TRIANGEL (37)

lev019.jpg

47. Tien documenten uit de wintermaanden

Stel je voor dat je over vijfhonderd of duizend jaar deze fragmentjes zou terugvinden. Digitale beelden, (zo ouderwets als nu de wiegedrukken, maar wie weet net zo kostbaar.) muziekfragmenten, dagboek – uitreksels, enkele pagina’s van een fotoboek, kortom getuigenissen die je zelf moet plaatsen.


Elk boek, iedere film, hoe gedetailleerd ook, is zo’n fragment.
Deze documenten zijn accenten, schetsen, bewegende prentjes omdat de totaliteit niet meer reconstrueerbaar is zonder ze in hoge mate te vervalsen.


We hebben dus puzzelstukjes samen gelegd met daarin heel intense belevenissen, herinneringen, gesprekken, met de beperking dat ze maar vlammetjes zijn, zoals de kaarsen die onze spelletjes op de kerkzolder belichtten.


Uit die schemerzone kwamen ze naar boven drijven, bleven ze op ons netvlies branden.

Een andere reden is de onzegbaarheid. Michiel heeft zijn muziek, Bram het spel, ikzelf het beeld. Hier moeten we het woord loslaten bij gebrek aan beter.


Vaak zijn we blijven schrappen tot er maar enkele lijnen overbleven. We vertellen over onszelf in de derde persoon.

1. Emma en Hannah poseren samen in pasfoto – automaat . 
Drie fotootjes. Nummer één: Emma kijkt ernstig, Hannah probeert haar lach in te houden. 
Nummer twee: Twee Frankensteingezichten. Nummer drie: Hoofden dicht bij elkaar, overdadig met de ogen knipperend zodat Hannah’s ogen gesloten zijn in fel kontrast met Emma’s opengesperde ogen.


Na deze sessie gaan ze naar het Putje. Een lang gesprek waarin Hannah over haar liefde voor Bram vertelt, maar het net zo goed over Michiel en Elias heeft. Over de schuilplaats zwijgt ze.


Uit haar verhaal denkt ze dat Michiel veel voor Hannah voelt. Bram wellicht ook, maar op een heel andere manier. Zij vertelt over haar vriend Jan. Al jaren in dezelfde klas en pas nu ontdekt ze dat hij de grote liefde is.
 Ze besluiten samen non te worden. In een jongemannenklooster.


2. Bierkaartje met op de achterkant een driehoek getekend. Bovenaan de letter H. Rechts de M. en links de B. Middenin staat een E.


‘Vermoed Michiel iets van jouw verliefdheid?’ wil Karen weten.


‘Nada. Te verblind door Hannah,’ zegt Bram.


’Is dat wederzijds? Dat zie je toch dadelijk!’


‘Het duurde toch ook wel een maand of vijf eer jij het door had, Rikkie!’


‘Dat dacht je maar. Maar je kent mij: keep it cool.’


’Cool, jij?’ Bram schudt zijn hoofd. Ik zal maar zwijgen.’


‘En als we nu eens een pijl trekken van B. naar M., en van M. naar H., en van H. naar B.?’ vraagt Karen.
’

‘Uit wanhoop wachten ze dan met zijn allen tot Elias zestien, zeventien is en worden ze op hem verliefd.’


‘Elias zal altijd alleen blijven. Hij is een regisseur.’


‘En jij, Hannah?’


’Ik ook, ik ben de filmcriticus!’


3. Kopie van notenblad: praeludium uit suite nr 1 voor cello van J.S. Bach.


Ter beluistering, en nu en dan in erg vertraagd tempo mag hij zelf ook al eens proberen. Er staat wel moderato bij, pianissimo als begin, met al dadelijk een crescendo, en vandaar golvend naar mezzo forte om terug naar pianissimo ter keren, en klaar voor de volgende golf, de sprongen tussen de toppen en de diepte. 
Het is met schoonheid vooruit hollen tot de hoge uitloopnoot (re) (er net naast gegrepen!) waarop de speler heel zachtjes aan zijn tweede ronde begint. Wacht op mij! Net voor het einde met een goed voorbereide sprong, de hoogste noot identiek maar met steeds andere intervallen is hij er, en zweven ze in het eindakkoord (sol-si-sol), -orgelpunt dubbele forte-, naar de vlakte der gelukzaligheden.


In een film is dit een overdaad aan slow motions, een strand, inserts van gezichten, rennende blote voeten, net niet bij elkaar kunnen komen tot zij struikelt, hij over haar heen valt, samen van de duinen rollen, en uithijgen in elkanders armen waarop de grote vrijscène volgt. Michiel zucht bij zoveel clichés. Maar wat zou het heerlijk zijn er met Hannah de hoofdrol in te spelen.


Maar zoals het notenblad om geduld en tijd vraagt, zal zijn tocht naar haar in het beste geval een weg van lange adem zijn.


Ook in dit praeludium hoor je de spiegelingen, waarmee zowel het beeld als de verbeelding hem parten speelt. 
Na de stilte van het slotakkoord is er een kans dat je van een fata morgana moet genezen.


4. Met zijn vieren zijn ze hier in het klokkenmuseum.


’Als je je sneller dan het licht zou kunnen verplaatsen, kon je dan terug in de tijd?’ vraagt Elias. ‘Theoretisch is dat mogelijk. Je kunt zelfs jezelf tegenkomen in anti – materie,’ zegt Michiel. ‘Maar geef jezelf dan geen handdruk want een hevige lichtflits zou het enige zijn wat er van jou en je andere ik overblijft.’


Ze staan bij een grote staande klok waarop de stand van de maan boven de wijzerplaat is aangeduid.


’Een klok tikt niet, zegt altijd: “nu”, en “nu” en “nu” en “nu”. Als ze nog maar “nu” gezegd heeft, is die “nu” al verleden. In feite hebben we zelf de tijd uitgevonden.’


‘Ja, de tijd is dat korte moment tussen herinnering en verlangen,’ zegt Hannah.


‘En dat moment gebruiken we om ons iets te herinneren of om te verlangen,’ vult Bram aan.


’Hoe snel moet je vliegen om vijfenzestig miljoen jaar terug te keren in de tijd?’wil Elias weten.


’Ja, als je naar de binnenste horizon van een zwart gat valt, dan zou je in één flits de hele geschiedenis en de toekomst van de kosmos aan jou zien voorbijtrekken,’ antwoordt Michiel .’Maar waar kom je dan terecht?’


‘In een ander heelal.’


‘Zou je onderweg kunnen uitstappen als je aan de tijd van dinosaurussen komt?’


5.De eerste sneeuw: een foto vanuit Hannah’s slaapkamerraam genomen.


In een sneeuwlandschap klinken de geluiden anders. Ze zijn scherper. Helderder.
Ook het weerkaatsende licht zorgt voor een aparte atmosfeer. Al zijn de bewegingen gestold, verstild, de overbelichting tot in de kamers toe, veegt de banale details weg. Bij de dooi van de volgende dag wordt de rommel in de tuinen weer zichtbaar, het drassig geluid van auto’s vervangt de helderheid van spelende kinderstemmen.


Ze vraagt zich af of haar verlangen naar Bram niet in diezelfde overbelichting baadt? Of ze niet beter de dooi zou inzetten, hem recht op de man af vragen of er voor deze liefde kansen zijn. En of hun wederzijdse banale details de lente halen of struikelblokken voor het mooie wintersprookje zullen zijn.


Op deze foto valt het strijklicht over de witte tuinen. Of je ook de afdrukken van vogelpootjes of poezenvoeten zou zien?


Hoe ze in het witte licht op haar bed ging liggen en zijn naam zei. In het clair-ob’scur van het raam zou hij zich naar haar omdraaien. De naakte lente die de sneeuwkoningin kon ontdooien.


6. Kladpapiertje met Franse woordjes, door Elias bij Bram achtergelaten na zijn logeernacht.


Bovenaan staat “chercher, zoeken”. Daarachter “le futur”, de toekomst. Toevallig, twee woordjes bij elkaar waarna een opsomming van dieren op de boerderij volgt.



‘Je was veel aanweziger toen die jongen -hoe heet hij ook weer- hier was,’ zei zijn moeder.’

‘Bedoel je mijn “vaderlijke” blik?’ had hij gegrapt. 
’Ja, je zorgde voor hem als voor een eigen kind.’


De stilte daarna omdat ze beiden beseften dat er in zijn leven niet veel vaderlijke toestanden mogelijk zouden zijn.


’Ik zou net als jij veel te bezorgd zijn mocht ik een kind hebben.

‘
Of hij nog klachten of bezwaren had?


’Mijn minieme wrevels zouden nooit tegen de jouwe kunnen opwegen, ma.’


Ze beloonde zijn diplomatie met een kus.


‘Ik zal lang genoeg kind blijven, kun je en mijn moeder en mijn oma zijn.

‘
Toen hij weer op zijn kamer was, legde hij het papiertje onder een dik woordenboek. Zoals je bladeren droogt.


7. Kaartje van Kevin, vijftien: berglandschap met sneeuwtoppen.


Hield hij zich vroeger afzijdig als er iemand gepest werd, nu gaat hij erop af. Of Kevin hen iets misdaan had?


’Zie je dan niet dat hij jannet is!’


Petra, Manu en natuurlijk Adriaan.


’Al eens jezelf in de spiegel bekeken?

‘
’Hij komt op voor zijn soortgenootjes! Michiel, ook een echte naam voor een jannet. Kevin en Michiel, nu komt het uit.’


Tot zijn eigen grootste verbazing krijgt Adriaan een dreun onder zijn kinnebak van hem. ‘Tok’, zegt zijn kaaksbeen. Zijn plompe kop draait naar links. 
’Godver..!’
Hij wil uithalen, maar Michiels voet is net iets vlugger en ploft tussen zijn benen. Hij plooit dubbel. Manu zet automatisch twee stappen achteruit en Petra gaat gillen.


‘Weet de ene zak tenminste waar de andere hangt!’


Kevin staart hem met open mond aan.


‘Kom, Kevin.’


Applaus van de omstanders.


’ ’t Wordt tijd dat hij zelf eens op zijn donder krijgt.

‘
Als hij in de klas op zijn bank zit, trilt zijn lijf. Van schrik en de zenuwen. 
De volgende dag krijgt hij een kaartje van Kevin. Berglandschap met besneeuwde toppen.


’Dit kaartje om je te bedanken, Michiel. Het stond altijd voor mij op mijn bureel. Als ik het moeilijk had, dan keek ik naar de bergen waar ik vroeger met papa ging klimmen. Nu is het voor jou. Ik zal niet meer op mijn kop laten zitten! Kevin.

‘
Zonder de drie van de kerkzolder had hij dit nooit gedurfd. Hij houdt zich niet meer op de vlakte. Daar herinneren hem de bergen op Kevins kaartje aan.


8. Treinbiljet naar zone Brussel : uitstap met de vier naar het natuurhistorisch museum.


Een verrassing van Hannah. Bezoek aan de dinosaurussen. Bij aankomst neemt Elias ons mee naar de elf iguanodons wiens skeletten rechtop staan. Een twintigtal andere exemplaren liggen zoals ze gevonden zijn in de mijn van Bernissart.. Hij heeft het museum al eens met zijn ouders bezocht. Lang geleden.


Voor de nagebouwde modellen, bewegende maquettes op ware grootte, heeft hij weinig aandacht. Hij vindt ze eerder kinderachtig.


‘Ze zijn met opzet afschrikwekkend voorgesteld. Alsof je mensen in een museum zou zetten die elkaar vermoorden om aan wezens van een andere planeet iets over mensen te vertellen.’


‘Een eigenschap die mensen niet vreemd is,’ zegt Hannah. ‘ Ze denkt aan de velden vol kruisjes in de westhoek.


’In de tweede tuin heb je geen gevechtskledij van doen, daar vertrouwen ze nog op hun eigen vel.’

 

9. Bij Elias thuis, een bezoek nadien:

John:


Dit is zijn kamer. Daar hangt de wereldkaart. De doodskoppen op die kaart zijn de wereldrampen: Hiroshima, Tjernobil, Ethiopië, de zure regens, het gat in de ozonlaag boven Antartica.

Irene:


Wij zegden, jongen, je moet je je dat allemaal niet zo aantrekken. Wat kun je eraan veranderen, dat zegden wij.

John:


Ze overladen de kinderen te veel met miserie. Disney, die begreep tenminste wat kinderen nodig hebben.

Irene:


Hij was nog heel klein toen hij hier met dekens en kussens een soort walvis heeft gebouwd.

John:


Als we hem niet konden vinden, zat hij in zijn walvis.

Irene:


…omdat hij bang was, zei hij. Om de stemmen niet te horen.

John:


Toen werden we wel een beetje ongerust en zijn we met hem naar de psychiater geweest.

Irene:


Dat kind dat moet aan sport doen, zei de dokter. Hij komt te weinig buiten.

John:


Ik vond dat dus ook. Kinderen van tegenwoordig hebben geen karakter meer.

Irene:


Ik heb hem toen naar de jeugdbeweging gestuurd, maar daar voelde hij zich niet thuis.

John:


Ze lachten hem uit met zijn verhalen en zijn stemmen, dat lag voor de hand.

Irene:


Niet dat hij wereldvreemd was. Neen, hijzelf nam altijd eerst contact met de mensen. Maar hij doorzag de mensen vlug.

John:


Gewoon sporten, voetballen bijvoorbeeld, dat was niets voor hem, zei hij. Toen hij klein was, zat hij boven in een boom en keek hij naar zijn leeftijdsgenootjes die spelletjes deden.

Irene:


Hij is altijd zo geweest. Hij is oud geboren, zei mijn moeder altijd.

John:


Ik had natuurlijk wel op een zoon gehoopt met wie ik kon gaan vissen of kamperen.

Irene:


…kamperen deed hij toch graag, hé John?

John:


Ja, als hij ’s avonds maar bij ’t vuur kon zitten lezen. Boeken over Griekse helden of indianenverhalen om maar eens iets te noemen.

Irene:


John is een heel ander type.

John:


Ik ben een doener. Ik wil actie. Dat is pas leven, vind ik.

Irene:


Zwemmen deed hij graag. Hij was verzot op water.

John:


Als je dat zwemmen kunt noemen! Hij liet zich dan drijven en lag naar de wolken te kijken, of hij speelde het verhaal van de watergrootvader.

Irene:


Mijn vader. Toen die nog leefde, vertelde hij hem altijd hetzelfde verhaal. Het verhaal van de watergrootvader.

John:


Je zou van minder nachtmerries krijgen. Dan dacht hij dat ik een dinosaurus was die door de muren van het huis zijn kamer binnenstormde. Jongen toch, zei ik. Die dieren zijn al miljoenen jaren uitgestorven.

Irene:


Och, hij had een levendige verbeelding.

John:


Vroeger bestonden er duidelijk riten. Men verliet het kinderleven, en via een inwijding werd je van de moeder los gescheurd en kwam je in de mannenwereld terecht. Dat was vaak een pijnlijke zaak, maar door die pijn konden de kinderen niet meer terugvallen in hun kindertijd. Je hoorde bij de jagers, de krijgers.

Irene:


In plaats van een jager kon hij een verteller worden.

John:


Miljoenen jaren waren wij jagers. Diegenen die niet meekonden die zijn verhaaltjes gaan vertellen. Maar ik moet niemand iets verwijten. Ik heb er waarschijnlijk zelf te weinig tijd voor vrij gemaakt. Tenslotte moest het huis nog afbetaald worden, en er waren de opdrachten voor de universiteit. Ik moet nog een aantal telefoontjes doen. Als jullie mij willen excuseren.
(hij gaat de kamer uit)

Irene:


Het is zijn manier om zijn verdriet te verwerken. Waar zouden mannen ook geleerd hebben met gevoelens om te gaan?


Kijk, hier staat zijn verzameling cassettes. Op al die banden nam hij muziek voor blazers op, trompetten, saxofoons; trombones, tuba’s… Muziek voor het einde der tijden, noemde hij ze. Waar haalt zo’n kind zoiets?


Gaan jullie maar, ik zal het licht wel uitdoen.


10. Schets in houtskool: Elias in diverse houdingen.


‘Teken je ook wel eens mensen?’ vroeg hij haar toen ze vanuit de woonkamer de doorzichtigheid van de winterse tuin in beeld wilde brengen.


Hij was zo maar komen binnen gelopen. Of ze niet mee naar de bibliotheek ging? Of ze wist wat een Tylosaurus was? Neen, geen “stylosaurus”, maar een dinosaurusachtige van twaalf meter lang die alleen vlees at. Half in de zetel liggend, begon hij zijn verhaal over de verschillende soorten ontdekte reuzehagedissen.

Bovenaan het blad zie je dus nog de eerste omtrekken van de boomkruinen, maar onderaan ligt er een jongetje op de zetel terwijl zijn linkerarm een grote boog beschrijft (de sprong van de wegvluchtende prooi?) Daarnaast een zittende jongen, ellebogen op zijn knieën en onderaan iemand die naar de verte (de tuin in dit geval) kijkt, zijn ene hand in de heup, dat typische gebaar van hem.


Toen hij de schetsen zag, was hij verbaasd.


’Tiens, je hebt er mijn gedachten ook bij getekend. ‘

lev012.jpg

(de kunstwerken zijn van Dana Levin Eleanor Ettinger Gallery NY)