niet ziek wil zijn.’


’Maar als je je echt rot voelt, kun je ook niet meer spelen, Hannah.’


‘Dat spel van hem is misschien zijn manier om zijn pijn te verdoven.’


’Dan kunnen wij hem daarin helpen met een exclusief optreden van de achtste dag.

‘
Ik ging op de pedalen staan en maakte mij los uit het peloton.


’Volgen, volgen, volgen maar!’ riep ik naar de achterblijvers.


Een minuut of twee later reden Hannah en Michiel mij voorbij.


‘Volgen, volgen, volgen maar!’ kreeg ik nu van hen te horen.


Met Queen in mijn hoofd zette ik de achtervolging in

 

I’ ll face it with a grin


I’m never giving in


On -with the show-


I’ ll top the bill, I’ ll overkill


I have to find the will to carry on


On with the -


On with the show-


The show must go on…
 

53172.jpg

TRIANGEL (32)

lamb_hillsThroughTrees.jpg

 

Elias, engel zonder nepvleugels in hospitaalbed

39. Beelden bij een aria

1. Woonkamer bij Michiel thuis.


Hij heeft net de telefoon opgenomen. We zien hem schrikken, het hoofd schudden. Hij wil enkele vragen stellen maar wordt telkens door de binnenkomende informatie tegengehouden, schrijft terwijl de naam van Elias op een papiertje dat bij de telefoon ligt, daarna een nummer ‘687’. Hij smijt de hoorn op het toestel.

2. Hal thuis bij Michiel.


Vanuit een zeer laag standpunt in een groothoek van de halruimte zien we hem erg gehaast zijn jas en sjaal aantrekken. Terwijl hij naar zijn moeder roept , volgen we hem op de huid door het huis naar de garage waarvan hij dadelijk het luik openduwt. 
Bij dat beeld begint de muziek uit de cantate 130 van J.S. Bach, de aria van de tenor ‘Lass, o Fürst der Cherubinen.’ (Laat, o Heer der Cherubijnen) 
Op het stuwende ritme van de muziek worden al de volgende beelden gemonteerd.

3. De straat

Hoog standpunt zodat we de rustige straat met de ene gehaaste fietser in zijn totaal kunnen bekijken. Met een overvloeier komen we bij Michiel op de fiets die langs een kerk rijdt waar net de mis is geëindigd en de mensen buitenkomen, zodat daarmee het tijdstip wordt aangeduid. Het is een mistige, eerder koude morgen.


Allerlei inserts van de fietsende Michiel. Hij bijt op zijn lip, wil blijkbaar heel vlug zijn doel bereiken. De tenor begint de aria bij de inserts.

4. Gevel huis Hannah.


We zien Hannah nog net iets roepen naar iemand die nog in het huis is. Terwijl springt ze op haar fiets. Net zo gehaast als Michiel.

5.Voor Brams huis.


Bram zet zijn muts op, al op de fiets zittend. Kijkt even, wacht tot auto is gepasseerd, en zet dan af, komt vlug op snelheid. We zien hem erg snel vanuit dit standpunt de straat uitrijden.

6. Allerlei beelden van de drie fietsers.


Op het ritme van de aria krijgen we nu verschillende closes en inserts van de drie fietsers.


Het is duidelijk dat ze gehaast en ongerust zijn. Ze zijn soms onvoorzichtig, hebben geen tijd om voor een rood licht te blijven wachten, zien niets of niemand staan.

Vanuit hun standpunt zien we het hoofdgebouw van het hospitaal verschijnen.

7.Parkeerplaats hospitaal.


Snelle beelden van hun aankomst. 
Eerst zien we Michiel aankomen. Als hij zijn fiets heeft weggezet, komt Hannah binnengereden. Ook zij zwiert fiets tegen de muur, maar nog een eindje van Bram vandaan. 
Daarna ziet ze Michiel.


Ze lopen elkaar tegemoet terwijl Bram met zijn fiets de nog lege parking oprijdt.


Hij komt met zijn fiets bij Hannah en Michiel. 
We zien ze met elkaar praten. Het is duidelijk dat Hannah de informatie heeft doorgegeven.


Fiets van Bram bij Hannah’s fiets.


Ze verdwijnen uit beeld via de ingang ‘spoedgevallen’.

8. Desk spoedgevallen


We zien ze snel het beeld inlopen. Iemand wil hen tegenhouden maar ze lopen hem of haar voorbij.

9. Verschillende shots van interieur hospitaal:


-Beelden liftingang. Snel op knoppen duwen. Lift bezet. Dus naar trappenhuis.


-Beelden trappenhuis: vanuit hoog standpunt zodat we de haast van de drie zien. Hannah loopt voorop. Ze draait zich soms om en roept iets naar de achterblijvers.


-Beelden van gang patiëntenkamers: de drie zoekend naar een nummer. Het nummer dat Michiel noteerde, komt in beeld. (687)


-Ze verdwijnen in de kamer terwijl de muziek van de aria eindigt.


Tekst van de aria:

Lass, o Fürst der Cherubinen,


Dieser Helden hohe Schar Immerdar


Deine Gläubigen bedienen;


Das sie auf Elias Wagen


Sie zu dir gen Himmel tragen.


Laat, o koning der Cherubijnen,


De hoge schare dezer helden eeuwig
Uw gelovigen bijstaan.


Mogen zij op Elias’ wagen
Hen naar U ten hemel dragen.

 

lamb_clearingSky.jpg

 

TRIANGEL (31)

night dream.jpg

37. De achtste dag

In de taxi werd het idee van de toneelrepetities geboren.


’Maar tante Fannie, ik heb je al zo vaak verteld over de verhaaltjes die we er samen maken en spelen! Dat zeg je dan,’ zei Bram.


’Ze luistert pedagogisch. Dat wil zeggen dat ze doet alsof ze vol aandacht je uiteenzetting beluistert, maar de inhoud ervan is ze na vijf minuten al vergeten. Zo lang je maar geen ongelukkig gezicht trekt of opstandige taal gebruikt, is alles wat je vertelt best in orde.

‘
Via vrienden van zijn logeervriendje Chrisje (een jongetje met twee ton lego -blokken en een reptiel als huisdier) had Elias met onze ‘toneelgroep’ kennis gemaakt.


’Voel je je al beter?’ vroeg ik.


’Zo’n schepping is een verschrikkelijk werk, Michiel. Maar na mijn zevende dag is alles weer ok. .’
’

Hebben we in één klap ook een naam voor ons gezelschap. De zevende dag,’ zei Bram.


‘Dat is al een televisieprogramma.’


‘Dan noemen we ons “de achtste dag”. De extra dag. Nog ongeschapen want dat doen wij met onze spelletjes.’


Hannah’s voorstel werd unaniem goedgekeurd.

Tante Fannie bleek een schat van een mens. Niets paniek, geen lastige vragen. Ze ontving ons hartelijk. Dat er nog jonge mensen waren met zoveel verantwoordelijkheidszin, dat Elias van geluk mocht spreken (instemmend overdadig geknik van ons allen) en dat gelukkig zijn ouders overmorgen zouden thuiskomen, dat hij net aan een vitaminen – kuur was begonnen, dat de specialist zei dat ze zich niet ongerust moesten maken en dat ze nu voor ons zou zorgen want de wind zat verkeerd en we moesten ons maar eens goed verwarmen voor we weer naar huis gingen, een mens kan niet voorzichtig genoeg zijn.


Terwijl ze thee ging zetten en onze patiënt vanuit zijn zetel bij de open haard ons vragend aankeek, staken wij onze duim omhoog, stilzwijgend teken dat onze verwachtingen in alles overtroffen waren.


’Als jullie straks weg zijn, zal ze me duizend vragen stellen over jullie!’


‘Pijnlijk!’ riep Bram. ‘Mijn verleden zal hier te grabbel worden gegooid. Het laatste restje goede naam mag ik nu wel vergeten.

‘
We noteerden zijn thuisadres, een villa langs de ring, en na een heerlijk kopje thee met cake, namen we afscheid.


’Je hoort van ons. Zorg goed voor jezelf.’

We dankten de gastvrouw, omarmden de bleke Schepper en wandelden de stad in.


De eerste minuten zegden we niets.


Ieder van ons overliep in zichzelf de voorbije uren. 


‘We moeten nog opruimen,’ zei Hannah als eerste.


Bram zou dat morgen wel voor zijn rekening nemen, maar we wilden blijkbaar terug naar het nest boven de stad om onze wonden te likken.


Niemand van ons durfde zijn angsten uitspreken. We voelden instinctief dat we op de rand van een nieuw tijdperk stonden, dat er naast de tijd voor het opklaren van onze verlangens naar de geliefde, er een periode aankwam waarin we heel kwetsbaar zouden zijn.

Hoe leeg was onze speelzolder zonder hem.


We staken enkele kaarsen aan en gingen bij de bomen van zijn tuin zitten. 


Bram was de eerste die over zijn schrik durfde spreken:


‘Gek, maar hij is niet alleen onze vriend maar ook een beetje ons kind geworden. Zo ervaar ik het toch.’


‘Wij zijn wellicht de enigen die hij in zijn verhalenwereld heeft toegelaten.’


‘Misschien heeft hij voor iedereen een andere wereld klaar, Hannah. Een spel van hem waarin hijzelf verborgen blijft.’


Dat dachten de anderen niet.


’Hij doorziet ons dadelijk, dat wel. Als hij ons in zijn spel betrekt , worden we altijd met onszelf geconfronteerd, alsof hij ons al jaren kent.’


’Maar daardoor blijft hijzelf buiten schot, Hannah.’


’Soms denk ik dat hij zijn leven aan het onze probeert te toetsen. Kinderen kijken op naar hun oudere soortgenoten. Maar dan zijn er weer momenten dat hij duidelijk de oudste is, dat hij ons moed geeft om in de spiegel te kijken. Daar gebruikt hij zijn spelen voor.’


Hannah’s wijze samenvatting.


’Maar in ons scheppingsverhaal hebben we zijn en onze levens samengebracht. Die mengeling zorgde juist voor vuurwerk,’ vulde Bram aan.


‘We moeten nog opruimen. De bomen opbergen. We mogen geen spoor nalaten. Hier is al honderd jaar niets meer gebeurd.’


We hingen de paradijselijke bomen aan de kapstokken in een hoge hangkast. Daarover een berg mantels en jurken uit de tijd der processies. De kerststaldieren keerden terug naar hun schuilplaatsen. Ieder van ons zou één bad-eendje adopteren tot de Schepper van de tuin weer in ons midden was.


’Tijd om ons te gaan bedrinken,’ zei Bram. ‘Ik trakteer .’


‘En dan zeggen dat Eva voor de zondeval verantwoordelijk was.’


Ik nam de megafoon:


‘Hallo, hallo, dit is uw slang van dienst. Bij gebrek aan appelen en mango’s zal het deze keer met bier en wijn moeten lukken. Op dus naar het bijhuis van het paradijs, het Putje.’

wasser_wannGehtDieSeeleWirklich.png


38. Woorden

Elk woord kun je oppompen. Het krijgt dan een dikke buik zoals een aanstaande moeder. Is zijn tijd daar, komen er wel honderd kleine woordjes uit dat ene woord. Ze zijn nog bloot en ze huilen omdat ze nog niets betekenen.


Tot ze iemand vinden die hen verzint. Ze spurten om ter eerst naar een verhaaltje.


Het woordje ‘er’ van er was eens, wint meestal. Maar ook het woordje ‘toen’ -‘toen de winter voor de deur stond.’- heeft snelle voetjes.


Ik hou ook wel van trage woorden zoals ‘gelukkig’ waarmee verhaaltjes eindigen: ‘ze leefden nog lang en gelukkig’. 
Woorden die een geheim verbergen of heel traag open bloeien vind ik het mooist.

‘Piramide’ of ‘verduizendvoudigen’ bijvoorbeeld.


Woorden met belletjes om hun enkels zoals ‘tierlantijntjes’ gebruik ik als ik droevig ben.

Nu ik vandaag naar buiten kijk, vind ik ‘morgenkrieken’ prachtig. 
Het licht gekookt in rijstpapier, saffraan erbij, snuifje vanille, 24 krieken en enkele oranjesnippers. Het recept voor een vroege wintermorgen.

Warm in woorden bewaren.

 

murray_ghostTree28.png

 

TRIANGEL (30)

xx hernan bas Downhill_at_Dusk_hr2.jpg

36. Het aards paradijs, herziene versie

Uit het verhaal van Bram, probeerde ik mij een voorstelling van Elias’ aards paradijs te maken. Toen we die vrijdagavond binnenkwamen, was ik toch nog verrast. Het koude blauw in combinatie met de gouden en zilveren tinten, de ene hevige rode streep in het midden van het décor , de directe lijnen van de boomomtrekken, de schikking van de dieren en vooral de dansende schaduwen van de kaarsen, (ontleend aan de kerk, wisten we later, schadevergoeding intussen via offerblok betaald!) deden mij alles vergeten wat ik in de academie had geleerd.


Ver van de imitatie of het kinderlijk inkleuren had hij met primitieve middelen zijn tuin van Eden opgeroepen. Ook Michiel vond het prachtig.


Op Elias’ aanwijzen verkleedden we ons. Hijzelf zou de verteller zijn. Bram en ik kregen de rol van Adam en Eva toegewezen.


’Je denkt misschien dat Adam en Eva naakt rondliepen in de tuin?’ 


‘Dat dachten we, ja. ‘


’De ver gevorderde toestand van de maand oktober was wel een hindernis,’ wilde ik argumenteren.


‘Ze waren inderdaad naakt. Maar hun glazen huid was net zoals de bomen van doorzichtig zilver en goud. Vandaar deze mooie mantels in dezelfde kleuren.’


Michiel zou God en slang spelen. Hij droeg een lang dieprood gewaad dat uitstekend combineerde met de boom der kennis van goed en kwaad. 
De verteller hulde zich in een zwart stuk stof dat hij als een tunica rond zijn lichaam drapeerde. Hij wilde ons zijn goed voorbereid verhaal vertellen. 
Wij werden de dansers, zijn levensgrote poppen, die zijn verbeelding zichtbaar zouden maken.

Roerloze gestalten tussen de bomen van de tuin zijn wij. Hij draait zich naar ons.

‘Voor ik het verhaal van de schepping vertel, zijn er wel enkele vragen. 
Zoals: waarom heeft God zijn alter’ ego, Lucifer, de vrije loop gelaten in plaats van er brandhout van te maken? 
Wat moest hij met die twee glazen mensen zonder toekomst doen? 
En waarom had hij zich boos gemaakt waar hij tenslotte zelf de oorzaak van al die ellende was?’

We kunnen hem geen antwoord geven.
In het kaarsenschemer zien we alleen het witbleke van zijn gezicht en zijn druk gesticulerende handen. Hij wijst naar ons en de tuin.

‘Het begon allemaal heel mooi. De tuin van Eden in het Oosten.’

Aandachtig bekijkt hij zijn schepping.

‘Uit de bodem van de tuin liet God allerlei prachtige bomen opschieten. Ze droegen heerlijke vruchten. Er ontsprong ook een rivier die de tuin bevruchtte.’

Michiel tikt de bomen aan en kom bij de vijver uit waarop de badeendjes drijven. Zijn rood gewaad verandert zijn motoriek. Door zijn slow motion bewegingen kan hij werkelijk zweven.

‘En nu komt de aap uit de mouw. Tussen al die kerselaars en mangostruiken, tussen de appelaars en kokospalmen, tussen de kastanjelaars en bananenplanten, zette God de boom der kennis van goed en kwaad.


Tegen de eerste mens, Adam, zegde hij: “Je mag de vruchten van alle bomen eten, maar van die van de boom der kennis van goed en kwaad moet je afblijven.”

Bij de felrode boom spreidt Michiel met een breed gebaar zijn armen. Heel direct wijst hij daarna naar de kruin van de rode boom. Vol ontzag kijkt Adam-Bram toe. Ik blijf op een nog niet geschapen afstand het spel volgen.

‘En ’t is daarbij niet goed dat je hier alleen rondloopt, Adam. Ik zal je allerlei hulp geven die bij je past. 


Uit dezelfde glaspasta blies hij de dieren van het paradijs.

Geef ze maar namen, zei God. Dit hier is een…’

Bram-Adam benoemt de ezel, de schaapjes, de eenden en zelfs een os is geen probleem. Hij heeft duidelijk plezier in het naamgeven. Zo wil hij de schaapjes eerst “olifanten” noemen, maar bij het hoofdschudden van God verandert hij toch maar van idee en zullen ze voor altijd “schapen” heten. Vindt hij dat de eenden “leeuwen” zijn, de blik van God brengt hem al vlug tot de nu nog geldende naam. Dat de ezel eerst ‘Bram’ en de os ‘Michiel’ zou zijn, brengt zelfs de Schepper uit zijn ernstig evenwicht. Ook hier wordt de orde hersteld en zonder protest aanvaarden de dieren hun naam.

‘Is het jullie al opgevallen dat God Adam met ‘hij’ aanspreekt? In feite was de eerste glazen mens net zoveel hij als zij. Wilde hij een gezel dan moest hij zich in het meer spiegelen.


Morgen en gisteren waren er onbekend want er was nog geen tijd.


Dat Eva Adam’ s ribstuk zou zijn, was een verzinsel uit de mannentijd daarna.’

De nog niet geschapen Eva (hij en zij) applaudisseert zachtjes. God leidt mij naar het meer waar ik naast een eendje ga liggen. Hij zet het eendje op mij zodat ik weet dat ik nu onderwater ben.

‘Adam -het is maar een naam- de eerste glazen mens dus, keek in een maanlichte nacht in een meander van de grote rivier die de tuin bevloeide. Hij had maar zijn hand uit te steken om zijn gezel aan land te trekken die net zoveel hij en zij was als hij- of zijzelf.


Ze waren geen tweelingen maar elkanders spiegelbeeld. Wat voor de ene rechts was, noemde de andere links en omgekeerd.’

(Latere toevoeging van mezelf: zo ontstond de diepte, het samenvloeien van links en rechts in een tijdloos perspectief.)

Bram heeft me heel zacht aan land getrokken. We zitten tegenover elkaar en spelen elkanders spiegelbeeld.

‘Het leek wel of Gods jongensdromen waarheid werden.’

‘Jongens- en meisjesdromen,’ fluister ik vanuit mijn hij- en zijpositie. God en de verteller knikken goedkeurend. De Schepper bekijkt ons tevreden. Wij, het prototype van zijn schepping, de demo van zijn voortijdse plannen, de witdruk van zijn dromen avant la lettre, het watermerk van zijn Goddelijke geest.

‘De tuin van Eden heet nu de tuin van Heden. Van elk ogenblik dus.’

We zwemmen in het meer, hebben elkaar lief terwijl God goedkeurend en een beetje jaloers toekijkt.

‘Was God de big bang vergeten? Hij, met zijn geheugen van in de eeuwen der eeuwen amen, probeerde te doen alsof er niets gebeurd was.’

God loopt onschuldig fluitend rond.

‘Dus verzon God een truc. Truc met de slang.’

Michiel zwiert zijn goddelijke mantel uit en trekt nu een gifgroen kleed over zijn schouders. Hij neemt een klaarstaande megafoon en zet zich achter de boom der kennis van goed en kwaad. Wij, het glazen paar, gaan voor zijn rode stam zitten, duidelijk genietend van de tuin en elkaar.

De slang:


Hallo, hallo. Ik ben uw slang. Welkom onder deze prachtige boom vol heerlijke appelen en mango’s.

Glazen Hannah:


Wie ben jij?

De slang:


Niet flauw doen, je hebt me zelf een naam gegeven.

Glazen Hannah:


Ik niet. Dat was mijn spiegelbeeld.

Glazen Bram:


Juist. Omdat je met een ‘s’ spreekt en lang bent ben je dus een s-lang.

De slang:


Kom pluk een appel of een mango.

Glazen Hannah:


Deze boom geeft ons schaduw. Van hieruit kun je de rivier zien.

De slang:


Poëzie waarmee God jullie probeert te sussen.

Glazen Bram:


Waarom zou hij? We hebben alles.

De slang:


Ja, ja, ze leefden lang en gelukkig. Maar weten jullie wat goed en wat kwaad is?

Glazen Bram en Hannah:


Neen.

De slang:


God wel. En als jullie van deze appel eten, weten jullie het ook.

Glazen Hannah:


Wat ben je er ermee als je dat weet?

De slang:


Als je dat weet, ben je God. Alleen God kan voorlopig zeggen wat goed is en wat kwaad is omdat hij erboven staat.

Glazen Bram:


Wij zijn naar zijn beeld en gelijkenis gemaakt.

De slang:


Naar zijn spiegelbeeld ja. Maar als jullie van deze vruchten eten, zijn jullie aan God gelijk. Congruent. Identiek.

Glazen Bram:


Maar hij heeft het ons verboden.

De slang:


Waarom denken jullie? Omdat hij alleen de baas wil blijven. Jullie zijn z’n speeltjes. Op een dag is hij jullie beu. Dan worden jullie bijvoorbeeld in een berm of een vaargeul gerecycleerd. Alsjeblief, tast toe.

De glazen mensen bijten van harte in de hun aangereikte appel. Donderslagen verwekt door het schudden met een blikken plaat weergalmen.

De verteller:


En lap! Het was te laat. De val werkte zoals voorzien. Een ware zondeval. Er kwamen onherstelbare barsten in het glazen paar. Eentje van hen werd een ‘hij’, de andere een ‘zij’. Als ze elkaar liefhadden, waren ze even terug in het paradijs. 
Hun nakomelingen liet hij door ruimteschepen ophalen zodat ze dromend buiten de tijd konden zijn, in afwachting van een nieuwe tuin.

De slang verliest zijn groene huid en wordt weer God. Hij trekt het glazen paar hun zilveren en gouden kleren uit. Rillend van de kou worden ze de tuin uit gejaagd. We komen bij de verteller staan om naar de afloop te luisteren.

De verteller:


Natuurlijk wist God op voorhand dat ze niet aan de slang konden weerstaan. 
God weet alles. Om zichzelf en zijn arme gebarsten mensen te troosten, schiep hij de engelen. Ze hadden nog wel dezelfde vormen, waren noch hij of zij, maar ze bleven hem onvoorwaardelijk trouw, dacht hij.


Zijn alter’ ego Lucifer echter zorgde voor muiterij. Toen ze naar de diepten van de hel verdreven waren, wilde God de tuin herstellen. Niet om opnieuw te beginnen, maar om hun korte leven aangenamer te maken.


Hij schiep grote en geheimzinnige wouden waarin de dinosaurussen thuis waren. Alles was er diep en wild.


Bij kampvuren zouden de mensen er verhalen kunnen vertellen.

Maar Lucifer stuurde een meteoriet naar de aarde.


Duizenden jaren heerste er donkerte en koude. De dinosaurussen stierven uit.


Na hun lange droomtijd ontscheepten de kinderen en kleinkinderen van Adam en Eva terug op aarde.

Toen hun achterkleinkind Elias de verwoeste aarde zag, verborg hij zich in het ruimteschip.

Dagen later werd hij gevonden, maar toen was de aarde al miljoenen jaren verder gedraaid.

Zo werd hij niet geboren, maar kieperden ze hem vanuit het ruimteschip in een rivier.


Nog altijd heeft hij heimwee naar de wilde en avontuurlijke tijden.
Hij kent de dinosaurussen bij hun naam.


Op een dag zal hij terugkeren. Terug in de tijd.


Hier vloeien alle verhalen samen.
We applaudisseren en groeten naar het denkbeeldige publiek in de duisternis.

Ik neem de verteller in mijn armen.


Hij gloeit.


Eerst denk ik dat hij verder speelt, tot ik zijn spieren werkelijk voel verslappen en hij langs mijn lichaam naar beneden glijdt..


’Elias!’ roep ik.


Bram vangt hem mee op.


We leggen hem op het grote laken. Hij opent zijn ogen, glimlacht.


‘Ik voelde me plots heel moe. De bomen van het aards paradijs gingen de lucht in.’
’

We zullen je naar huis brengen.’


‘Zeg maar dat je de zus van Chrisje bent, Hannah, en dat ik me plotseling niet lekker voelde.’
’

Kom, we ruimen later wel op.’
’

Hou de bomen goed bij,’ zegt hij terwijl we hem recht helpen.

‘Laat maar los. Ik kan weer op mijn eigen benen staan.’


Voor we deur van de zolder dichttrekken, kijkt hij nog eens om.
’

Zo ruikt het ook in de tuin van Eden. Naar de lucht van uitgeblazen kaarsen.’


Michiel is al naar beneden om een taxi te bestellen.

‘Heb je ergens pijn?’ vraag ik.


’In mijn rug. Waarschijnlijk mijn vleugels die gaan uitkomen.’

xx hernan basThe_soap_box_in_his_mind_01_hr2.jpg