xx hernan bas Downhill_at_Dusk_hr2.jpg

36. Het aards paradijs, herziene versie

Uit het verhaal van Bram, probeerde ik mij een voorstelling van Elias’ aards paradijs te maken. Toen we die vrijdagavond binnenkwamen, was ik toch nog verrast. Het koude blauw in combinatie met de gouden en zilveren tinten, de ene hevige rode streep in het midden van het décor , de directe lijnen van de boomomtrekken, de schikking van de dieren en vooral de dansende schaduwen van de kaarsen, (ontleend aan de kerk, wisten we later, schadevergoeding intussen via offerblok betaald!) deden mij alles vergeten wat ik in de academie had geleerd.


Ver van de imitatie of het kinderlijk inkleuren had hij met primitieve middelen zijn tuin van Eden opgeroepen. Ook Michiel vond het prachtig.


Op Elias’ aanwijzen verkleedden we ons. Hijzelf zou de verteller zijn. Bram en ik kregen de rol van Adam en Eva toegewezen.


’Je denkt misschien dat Adam en Eva naakt rondliepen in de tuin?’ 


‘Dat dachten we, ja. ‘


’De ver gevorderde toestand van de maand oktober was wel een hindernis,’ wilde ik argumenteren.


‘Ze waren inderdaad naakt. Maar hun glazen huid was net zoals de bomen van doorzichtig zilver en goud. Vandaar deze mooie mantels in dezelfde kleuren.’


Michiel zou God en slang spelen. Hij droeg een lang dieprood gewaad dat uitstekend combineerde met de boom der kennis van goed en kwaad. 
De verteller hulde zich in een zwart stuk stof dat hij als een tunica rond zijn lichaam drapeerde. Hij wilde ons zijn goed voorbereid verhaal vertellen. 
Wij werden de dansers, zijn levensgrote poppen, die zijn verbeelding zichtbaar zouden maken.

Roerloze gestalten tussen de bomen van de tuin zijn wij. Hij draait zich naar ons.

‘Voor ik het verhaal van de schepping vertel, zijn er wel enkele vragen. 
Zoals: waarom heeft God zijn alter’ ego, Lucifer, de vrije loop gelaten in plaats van er brandhout van te maken? 
Wat moest hij met die twee glazen mensen zonder toekomst doen? 
En waarom had hij zich boos gemaakt waar hij tenslotte zelf de oorzaak van al die ellende was?’

We kunnen hem geen antwoord geven.
In het kaarsenschemer zien we alleen het witbleke van zijn gezicht en zijn druk gesticulerende handen. Hij wijst naar ons en de tuin.

‘Het begon allemaal heel mooi. De tuin van Eden in het Oosten.’

Aandachtig bekijkt hij zijn schepping.

‘Uit de bodem van de tuin liet God allerlei prachtige bomen opschieten. Ze droegen heerlijke vruchten. Er ontsprong ook een rivier die de tuin bevruchtte.’

Michiel tikt de bomen aan en kom bij de vijver uit waarop de badeendjes drijven. Zijn rood gewaad verandert zijn motoriek. Door zijn slow motion bewegingen kan hij werkelijk zweven.

‘En nu komt de aap uit de mouw. Tussen al die kerselaars en mangostruiken, tussen de appelaars en kokospalmen, tussen de kastanjelaars en bananenplanten, zette God de boom der kennis van goed en kwaad.


Tegen de eerste mens, Adam, zegde hij: “Je mag de vruchten van alle bomen eten, maar van die van de boom der kennis van goed en kwaad moet je afblijven.”

Bij de felrode boom spreidt Michiel met een breed gebaar zijn armen. Heel direct wijst hij daarna naar de kruin van de rode boom. Vol ontzag kijkt Adam-Bram toe. Ik blijf op een nog niet geschapen afstand het spel volgen.

‘En ’t is daarbij niet goed dat je hier alleen rondloopt, Adam. Ik zal je allerlei hulp geven die bij je past. 


Uit dezelfde glaspasta blies hij de dieren van het paradijs.

Geef ze maar namen, zei God. Dit hier is een…’

Bram-Adam benoemt de ezel, de schaapjes, de eenden en zelfs een os is geen probleem. Hij heeft duidelijk plezier in het naamgeven. Zo wil hij de schaapjes eerst “olifanten” noemen, maar bij het hoofdschudden van God verandert hij toch maar van idee en zullen ze voor altijd “schapen” heten. Vindt hij dat de eenden “leeuwen” zijn, de blik van God brengt hem al vlug tot de nu nog geldende naam. Dat de ezel eerst ‘Bram’ en de os ‘Michiel’ zou zijn, brengt zelfs de Schepper uit zijn ernstig evenwicht. Ook hier wordt de orde hersteld en zonder protest aanvaarden de dieren hun naam.

‘Is het jullie al opgevallen dat God Adam met ‘hij’ aanspreekt? In feite was de eerste glazen mens net zoveel hij als zij. Wilde hij een gezel dan moest hij zich in het meer spiegelen.


Morgen en gisteren waren er onbekend want er was nog geen tijd.


Dat Eva Adam’ s ribstuk zou zijn, was een verzinsel uit de mannentijd daarna.’

De nog niet geschapen Eva (hij en zij) applaudisseert zachtjes. God leidt mij naar het meer waar ik naast een eendje ga liggen. Hij zet het eendje op mij zodat ik weet dat ik nu onderwater ben.

‘Adam -het is maar een naam- de eerste glazen mens dus, keek in een maanlichte nacht in een meander van de grote rivier die de tuin bevloeide. Hij had maar zijn hand uit te steken om zijn gezel aan land te trekken die net zoveel hij en zij was als hij- of zijzelf.


Ze waren geen tweelingen maar elkanders spiegelbeeld. Wat voor de ene rechts was, noemde de andere links en omgekeerd.’

(Latere toevoeging van mezelf: zo ontstond de diepte, het samenvloeien van links en rechts in een tijdloos perspectief.)

Bram heeft me heel zacht aan land getrokken. We zitten tegenover elkaar en spelen elkanders spiegelbeeld.

‘Het leek wel of Gods jongensdromen waarheid werden.’

‘Jongens- en meisjesdromen,’ fluister ik vanuit mijn hij- en zijpositie. God en de verteller knikken goedkeurend. De Schepper bekijkt ons tevreden. Wij, het prototype van zijn schepping, de demo van zijn voortijdse plannen, de witdruk van zijn dromen avant la lettre, het watermerk van zijn Goddelijke geest.

‘De tuin van Eden heet nu de tuin van Heden. Van elk ogenblik dus.’

We zwemmen in het meer, hebben elkaar lief terwijl God goedkeurend en een beetje jaloers toekijkt.

‘Was God de big bang vergeten? Hij, met zijn geheugen van in de eeuwen der eeuwen amen, probeerde te doen alsof er niets gebeurd was.’

God loopt onschuldig fluitend rond.

‘Dus verzon God een truc. Truc met de slang.’

Michiel zwiert zijn goddelijke mantel uit en trekt nu een gifgroen kleed over zijn schouders. Hij neemt een klaarstaande megafoon en zet zich achter de boom der kennis van goed en kwaad. Wij, het glazen paar, gaan voor zijn rode stam zitten, duidelijk genietend van de tuin en elkaar.

De slang:


Hallo, hallo. Ik ben uw slang. Welkom onder deze prachtige boom vol heerlijke appelen en mango’s.

Glazen Hannah:


Wie ben jij?

De slang:


Niet flauw doen, je hebt me zelf een naam gegeven.

Glazen Hannah:


Ik niet. Dat was mijn spiegelbeeld.

Glazen Bram:


Juist. Omdat je met een ‘s’ spreekt en lang bent ben je dus een s-lang.

De slang:


Kom pluk een appel of een mango.

Glazen Hannah:


Deze boom geeft ons schaduw. Van hieruit kun je de rivier zien.

De slang:


Poëzie waarmee God jullie probeert te sussen.

Glazen Bram:


Waarom zou hij? We hebben alles.

De slang:


Ja, ja, ze leefden lang en gelukkig. Maar weten jullie wat goed en wat kwaad is?

Glazen Bram en Hannah:


Neen.

De slang:


God wel. En als jullie van deze appel eten, weten jullie het ook.

Glazen Hannah:


Wat ben je er ermee als je dat weet?

De slang:


Als je dat weet, ben je God. Alleen God kan voorlopig zeggen wat goed is en wat kwaad is omdat hij erboven staat.

Glazen Bram:


Wij zijn naar zijn beeld en gelijkenis gemaakt.

De slang:


Naar zijn spiegelbeeld ja. Maar als jullie van deze vruchten eten, zijn jullie aan God gelijk. Congruent. Identiek.

Glazen Bram:


Maar hij heeft het ons verboden.

De slang:


Waarom denken jullie? Omdat hij alleen de baas wil blijven. Jullie zijn z’n speeltjes. Op een dag is hij jullie beu. Dan worden jullie bijvoorbeeld in een berm of een vaargeul gerecycleerd. Alsjeblief, tast toe.

De glazen mensen bijten van harte in de hun aangereikte appel. Donderslagen verwekt door het schudden met een blikken plaat weergalmen.

De verteller:


En lap! Het was te laat. De val werkte zoals voorzien. Een ware zondeval. Er kwamen onherstelbare barsten in het glazen paar. Eentje van hen werd een ‘hij’, de andere een ‘zij’. Als ze elkaar liefhadden, waren ze even terug in het paradijs. 
Hun nakomelingen liet hij door ruimteschepen ophalen zodat ze dromend buiten de tijd konden zijn, in afwachting van een nieuwe tuin.

De slang verliest zijn groene huid en wordt weer God. Hij trekt het glazen paar hun zilveren en gouden kleren uit. Rillend van de kou worden ze de tuin uit gejaagd. We komen bij de verteller staan om naar de afloop te luisteren.

De verteller:


Natuurlijk wist God op voorhand dat ze niet aan de slang konden weerstaan. 
God weet alles. Om zichzelf en zijn arme gebarsten mensen te troosten, schiep hij de engelen. Ze hadden nog wel dezelfde vormen, waren noch hij of zij, maar ze bleven hem onvoorwaardelijk trouw, dacht hij.


Zijn alter’ ego Lucifer echter zorgde voor muiterij. Toen ze naar de diepten van de hel verdreven waren, wilde God de tuin herstellen. Niet om opnieuw te beginnen, maar om hun korte leven aangenamer te maken.


Hij schiep grote en geheimzinnige wouden waarin de dinosaurussen thuis waren. Alles was er diep en wild.


Bij kampvuren zouden de mensen er verhalen kunnen vertellen.

Maar Lucifer stuurde een meteoriet naar de aarde.


Duizenden jaren heerste er donkerte en koude. De dinosaurussen stierven uit.


Na hun lange droomtijd ontscheepten de kinderen en kleinkinderen van Adam en Eva terug op aarde.

Toen hun achterkleinkind Elias de verwoeste aarde zag, verborg hij zich in het ruimteschip.

Dagen later werd hij gevonden, maar toen was de aarde al miljoenen jaren verder gedraaid.

Zo werd hij niet geboren, maar kieperden ze hem vanuit het ruimteschip in een rivier.


Nog altijd heeft hij heimwee naar de wilde en avontuurlijke tijden.
Hij kent de dinosaurussen bij hun naam.


Op een dag zal hij terugkeren. Terug in de tijd.


Hier vloeien alle verhalen samen.
We applaudisseren en groeten naar het denkbeeldige publiek in de duisternis.

Ik neem de verteller in mijn armen.


Hij gloeit.


Eerst denk ik dat hij verder speelt, tot ik zijn spieren werkelijk voel verslappen en hij langs mijn lichaam naar beneden glijdt..


’Elias!’ roep ik.


Bram vangt hem mee op.


We leggen hem op het grote laken. Hij opent zijn ogen, glimlacht.


‘Ik voelde me plots heel moe. De bomen van het aards paradijs gingen de lucht in.’
’

We zullen je naar huis brengen.’


‘Zeg maar dat je de zus van Chrisje bent, Hannah, en dat ik me plotseling niet lekker voelde.’
’

Kom, we ruimen later wel op.’
’

Hou de bomen goed bij,’ zegt hij terwijl we hem recht helpen.

‘Laat maar los. Ik kan weer op mijn eigen benen staan.’


Voor we deur van de zolder dichttrekken, kijkt hij nog eens om.
’

Zo ruikt het ook in de tuin van Eden. Naar de lucht van uitgeblazen kaarsen.’


Michiel is al naar beneden om een taxi te bestellen.

‘Heb je ergens pijn?’ vraag ik.


’In mijn rug. Waarschijnlijk mijn vleugels die gaan uitkomen.’

xx hernan basThe_soap_box_in_his_mind_01_hr2.jpg