renate1.jpg

 

32. De glazen mensen, een scheppingsverhaal over al-tijd

 

Elias zou beginnen. Als hij ophield, moest een van ons het verhaal verder vertellen.

Hij hield het voorste stuk van de rivier boven zijn hoofd. Met hem keerden we terug naar het begin van alles.

Elias:


In het begin der tijden was er…alles. Ja, alles.


Alles wat ooit zou geschapen worden, was al aanwezig in Gods gedachten.
Neem nu het woord heelal.


Hij moest er maar aan denken of het was er al. Heel en al. Alles nog helemaal in orde, wil dat woord zeggen. Of het woord altijd. Alle tijd, de verleden, de tegenwoordige en de toekomstige tijd, samengeperst in een erwt.


In een flits van één triljoenste seconde heeft God alles geschapen wat er ooit zou bestaan.

Ook de aarde was erbij.

Hij kijkt ons vragend aan. Hannah komt bij hem onder de rivier staan. Ze neemt het laken van hem over. Terwijl ze verder vertelt, rolt ze het op.

Hannah:


Vanaf het einde der tijden heeft hij toen alles opgerold -in omgekeerde volgorde dus- tot hij bij het eerste pluizige draadje was: het spinsel uit het niets.


Ook dit verhaal was erbij.


(en de negen levens van alle katten.)


De doden holden naar de buiken van hun moeders,
 tot alle voorvaderen en moederen in Eva’s buik konden schuilen


En Eva weer een ribstuk werd, en Adam slib in de oerzee waarboven Gods geest zou zweven.


Dat alles lag in de leegte op de schepping te wachten.


Zo is het gegaan.


In het begin was er alles.

Hannah heft het opgerolde ‘alles’ op en biedt het mij aan. Ik leg de loper op de grond, neem de uiteinden en rol hem naar de anderen weer open.

Michiel:


God dacht eraan de schepping open te rollen als een feestloper waarop de mensen arm in arm de tijd konden ingaan.


Maar Gods dubbel, zijn alter ego, Lucifer, hield ook van spektakel. Hij wilde God voor zijn.

Van dat eerste pluizige draadje maakte hij een lont.


Met een vonk van zijn naam zorgde hi j voor de big bang.


BANGGGGGGGGGGGGGGGGGGG!

Bij de gruwelijke ontploffing heb ik het laken tot een gekreukelde berg verfrommeld. Ik draag hem naar Bram. Hij wikkelt zich in het laken. Hij begint bij zijn voeten en pakt zichzelf tot aan zijn oren in.

Bram:


In feite was de aarde Gods oor. God naaide de schepping zijn oor aan.


Dat oor was de aarde.


Volgens brave nonnen waren de sterren Gods ogen, maar niets is minder waar. 
De sterren zijn Gods acne. Gods puisten.
De sterren stammen nog uit een tijd dat God een puber was. Het ritme van de sterren is duidelijk herkenbaar.
 Wie de pulsars beluistert, hoort Gods apenjaren.

Elias neemt het afhangende stuk laken en hangt het over zijn gezicht. Daarna wikkelt hij er zich zo ver mogelijk in tot ze beiden geen beweging meer kunnen maken.

Elias:


God kan zijn oren sluiten.


Zoals ik mijn ogen dicht kan doen, zo kan God zijn oren sluiten.


Duizend deuren slaat hij dicht tot hij niets meer hoort.


Bwang, bwang, bwang, bwang, bwang!


Hij is te oud geworden, hé. Hij kan het niet meer hebben.


Eerst die gruwelijke big bang en toen dat geroep op Hem: ‘Aanhoor mij Heer! Genees mij, God! Geef ons de overwinning, Heer. Gott sei mit uns.


Shut up, zegt God. Houd uw bakkes dicht.


Genoeg gezeverd, trek uw plan.


Ja, ik heb jullie geschapen naar mijn beeld en gelijkenis. Jullie zouden dus moeten weten dat jullie een en al oor zijn.

Als een grote mummie wachten zij op hulp. Hannah maakt Brams hoofd vrij en kust hem. Beetje bij beetje ontwikkelt zij Bram, daarna Elias. Eerst zacht, dan brutaal.

Hannah:


Ik heb jullie een mond gegeven om te ademen en te kussen, niet om te jammeren. Of horen jullie niet goed?


Hou op met jezelf pijn te doen. Wees vruchtbaar.


Leg je oor op het lijf van je geliefde.


Zo kon God nog uren doorgaan. Hij was werkelijk boos.


Die gebeden en gezangen, ok. dat was goed bedoeld. Maar dat gekerm, dat gereutel! Dat onophoudelijk imiteren van de big bang.


Dat kinderlijke pang – pang – pang en boem – boem – boem tot in de ontploffingsmotoren van de miljoenen auto’s.


Tot in de harde woorden van wacht ik zal u wel eens hebben en wie denkt ge wel dat ge zijt, gij smeerlap, homo, hoer en vuile jood!


Jullie hebben van mijn oor een riool gemaakt.


Ik heb u mijn oor geleend, wel geef het nu maar terug.


Het oor van God is gesloten.

Ze houdt het laken met open gespreide armen als een scherm voor zich uit. Bram komt er voor staan. Hij is een diskjockey.

Bram:


Voor de big bang, toen God nog een jongen was, dreunde het ongeschapene in zijn oren. 
Pure rock of house van de ergste soort.


Dit wordt wat, dacht God. Dit wordt wat!


Hij kon nauwelijks wachten. Hij begon te scheppen en te scheppen en te scheppen…
Neen, niet zo’n donker en duister heelal zoals nu, maar een berg van licht, wat zeg ik, een fontein, een orgasme van kleuren en smaken.


Puur ritme en klank. 
De muziek der sferen, dames en heren.

Hannah en ik, ieder aan één kant van het laken, dansen een hevig heen en weer getrokken cha cha cha. Tot ik plotseling loslaat en mijn partner door Elias en Bram wordt opgevangen. Ik spreid het laken uit en ga erop zitten. Mijn zandvlakte.

Michiel:


Tenslotte is de mens uit zand gemaakt en niet uit klei -dat is een latere versie die we zelf verzonnen hebben- uit zand dus, wit zand, en wat wordt er uit wit zand gemaakt na hevige verhitting?


Inderdaad. Glas. Glas. Glassssss.


Adam was een glazen mens.


Zo doorzichtig kon zand zijn.


Ik geef toe, het was een jongensdroom.


God schudde zijn tijdloze kop. Hij schreef in het zand: mannekens, schreef hij, jullie zijn van glas. Althans dat was de bedoeling. Ik maak mijn goddelijke vingers nat en probeer mijn melodietje uit jullie hoorbaar te maken.


Ik ben nog maar aan de eerste noot, de kindertijd dus, en daar gaan we weer.

Ik ben in het laken gaan liggen. Het is mijn grote luier geworden. Mijn kleine kindertijd. Ik spartel met armen en benen. Ik voel mij verlaten. Hannah buigt zich over mij.

Hannah:


En wat zeggen jullie dan?


Hoe is’ t in godsnaam mogelijk, dat zeggen jullie dan.


Hoe is’ t in godsnaam m
ogelijk dat God zoiets kan toelaten?


Maar wat willen jullie?


Dat ik jullie handjes blijf vasthouden?


Dat ik mijn bliksems door jullie schietgrage lijven jaag?


Dat ik na elke oorlog de tijd weer terugdraai, het zand met al dat jongensvlees weer tot glaspasta smelt, en voor de honderd miljoenste keer opnieuw een glazen mens begin te blazen?


Niks van.


Ik ben aan mijn zevende dag?


En wat deed God de zevende dag? Inderdaad, de zevende dag rustte God. Meer nog. Hij staakte. . Salu!

Hannah heeft bij het glasblazen voorzichtig het laken van me weggenomen. Ik lig in foetushouding. Daarna komt ze bij mij liggen. We slaan het laken om ons heen. We slapen in elkanders armen.


Elias buigt zich hoofdschuddend over ons. Hij gaat op ons zitten.
 
Elias:


Is het jullie nog niet opgevallen dat God een bedrieger is? Een tricheur.


’t Zal eens niet zijn zeker.


Wat gebeurde er bij de big bang met al die toekomstige glazen mensen?


Nogal wiedes. Allemaal versplinterd, gebarsten. Alleen hun ogen waren gespaard. En sommige keikoppen ook.

Hij staat op, en als hij ons vrijmaakt, zijn we de eerste mensen.
 
Ook Adam en Eva waren gespaard. Ja, anders was ’t de tuin van Eden niet. Geen barstje. Alsof er niets was gebeurd.


Begrijpen jullie zijn probleem?


Zo doorzichtig als zij waren, zo versplinterd en gebarsten zouden hun nakomelingen zijn.
En hoe hij dat ging oplossen? Daar moest hij eens straf over nadenken. En wij ook.

Het werd stil.


We keken elkaar verbaasd aan.


Beetje bij beetje keerden we terug uit de droomtijd. 


We probeerden dadelijk het verhaal te reconstrueren.


We herspeelden het, we vulden het aan.


We riepen elkaar nieuwe wendingen toe.


Sjamanen waren we.
De woorden verlieten hun verhaal, namen bezit van ons.


We hielden ze niet bij maar gaven ze door. Sommige woorden pelden we af en als er alleen nog een knikker was overgebleven rolden we die van de helling. De helling waarvoor we bang zijn. We houden liever onze ideeën vast. We durven ze niet weg gooien.

Nu echter gooiden we ze als sneeuwballen op de helling, waar ze tot reusachtige lawines uitgroeiden die de veilige huizen waarin we ons verborgen, platwalsten.


Woorden werden lijf en leden, openden geheime deuren, brachten ons thuis.

Wij speelden.

renate3.jpg

de kunstwerken zijn van de in Kroatie geboren Renate Cebular, verbonden aan de Jain Gallery New York