KLEINE GESCHRIFTEN OMTRENT EEN GROTE OORLOG (4)

ishot-1.jpg

De Franse wet op de Transcriptie uit 1798 voerde het lotingssysteem voor dienstplichtigen in. Trok je als rekruut een laag nummer (van 1 tot aan het getal van de nodige soldaten in het kanton) dan moest je voor drie jaar naar het leger.  Trok je een hoog lot dan mocht je thuis blijven.
De welgestelden echter die een laag lot hadden getrokken konden zich vrijkopen. Het was een kwestie om een arme sukkelaar te vinden die voor een overeengekomen som jouw legerdienst ging vervullen.
In grote steden vond je zelfs agentschappen die zorgden voor plaatsvervangers en de afkoopsom regelden.

Al de progressieve partijen (radikalen, socialisten en daensisten)  keerden zich tegen de loting.  Maar het was pas in 1909 dat de regering Schollaert dit onrechtvaardige systeem verving door de dienstplicht van één zoon per gezin. Koning Leopold II ondertekende de wet op zijn sterfbed.

Augustin was blijkbaar een van de laatste lotelingen. Met zijn 1 meter 594 millimètres werd hij op 29 juni 1909 ‚incorporé comme milicien de 1909 province d’ Anvers 17é canton commune de Turnhout, no 89 du tirage. Stamnummer 53958.

Zijn uiterlijk werd vrij uitvoerig beschreven in het livret van het 8me Regiment de Ligne 1ste bataillon 4de compagnie.
Het is de enige tweetalige afdeling op het formulier.
Aangezicht, teint, voorhoofd, kleur der oogen, neus (base, hauteur, forme, largeur!) mond, lippen, kin haar, wenkbrauwen en bijzondere teekens.
Het zou er na 23 augustus 1914 enigszins anders uitzien, maar het leger was bezorgd om lichamen te herkennen eens ze blijkbaar ongeschonden op het slagveld (ik schreef eerst zonder na te denken ‚slachtveld’) achterbleven.

Hij zou officieel afzwaaien op 11 mai 1919. De som van 3420fr (aanzienlijk bedrag) werd hem als gekwetste gevangene op 22 mei 1922 bezorgd en op 6 augustus 1921 kreeg hij ook 3 chevrons de front.
Met de wet van 10 mars 1923 werd dat getal teruggebracht tot twee chevrons, maar en surplus zes eerefrontstrepen. (15 novembre 1936)
Hij werd dus ook officieel een ‚vuurkruiser’, Belgische militairen die 12 maanden in de eerste wereldoorlog- al dan niet onderbroken- hebben dienstgedaan in een eenheid die in direct contact stond met de ‚vijand’.
Hoorde je echter bij de militairen die tussen 4 augustus 1914 en 31 oktober aan de IJzer hebben ‚gelegen’
of tussen 28 september 1918 en 11 november 1918 hebben deelgenomen aan het Bevrijdingsoffensief dan had je aan 9 maanden genoeg om een vuurkruiser te zijn.

Augustin ‚lag’ niet aan de IJzer, maar na 23 augustus in verschillende ziekenhuisbedden (Huy en Luik) en werd officieel ‚renvoyé dans ses foyers le 15 octobre 1915 en in 1919 definitief uit het contingent verwijderd.
Hij heeft er dus alvast als late loteling een legerdienst opzitten van 1909 tot en met 1919.
Zijn ‚Vuurkaart’ vermeld echter alleen maar dat hij van 4-8-14 tot 23-8-14 gediend heeft tijdens de veldtocht 1914-1918.
Het woord ‚gediend’ heeft meer dan één betekenis in dit verhaal.

Net voor hij in 1914 nog eens werd opgeroepen was hij in 1913 getrouwd. Bij zijn aanvraag om in het strijdersfonds te worden opgenomen in 1920 vermeld hij drie kinderen te hebben: 7 jaar, 3 jaar, 1 jaar.
Het joch van drie, geboren op 3 juli 1917 was mijn moeder.

Hij krijgt later het oorlogskruis met palm als ridder in de Leopold II orde, oorlogskruis met palm, een zegemedaille en een herinneringsmedaille van den oorlog 1914-1918.
In ruil voor 50% invaliditeit.
Op de vuurkaart staat: Kwetsuren: één. Inderdaad, één oog vrijwel verloren en over het hele lichaam brandwonden.  Eén grote wonde. Om maar te zwijgen van de onzichtbare kwetsuren.

Als kleinkind wandelde ik met hem, kinderhand in zijn misvormde hand. Ik vond dat heel gewoon want ik had vava nooit anders gekend dan als kleine man met zwarte bril en vervormde handen.
Waarom dat zo was werd niet verteld.  De grote oorlog, ja. Dat was voldoende want hij was mijn vava die op 68 jarige leeftijd plots zou sterven toen ik 12 was. Een man met een groot hart, een luide stem en een hevig temperament.

P6130002.jpg