DE MANNENZAAL (Turnhout 1955) (slot)

ii103637.jpg

Waar ‚de avonturen van Tom Sawyer’ vandaan kwamen heeft hij zich toen niet afgevraagd. Waarschijnlijk door een kind achtergelaten in de roes van de terugkeer naar het dagelijkse leven want hij kon zich later niet voorstellen dat dit boek uit de bibliotheek van het ziekenhuis zou komen. (het droeg overigens noch stempel, noch andere indicatie, het was er op het juiste moment voor de juiste persoon)
Turnhout was al eens verdwenen in de zorgende wereld van het Sint-Elisabeth-gasthuis, nu werd de ‚mannenzaal’ bevolkt met figuren uit het Amerikaanse St. Petersburg aan de Missisippi.

Er zijn boeken die je neerbliksemen, die de decors van je Kempische jeugd in de fik steken, die, al waren ze toen nog geen honderd jaar geleden geschreven (1877),  bijna met een persoonlijke opdracht voor jou persoonlijk gisteren of eergisteren het levenslicht hadden gezien.
Net zoals ‚de scheepsjongens van Bontekoe’, boek waaruit broeder Alexianus het schooljaar na het ziekenhuis elke zaterdagnamiddag zou voorlezen, hoorde het levenslang bij ‚de onvergetelijken’ (vul aan met ‚Alleen op de wereld’) uit de kindertijd.
Het ouderloze kind Tom dat bij zijn tante Polly woont beleeft met zijn vriend Huckleberry Finn voortdurend de schrik van zijn leven. Hij woont zijn eigen begrafenis bij, is getuige van een moord op het kerkhof en vindt net op tijd een schat zodat het vervolg ‚De lotgevallen van Huckleberry Finn’ nooit dezelfde glans kreeg maar duidelijk een voortborduren was op het succes van Tom Sawyer.

Zoals andere heuse biografieën van een kinderleven (de Witte van Sichem bijvoorbeeld) was ook dit verhaal een brutaal droevig boek.  De hoofdpersonen lijden. Ze moeten tegen een gevestigde orde opboksen en hebben alleen hun eigen fantasie als redmiddel.
De Witte en Tom Sawyer hebben dat begrepen.  Als Tom de schutting moet witten en daardoor een vrije dag zal missen, maakt hij van die opdracht een ogenschijnlijk feest.  Schilderen wordt een voorrecht dat alleen tegen betaling in natura kan verworven worden terwijl de eigenlijke schilder geen klap uitsteekt.
Mark Twain, de auteur, kreeg het niet over zijn nochtans Amerikaans hart om het boek met moralistische lessen te bevolken. Dat was hoe dan ook nieuw in 1877 en zeker ook nog in 1955 in en rond het provinciestadje Turnhout.
Zelfmedelijden was de hoofdpersonen onbekend tenzij het hun zaak kon dienen.  Hun motieven waren vooral eigenbelang.  Trouwe vriendschap bleek het enige medicijn, ook al was je vriend een zwerver en een nietsnut in de ogen van de gemeenschap.
Natuurlijk droomde de aan het bed gekluisterde jongen van Injun Joe, de moordenaar, en riep hij ’s nachts in zijn droom om hulp.
De nachtzuster voelde zijn voorhoofd en zei dat het maar een droom was. Ze leek stevig genoeg gebouwd om elke Injun Joe aan te kunnen dus sliep hij gerustgesteld weer in en begon hij de volgende dag het boek aan de mannenzaal te vertellen. Het was er nog nooit zo stil geweest. ’s Avonds was hij hees en doodmoe.

Toen de drie verplichte rustdagen voorbij waren was ook het boek uit en kwam de dokter vertellen dat hij de volgende dag naar huis mocht en de week daarop weer naar school kon.
Het boek mocht hij houden.  Als beloning voor zijn werk.
Terug in zijn jongenskleren was hij niet meer dezelfde.  Hier, op de mannenzaal was een hij een elfjarige man geworden.
Hij deelde de overgebleven appelen en sinaasappelen uit, fluisterde dat Jean zijn deel van de illegale verkoop mocht houden om voor zijn vrouw een cadeautje te kopen en beloofde iedereen te schrijven.

Thuis voelde hij zich de eerste dagen helemaal verloren.  Hij weende enkele uren uit heimwee naar een wereld die hij aan niemand kon vertellen. Nog altijd wilde hij graag een gasthuis-zuster zijn maar eentje die er nu en dan mocht uittrekken om op de Aa een vlot te gaan bouwen en vuurke-stook te doen.
Hij begon te beseffen dat zijn hart uit verschillende grondstoffen was samengesteld die het wel eens moeilijk met elkaar hadden. Hij was toen al oud en wist nog niet dat hij op zijn zeventigste eindelijk een kind kon zijn.

tmp_7e4a93be4522c9e6930f8e88296479df.gif

DE MANNENZAAL (Turnhout 1955) (4)

Bernard_01_web.jpg


Een uurtje later reden ze hem naar de operatiekamer.  Hij wilde weten of hij verdoofd zou worden.
‚Dat is een zaak voor de dokter,’ zei de jonge zuster Reinhilde maar dokter Verhagen heeft zelf ook kinderen.’
Magere troost want volgens Jean kregen die om de haverklap een pets tegen hun kop.  Dat had hij zelf gezien toen hij er de banken rond het zwembad moest herstellen.

‘En als ze niet braaf waren, gooide hij ze met kleren en al in het koude water -‚’t was toen nog maart- dus ge kunt denken.’
De zuster parkeerde hem in de kamer naast het O.K.  Het was er frisjes.  Hij kroop onder het bruine dekentje. 
Stel dat hij nu zou doodgaan dan moest hij niet meer verdoofd worden.
In de folterkamer zoemde een machine.
Tegenwoordig kunnen ze langs uw kont de inboedel bekijken met een verrekijker waarop een lichtje was gemonteerd, had de piraat beweerd.
Gelukkig hadden ze daar van binnen niets te zoeken of ’t moest zijn dat de wonde aan zijn voet iets met zijn hart of zijn lever had te maken. Dat kon.  Bij Jacques die gisteren naar huis was gegaan hebben ze vieze beestjes uit zijn darmen gehaald terwijl hij dacht dat hij iets aan zijn knieschijf had.
Zou hij vlug in slaap vallen? Dan was er geen prik of masker meer nodig.
Kijk, kijk zou dokter Verhagen zeggen dat is nu gemakkelijk.  Deze voorbeeldige patiënt heeft zichzelf verdoofd. En zuster Mechtilde zou hem daarna zachtjes wakker maken en hem een kusje geven.  ‚Flinke jongen!’ hoorde hij haar zeggen. Nu kunnen we dat slaapspuitje aan een arm kind toedienen, fijn hé?’
Hij kneep zijn ogen dicht, probeerde te geeuwen, maar de slaap bleef waar hij was:  ver weg.
Er waaide een witte jas voorbij.
‚Wie we hier hebben,’ zei de dokter.  ‚Ik heb nog nooit iemand met een gekwetste voet zoveel zien lopen.’
‚Hij doet vooral ’s nachts pijn en..’
‚Omdat ge er te veel op gelopen hebt waarschijnlijk. Laat eens zien.’
Ze reden hem naar de marteltafel.
Hoeveel mensen waren er op die tafel opengesneden en dicht genaaid?
‚Stap er maar zelf op.’
Hij dacht aan een piraat die het vijandelijke schip enterde en sprong met veel geweld op de tafel.
‚Ik denk dat ze dood is,’ zei de dokter terwijl hij de tafel een klopje gaf. ‘Daar moet ge alvast niet bang meer voor zijn.’
Hij knipte de grote zon aan (zo had de piraat de centrale lamp genoemd) en keek naar de wonde aan de zijkant van zijn voet.
‚Koop al maar een paar rolschaatsen want deze voet moet eraf,’ zei de dokter na een grondig onderzoek.
‚Dokter, alstublieft!’ protesteerde de operatiezuster, een wit mollige verschijning die bekend stond om haar gesmaakte combinatie van zachtheid en kordaat optreden.
‚Niet schrikken, jongen.  Hij maakte een grapje.’
‚Als hij geen rolschaatsen wil dan zullen het krukken worden,’ zei de dokter die achter zijn bekende brutaliteit zijn liefde voor kinderen trachtte te verbergen.
‚Of stelten,’ stelde de jongen voor. ‚Ik kan goed stelten lopen.’
Zuster assistente smeerde de wonde in met een gelei-achtige vloeistof.
‚Nu heb ik één indianenvoet,’ zei de jongen.
‚ Die voet geneest goed.  Maar…- en ik zeg ‚maar’ -en hij wees met een vlijmscherp scalpel naar de rood-bruine voet- die voet heeft minstens drie dagen rust nodig, en hoogte.  Met dat druk geloop rekt de huid en krijgt ze geen kans om dicht te groeien.  Dus mooi verband errond, zuster en hem op twee kussens leggen, drie dagen en drie nachten. De voet uiteraard, aan ’t ventje dat eraan aan vast zit mankeert verder niets. Trouwens is dit dokter E. zijn patiënt?’
De zuster knikte.
‚En is dokter E. zoals elk jaar naar de Côte-Azur om een maandje uit te rusten?’
De zusters bleven knikken.
‚En is hij zoals elk jaar een patiënt vergeten?’
Het knikken stopte en ging over in schouder-ophalen en hoofden die zachtjes heen en weer wiegden.
‚Dan moeten wij voor dit verloren schaap zorgen.’
‚Hij helpt ons voorbeeldig, dokter.  Hij deelt limonade en kranten uit en hij kan de zieken troosten als de beste.’
‚Deze jonge heilige moet nu drie dagen en drie nachten rusten, net zoals ons Heer, en daarna mag hij beetje bij beetje verrijzen.Geef hem een boek, laat hem vraagstukken maken, schapen tellen of sokken stoppen, als hij maar stilligt en dan bedoel ik de voet en het vergeten ventje dat eraan vastzit.

Michael BarrTheMallowMakerL.jpg

DE MANNENZAAL (Turnhout 1955) (3)

18627.jpg


Mon, een bediende op ’t stadhuis dacht dat die ivoren toren iets met ‚schaken’ had te maken.  Zijn torens waren van hout, maar de voorzitter van de schaakclub, meneer Segers, lid van de provincieraad, had een spel met ivoren stukken meegebracht uit Perzië of daar ergens in de omtrek.
En die ster van de zee dan?
Misschien noemde hij haar zo, hadden ze samen een huwelijksreis per boot gemaakt en stonden ze ’s avonds naar de sterren te kijken. Wat zegt ge dan?  Gij zijt mijn ster van de zee natuurlijk en ik ben uw ivoren toren.
‚Stoeffer,’ zei Jean.  Maar dat begreep de jongen niet.
Koorts in de hersenen, dat is wat Adri heeft, ging Jean verder.  Zijn eigen grootvader dacht maanden aan een stuk dat hij Napoleon was en dat kwam door hersenkoorts had de dokter gezegd.
Nu hij met zijn pa langs Adri’ s bed liep, glimlachte hij.
‚Sint Jan, de voorloper, en gij zijt degene die komen moest.’
Zijn vader knikte vriendelijk terug en begon daarna over het volgende voetbalseizoen en of FC Turnhout dan al in tweede klasse zou spelen?

‚Wat doet dat kind daar,’ had de dokter gevraagd toen hij hem op de vensterbank bij ’t bed van Jean zag staan.
‚Kijken of er iemand het peloton heeft gelost,’ zei de jongen.
Of er dan koers was?
‚Elke dag,’ zei de jongen.  ‚De jongens van de klas.  Iedereen kent ze hier al.  Ik hou een klassement bij van wie hier eerst aankomt.  Stefaan van den Berg heeft al 12 seconden voorsprong op Ronny Brenders.’
Ze zouden na ’t bezoek eens in de operatiekamer naar zijn voet kijken.
‚Zorg ervoor dat hij een beetje proper is, hé zuster.’

Zo stond hij in de donkere badkamer eens iedereen weer naar huis was in ’t licht van een spaarzaam vijftien-watt peertje.
De zuster zei dat hij geen bad moest nemen maar zich eens flink aan de lavabo helemaal kon wassen.
Ze gaf hem een washandje, een handdoek een stukje zeep waarin ‚lux’ was gegraveerd, volgens Jean de zeep van de filmsterren.
Of hij niet zou vergeten zich ook daar beneden te wassen, vroeg de zuster.
‚Ja, ze zijn heel vuil, zei hij terwijl hij haar een van zijn voetzolen toonde.
Hij kleedde zich uit en stond naakt in de donkere badkamer terwijl hij het wasbakje liet vollopen.
Het was de eerste keer dat hij hier naakt was.  Het gaf hem een vreemd, zelfs een zalig gevoel.  Nu was hij geen patiënt meer.  Patiënten droegen een pyjama.  Hij was een jongen die hij als een schim in de spiegel zag glimlachen. Hij wandelde langs het lege bad, drapeerde zijn handdoek over zijn schouders en kon maar niet besluiten zich in te zepen.
Vreemd dat hij zich later als oude man die bevrijding nog zou herinneren.  Het plezier, dat was het, naakt te zijn zonder enige gène of schaamte.  Geen moeder in de buurt die zijn haar kwam wassen of zijn rug zou schrobben.
Hij stapte in het lege bad en legde zich daarin languit.
Hij hoorde de geluiden van het ziekenhuis ver weg.  Het gedender van de karretjes, het stapelen van borden, het rinkelen van bestek.  Stemmen die onverstaanbare klanken riepen.  Voetstappen.
Hij wilde zo lang blijven liggen tot hij vleugels zou krijgen en hij naar de operatiekamer kon vliegen terwijl zuster Mechtilde hem met een touwtje aan een van zijn kuiten als een kermisballon vasthield.
Adri zou op zijn bed neerknielen.  Maria met haar zwevende kleine Jezus op weg naar de folterkamer van dokter Pilatus. Laat u niet doen, zou Mon roepen.  En als de zwarte op bezoek was en hem in zijn blootje voorbij zag zweven zou ze zich verslikken in haar vijfduizendste weesgegroet en denken dat het befaamde uur van haar dood was aangebroken.
De zuster knikte minzaam zoals alleen zusters kunnen knikken. 
‚Kom, kleine engel, zei ze, eens je voet genezen is zullen we je gouden sandaaltjes aanschuiven.  Persoonlijk dacht hij aan zwemvliezen maar een beetje verguldsel kon best zijn meestal vuile voeten camoufleren.
Of alles in orde was, hoorde hij de zusterlijke stem aan de andere kant van de badkamerdeur.
Hij haastte zich uit de kuip en begon duidelijk hoorbaar golfjes te maken in de volle lavabo.
‚Het duurt van onder een beetje langer, zuster,’ zei hij.
De stem antwoordde niet.  Voetstappen verwijderden zich vlug van de deur.
Ja, als je op je elfde al een 42 schoenmaat hebt is er al heel wat te wassen.

fb-06-30.6.jpg

DE MANNENZAAL (Turnhout 1955) (2)

station hospital SR1 photo.jpg

Michaël was reiziger in koffie.  Een zachtaardige man die niet veel zei maar altijd glimlachte, zeker als het raam openstond en de merels zongen. Zijn vrouw Julia was des te spraakzamer maar omdat ze een goed hart had, zei Michaël nam niemand dat kwalijk.
‚Ge kunt uzelf moeilijk horen, hé,’ zei Julia, en of zijn darmen al uit elkaar waren geraakt en hij al scheten kon laten zoals hij dat thuis deed als ze naar de radio luisterden en hij nog een sigaretje rookte.
‚Julia, alstublieft!’
‚Ge moet daar geen rode kop van krijgen, Michaël. Niks is zo gezond als degene die geen huishuur betaalt buiten te jagen.’
Ze lachte zelf heel luid en alleen voor Jack, een brouwerszoon met een middenoor-complicatie, moesten ze Julia’s woorden herhalen waarbij de hele mannenzaal het zo luid uitschaterde dat zuster Mechtilde binnenkwam en vroeg wat er hier zo plezierig kon zijn. 
Ook bij zijn derde versie was het brullen, gelach dat onder het kalmerend gebaar van de zuster wegstierf, nog eens eventjes opveerde en dan in de stilte van de mannenzaal verdween.

In het laatste bed van de rechtse rij lag Adri. Hij was een lange magere man die elke dag bezoek kreeg van een zwart geklede vrouw.  Sommigen beweerden dat ze zijn halfzus was, anderen hielden het bij zijn tweede vrouw,  want in heldere momenten sprak Adri over ‚de eerste en de enige’ die echter in de hemel scheen te verblijven.
Volgens de bakker was Adri een geleerde piet geweest maar had hij een ziekte gekregen van al die cijfers en giftige dampen.
De zwarte begroette niemand, keek Adri nauwelijks aan en haalde haar rozenkrans boven.
‚Bidden, Adri,’ zei ze.
Adri keek naar de zoldering en liet zijn schrale lippen zachtjes met haar gefluister meetrillen.  Geluidloos.  De zwarte begon na enkele tientjes te sissen en leek haar weesgegroetjes uit te spuwen. Leeggelopen maakte ze een kruisteken, liet haar rozenkrans in een onzichtbare bergplaats boven haar navel verdwijnen en verliet de zaal zonder iemand aan te kijken.
Of hij geen dorst had, vroeg de jongen toen ze buiten was.  Van al dat bidden kreeg je toch een droge keel?
Hij schudde zijn hoofd:
‚Jezus op het kruis, dat is pas afzien,’ zei hij met gesloten ogen.
‚Zelfs hem gaven ze een spons met azijn, denk ik. Om eens iets anders te proeven dan al dat bloed dat vanuit zijn doornenkroon over zijn gezicht in zijn mond liep.’
Dat had zuster Mechtilde gehoord.
‚Maar ventje, gij kent beter uw gewijde geschiedenis dan al die grote ketters hier.’
Of ze een spons hadden, vroeg Adri.
‚In de donkere badkamer ligt er een spons denk ik.  Wacht.’
De lichte badkamer met het broebeltjesglas was de badkamer die de dokters en de zusters gebruikten, de donkere zonder ramen, was voor de patiënten die enigszins te been waren.
Hij kwam terug met een spons op een bord waarop in donkerbruine letters ‚St-Elisabeth’ stond gedrukt.
‚Ga maar rechtop zitten, anders loopt het water in uw nek en wordt het kussen nat.’
Hij besefte dat hij hiermee de nodige indruk zou maken op de zuster maar tegelijkertijd had hij met Adri te doen.
‚Niet bijten maar zuigen, Adri.’
Hij proefde het muffige kalkwater dat te lang in de leidingen had gestaan.
‚Zo goed als champagne,’ zei Adri.  Hij begon te blozen.  Hij voelde dezelfde verlichting die Jezus had gevoeld.
Daarna liet hij zich weer zakken.
De jongen zette het bord op het metalen nachtkastje.
‚Ge weet het staan, hé Adri?’
Hij knikte, likte nog eens met zijn tong langs zijn lippen en nam de hand van het kind.
‚De enige hierboven zal je belonen.  Ik ken haar langer dan vandaag.  Gisteren zat ze daar toen ik ‚s nachts wakker werd.’
Hij wees naar de tafel van de nachtzuster.
‚Was ze mooi?’ vroeg hij terwijl de dekens schikte.
‚Sterre der zee, ivoren toren,’ zei hij.

(vervolgt)

james casebere.jpg

DE MANNENZAAL (Turnhout 1955) (1)

gasthuis.jpg

Op zijn elfde wilde hij het liefst gasthuiszuster worden.  Het feit dat hij een jongen was,veranderde daar niets aan. Met een witte jurk en een specifieke kap op je kop was iedereen een zuster.
Hij lag met een vage voetwonde op de mannenzaal, groot voor zijn leeftijd en kon zich nuttig maken door voor de patiënten limonade en koekjes te gaan halen in de plaatselijke kantine. Vaak hielp hij een oude man rechtop in bed zitten, luisterde hij aandachtig naar vijftien verledens en kon hij begrijpelijk knikken als ze ‘verstaat ge?’ zegden, liep hij naar de badkamer voor fris water en vertelde hij een verhaaltje als ze de volgende dag geopereerd moesten worden en van schrik de slaap niet konden vatten.
‘Gij zijt nog maar een kind, maar ge kunt goed luisteren, ‘ zei Lukske in het verste bed van de zaal.
‘Zeg dat maar tegen ons ma,’ had hij geantwoord, maar zijn ma zei dat ze niet tegen de ziekenhuisgeuren kon en daarom kwam alleen zijn pa hem elke dag bezoeken en de jongens van het vijfde leerjaar die om te vlugst naar boven stormden om een goede plaats in het klassement van de ‘gasthuis-ronde’ te krijgen.
Hij hield een lijstje bij en gaf de dag-winnaar en de winnaar van het algemeen klassement een snoepje of een glaasje geneeskrachtig (kraantjes)water.
‘Niet te druk, hé jongens,’ zei de hoofdzuster.  Haar woord was wet, dus siste hij als een goed ontwikkelde slang als Fons van den Berg zijn paardenlach de mannenzaal injoeg of Joske Geerts zijn aangebrande moppen met veel te luide stem begon te vertellen en midden in het verhaal niet meer wist hoe ze eindigden waarop de paardenlach met gefluit op zijn vingers en het puber-ahoe van Ronny Bekkers voor een duidelijke meerstemmigheid zorgden.

Zijn vader zat op de enige stoel bij zijn bed en praatte over voetbal met een oudere patiënt wiens bed met het hoofdeinde aan het bed van zijn zoon grensde.
Waren de jongens naar huis dan knikte hij vriendelijk en vroeg hij of hij niet te moe was van al die drukte.  Hij schudde zijn krullenhoofd en zei dat dit het enige uur was dat hij in bed lag, het bezoek-uur, en o ja, ‘s zondags als de radio-mis werd uitgezonden, dan mocht er ook niemand rondlopen.
‘Kom maar eens mee pa.’
Hij sprong uit zijn witte bed en begon aan een rondleiding waarbij hij elke patiënt met naam en toenaam aan hem voorstelde aangevuld met het ziektebeeld of de vooruitzichten al dan niet op een spoedig vertrek.
‘Dat is een echte schat,’ zei de piraat, een bakker op leeftijd die van een oogletsel herstelde en zich als zeerover op rust had gepresenteerd. ‘Hij loopt de benen van onder zijn lijf om iedereen helpen.’
‘Jaja,’ zei zijn vader. ‘Het is een goeie jongen maar ge moogt dat niet te dikwijls zeggen want daar zou hij een dikke nek van kunnen krijgen.’
Of ze zijn bakkersnek als een gezien hadden, dat was pas een dikke nek.
Bij Lukske Lenders bleven ze achter zijn bed staan.
‘Hij is heel ziek, pa.  Iets met de longen, hé Lukske?’
Lukske knikte.  Je zag alleen zijn klein appelhoofdje boven de dekens uitsteken.
‘Lukske droomt slecht, pa. Over de oorlog.  Een Duitser blijft hem achternazitten tot hij zwetend van de koorts wakker wordt. Ik heb hem al eens gezegd dat hij zich in zijn droom moet durven omdraaien.  Niet bang zijn, maar recht op de Duitser afgaan.  Dat zei vava.  Hij had ook zo’n droom, maar dan met een kolonel van het Belgisch leger.  Faut retourner.  Faut retourner, riep die want vava’s fort in Namen was ontploft. Degenen die nog leefden probeerden in de velden weg te komen maar die spookkolonel zat hem elke nacht achterna totdat vava zich omdraaide en de bullebak in elkaar zakte en er alleen nog een hoopje stof op de grond overbleef. En nu gaat Lukske deze nacht hetzelfde doen.  Spijtig dat ik van de nachtzuster niet bij hem mag gaan zitten om zijn hand vast te houden.’
‘Een jongetje moet ‘s nachts slapen,’ zei het appelhoofdje met een hese stem die in een droog hoestje oversloeg. Zijn vader gaf hem uiteraard groot gelijk.

Jean was timmerman en had last van zijn rug gekregen.
‘Krom staan, hé meneer.  Daar wordt ge krom van.’
Zijn vrouw bracht kilo’s sinaasappelen mee voor de vitamines en een vlotte stoelgang.
‘En dan persen wij die uit, nietwaar jongen?’
Dat deden ze met zo’n handpersje waarop je een halve sinaasappel zo lang heen en weer moest draaien tot er geen druppeltje meer uitkwam.
‘Nogal wat anders dan die Sinalco-limonade!’
Voor een halve frank kon je een glas vers geperst sap leegdrinken.  Betalen moest stiekem gebeuren want handeldrijven was onder de patiënten van het Sint Elisabeth-ziekenhuis niet toegestaan.
‘We hebben al bijna veertien frank, maar zwijgen hé pa?’

(vervolgt)

Gasthuiszusters_Augustinessen-Boom.jpg

DIALOGEN MET JEZELF (3)

P5150004.jpg

Intens. Het licht uit de kleine kindertijd.  Net zo intens als het donkere van de kindernachten. De intensiteit van je eigen ver verleden, een verleden dat zich steeds van je verwijdert, heeft natuurlijk iets met de afstand te maken. Wat uit onze ervaringswereld is verdwenen zet zich meestal met diezelfde intensiteit vast in ons geheugen. Als een bliksemflits.

Het licht dat zich over de varens heeft uitgegoten, dat hun diverse tinten groen vanuit de diepte naar bijna geel laat verschuiven.

Je zou kunnen zeggen dat intensiteit zich niet alleen in de fel verlichte bovenste lagen bevindt, maar de schemer onderaan net zo intens is door het mysterieuze, door het onzichtbare waarin de intensiteit zich meer in het raadsel dan in de uitstraling bevindt.

In de structuren van je verhaal is dat net zo: schitter niet door je verbale acrobatie, maar heb aandacht voor de aarzeling, voor het meerlagige van je personages waarvan karaktertrekken best in het donker, of in het schemerige mogen verblijven.

Natuurlijk heb je meer onmiddellijk succes met een makkelijke één-dimensionaliteit die het vlot weglezen mogelijk maakt, maar net zoals je na een flesje prik het koolzuur-gas kunt opboeren is de smaak van deze hapklare verhalen of romans vergeten bij de volgende lees-burger.

‘Bij het graven in mijn kindertijd (dat het op één na beste is na het graven in je eeuwigheid) zie ik het ontwaken van het bewustzijn als een reeks verspreide flitsen, waarvan de tussenruimten gaandeweg slinken totdat zich heldere blokken waarneming vormen die het geheugen een glibberig houvast verschaffen.’ (Vladimir Nabokov ‘Geheugen, spreek, p18-19)

Het gaat dus ook over het ‘niet-weten’, het vergeten, het on- of onderbewuste, een vaststelling die je zal verplichten je onderzoek ook associatief aan te pakken: door het oproepen van losse beelden ontstaat een geheel waarin je lezer nog thuishoort: je biedt hem ademruimte in tegenstelling met bijvoorbeeld de literatuur van de 19de eeuw die tot in het detail was uitgetekend en waarin je als lezer door de veelheid van details werd buitengesloten.

Nabokov heeft het in zijn ‘Geheugen, spreek’ over ‘optische versmeltingen’ wanneer hij vanuit de trein naar buiten kijkt:

‘De deur van de coupé was open en ik kon het gangraam zien, waar de draden -zes dunne zwarte draden- hun best deden omhoog te hellen, hemelwaarts te rijzen, ondanks de bliksemsnelle slagen die hen werden toegebracht door de ene telegraafpaal na de andere; maar juist als ze alle zes, met een triomfantelijke stoot van aandoenlijke vervoering, de bovenkant van het raam zouden bereiken, werden ze uiterst kwaadaardig teruggeslagen naar het laagste punt waar ze ooit waren geweest en moesten ze weer helemaal opnieuw beginnen.’ (ibidem, p 149)

Wat hij heeft ervaren als kind in de toenmalige ‘chique’ Nord-Express herkennen de meesten onder ons onmiddellijk.  De wonderlijke waarneming van schijnbare bewegingen vanuit ons rijdend standpunt.

Dat zou de volgende stap zijn: vanuit de beelden die je beetje bij beetje duidelijk maakt, heb je je persoonlijke kijk.  Hij sluit niemand uit.  Integendeel, toen ik de eerste keer ‘de optische versmeltingen’ las bij Nabokov kon ik die onmiddellijk in mijn eigen waarnemingen plaatsen. Hij haalde mij binnen in zijn eigen lang voorbije kindertijd.

Dat is het pad, de moeilijke weg waarmee je mensen naar je verhaal brengt.

P5150005.jpg

Je hebt het betegeld met ervaringen uit je eigen verleden, en zoals op mijn foto, bestaan ze niet uit duidelijke nette afgelijnde tegels maar vormen ze brokstukken waartussen aarde en licht de weg vervolledigen. In de structuur die jij bewandelt zullen de raadsels en je persoonlijke waarnemingen het met elkaar vinden. De lezer weet nog niet waar hij naar toe gaat net zo min als jij beseft wat je bij hem/haar teweegbrengt.

Een versmelting zoals het licht  van deze prachtige mei-dag zich met ons klein leven versmelt en wij hem zullen herinneren in het mysterieuze van de toekomende tijd. Intens.

Een intens leven wens ik je van harte toe.

 

 

DIALOGEN MET JEZELF (2)

P5140002.jpg

Beetje oneerbiedige kijk was dit, plotseling opgemerkt bij een wc-sessie: zonlicht dat de badkamer inviel en het mooie Italiaanse beeldje op de tegelvloer projecteerde. Niet alleen de mooie licht-inval, of de toevallige verschijning maar vooral het idee van Plato’s grot waarin wij allen zitten opgesloten en tenslotte slechts schaduwen van de buitenwereld voor waar aannemen.

P5140004.jpg

Natuurlijk kan ik het uit zijn schaduwbeeld verlossen door het je hier te tonen zoals ik het ooit op een antiekmarkt in het Italiaanse Lucca kocht na de nodige theatrale ‘no-no-no’ als antwoord op mijn volgens de verkoper veel te lage prijs en ik slechts bij schouderophalen en ciao het toch nog bijna nageworpen kreeg, in een krant gedraaid, dit alles als antwoord op mijn cultuurbarbarisme: een vreemdeling die voor een prikje de kunstschatten van deze prachtige streek verwierf.

P5150001.jpg

Het is uit zacht lindehout gemaakt, waarschijnlijk laat achttiende eeuw en het joch heeft ooit duidelijk iets ondersteund of gedragen dat tot meerdere eer van God en Omgeving heeft bijgedragen. Zijn rechterknie gebogen staat hij bevallig mooi te wezen en aan de lachende gezichtsuitdrukking te zien was hij het helemaal eens met het voorwerp en/of de tekst die hij hoog boven zichzelf in de lucht stak.

In feite is zijn achterkant nog mooier als je een beetje meer heidens, zoals ik,  de schoonheid aanvoelt. Pas daar valt de lijn van zijn hemels lijfje op en zie ik nu voor het eerst dat hij zijn rechter duimpje mist waardoor zijn dienstbaarheid om het hogere te tillen verkleinde tot aards mooi-wezen.

Op zichzelf is dat al een volgende projectie: verjaagd worden uit het paradijs met de troost een bevallig lichaam over te houden dat althans tijdens de engelen-jaren enigszins het heimwee naar de tuin van Eden tegemoet komt. Je zou kunnen beweren dat -mocht hij toch nog zijn stralenkrans of ander heilig symbool kunnen optillen- hij nog mooier was geweest, vervuld van het goddelijke enz. Maar daar haak ik af.  Ik ben zelf niet alleen mijn denkbeeldige duim maar ook nog een onbestemd aantal andere hemelse attributen kwijtgespeeld, de jaren van het joch lang voorbij en met de verwantschap van het beschadigde vertrouwd. P5150002.jpg

Ons wantrouwen tegen de ‘achterkant-van-het-bestaan’ spruit waarschijnlijk uit de dubbelzinnigheid voort dat niet alleen de afscheidingsfuncties maar ook een vorm van vleselijk beminnen niet tot de zuivere artis amoris behoren terwijl de aantrekkingskrachten die ons naar elkander drijven zich daar niets van aantrekken en zelfs in de allerheiligste afbeeldingen zijn binnengeslopen ter troost en lering, of beter nog zoals mijn grootvader zei: wat een voorkant heeft, kan niet zonder achterkant bestaan.

Ik bedoel maar: of het nu de schaduw was, of het beeldje uit lindehout, het blijft een projectie zoals het woord een poging is om een idee te ontbolsteren, om een werkelijkheid zichtbaar te maken zonder afbeelding maar met ver-beelding.

En net zoals de houtsnijder, de beeldhouwer de kunst van het weglaten in zijn vingers heeft, zo probeert de schrijvende mens weg te laten wat er niet of weinig toe doet om -indien mogelijk- essenties over te houden al doet dit woord aan ‘vluchtigheid’ denken, aan ‘vervliegen’, ‘verdampen’.

Het is dus een vermoeiend bedrijf. Het uiterste streven lees je bij Johannes: het woord is vlees geworden. Het barok-engeltje kan een opstapje zijn, de geliefde een duidelijk bewijs maar probeer bij ontstentenis maar eens om zijn/haar schoonheid in woorden te vertalen.

Muziek is een noodoplossing. De gelukzakken die met notenschrift kunnen werken beseffen niet wat een woordenslaaf moet lijden.

 

DIALOGEN MET JEZELF (1)

P5130001.jpg

Je vroeg mij waar je zou beginnen.

Boeken, tijdschriften, een studie, waarnemingen uit de buitenwereld, weerhaakjes of extases, en ik moet toegeven dat ik niet dadelijk een antwoord op je vraag kon verzinnen.

In dergelijke situaties moet je ’t niet te ver gaan zoeken, denk ik. Of toch, laat me bladeren in geliefde dagboeken van nabije auteurs. (en met nabijheid bedoel ik eerder het verwante dan de afstand in ruimte en tijd.)

‘Ze willen een systeem bouwen.  Een kunstmatige constructie waaruit het leven zich meteen terugtrekt.  Mijn systeem laat ik langzaam en als vanzelf ontstaan.  Wat aan de logica ontsnapt, is het kostbaarste in ons, en uit een syllogisme kan men niets halen wat de geest daar niet op voorhand in heeft gestopt. Zonder iets geweld aan te doen laat ik de tegenstrijdige uitspraken die mijn aard me ingeeft langzaam met elkaar in overeenstemming komen. Wanneer je de dialoog met jezelf onderdrukt, breng je de ontwikkeling van het leven tot stilstand.  Alles loopt uit op harmonie.  Hoe heftiger en hardnekkiger de dissonantie was, hoe breder de vervulling van de overeenstemming wordt.’

Dat schrijft André Gide in zijn dagboek, Cuverville juni 1927.

Waarschijnlijk blijven we nogal vlug in dat ‘systeem’ plakken. Je personages dienen dan de wereldorde die jij je voor ogen houdt en je boodschap primeert op de onderstromen waaruit verhalen hun tegenstrijdige elementen putten om als werkelijk levend herkend te worden.

Dialogeren met jezelf zonder te vervallen in allerlei vormen van narcisme vraagt net zoals alle andere dialogen een zekere openheid, durf om verbanden te leggen om minstens toe te laten. Laat me een voorbeeld geven.  Als illustratie koos ik een opname van mijn werktafel, vandaag 13 mei 2014 in de late namiddag. Ik werkte op een van de schermen aan de presentatie van de website ‘timeless artcollection’ en je herkent dadelijk het Biedermeier schilderij van de twee broertjes naast de foto van diezelfde werktafel met het werkblad . Een beetje een gekke situatie: je eigen werkblad op beeld. Beeld en werkelijkheid kunnen niet zo gemakkelijk door dezelfde deur al zou je denken dat het maatjes zijn.

In het gefotografeerde beeld van de werktafel heb ik al duidelijk een keuze gemaakt:  eerst door de begrenzing van mijn waarneming en zeker ook door de hoek waarin ik mijn eigen blad in een foto wil vangen. Ik bevries de werkelijkheid in een beeld, beperk het tot een onderdeel van een seconde en neem daarna aan dat ik met die beperking toch een dynamiek kan weergeven.  Ik heb in de montage met lijnen en tinten gewerkt en dat ziet er dan ongeveer zo uit:

P5130002.jpg

Onder de schermen zie je duidelijk voorwerpen die zonder rangschikking of voorbedachte rade meestal op mijn werkblad liggen: een kleine muis in pyjama, een kaartje van kleinkind, een zwart wit foto van mijn lang overleden ouders toen ze mij nog moesten maken, een geel gezichtje  en een vergrootglas om heel kleine dingen zoals zilvermerken dichterbij te brengen. Uit beeld met de bovenste foto: een vergrootglas, formulier rijbelasting, bankkaart-codex en een lintmeter. Je moet geen grote mensenkenner zijn om de sporen van het kleinkind te merken dat wel eens een uurtje op de grote Apple komt werken.

P5130002-3.jpg

Het zwart-wit beeld van mijn jonge ouders, liggend in de hei, brengt me terug naar mijn puberteitsjaren waar ik als amateur met foto’s ontwikkelen en afdrukken bezig was en dit onbekende negatief vond, afdrukte en mee naar de kostschool nam.  Mijn heimwee naar deze voor mij totaal onbekende ouders (er lag een afstand tussen van 1942-1963) was zo groot dat ik er fysisch ziek van werd.  Had ik zonder veel kleerscheuren de meute doorstaan, mijn eigen leven in handen genomen en me vrij creatief een weg gebaand, deze ontdekking was een werkelijke discrepantie met het beeld dat ik op dat moment van mijn ouders had als negentienjarige. Voor de eerste keer in mijn internaatsleven had ik een verschrikkelijk heimwee naar huis.

Natuurlijk kun je later deze emotie duiden, maar het feit dat je heimwee kon hebben naar een toestand die al lang niet meer bestond, was nieuw, vreemd en schiep een leegte waarin ik bijna verdwaalde. Waar waren deze jonge mensen, net iets ouder dan ik zelf toen was?  Deed de dissonantie pijn, het resultaat was een toneelstuk, wachtlokaal 99, waarin een groep jongens tussen 15 en 19 vragen durfde stellen die ik helaas in de tijd waarin wij volwassen werden niet kon stellen.

Dat het beeld deze dagen weer op mijn werktafel kwam, was heel toevallig het resultaat van grondige opruimingswerken. Het verhaal van deze twee jonge geliefden zou ik makkelijk met andere elementen die er liggen in verband kunnen brengen, vooral met de sporen van mijn intussen veertienjarige kleindochter die op weer een heel andere manier met de loeten van het leven heeft kennisgemaakt.

P5130001-2.jpg

Het kleine muisje in pyjama is nog een overblijfsel na de opruiming van de meisjeskamer waarin een onnoemelijk aantal knuffels naar diverse andere eigenaars(essen) zou verhuizen en ik dit schatje kon redden uit de zuiveringsoperatie.

Maar…er zijn ook weer de foto’s.  Van de jochies die nu moeder van 41 en dochter van 14 zijn. Foto’s die me bij hetzelfde raadsel en ook wel eens heimwee brengen.  Waar zijn ze gebleven om over mezelf maar te zwijgen als ik me als zevenjarige in matrozenpak zie staan.

Kijk dus rondom jou, niet te ver weg.  Het bulkt er van de sporen.  Ga ze niet uit de weg.  Bevraag ze en laat de dissonanties je niet weerhouden.

Om met Gide te eindigen:

‘De meeste zinnen die we gebruiken om onze emoties te uiten zijn te vergelijken met ongedekte cheques.  Maar wie niet rijker is dan een ander, neemt ze graag aan.’

Denk dus goed na of je wel wilt schrijven, ook tennissen kan plezierig zijn.

PORTRETTEN VAN HET GRUT (3)

PB280002.jpg

Groot ongekaderd doek van onbekende portretschilder,  waarschijnlijk uit de Dresdner School rond 1925,  dit zeer mooie expressieve portret van moeder en dochter bij het lezen.
De moeilijk te beschrijven eenheid tussen moeder en dochters, het kinderlijke en volwassen vrouwelijke, zijn heel expressief door de schilder uitgebeeld.
Ze kijken even op van hun boek, maar je weet dat ze weldra weer verder lezen.

ongesigneerd, in zeer goede staat.
92 x 80 cm

Intussen verkocht.

De magische wereld tussen moeder en dochter(s) is makkelijker in de kunst te benaderen dan de al dan niet innige en weinig magische wereld tussen vader en zoon.

Er zijn natuurlijk talrijke portretten van beiden die een bewijs van ‘opvolging’ zijn, een verder zetten van naam en fortuin, maar in onze eigen collectie kan ik je alleen een mooie aquarel-tekening laten zien, einde 18de, begin negentiende eeuw van Georg Emanuel Opiz, en laat dat dan nog een satirisch kunstenaar zijn.

P1180011.jpg

Aquareltekening toegeschreven aan Opiz, Georg Emanuel (Praag 1775-1841 Leipzig)
Oorspronkelijke tekening in passe-partout, achter glas, gekaderd.

Toegeschreven aan, wil zeggen dat de aquarel niet getekend is maar heel sterk in de trant van het werk van Georg Emanuel OPIZ is gemaakt.
Over de kunstenaar vind je uitvoerig biografische notities via Google.
Hij hield van alledaagse taferelen, vaak heel humoristisch benaderd, naar inspiratie van de Engelse Hogarth maar zonder de politieke ondertoon.
Getekend werk van hem gaat via grote veilinghuizen erg duur van de hand.

We hebben de tekening-aquarel (Tuschzeichnung) gecontroleerd, uit de kader gehaald en staan borg voor het kunstwerkje als tekening-aquarel.
Een ontroerend tafereeltje: de kinderen nemen afscheid van hun vader die naar de oorlog trekt, een tafereel dat erg bekend was bij leven en werk van de kunstenaar (1775-1841)

Aquarel: 13,5cm x 9,5 cm in kader van 20,7 x 24 cm
Een kostbaar juweeltje om levenslang te koesteren. Fijn cadeautje voor vaak uithuizige vaders, om te geven of te krijgen.

Prijzen en andere bijzonderheden vind je bij http://www.timelessartcollection.eu, link hiernaast.

PORTRETTEN VAN HET GRUT (2)

P3260005.jpg

Anonieme Biedermeier schilder Duitsland maakte rond 1840-1860 dit prachtige innige portret van twee broertjes.
Olie op doek in origineel goudstuck-kader uit die tijd: gedecoreerd met eiervormpjes aan de buitenrand en pareltjeslijnen aan de binnenrand.

Liefdevol, half zichtbaar zijn de twee handjes van de broertjes in elkaar gelegd. De andere hand van de oudste rust beschermend op de schouder van de jongste.
Ze kijken je zachtjes aan. Achter hen een romantisch schemeravond landschap.

Het schilderij is minstens 150 jaar oud. Geen verfverlies op de gezichtjes, de armpjes, maar aanduiden van licht op een duidelijke manier. Het doek zelf is deskundig geretoucheerd, er is wegens de ouderdom de nodige craquelure, maar dat doet weinig of niets aan de ware kwaliteit van dit anonieme meesterwerkje.
Er is niet alleen de kostbare kader maar de kwaliteit ligt in de intensiteit waarmee beide kinderen op de voorgrond komen.
Ze brengen al die jaren hun verbondenheid mee met het doek.
Je mag best de ouderdom waarnemen, net zoals je dat bij kostbare stukken uit de oudheid bijna vanzelfsprekend doet.
En telkens weer word ik getroffen door ‘de moderniteit’ van de figuren die de essentie verkiezen boven de eindeloze details.

Een prachtig doek.
Schilderij: 53 x 41,5 cm in oorspronkelijk goed bewaard kader. (68 cm x 56)

De opkomende middenklasse kon zich dergelijke portretten veroorloven.

Intussen verkocht.

P4120001.jpg

 Merkwaardige vrouwen zijn in onze collectie goed vertegenwoordigd. Zo ook dit grote pastel-portret van een welstellend jongetje uit 1896 van Frieda Menshausen-Labriola.
Geboren in 1861 in het Duitse stadje Stendal (Sachsen-Anhalt) als zesde kind van Kreisgerichtrates Joseph Menshausen en zijn vrouw Friedericke wilde dit ondernemende meisje al op zestien naar Kassel om schilderkunst te studeren. Later zette ze haar studies verder in Weimar en in München bij Max Thedy (1858-1924), Friedrich August von Kaulbach (1850-1920) en Bruno Pigelheim (1848-1894) in Berlijn.
Dit was niet zo gebruikelijk voor vrouwen waarvoor hogere studies meestal niet toegankelijk waren.
Ze specialiseerde zich in ‘stillevens’, miniaturen en genre-stukken. Haar grote voorliefde ging echter naar het portret.
Naast vele onbekenden portretteerde zij allerlei mensen uit de beau monde en de internationale adel en politiek zoals de groothertogin van Baden, prinses Viktoria Louise von Preussen, Viktoria en haar moeder koningin Viktoria uit Groot Britannië. Erg bekend is het portret van de actrice Eleonore Duse gebleven.
Sinds ze in 1907 met de Italiaanse diplomaat Alberto Franz Labriola huwde leefde en werkte Frieda in Berlijn, Bern en Rome.
Ze stierf in 1939 in Asisië.

Dit mooie werk, een grote pastel van een voornaam verder onbekend joch getuigt van haar kunde.
Ze portretteert het kereltje als een heus kind.
Hij kijkt je bijna recht in de ogen. Zijn glimlachje laat een levendig en ondernemend temperament vermoeden.
Uit de grote deftige kraag van zijn dure pak wist zij de schoonheid en het momentele van een levendig kind te verzoenen in een aanwezigheid die sinds 1896 de kijker blijft verbazen.
Hij is er nog steeds.

Grote pastel op board, gemonteerd op houten kader, in eigentijdse zware kader met beschermend glas.
(kader op verschillende plaatsen beschadigd maar best te restaureren)
Onderaan links getekend: F. Menshausen en gedateerd: 1896.

60 x 45 cm pastel
68,5 x 54 cm kader

Intussen verkocht.

PORTRETTEN VAN HET GRUT (1)

Voorlezen Albert Anker

Als je even de moeite doet om bij de zoekfunctie van dit blog de naam ‘Albert Anker’ na te vlooien dan merk je dat er in 2006 al eens een bijdrage over deze Zwitserse schilder is geschreven.

Talloze keren schilderde Anker jochies tussen zeven en elf jaar en het veilinghuis dat het prachtige aquarellen te koop aanbiedt verduidelijkt:

‘These fine works tend to be permeated by humanist spirit and pedagogic ethics, in the manner of J. J. Rousseau and Johann Heinrich Pestalozzi.’

Waren kinderportretten in de negentiende eeuw eerder het bevestigen van de familie-status, Anker toont werkelijke belangstelling voor het wezen van zijn modellen, hun leefwereld, hun activiteiten.  Dat was behoorlijk nieuw.

In 1901 was de kunstenaar door een trombose getroffen die zijn rechterhand verlamde. Daardoor was hij niet in staat om grote olieverf-schilderijen te maken.  Hij werd gedwongen zittend in een stoel te werken, zijn schildersmateriaal op zijn schoot en kon daardoor enkel aquarelwerk maken. (wat hem niet belette er zo’n 600 te produceren)

Dit model schilderde hij twee maal in olie jaren voor hij dit portretje aquarelleerde zodat het meisje het handelsmerk werd van de artiest uit Bern.

Dit portretje is niet groter dan 34 x 24 cm, getekend en gedateerd 1907.  De schattingsprijs: 40.000 – 50.000 euro. (Veilinghuis Lempertz-Keulen)

vogel.jpg

Ook druk bezig met een boek deze twee kinderen, Carl Christian en Friedrich Vogel door hun vader Christian Lebrecht in beeld gebracht. (olie/canvas 58 x 68.5 cm)

Christian Lebrecht Vogel was in zijn tijd niet alleen een succesvol schilder maar ook een zeer geachte kunst-theoreticus verbonden aan de academie van Dresden. Befaamd om zijn kinderportretten, zeker na zijn huwelijk in 1787, schilderde hij hier zijn zoontjes Carl Christian en Friedrich voor een landschap terwijl ze met een prentenboek bezig zijn.  Het tafereel was zo succesvol dat er verschillende versies van zijn gemaakt waaronder eentje voor koning Friedrich August van Saksen dat nog steeds te bewonderen is in de Gemäldegalerie Alte Meister in Dresden.

Om het doek te dateren kun je uitgaan van de geboortedatum van zijn oudste zoon, 1788 en er dan drie of vier jaar bij te tellen: 1791/1792. Bij Lempertz is de schattingsprijs tussen de 7000 en de 9000 euro.

En om de vergelijking nog even verder te zetten dit prachtige doek van Bernhard Kretzschmar (1889-1972) uit 1916: twee jongens dus.

kretzschmar(1889-1972).jpg

Leerling aan de academie van Dresden sloot hij vriendschap met Peter August Böckstiegel en Conrad Felix Müller met wie hij ongeveer rond de tijd van dit portretje de beweging ‘1917’ stichtte. Nadat hij de eerste wereldoorlog als ‘Sanitätssoldat’ had doorgemaakt keerde hij terug naar Gostritz bij Dresden.  In 1920 vernietigde hij al zijn werken en begint daarna expressionistische  en ekspressief realistische grafiek te maken waarmee hij snel bekend en beroemd werd. Dit werk uit 1916 kende dus blijkbaar genade en is daardoor dan ook zo zeldzaam als overblijvend werk uit die periode.

Hij werd bekend als vooraanstaand kunstenaar van de neue Sachlichkeit, de nieuwe zakelijkheid.
Bij de opkomst van de nazi’s werden  47 werken uit de Duitse musea in beslag genomen en als ‘entartet’ (ontaard) bestempeld.
Bij het verschrikkelijke bombardement van Dresden, 13 februari 1945 ging een groot deel van zijn werk verloren.

Voor het mooie doek van de twee jongens, weldra geveild in het veilinghuis Hejtmanek in Praag wordt zo’n 22.000 euro verwacht. (+ opgeld)

Wie echter werk van hem in zijn bezit wil hebben verwijs ik naar onze eigen collectie waar een mooie ets slechts 155 euro kost.

ishot-8.jpg

Deze mooie gravure stelt zijn (tweede) vrouw Stilijanow Hildegard voor met hun zoontje Peter.
Ze is gemaakt op hand geschept papier met watermerk , in potlood op de achterkant:  p.m. Bernard Kretzschmar , 1950, waarschijnlijk door de weduwe van de kunstenaar Hildegard. (post mortem: p.m.)
Totaal: 53 cm x 40 cm
Gravure: 23 x 30,8 cm

Het kortstondige van de kindertijd dat wij levenslang in ons meedragen verbindt ons over de jaren heen.

DE ZUSJES ‘NEBEL’

P3110001.jpg

Martha von Kremnitzky zul je aantreffen met diverse schilderijen, vooral bloemen en portretjes van kinderen.  Ze werkte in en rond Leipzig tijdens de eerste helft van de 20ste eeuw.
Op een veiling in Wiesbaden vond ik deze ronde portretjes van twee zusjes.
Ze zijn in olieverf geschilderd op hard geprepareerd schilderskarton.
Het grootste, diameter 45 cm, links onduidelijk getekend, is het portretje van Ilse Ursula Nebel, geboren op 04-09-1923 zoals achteraan is aangegeven onder het etiketje van de Leipziger Kunsthandel Hugo Winzer.
Het kleinere ronde portretje, diameter 41 cm,  is van haar zusje Irmgard Erika Nebel, geboren op 24.5.1916 zoals aangegeven onder het etiketje van R. Stadler, Kunsthandel in Leipzig. (linksonder getekend)

De portretjes zijn gekaderd in een eigentijdse stuc-kader, lichtjes beschadigd maar met goudstift mooi te restaureren.
Ze zijn geschilderd met waarschijnlijk een tussenpauze van enkele jaren.

P1060010.jpg

Het zijn authentieke portretjes zonder enige pretentie maar met de schoonheid die het voorbije alleen kan uitstralen.
De kinderen kijken je aan, door de bewogen geschiedenis van bijna 100 jaar. Ilse glimlacht, Irmgard weet niet dadelijk wat er gaande is.

Als je hun spoor wilt volgen kan dat via ancestry waar je alvast te weten komt dat Irmgard Nebel trouwde met Wilhelm Oskar Altvater en twee kinderen had. Je leert de naam van haar ouders kennen (Johannes Walter en Sofie Derbochlau) en je leest dat ze op 8 maart 1971 stierf in Kansas City, Missouri USA. Van Ilse vind je een lijstje met 9 patenten (oxidation of polycroleins)
Aan de nieuwe eigenaar om al dan niet verder te zoeken.

Twee kinderen, geboren in 1916 en 1923. Martha von Kremnitzky schilderde hen.  Nu zijn ze op zoek naar woning waarin ze graag het verleden met het heden verbinden, eeuwig kind.
Twee bijzondere portretjes.
Ze zijn intussen verkocht.

P1060003.jpg

TRIANGEL (45)

Bernard_Faucon__001-2.jpg

 

54. Overgang


Na de begrafenis zijn we naar de speelzolder gegaan.


We hebben zijn paradijsbomen opgehangen, alle kaarsen aangestoken, de matrasjes bij elkaar gelegd. Het grote picknicklaken, het paradijselijke meer, over ons gelegd.


Wie waar lag, weten we niet meer.


We waren samen.


We hoorden hem over de tuin vertellen.


We liggen als verdwaalde kinderen in zijn woud.

Na een lange stilte begonnen we zelf te vertellen.


We reden naar de kermis. Botsten tegen elkaar op. De bliksemschicht op het doksaal. Hoe we dachten alleen gekwetst te zijn. Hoe hij ons vast gemetseld verdriet openbrak door zijn spelen.


Hannah vertelt over Steffie.


Michiel heeft het over zijn kilte.


Bram over zijn kinderverdriet.


We vertellen wat we nog over de spelen weten.


Wolf en schapen. Zelfmedelijden en chantage à l ‘amour.


Uit de tijd vallen. Je dode broertje weer durven aankijken.


Tussen hemel en aarde. Weggaan, je los te maken om verder te kunnen.


De eerste nacht onder ditzelfde grote laken.


We bekennen eindelijk onze liefde.


Hannah houdt van Bram.


Bram van Michiel.


Michiel van Hannah.

Middernacht. 
Vuurwerk. 
We denken aan zijn ruimteschip.


In ons lang laken gehuld staan we voor de raampjes.


Gelukkig nieuwjaar kunnen we niet zeggen.

We helpen elkaar uitkleden,
kruipen dicht bij elkaar,
en hebben elkaar lief.


De eerste en enige nacht.

’s Morgens verlaten we elkaar.


Later zullen we elkaar schrijven.

fb-06-30.6.jpg

.Discografie (in volgorde van het verhaal)

-Frederic Chopin, Preludes op 28 nr 10 in C sharp minor Allegro molto


-Queen, You Take My Breath Away (A day at the races)


-J.S. Bach, Alle Menschen müssen sterben (Orgelbüchlein) BWV643
-J.S. Bach Sonate Nr 3 in c major/ C dur Adagio, fuga BWV1005


-Frederic Chopin, Nocturne Opus 27 nr 2 in D flat major


-Queen, Tie Your Mother Down (A day at the races)


-W.A. Mozart, Piano trio in B flat major Larghetto KV502


-Queen, The Show Must Go On (Innuendo)


-J.S. Bach ‘Lass, o Fürst der Cherubinen uit Kanate ‘Herr Gott dich loben alle wir ‘ BWV130
-J.S. Bach Praeludium uit cello suite nr 1 in G major BWV1007


-Queen, Ride the wild wind (Innuendo)

Gebruikte bronnen:
-Het verhaal van de verteller (p 111) komt uit ‘Een kalkoen met een hemd’ Willy Brill, 4000 jaar Joodse wijsheden, uitgave BZZTÔH, 1992

 

Indien ‘de middelen’ het toelaten zal later op het jaar het boek gedigitaliseerd worden en zal het via deze weg kunnen gedownload worden. Er wordt aan gewerkt.

Mogelijk verschijnt het boek opnieuw op papier via eigen uitgave of via een nog niet bekende uitgever.

 

screen-shot-2010-10-06-at-11-25-21-am.png

(de kunstwerken zijn Bernard Faucon)