Night_Writing_Hero_and_Leander_hr3.jpg

53. Woorden bij de verandering van aanwezigheid


1.

Ontdaan van alle apparatuur, in de ontspanning van nooit meer pijn te moeten voelen, lig je daar.


Je ogen gesloten.


Je mond een beetje open.


Alles is gezegd, hoor ik je in deze stilte denken.


Of beginnen we eindelijk te spreken?


We leven in twee tijdperken. Is de muur ertussen te hoog of te dik? Of vind ik het poortje waardoor we bij elkaar in en uit kunnen lopen?


Tot op dit bed heb je mij geleerd het onafwendbare onder ogen te durven zien.


Onder betonnen schuldgevoelens verpletterd, heb je mij uit de donkere kast geduwd. Mijn eindeloos verlies viel in scherven. Het bevroren broertje in mijn hart mocht als een kind van vlees en bloed zijn weg gaan. 
Toen Stefaan daar lag, ben ik weggevlucht. Nu, terwijl ik bij jou op bed zit, neem ik jullie beiden in mijn armen.


Net zoals vroeger geef je geen antwoord op mijn vragen.


Waarom ook?


Jouw korte leventje was het antwoord.


Met de onschuld waarmee je ons samenbracht, zag je engelen die het einde der tijden voorbereidden. Verweer was echter mogelijk. 
In verhalen en spelen hield je ons een spiegel voor, nam je ons mee naar het begin de tijden en bracht je ons tot aan een open dialoog met de dood.


Dit alles zonder voorbedachte rade.
Vanuit de intensiteit waarmee je leefde.


Met een scherp oog voor onze goed gecamoufleerde ikjes.

Ik weet bijna zeker dat ik je terug zal vinden.


Tussen de zilveren, gouden en blauwe bomen zie ik jullie spelen, jij en Steffie.


De koekoek roept in de verte.


In de meander van de rivier drijven jullie.


’Om ter eerst bij Hannah!’ roep je met je hese stem.


‘Om ter eerst!’ Het hoge geluid van Steffie.

De man naast mij zal jullie in mijn buik voelen bewegen.


2.

Zoals je daar ligt, maak je woordeloos mijn achterstand duidelijk.


Waar jij al bent, moet ik nog komen..


Zie je, zelfs hier kan ik jaloers zijn op jou.

Ben ik de eerste van de klas, een vrij goed leerling aan de muziekacademie, een graag geziene organisator in het schoolmilieu, tegenover de dagelijkse emoties ben ik een achterblijvertje, betweterij als schild tegenover zoveel sociale onkunde.


Predik ik de gematigdheid in doen en denken, ik ga me te buiten aan dagdromerij, sloof me uit om gezien te worden, terwijl ik de moeilijkste stukken repeteer om met deze acrobatiek de aandacht van mijn emotionele leegheid af te leiden.


Zelfs nu betrap ik mij er op dat ik meer met mezelf dan met jou bezig ben.
Toch was jij de eerste die mijn artistieke verkleedpartijen doorzag. 
Jouw leven en jouw spelen duldden geen compromis.


Je was een listig kereltje. 
Je liet je niet omkopen.


De manier waarop je met Hannah en Bram omging, schudde mij wakker. 
Ik ben een bang kind. Altijd geweest.


Bang om te zijn wie ik soms maar was.


Jouw leven verdreef die angst, maakte speelplaatsen vrij, waarin mijn slimmigheidjes door jou als pretentie werden ontmaskerd. 
Jouw spel herschiep hemel en aarde, nodigde steeds tot meespelen uit. 
Op jouw ziekenkamer probeerde ik de eerste keer niet uit eigenwaan te musiceren. Ik leerde mijn beperkte wereld verlaten. Mijn technisch kunnen zou vanaf dat moment de muziek en niet meer mijn glorie dienen.

Toen ik je mijn laatste verhaal vertelde, zag ik je soms knikken.


Je glimlachjes overstegen elk applaus.

Van op de piano kijken Bach en Mozart mij aan. Achter hun plaasteren hoofden begin jij te bewegen, mijn ‘speel-kameraad’.


Ga maar te keer in mij als ik mezelf weer oppomp tot artistieke kikker van dienst. 


En vergeef me dat ik zo woedend ben om jouw verlies.


Had ik het lot lief omdat het ons allen samenbracht, nu vervloek ik het omdat het jou zo ver heeft weggevoerd.
In elke noot probeer ik je terug te vinden.


3.

Ik kijk je aan.


Zo dadelijk proest hij het uit, denk ik. Gefopt, roept hij dan.


’Ik kan ook ernstig zijn, Brammie. De dood is een ernstige zaak.’


Je zou het spottend zeggen.


We hebben hem niet kunnen bepraten, makkertje.


Hij had er geen oor naar om je te laten gaan.


Zoals je ’s morgens, toen ik je kwam wakker maken, eerst één oog opende en dan je armen om mijn nek sloeg, zo zou ik alle jaren die mij resten in de grijparmen van het lot willen gooien, om je hier levend buiten te dragen.


Waarom ben je zo vlug opgebrand, engel met de onzichtbare vleugels?


Ik weet het, ik weet het, je leefde hevig, elke seconde was er wel iets dat je aandacht trok, broeide er een gek plan in je binnenste, wilde je de wereld te lijf gaan met je verhalen, droomde je luidop, barstte je in lachen uit, stelde je de meest vervelende maar noodzakelijke vragen en wou je nog op drie plaatsen tegelijk zijn.


Maar deze zuivere energie moet toch kunnen opwegen tegen ons veel drukker gejaag op geld en goederen, tegen onze miezerige pogingen elkaar te strikken voor het leven, tegen de belachelijke inspanningen om onze onzekerheden in carrière en aanzien te vertalen?


Twijfelde ik nog aan mijn beroepskeuze, ik ben nu vast besloten als arts dit verloren gevecht te wreken.

Toen we ‘tussen hemel en aarde’ speelden, begon ik te begrijpen dat ik uit mijn hemel moest vallen om aardse voeten te ontwikkelen. Mij losscheuren uit de overbezorgdheid, het huis verlaten, haar innigheid koesteren zonder eraan verslaafd te worden.


Dat ik nu ook nog mijn speelmakkertje verlies, vind ik wel een beetje te veel van het goede, jochie.


Verbaas je dus maar niet dat ik naast jou zit te snotteren, dat ik je tussen mijn tranen maar wazig zie liggen en ik je koude handjes vasthoud uit schrik in de diepste afgrond van mijn verdriet te vallen.

Als geen ander ken je mijn vulkanisch gemoed. De lava van woede en verdriet wordt de voedingsbodem om jouw dapper leven voort te zetten.


Het duurt een tijd voor hij gestold is.


Je zult me nog horen roepen, ik zal wild om me heen slaan.


Maar als ik jou dan in mijn pyjamajasje zie staan, of met je nepvleugeltjes om, of in je zwarte vertellers-tunica, geloof dan maar dat je aanwezigheid het op mijn kortstondige wanhoop zal halen.
Jouw ‘ontwerp voor een aards paradijs’ zal ook het mijne worden.

edgardo aragon 002.jpgde kunstwerken zijn van Teresita Fernandez en Klara Kristalova–Lehmann Maupin Gallery NY