KLEINE GESCHRIFTEN OMTRENT EEN GROTE OORLOG (7)

Carte-Postale-Postcard-1914-1918-Contre-lenvahisseur-nous-savons-nous-défendre-Against-the-invader-we-know-to-defend-ourselves.jpg


‚De veranderingen die zich in de hedendaagse wereld hebben voorgedaan, hebben onze perceptie van de gebeurtenissen in 1914 beïnvloed.’

Was in de jaren zestig, zeventig, tachtig van de vorige eeuw deze oorlog nog nauw verbonden met een soort nostalgie die het gemakkelijk maakte de gebeurtenissen in 1914 als een soort Edwardiaans kostuumdrama te ervaren,  nu valt ‚de rauwe moderniteit’ ervan op.
Ik heb dat gevoel ook als ik de boeken van Tuchman lees bijvoorbeeld. (Proud Tower, a portrait of the world before the War 1914-1918) waarin zij het voorbije in een ‚grijs verleden’ plaatst.(ornamentalisme in de geschiedenis)

‚Aan het begin staat een ploeg zelfmoord-aanslagplegers en een stoet auto’ s.  Het bloedvergieten in Sarajevo werd voorbereid door een organisatie van verklaarde terroristen met een cultus van zelfopoffering, dood en wraak, maar het was geen territoriaal gebonden organisatie.  Ze had geen duidelijk geografisch of politiek centrum maar was over politieke grenzen heen versnipperd in cellen, de verantwoordelijkheden waren on bestemd en voor zover ze banden had met soevereine regeringen bleven die ondoorzichtig, verborgen en in ieder geval zeer moeilijk uit te pluizen van buiten de organisatie.
Je zou dus zelfs kunnen zeggen dat juli 1914 minder ver van ons af staat en in onze tijd minder onbegrijpelijk is dan in de jaren tachtig.  Met het eind van de Koude Oorlog heeft een systeem van bipolair machtsevenwicht in de wereld plaats gemaakt voor een complexer en minder voorspelbaar krachtenveld dat zowel wereldrijken in verval als opkomende machten omvat- een situatie die vanzelf associaties opwekt met het Europa van 1914.  Het perspectief is verschoven en dat maakt het interessant om vanuit ons nieuw perspectief nog eens te kijken naar de vraag hoe in Europa in 1914 de vlam in de pan sloeg.  Als we die uitdaging aangaan, kan dat niet betekenen dat we het heden eenvoudigweg centraal stellen en het verleden toesnijden op de huidige problemen, maar alleen dat we die kenmerken van het verleden aan het licht brengen die vanuit ons huidig perspectief beter herkenbaar worden.’ (p18-19)

In veel studies wordt de aanslag in Sarajevo behandeld als niet meer dan een voorwendsel, een gebeurtenis die niet veel te maken had met de werkelijke krachten wier interactie tot de oorlog heeft geleid.
In een recente analyse (2004) verklaren de auteurs dat de moorden op zich niets hebben veroorzaakt, maar wat de naties met elkaar in oorlog bracht was het gebruik dat van die gebeurtenis werd gemaakt.
En wie de naam Sarajevo hoort weet dat ook onze ethische interpretatie is verschoven. Het door Servië gedomineerde Joegoslavië kwam als overwinnaar uit de oorlog en zo bleek de aanslag achteraf gerechtvaardigd, althans dat dachten de Joegoslavische autoriteiten die wat graag de voetstappen van de moordenaar in brons hebben gegoten vergezeld van een plaquette ‚ter ere van de eerst stappen naar de vrijheid van Joegoslavië’.

Sarajevo28juin1914-1.jpg


‚In een tijdperk waarin het nationale ideaal nog ver was en veelbelovend, bestond er een intuïtieve sympathie voor het Zuid-Slavische nationalisme en kon het zwaarlijvige multinationale gemenebest van de Habsburgers niet veel goed doen. De Joegoslavische oorlogen van de jaren negentig hebben ons weer met onze neus gedrukt op de moorddadige kant van het Balkan-nationalisme. Sinds Sebrenica en het beleg van Sarajevo stellen we ons Servië niet meer zo licht voor als een loutere speelbal of slachtoffer van de politiek van de grote machten e zijn we sterker geneigd het Servisch nationalisme te zien als een historische kracht op zichzelf.  Vanuit het perspectief van de hedendaagse Europese unie neigen we tot een vriendelijker- of althans minder minachtende- kijk op de verdwenen keizerlijke lappendeken van het Habsburgse Ooostenrijk-Hongarije.’ (19-20)

Het is daarbij voor ons minder makkelijk de twee moorden in Sarajevo af te doen als een louter incident met weinig causaal gewicht.  De auteur verwijst naar de aanval op de Twin Towers, september 2001. Hoe een eenmalig symbolisch incident -hoe diep ook geworteld in grotere historische processen- het politieke landschap onomkeerbaar kan veranderen, oude ideeën achterhaald kan maken, en nieuwe een onvoorziene urgentie kan geven.  Dus is het geen demonisering van de Servïers als we Sarajevo en de Balkan weer midden in het verhaal plaatsen en het zal ons dwingen inzicht te krijgen in de krachten die inwerkten op en via de Servische politici, officieren en activisten wier gedrag en beslissingen mede hebben bepaald welke gevolgen de aanslag in Sarajevo zou hebben.

De auteur probeert met ‚Slaapwandelaars’ de crisis van juli 1914 als een ‚modern verschijnsel’ te begrijpen.
De vraag is zozeer waarom de oorlog er kwam als wel hoe dit kon gebeuren. En natuurlijk zijn en hoe en waarom onlosmakelijk met elkaar verbonden, maar ze voeren ons naar verschillende richtingen.

‚De vraag naar het hoe, dwingt ons nauwgezet te kijken naar de opeenvolgingen van interacties die bepaalde uitkomsten hebben gehad.  de vraag naar het waarom daarentegen leidt tot een zoektocht naar dieper liggende en categorische oorzaken:  imperialisme, nationalisme, bewapening, bondgenootschappen, de financiële wereld, ideeën van nationale eer, de mechanismen van de mobilisatie.  De vraag naar het waarom bevordert een zekere analytische helderheid, maar kan het beeld ook scheeftrekken doordat hij het gezichtsbedrog oproept van een gestaag oplopende causale druk:  de factoren stapelen zich op en drukken neer op de gebeurtenissen, en politieke actoren vervallen tot loutere instrumenten van lang gevestigde krachten die buiten hun macht liggen.
Het verhaal dat dit boek vertelt is daarentegen verzadigd van menselijk initiatief.  De centrale besluitvormers, koningen, keizers, ministers van buitenlandse zaken, ambassadeurs, legerleiders en legioenen lage ambtenaren, zijn met gerichte, afgemeten stappen het gevaar tegemoet gelopen. Het uitbreken van de oorlog was de culminatie van ketens van besluitvorming door politieke actoren met bewuste doelen die in staat waren tot een zekere mate van zelfreflectie, die een reeks opties konden onderscheiden en zich de best mogelijke oordelen vormden op basis van de beste informatie waarover ze konden beschikken.  Nationalisme, bewapening, bondgenootschappen en financiële belangen hebben allemaal deel uitgemaakt van het verhaal, maar het gewicht dat ze in de verklaring van de gebeurtenissen dragen, wordt pas zichtbaar in de beslissingen die in combinatie met elkaar tot het uitbreken van de oorlog hebben geleid.’ (20-21)

Vragen naar het waarom zet dadelijk de vraag naar schuld vooraan, een vraag die al gesteld werd nog voor de oorlog uitbrak overigens.  het bronnenmateriaal is vergeven van de beschuldigingen want we kijken naar een wereld waarin de agressieve intenties altijd werden toegeschreven aan de tegenstander en de defensieve blijkbaar alleen in het eigen kamp thuishoren.

‚In sommige van de interessantste recente teksten over deze oorlog wordt gesteld dat de oorlog verre van onvermijdelijk was, maar wel ‚onwaarschijnlijk’ – althans tot hij uitbrak.  De gevolgtrekking hieruit zou zijn dat het conflict niet uitbrak als gevolg van een langdurige aftakeling, maar van incidentele schokken voor het internationale systeem.  Of men deze visie nu deelt of niet, ze laat ruimte voor een element van toeval.  En hoewel sommige ontwikkelingen die ik in dit boek bespreek ondubbelzinnig lijken te wijzen in de richting van wat in 1914 werkelijk uitkwam, lijdt het geen twijfel dat er voorafgaand aan de oorlog ook veranderingsfactoren aan het werk waren in de richting van andere, niet verwerkelijkte uitkomsten. Met dat gegeven in het achterhoofd laat ik in dit boek zien hoe de fragmenten van de causaliteit samenkwamen die, eenmaal op hun plek, de oorlog mogelijk hebben gemaakt, maar ik probeer dat te doen zonder de uitkomst als onafwendbaar voor te stellen. Ik heb een open oog willen houden voor het feit dat de in dit boek beschreven mensen, gebeurtenissen en krachten de kiemen in zich droegen van een andere, mogelijk minder verschrikkelijke toekomst.’ (22-23)

We willen hem de volgende weken volgen in die zoektocht.

 

Belgium-26July1917-BARKER-C.jpg

 

KLEINE GESCHRIFTEN OMTRENT EEN GROTE OORLOG (6)

14387.147121.large.jpg

Geheel in overeenstemming met het devies van Radio Clara ‚Blijf verwonderd’ vertelde de ochtend – spreektal-meesteres Cara dat ze blij was nu de bonzen van Europa in Ieper samenkwamen en daar de prachtige lakenhallen kunnen bewonderen. Mijn verwondering was groot vooral omdat ik dacht dat deze duur betaalde dames en heren voor andere doeleinden in dit oord zouden samenkomen.


Nog meer verwonderd omtrent de activiteiten die in de net geciteerde stad en streek hadden plaats gevonden las ik in het weekblad Knack ‚De man die de trekker overhaalde’ een beschrijving van de moord op Frans Ferdinand, 100 jaar later en waarin de hoofdpersoon Princip de rol als organisator en uitvoerder van de aanslag krijgt toebedeeld, geheel in overeenstemming met de nationalistische personencultus omtrent de man. 

De bevindingen van ene Milos Vojinovic, onderzoeker aan de universiteit van Belgrado waarin België en Emile Verhaeren voorbeelden zouden geweest zijn van hoe een jonge democratie zich moest gedragen, vergroten mijn verwondering.  De Balkan-visie omtrent deze ‚helden’ staat in schril contrast met wat ik opstak bij lectuur van het prachtige boek ‚Slaapwandelaars’ (Hoe Europa in 1914 ten oorlog trok) van de Australische historicus Christopher Clark. (de Bezige Bij 2013)
Laat dus alle thrillers thuisliggen en lees en herlees dit boek waarin het hoe belangrijker is dan het ‚wie-was-de schuldige’, althans in die zin dat het onderzoeken van het hoe-het-kwam ons een duidelijker beeld kan geven van de rol van de talrijke participanten.

Inderdaad, de overvloed aan bronnen is een van de meest in het oog springende problemen.
Het is een oceaan van bronnen, maar met verraderlijke stromingen.’ (p13)
Zo citeert hij de 57-delige Duitse publicatie Die Grosse Politik, een bundeling van 15.889 documenten gerangschikt op driehonderd onderwerpen waarvan de uitgave niet alleen het wetenschappelijke onderzoek zou dienen maar Duitsland zou vrijpleiten van de schuld eraan, stelling die gecanoniseerd werd in het Verdrag van Versailles.
Ook de Franse regering publiceerde na de oorlog een bundeling van documenten waarvan in 1934 de minister van buitenlandse zaken Jean Louis Barthou het politieke karakter niet kon ontkennen. De publicatie moest een zeker tegenwicht bieden aan de campagne die in Duitsland na het verdrag van Versailles was gelanceerd.
In Wenen verscheen de achtdelige verzameling ‚Österreich-Ungarns Aussenpolitik’ om wellicht de Volkerenbond voor te zijn die de Oostenrijkse regering in minder gunstige omstandigheden zou dwingen tot publicatie.
De documenten die de jonge Sovjetunie publiceerde waren duidelijk bedoeld om aan te tonen dat de oorlog door de autocratische tsaar was uitgelokt en zijn bourgeois bondgenoot Raymond Poincaré in de hoop de Franse eisen tot terugbetaling van vooroorlogse leningen te kunnen ontkrachten.
En zelfs de British ‚Documents on the Origins of the War,’ met lofprijzingen en wetenschappelijke ernst toegejuicht, waren niet vrij van tendentieuze omissies die nogal een vertekend beeld opleverden van het Britse aandeel in de gebeurtenissen die in 1914 op een oorlog uitliepen.


‚De grote Europese documentaire uitgaven waren dus, niettegenstaande hun onloochenbare wetenschappelijke waarde, ook munitie in een ‚documentenoorlog’ zoals de Duitse militaire historicus Bernhard Schwertfeger in 1929 in een kritische studie opmerkte.’ (p14)

Je moet dus de gepubliceerde ‚nationale’ documenten nauwkeurig bestuderen maar ze zijn vaak erg zwijgzaam over bepaalde brandende kwesties.
Een voorbeeld? De Duitse kanselier Theobald von Bethmann Hollweg publiceerde in 1919 zijn ‚Betrachtungen zum Weltkrieg’, maar zegt daarin vrijwel niets over zijn eigen optreden of dat van zijn collega’ s tijdens de julicrisis van 1914.
Clarck geeft nog een aantal voorbeelden uit diverse hoeken waarin propaganda het haalt op de feitelijkheden. (zie p15)
Bepaalde betrokkenen ‘herinneren’ zich erg weinig van de gebeurtenissen in die tijd’
Van bewust vervalsen, vergeetachtigheid tot zelfrechtvaardiging, het zijn hindernissen die de werkelijkheid camoufleren.

JJ-Poster-80.jpg


En zegt de auteur: er zijn nog altijd ernstige leemtes. Belangrijke communicatie verliep mondeling en is nooit op papier vastgelegd, en wat er gezegd is valt alleen uit de tweede hand of uit latere getuigenissen te reconstrueren.
Zo gingen de Servische organisaties die bij de aanslag in Sarajevo betrokken waren erg conspiratief te werk en lieten ze vrijwel geen sporen op papier na.


‚Dragutin Dimitrijevic, het hoofd van de Servische militaire inlichtingendienst en een sleutelfiguur in de samenzwering om aartshertog Franz Ferdinand te vermoorden, had de gewoonte zijn papieren regelmatig te verbranden.  Zijn vijand Nikola Pasic, de Servische minister-president,  deed vreemd genoeg hetzelfde.


Zo is er nog altijd niets bekend over de inhoud van de vroegst besprekingen tussen Wenen en Berlijn over hoe te reageren op de moorden in Sarajevo.
En Clark citeert nog een aantal ‚verdwenen documenten en notulen’ van diverse zijden.

Natuurlijk is deze crisis uitzonderlijk ingewikkeld.
‚Het verhaal van het ontstaan van deze oorlog moet daarentegen een begrijpelijk beeld schetsen van de multilaterale interactie tussen vijf autonome, gelijkwaardige hoofdrolspelers – Duitsland, Oostenrijk-Hongarije, Frankrijk, Rusland en Groot-Brittannië- of zes als we Italië meetellen, plus een verscheidenheid aan strategisch belangrijke en even autonome actoren zoals het Ottomaanse rijk en de staten van het Balkanschiereiland, een regio die in de jaren voorafgaand aan de oorlog gekenmerkt was door hoogoplopende politieke spanning en instabiliteit.’

De weinig transparante besluitvormingsprocessen binnen de staten die bij de crisis betrokken waren is nog een extra hindernis.  Ook bij de ‚bondgenoten’ heerste er geen eensgezindheid.

Er bestond onzekerheid (en onder historici bestaat die nog steeds) over de vraag waar de macht om het beleid te bepalen precies gelokaliseerd was in de diverse staatsinstellingen en ‚beleidsmaatregelen’ – of althans beleidsgerichte initiatieven van allerlei aard- kwamen niet noodzakelijk vanuit de top van het systeem. Ze konden opborrelen vanuit hele marginale locaties in het diplomatieke apparaat, vanuit legerbevelhebbers, regeringsmedewerkers of zelfs ambassadeurs, die veelal op eigen houtje beleid maakten.

Twintig jaar geleden telde het gepubliceerde overzicht van literatuur tot dan toe 25.000 boeken en artikelen.


Een volgende keer zullen we het hebben wat daar de positieve en negatieve gevolgen van zijn, want het debat kan oud zijn, het onderwerp is nog altijd actueel, en op dit moment in feite actueler dan twintig, dertig jaar geleden.

De Europese Ieperse bezoekers zullen niet veel tijd hebben om de Lakenhallen te bewonderen.

 

zeep073a.jpg

 

KLEINE GESCHRIFTEN OMTRENT EEN GROTE OORLOG (5)

Postkarten_10 (40)_Glocke_Weltkrieg1KL.JPG


Het einde van de lagere school-tijd, schooljaar 1955-56,  liep over in een zonnig onbekommerd verblijf in het mooie Heer sur Meuse waar de Christelijke Mutualiteit zijn zomerkampen voor twaalfjarigen organiseerde.
Tien dagen zon in een glooiend landschap, bossen en vergezichten, tochten, spelletjes, diep onder de indruk van de nieuwe natuur die wilder en weidser was dan de gekende hoogtes in en rond het Turnhoutse: de konijnenberg in Vosselaar, de hoge mouw in Kasterlee.
’s Nachts regende het, ’s morgens lag de nieuwe dag vers uit de vingers van de goden te dampen.  Ouders waren nog niet uitgevonden, de leiding bestond uit net iets oudere jonge kerels-van-goede-wil, de hoge dennen en diepe loofwouden, de natuurlijke habitat voor de lost boys, mijlenver van de puber-tijd.
Landschappen die daarna levenslang in je herinneringen oplichtten wanneer het woord ‚Ardennen’ ter sprake kwam.
Op 12 juli keerden we terug naar de realiteit en bleken ouders net daar te zijn waar ouders thuishoren: bij de uitgang van het Turnhoutse treinstation, klaar om je kartonnen valies-doos over te nemen en geduldig naar je heimwee-verhalen te luisteren.

Mijn vader knikte, nam de vakantievalies uit mijn handen, keek afwezig naar de foto waarop de wilde bende ongeduldig opgehoopt naar de camera had gekeken en zei toen dat er iets met vava was, dat ik niet moest schrikken en dat het gisteren gebeurd was en ze besloten hadden mij pas vandaag op de hoogte te brengen. Ja, hij had iets gekregen. Vava had een zwak hart, dat wist ik toch, zei mijn vader. En toen de dokter er was, was hij al dood.  Een hartaanval.

Wij woonden in ons nieuwe huis naast August en Trees. Mijn pa zorgde voor vava, moeders vader. Voelde hij zich ’s nachts niet goed dan belde hij en was mijn vader even later, slaapdronken zoals dat heet, bij zijn bed. Dat hoorde zo. Zonder geklaag of commentaar.
Vreemd thuis te komen in een huis waar de rolluiken waren neergelaten en de radio zweeg. Dat waren de geplogenheden: je schermde je af van de wereld. Vava lag thuis opgebaard. De benedenverdieping was door de begrafenisondernemer in een met zwarte doeken behangen onherkenbare ruimte omgetoverd. Nonkels en tantes liepen in en uit. Er was veel te regelen. Rouwkleren, de rozenkrans in de kerk van de Clarissen, de doodsbrieven en prentjes, de kist.

Vava.
Ik heb je al drie jaar overleefd. Maar mijn actieve legerdienst speelde zich (en dat woord mag je letterlijk nemen) in Duitsland af waar ik bureelwerk deed bij een grote garage die de vroegere vijand werk verschafte. De vijand van toen, de Russen, werd nauwkeurig geobserveerd en wij hanteerden allerlei geheimschriften om na decodering te ontdekken dat de boodschap het weerbericht van de volgende dagen bevatte.
‚Ge kunt nooit weten,’ zei de adjudant.

De kinderen van toen leefden nog niet met de volwassenen samen ook al waren er onder die dames en heren mensen die je met ma, pa, moemoe en vava, nonkel of tante aansprak. Er was de wereld van de ‚grote mensen’ en de wereld van de kinderen. Waren we toch samen dan zwegen we.  Dat was beleefd.  Als grote mensen spreken dan…
Wij zwegen veel.  Als ik met jou ging wandelen dan vertelde ik zoals alle kinderen vertellen maar ik kan me maar heel weinig antwoorden herinneren.  Je knikte.
Wij leefden in onze aparte werelden.
Bij familiefeesten werd er druk gekaart, dronken de volwassenen hun borreltjes en de kinderen limonade of donker tafelbier. De kinderen speelden buiten.  De volwassenen babbelden binnen. Onze kinderlevens werden wel besproken maar wijzelf waren daar niet bij betrokken.
Natuurlijk probeerden we hun verhalen op te vangen, en bij de maaltijden of de late borrels zaten we toch bij elkaar en spitsten we onze oren om die geheimzinnige verhalen te horen vertellen, werden we beetje bij beetje ingewijd in de geplogenheden van dat verre volwassen bestaan.

mother why 6.jpg


Vava.
We komen altijd te laat om elkaar te leren kennen.
Zelfs nu onze werelden door elkaar lopen en kinderen een jongere mensensoort zijn die met ons bewoners van dezelfde planeet zijn, is er tijd te kort om elkaar te bevragen, om de andere lagen te leren kennen, de geschiedenis van wat wij ‚voorouders’ noemen met de onze te verbinden.

Het verlies van levens en liefdes.
Achter elke naam op een koude steen met pro patria en ander goed bedoeld geleuter staat niet alleen het eigen verloren leven, maar telkens weer zie ik achter de letters kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen opdoemen die vragen: ‚en wij dan?’
Ze zijn ook met miljoenen.
Kan ik me voorstellen dat ikzelf tegenover het nazi-regime een leven zou veil hebben als ik mijn lafheid en andere angsten zou overwonnen hebben, bij de doden van de grote oorlog bliksemt het geroep in een afschuwelijke leegte. 
Geen ideologie tenzij het vrij holle neutraliteitsprincipe uit een berekend verdrag van Wenen met een Belgische uitloper in 1839, offerde  de angstigen op die vaak gewoon ‚verkeerd verbonden’ waren en daardoor tot elkaars beulen werden gevorderd.

Vava.
Welke dwaasheden roepen om herdenking tenzij we het woord her-denken naar essentie leren begrijpen, ons denken zelf aanpakken, de nationaliteiten dienstbaar voor wereldbekers voetbal vrijwaren van valse helden-verledens en rancuneuze utopieën.
Zie ik mijn veertienjarige kleindochter gulzig naar het leven vragen stellen dan hoop ik dat de dreun van Marchovelette eindelijk is uitgestorven en de brandwonden die zich over drie generaties hebben verspreid geheeld zijn in het besef dat wij her-denken van wat herdacht moet worden.

Fig.-29.jpg

KLEINE GESCHRIFTEN OMTRENT EEN GROTE OORLOG (5)

site-marchovelette-casemate.jpg

Luik, Namen en Antwerpen kregen als vestingssteden een reeks forten rondom hun agglomeratie, ontworpen en uitgevoerd door Henri Alexis Brialmont.  In Namen werden tussen 1888 en 1892 negen forten gebouwd.  Vier grote en vijf kleinere. Ze waren net zoals bij de stad Luik onderling verbonden door loopgraven en prikkeldraad, en net zoals in Luik waren die verbindingen in slechte staat.
Een fort was in feite niet meer dan driehoekige of vierkantige grote blok (ongewapend) beton, zonder comfort voor degenen die het gebruikten, uitgerust met artillerie. (22cm en 21 cm, Franse en Duitse herkomst)
Het fort van Marchovelette  op de linker Maas-oever werd verdedigd met volgende stukken.  Mijn Engelse bronnen gebruiken deze termen:

One 21 cm gun turret with a single gun
One 15 cm gun turret with two guns
Two 12 cm gun turrets with one gun
Three retracting 57mm rapid-fire gun turrets for close defense
Five 57mm guns in embrasures defending the ditch

site-le-fort-de-marchovelette.jpg


De zware wapens waren Duits, typische Krüpp afkomst, de andere Frans en andere diverse afkomsten.
Het fort was van een zoeklicht voorzien en met seinlichten om met de nabije forten te kunnen communiceren. Er werd net voor de eerste wereldoorlog aan een ondergrondse telefoonlijn gewerkt maar die was niet gebruiksklaar.
De wapens gebruikten ‚zwart poeder’ in plaats van ‚rookloos poeder’ zodat ze wolken gas produceerden in de binnenruimtes en zich door het fort verspreidden.
Het doel van een fort was de opmars van een vijand te vertragen.

Na de uitschakeling van de Luikse forten beginnen de Duitsers op 21 augustus rond 10 u met een systematische en hevige beschieting van de forten als van de stad Namen.
De forten krijgen ook hier te maken met o.a. 420mm M artillerie, de zogenaamde ‚dikke bertha’s,  met granaten van zo’n 800kg terwijl de verdedigers zelf granaten van maximum 90 kg kunnen afvuren.
Fort Marchovelette wordt op 21 augustus gebombardeerd met 21cm howitzers en de volgende dag met de fameuze dikke bertha’s.
Op zondag 23 augustus slaat een granaat in de kruitruimte.  Twee derde van de manschappen is dood of zwaar gekwetst, vreselijk verbrand.

Een getuige:

Le bombardement qui accable le fort depuis l’aube du dimanche 23 se ralentit pour cesser vers 13 heures. Le lieutenant Caussin s’écrie: “Nous sommes sauvés, tous à vos postes, on contre-attaque!”. Tout à coup, vers 13 heures 45, une salve s’abat sur le massif. Simultanément, une explosion formidable, l’arrêt des machines, l’extinction des lumières, et un seul cri prolongé… puis le silence. (Un obus avait atteint une puissante charge de poudre.) Projeté avec violence contre la porte du magasin à projectiles, je me relève, et puis, aussitôt, je suis agrippé par un camarade. Je m’engage dans le couloir, mais, tout de suite, je dois rebrousser chemin, Le gaz, la fumée me prennent à la gorge. Je me dirige vers le massif central et je traverse les flammes pour enfin aboutir aux fenêtres de l’escarpe. Le scène qui se passe, en ces instants tragiques, est indescriptible. Des camarades horriblement brûlés se bousculent sans vêtements ou avec des lambeaux qui flambent encore. Plus de cheveux. La figure toute noire. Méconnaissables, ces malheureux se dirigent vers l’infirmerie où se dévouent le docteur Emery et les infirmiers. D’autres, halètent ou gémissent atrocement avant de mourir.

Au-dessus de la rampe, je suis capturé par les Allemands qui avancent en tirailleurs. Le fort de Cognelée est tombé, le nôtre est pris. Soudain, les hommes du coffre de tête, isolés et ignorant qu’un drapeau blanc est levé, exécutent fidèlement leur consigne. Le feu cesse.

Gaspari, originaire d’Arlon et soldat au fort, discute avec les Allemands qui, finalement, acceptent les explications. Le commandant Duchâteau, blessé, le lieutenant Caussin, affreusement brûlé, qui s’étaient avancés sur le massif pour respirer et s’abriter dans un entonnoir, sont faits prisonniers. L’officier allemand qui les reçoit les félicite de leur conduite héroïque. Les deux officiers belges, des blessés, et un convoi de prisonniers dont je fais partie, sont conduits à la ferme de Pierre Caume. Les blessés sont affreux à voir; nous ne les reconnaissons plus. La tête, la figure et les mains ne sont qu’une plaie; les cartilages du nez, des paupières et des oreilles ne forment plus que des amas de gélatine. Ils sont étendus sur des brancards à même le fumier. C’est alors que les troupes allemandes, musique en tête, montent sur le glacis du fort pour fêter leur victoire.

Le commandant Duchâteau, le lieutenant Caussin et quelques blessés marchant difficilement, sont transportés au couvent de Champion transformé en “feld-lazarett”.

Lorsque l’automobile qui amène le commandant du fort de Marchovelette et son lieutenant pénètre dans la cour du couvent, le colonel d’Etat-major, qui est venu les prendre, fait sortir une compagnie pour rendre les honneurs. Commandant la 3e division de la Garde et visitant les blessés, il félicite le commandant Duchâteau et lui déclare: “On est fier, lorsqu’on a affaire à des adversaires tels que vous”.

Tegenstander Augustin V.N. zal zwaar verbrand met vele andere gekwetsten naar een hospitaal in Huy worden gebracht, later naar Luik.

site-fort-de-marchovelette-une-coupole-de-120mm-déchaussée.jpg

KLEINE GESCHRIFTEN OMTRENT EEN GROTE OORLOG (4)

ishot-1.jpg

De Franse wet op de Transcriptie uit 1798 voerde het lotingssysteem voor dienstplichtigen in. Trok je als rekruut een laag nummer (van 1 tot aan het getal van de nodige soldaten in het kanton) dan moest je voor drie jaar naar het leger.  Trok je een hoog lot dan mocht je thuis blijven.
De welgestelden echter die een laag lot hadden getrokken konden zich vrijkopen. Het was een kwestie om een arme sukkelaar te vinden die voor een overeengekomen som jouw legerdienst ging vervullen.
In grote steden vond je zelfs agentschappen die zorgden voor plaatsvervangers en de afkoopsom regelden.

Al de progressieve partijen (radikalen, socialisten en daensisten)  keerden zich tegen de loting.  Maar het was pas in 1909 dat de regering Schollaert dit onrechtvaardige systeem verving door de dienstplicht van één zoon per gezin. Koning Leopold II ondertekende de wet op zijn sterfbed.

Augustin was blijkbaar een van de laatste lotelingen. Met zijn 1 meter 594 millimètres werd hij op 29 juni 1909 ‚incorporé comme milicien de 1909 province d’ Anvers 17é canton commune de Turnhout, no 89 du tirage. Stamnummer 53958.

Zijn uiterlijk werd vrij uitvoerig beschreven in het livret van het 8me Regiment de Ligne 1ste bataillon 4de compagnie.
Het is de enige tweetalige afdeling op het formulier.
Aangezicht, teint, voorhoofd, kleur der oogen, neus (base, hauteur, forme, largeur!) mond, lippen, kin haar, wenkbrauwen en bijzondere teekens.
Het zou er na 23 augustus 1914 enigszins anders uitzien, maar het leger was bezorgd om lichamen te herkennen eens ze blijkbaar ongeschonden op het slagveld (ik schreef eerst zonder na te denken ‚slachtveld’) achterbleven.

Hij zou officieel afzwaaien op 11 mai 1919. De som van 3420fr (aanzienlijk bedrag) werd hem als gekwetste gevangene op 22 mei 1922 bezorgd en op 6 augustus 1921 kreeg hij ook 3 chevrons de front.
Met de wet van 10 mars 1923 werd dat getal teruggebracht tot twee chevrons, maar en surplus zes eerefrontstrepen. (15 novembre 1936)
Hij werd dus ook officieel een ‚vuurkruiser’, Belgische militairen die 12 maanden in de eerste wereldoorlog- al dan niet onderbroken- hebben dienstgedaan in een eenheid die in direct contact stond met de ‚vijand’.
Hoorde je echter bij de militairen die tussen 4 augustus 1914 en 31 oktober aan de IJzer hebben ‚gelegen’
of tussen 28 september 1918 en 11 november 1918 hebben deelgenomen aan het Bevrijdingsoffensief dan had je aan 9 maanden genoeg om een vuurkruiser te zijn.

Augustin ‚lag’ niet aan de IJzer, maar na 23 augustus in verschillende ziekenhuisbedden (Huy en Luik) en werd officieel ‚renvoyé dans ses foyers le 15 octobre 1915 en in 1919 definitief uit het contingent verwijderd.
Hij heeft er dus alvast als late loteling een legerdienst opzitten van 1909 tot en met 1919.
Zijn ‚Vuurkaart’ vermeld echter alleen maar dat hij van 4-8-14 tot 23-8-14 gediend heeft tijdens de veldtocht 1914-1918.
Het woord ‚gediend’ heeft meer dan één betekenis in dit verhaal.

Net voor hij in 1914 nog eens werd opgeroepen was hij in 1913 getrouwd. Bij zijn aanvraag om in het strijdersfonds te worden opgenomen in 1920 vermeld hij drie kinderen te hebben: 7 jaar, 3 jaar, 1 jaar.
Het joch van drie, geboren op 3 juli 1917 was mijn moeder.

Hij krijgt later het oorlogskruis met palm als ridder in de Leopold II orde, oorlogskruis met palm, een zegemedaille en een herinneringsmedaille van den oorlog 1914-1918.
In ruil voor 50% invaliditeit.
Op de vuurkaart staat: Kwetsuren: één. Inderdaad, één oog vrijwel verloren en over het hele lichaam brandwonden.  Eén grote wonde. Om maar te zwijgen van de onzichtbare kwetsuren.

Als kleinkind wandelde ik met hem, kinderhand in zijn misvormde hand. Ik vond dat heel gewoon want ik had vava nooit anders gekend dan als kleine man met zwarte bril en vervormde handen.
Waarom dat zo was werd niet verteld.  De grote oorlog, ja. Dat was voldoende want hij was mijn vava die op 68 jarige leeftijd plots zou sterven toen ik 12 was. Een man met een groot hart, een luide stem en een hevig temperament.

P6130002.jpg

KLEINE GESCHRIFTEN OMTRENT EEN GROTE OORLOG (3)

298-d7a39d97b7bdc45989f2665be7b40921.jpg

TIJD EN PLAATS

Zijn dorp, Oud Turnhout is bij zijn geboorte twintig jaar een zelfstandige entiteit, los van Turnhout sinds 1 januari 1859. Einde van de jaren tachtig wonen er zo’n 2700 zielen in Oud Turnhout.
Bij het graven van het kanaal Dessel-Schoten (gekend als ‚De Vaart’) ontdekt men in 1846 rijke lagen kleigrond zodat er een industrieel centrum ontstaat met steen-pannen- en cementfabrieken.
Dat bracht een immigratie en huisvesting van mensen uit de meer zuidelijke gemeenten met zich mee en zo ontstond Oosthoven.
Maar ook via dat kanaal werd aanvoer mogelijk van kalk en mest (ook pas ontdekte kunstmest) voor betere exploitatie van de landbouwgrond met een verhoogde productie als gevolg en een immigratie vanuit Nederland (Noord Brabant) meebracht.
Er kwamen tramlijnen richting Turnhout, Arendonk en Mol wat voor de ontsluiting van het centrum zorgde.

feestKanaal1900-Turnhout_G.jpg


Waarschijnlijk deed zich echter ook de landbouwcrisis van 1880-1890 voelen: goedkoop graan overspoelt de Europese markten vanuit de Verenigde Staten waar na de burgeroorlog de mechanisering is ingevoerd.  Aanvoer van kunstmest versterkt nog deze landbouwcrisis: boeren en boerenknechten hebben geen werk meer en trekken naar de grote steden waar ze terechtkomen bij het industriële proletariaat.
De katholieke Partij ‚Féderation des Cercles catholiques et des Associations conservatrices, opgericht in 1884 wint dadelijk de verkiezingen en zal dertig jaar lang alleen of in coalities in de regering blijven.
Onder de katholieke regering van August Beernaert komt er een eerste sociale wetgeving tot stand en 1885 wordt de Belgische Werkliedenpartij opgericht, een jaar later de Antisocialistische Katoenwerkersbond. De verdeling van de arbeiders neemt steeds grotere vormen aan.

Industriëlen en andere welgestelden hebben op dit grondgebied hun buitenverblijf, kasteel of landhuis.

Om in de sfeer van het alledaagse te blijven publiceer ik hier het verhaal dat in het geboortejaar van Augustin werd opgetekend door Pol de Mont: Spoken te Oud Turnhout.

Te Oud-Turnhout woonde een boerenknecht, welke elken maandag zijn lijnwaad naar een ander dorp te wasschen droeg. Als hij het des zaterdaags terughaalde, viel het wel eens voor, dat hij, bij het hooren naderen van andere boeren, een wit hemd over zijne kleederen aantrok, om “spook te spelen.” Meer dan eenen voorbijganger had hij alzoo den dood op het lijf gejaagd, toen eindelijk een andere boer, die den moed niet zoo spoedig in zijn laerzen liet zinken, op zich nam, om “het spook zelf eens bang te maken.”
Wat deed me onze man? Den eerstvolgende zaterdag vatte hij, met een wit laken over het hoofd, op de onderste takken van eenen boom, langswaar de boerenknecht gewoonlijk voorbijging, plaats.
Na eenige tijd zag de man, die in de boom zat, den verwachten gezel in het halfdonker naderen. Wie het was, kon hij wel niet herkennen; maar duidelijk kon hij zien, hoe hij, uit een pak, dat hij in de hand droeg, een wit kleedingstuk te voorschijn haalde, en het aantrok.
Het spook, want nu was er immers een spook, zette zich op weg, in de richting van den boom. Daar werd het onzen moedigen boer zoo bang om het hart, dat hij de naderende verschijning niet eens meer dorst bekijken.
Wat het spook zelf betreft, ook dit zou zijne beurt wel krijgen. Juist toen het onder de boomtakken voorbijging, viel eene witte massa, met een vreeselijk gekraak en gebrul, uit de takken neder: de boer was van schrik naar beneden gestort…!
Doch, het beste komt nog!
Het spook, dat het geheim niet kende, maakte beenen, en liep in eenen adem naar huis…’

L’arroseur arrosé in Kempische toonaard.
Augustin was een joch van zes jaar toen de gebroeders Lumière dit filmpje in Parijs vertoonden.
De besproeier besproeid. Of een mooi voorbeeld van Europese politiek einde 19de eeuw waarin verbanden en verbonden de verbinders niet droog zullen houden

 

30lksog.jpg

 

KLEINE GESCHRIFTEN OMTRENT EEN GROTE OORLOG (2)

Rubifoam-1889-recto-blog.jpg

Een jaartal

Het jaar van de geboorte, de deur van een levensloop. Ken je ook het achterpoortje van de sterfdatum dan kun je met het bijna vergeten hoofdrekenen iemands bestaan in een getal samenvatten. Hij of zij is x jaar oud geworden. Maar tegelijkertijd is die levensloop in een tijd verankerd, in zeden en gewoonten, in doen en laten waarin de geboorteplaats de uitkijktoren kan genoemd worden van waaruit je het kleine en iets grotere gebeuren interpreteert en ondergaat.

Ook al kun je met die twee cijfers, geboorte- en sterfdatum,  een reepje tijd trancheren, het is met honderden zichtbare en vooral onzichtbare worteltjes vergroeid in het bestaan waarin deze twee getallen slechts vage aanduidingen zijn.

De geboortedatum van een ‘ouvrier agricole’ mag dan niet in de geschiedenisboeken te vinden zijn, maar aan de administratie van gemeente, parochie en het leger is hij niet ontsnapt.

Geboren in ‘Vieux Turnhout’ in 1889.  Vier dagen na een jongetje dat in het Ooostenrijk-Hongaarse rijk, op de grens van Beieren in Braunnau het zogenaamde levenslicht zal zien en als Adolf nog een tijdje net zo onopvallend aanwezig zal blijven. Of twee dagen voor het kind Ludwig uit de familie Wittgenstein zijn eerste kreetjes hoorbaar maakt. Graag wil ik in september van dat jaar ook nog het kleine meisje Anna Akmatova vermelden en enkele maanden later het jongetje Martin Heidegger. (vergeet Charlie Chaplin niet want ik vermoed dat hij de enige uit het rijtje zal zijn die Augustin bij leven en welzijn met naam en toenaam heeft gekend.

Het is het jaar dat Vincent van Gogh in de Provence zijn mooie sterrennacht schildert en een kaartje met het ontwerp ervan naar zijn broer stuurt terwijl in Parijs de Eifeltoren de voornaamste bezienswaardigheid van de Exposition Universelle wordt ingehuldigd.

Hij is met nogal wat jongetjes van dat jaar alvast bestemd om live te gaan meedoen in wat nu de spektakel musical 14-18 heet en ook als ‘de groote oorlog’ in zijn leven een speciale plaats zal innemen.

Maar daar weet het kleine boerenzoontje nog niets van. Hij is het kind van Cornélie Vermeulen en Corneille Ferdinand Van N. In 1909 , het laatste jaar van de lotelingen zal hij het lot 89 trekken, zijn geboortejaar, en au service actif het vaderland gaan dienen zoals dat heet.

Ik laat de gezegende sterrennacht over de kleine baby waken. Wat wij nu weten deert hem nog niet.

VanGogh_Sterrennacht.jpg

KLEINE GESCHRIFTEN OMTRENT EEN GROTE OORLOG (1)

weltkarte-29.jpg

De naam van een boerenjongen, bekend als Gust maar in de annalen van de krijgsmacht als Augustin genoteerd.

Een pestliedje was het. Niet om iemand te pesten, maar ontstaan door de gevolgen van de zwarte dood in het Wenen van 1679 te bezingen.
En lieve Augustin die ik de volgende dagen probeer te benaderen, de figuur van het liedje zou een doedelzak-speler zijn geweest die na een stevige avond doordrinken langs de weg in slaap viel, voor dood  werd aanzien door de grafdelvers en met doedelzak in een massagraf terechtkwam waar hij ’s morgens uit zijn roes ontwaakte.  Omdat hij niet uit eigen kracht uit de vrij diepe kuil kon klimmen begon hij  te spelen want hij wilde graag sterven zoals hij had geleefd.
En jawel, hij werd gehoord.  Ondanks zijn slaap met de geïnfecteerde doden bleef hij gezond en zo werd Augustin het symbool van hoop voor het Weense volk.
Ongeveer op deze manier werd het verhaal verteld door prediker Abraham a Sancta Clara (1644-1709) en bleef Augustin voor de Wieners in het liedje ‚Oh du lieber Augustin’  leven.
De zuinige Schotten maakten met de melodie er ‚Did ye ever see a lassie, a lassie, a lassie’ van en in Holland lieten ze op deze wijze Sinterklaas op de deur kloppen (Daar wordt op de deur geklopt, deur geklopt…)
Vergeet ook niet dat Hans Christian Andersen het gebruikte in zijn sprookje ‚De varkenshoeder’ (1841) achtenveertig jaar voor jij zou geboren worden.

        O, du lieber Augustin, Augustin, Augustin,
        O, du lieber Augustin, alles ist hin.

        Geld ist weg, Mensch ist weg,
        Alles hin, Augustin.
        O, du lieber Augustin,
        Alles ist hin.

        Rock ist weg, Stock ist weg,
        Augustin liegt im Dreck,
        O, du lieber Augustin,
        Alles ist hin.

        Und selbst das reiche Wien,
        Hin ist’s wie Augustin;
        Weint mit mir im gleichen Sinn,
        Alles ist hin!

        Jeder Tag war ein Fest,
        Und was jetzt? Pest, die Pest!
        Nur ein groß’ Leichenfest,
        Das ist der Rest.

        Augustin, Augustin,
        Leg’ nur ins Grab dich hin!
        O, du lieber Augustin,
        Alles ist hin!

Text and melody: Marx Augustin (1679)

Voor een nauwelijks overlevende van de grote oorlog een toepasselijk liedje.
Goede lezer(es) dit is de tijd dat grootvaders hun eigen grootvader eren. Hij nam deel aan wat nu in een ‚spektakel’ musical ’14-18’ heet maar waarvan de dreun tot in de ziel van het intussen zeventigjarige kleinkind nog niet is uitgestorven.
Volg de gids.

Ach!_due_lieber_Augustin_repetition.png